Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2862

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
17/00230
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:1346, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:2131
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Grieven tegen verzuimboete niet ondubbelzinnig ingetrokken. Verzuimboete en beschikking belastingrente terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 10-10-2018
FutD 2018-2711
V-N Vandaag 2018/2186
Viditax (FutD), 16-11-2018
V-N 2018/62.1.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00230

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 maart 2017, nummer BRE 16/1270, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 98.140 (hierna: de aanslag). Gelijktijdig zijn bij beschikking een verzuimboete van € 226 alsmede € 2.013 aan belastingrente in rekening gebracht. De Inspecteur heeft de aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.140. Bij in hetzelfde geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de beschikking belastingrente verminderd tot een bedrag van € 637 en de boetebeschikking verminderd tot een bedrag van € 52.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende in de onderhavige zaak geen griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 24 mei 2018 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer

[A] en mevrouw [B] . Het hoger beroep in de onderhavige zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met het hoger beroep in de zaak 17/00229.

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft met dagtekening 15 januari 2013 een voorlopige aanslag IB/PVV 2013 ontvangen die is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.008. Op basis van deze voorlopige aanslag is een teruggaaf verleend van € 30.160.

2.2.

Met dagtekening 28 februari 2014 is belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2013 (hierna: de aangifte). Op 31 maart 2014 heeft belanghebbende om uitstel voor het indienen van de aangifte verzocht. De Inspecteur heeft uitstel verleend tot 1 september 2014.

2.3.

Met dagtekening 19 september 2014 stuurt de Inspecteur belanghebbende een herinnering voor het doen van de aangifte. Belanghebbende wordt verzocht de aangifte uiterlijk 3 oktober 2014 in te dienen. Vanwege het uitblijven van de aangifte stuurt de Inspecteur met dagtekening 24 november 2014 een aanmaning voor het doen van de aangifte. Belanghebbende wordt gemaand de aangifte uiterlijk 8 december 2014 in te dienen. De Inspecteur wijst belanghebbende er tevens op dat het niet nakomen van de aangifteverplichting tot gevolg kan hebben dat een ambtshalve aanslag en een boete worden opgelegd.

2.4.

De Inspecteur legt met dagtekening 16 december 2015 ambtshalve de aanslag op. Belanghebbende heeft op dat moment geen aangifte gedaan. De ambtshalve aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 98.140. Gelijktijdig heeft de Inspecteur bij beschikking een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 226 en € 2.013 belastingrente in rekening gebracht.

2.5.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.140. Bij in hetzelfde geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de beschikking belastingrente verminderd tot een bedrag van € 637 en de boetebeschikking verminderd tot een bedrag van € 52.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft belanghebbende zijn standpunt met betrekking tot de boetebeschikking tijdens de zitting van de Rechtbank prijsgegeven?

II. Indien vraag I ontkennend wordt beantwoord, is de opgelegde verzuimboete terecht opgelegd?

III. Is terecht en tot het juiste bedrag belastingrente in rekening gebracht?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar die zien op de beschikking belastingrente en de boetebeschikking en tot vernietiging van de boetebeschikking en de beschikking belastingrente. De Inspecteur concludeert bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4.

De aanslag is niet meer in geschil.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1.

Belanghebbende voert in hoger beroep aan dat hij tijdens de zitting van de Rechtbank zijn stellingen met betrekking tot de boetebeschikking en de beschikking belastingrente heeft gehandhaafd en dat hij uitsluitend met betrekking tot de aanslag zijn grieven heeft laten varen. De Rechtbank heeft in haar uitspraak echter opgenomen dat belanghebbende ter zitting zijn grieven tegen de aanslag én de verzuimboete heeft laten varen. De Inspecteur stelt zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Rechtbank, op het standpunt dat belanghebbende zijn beroep tegen de boetebeschikking heeft ingetrokken. Hetgeen de Rechtbank in haar uitspraak heeft opgenomen komt, aldus de Inspecteur, overeen met zijn herinnering aan de zitting in eerste aanleg.

4.2.

Als uitgangspunt geldt dat het partijen vrij staat in hoger beroep hun standpunten te verdedigen met alle argumenten en stellingen. Een uitzondering geldt indien zij daardoor in strijd zouden handelen met een goede procesorde. Het is, onder meer, in strijd met een goede procesorde om een eenmaal expliciet en zonder voorbehoud prijsgegeven standpunt, wederom in te nemen. Ter vaststelling van de omvang van het geschil voor het Hof dient eerst te worden beantwoord de vraag of belanghebbende zijn grieven met betrekking tot de boetebeschikking tijdens de zitting van de Rechtbank uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk heeft prijsgegeven.

4.3.

Het Hof stelt voorop dat hetgeen is vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank een belangrijke kenbron is van het verhandelde ter zitting. Net als in hoger beroep bij het Hof, zijn de zaken van belanghebbende ten aanzien van de aan hem opgelegde aanslagen inkomstenbelasting 2011 en 2013 gezamenlijk behandeld. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank kan naar het oordeel van het Hof niet onomstotelijk worden vastgesteld dat belanghebbende zijn standpunt met betrekking tot de boetebeschikking ter zitting bij de Rechtbank uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk heeft prijsgegeven. Uit de volledige tekst van het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank is niet af te leiden wat de context is geweest van de uitlating van belanghebbende over de boetebeschikking, daar de boetebeschikking verder niet aan de orde lijkt te zijn geweest. Daarnaast heeft belanghebbende zijn uitlating met betrekking tot de boetebeschikking tegelijk gedaan met uitlatingen met betrekking tot het jaar 2011. Hoewel er voor het jaar 2011 geen boetebeschikking is gegeven en de boetebeschikking voor het jaar 2013 € 52 bedraagt, is de akkoordbevinding van belanghebbende met de boetebeschikking naar het oordeel van het Hof niet ondubbelzinnig gedaan. Vraag I wordt ontkennend beantwoord.

Vraag II

4.4.

Vanwege de ontkennende beantwoording van vraag I is mede in geschil of de boetebeschikking terecht is opgelegd en, indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, of de opgelegde boete passend en geboden is.

4.5.

Ingevolge artikel 67a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan uiterlijk bij de vaststelling van de aanslag een bestuurlijke boete worden opgelegd in het geval een belastingplichtige de aangifte voor een belasting die bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, gestelde termijn heeft gedaan.

4.6.

In paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) is bepaald tot welk bedrag de Inspecteur een verzuimboete oplegt wegens het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen, als bedoeld in artikel 67a, lid 1, van de AWR.

4.7.

Niet in geschil is dat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan. De Inspecteur heeft derhalve terecht een verzuimboete ingevolge artikel 67a van de AWR opgelegd. De boete na vermindering bij uitspraak op bezwaar is, mede gelet op het bepaalde in artikel 67a van de AWR en het BBBB, niet te hoog. Bij afwezigheid van alle schuld wordt geen boete opgelegd. Belanghebbende heeft verklaard dat hij geen aangifte heeft gedaan, omdat dit in zijn beleving niet mogelijk was. Volgens belanghebbende bestond er onduidelijkheid over zijn fiscale verplichtingen, omdat de Inspecteur had aangegeven bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2011 af te wijken van de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV 2011. Voor zover belanghebbende hiermee heeft betoogd dat er geen sprake is van schuld, wordt dit door het Hof verworpen. Er valt niet in te zien waarom belanghebbende geen aangifte kon doen, omdat er een verschil van mening bestond over de afwikkeling van de ingediende aangifte over het jaar 2011. Dit geldt des te meer nu het geschil over de aangifte IB/PVV 2011 zijn oorsprong had in een onjuiste informatieverstrekking van een voormalig werkgever van belanghebbende. Belanghebbende was in het onderhavige jaar niet meer werkzaam bij deze werkgever en alle wederzijdse verplichtingen tussen beide partijen waren door een in 2012 gesloten vaststellingsovereenkomst afgehandeld. Het Hof acht een boete van € 52 passend en geboden. Vraag II dient bevestigend te worden beantwoord.

Vraag III

4.8.

De beschikking belastingrente is conform de wettelijke bepalingen vastgesteld. Belanghebbende heeft geen concrete grieven aangevoerd tegen de hoogte van de beschikking belastingrente en het Hof is evenmin gebleken dat deze onjuist is vastgesteld. Onder omstandigheden kan een beschikking belastingrente worden gematigd indien de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Vraag III dient bevestigend te worden beantwoord.

Slotsom

4.9.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10.

Van belanghebbende is geen griffierecht geheven.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 6 juli 2018 door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, M. Harthoorn en M.H.P. Groenland, leden, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.