Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2856

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
20-002395-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is ter zake van ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002395-17

Uitspraak : 10 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juli 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-860325-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte vrijgesproken ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde en ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde ter zake van ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van voorarrest.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] is toegewezen tot een bedrag van € 1.078,22, bestaande uit € 78,22 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is met betrekking tot het niet toegewezen gedeelte van de gevorderde immateriële schade en een gedeelte van de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige is de vordering afgewezen. Ten slotte is verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd (met uitzondering van het onder 2 ten laste gelegde eerste en tweede deelstreepje) en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 4.128,22, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen in de kosten door de benadeelde partij gemaakt in eerste aanleg en in hoger beroep.

Door de verdediging is primair integrale vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging het hof verzocht de totale gevorderde reiskosten toe te wijzen tot een bedrag van € 78,22 en de gevorderde telefoonkosten af te wijzen. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair dat het hof het toe te wijzen bedrag zal matigen. Ten aanzien van de proceskosten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, behalve voor wat betreft:

- de op pagina 3, derde, vierde en vijfde alinea [Dat de gang … worden vrijgesproken]. Deze overweging wordt vervangen door de navolgende overweging:

Ten aanzien van de ten laste gelegde handelingen onder het eerste en tweede deelstreepje van het onder 2 ten laste gelegde is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat het dossier, naast de verklaring van het slachtoffer, geen bewijsmiddelen bevat die niet afkomstig zijn van dezelfde bron. Gelet hierop ontbreekt voldoende ondersteunend bewijs voor het gestelde misbruik en kan het hof niet boven redelijke twijfel vaststellen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de door het slachtoffer aangegeven handelingen, die door verdachte worden ontkend. Een nadere objectieve ondersteuning van de verklaring van het slachtoffer ontbreekt.

Met betrekking tot de ten laste gelegde handelingen onder het derde deelstreepje heeft de verdachte verklaard dat het wel eens voorgekomen kan zijn dat hij naakt in bed lag terwijl het slachtoffer tegen hem aan lag, maar dat er geen sprake was van een ontuchtig karakter. Anders dan de advocaat-generaal is het hof is van oordeel dat er op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanwijzingen voorhanden zijn waaruit blijkt dat er sprake is geweest van een seksueel karakter op de momenten dat verdachte naakt tegen het slachtoffer aan heeft gelegen.

Gelet op het voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

  • -

    de op pagina 4 opgenomen datum van het informatieve gesprek met [slachtoffer] en deze datum wordt vervangen door: 26 oktober 2015;

  • -

    de op pagina 8, tweede alinea [Waarom acht de … heeft ontkend];

  • -

    de opgelegde straf en de strafmotivering;

  • -

    de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Ten slotte overweegt het hof ten overvloede dat het verweer van de verdediging – dat er ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde niet voldaan is aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering – geen hout snijdt. Het hof is van oordeel dat de verklaringen van het slachtoffer [slachtoffer] steun vinden in de verklaringen van haar moeder, [naam moeder] . Hoewel de verklaringen van [naam moeder] van dezelfde bron afkomstig zijn (de verklaringen van het slachtoffer), kunnen deze verklaringen wel degelijk steunbewijs opleveren, nu uit deze verklaringen blijkt dat het slachtoffer de volgende dag geëmotioneerd het incident aan haar moeder heeft verteld, en waaruit dus haar gemoedstoestand is gebleken. Daarnaast geven de verklaringen van verdachte ook in belangrijke mate steun aan de verklaringen van het slachtoffer, zoals blijkt uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verklaringen van het slachtoffer in voldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn minderjarig stiefkind. Hij heeft puur uit eigen seksuele behoeftebevrediging op grove wijze misbruik gemaakt van zijn positie als stiefvader door het slachtoffer ontuchtige handelingen te laten ondergaan. Op deze wijze heeft de verdachte, in plaats van zijn stiefkind bescherming en geborgenheid te bieden, haar vertrouwen geschonden en een grote inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en psychische integriteit. Uit de slachtofferverklaring komt naar voren dat het bewezen verklaarde een grote invloed op het leven van het slachtoffer en haar familie heeft gehad. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat uit de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 april 2018, betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte, blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, welke tijdens het verhandelde ter terechtzitting zijn gebleken. Daarbij heeft het hof kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 20 juni 2017, waarin is geadviseerd om, in geval van een veroordeling, een onvoorwaardelijke straf op te leggen, waarbij er contra-indicaties aanwezig zijn voor het uitvoeren van een werkstraf aangezien het een zedendelict betreft.

Het hof is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles overziend is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.296,18, bestaande uit

€ 296,18 aan materiële schade (reiskosten van € 146,18 en telefoonkosten van € 150,00) en

€ 4.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de benadeelde partij een vergoeding gevorderd voor de gemaakte proceskosten, te weten reiskosten van € 15,24.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.078,22, bestaande uit € 78,22 (gedeelte van de reiskosten) aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is met betrekking tot het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schade en de post telefoonkosten niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Voor het overige is de vordering afgewezen, te weten het overige gedeelte van de reiskosten. Voorts is verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij tot een bedrag van € 15,24.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep kenbaar gemaakt de vordering tot schadevergoeding te handhaven en daarnaast heeft de benadeelde partij het hof verzocht om een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, welke vastgesteld dient te worden volgens het liquidatietarief.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.128,22, bestaande uit € 128,22 aan materiële schade (reiskosten van € 78,22 en telefoonkosten van € 50,00) en € 1.000,00 aan immateriële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2015.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is verder onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij de overige gevorderde materiële schade heeft geleden, te weten € 167,96. Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering voor dat gedeelte zal worden afgewezen.

Het hof zal de benadeelde partij in het overige deel van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren, aangezien behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu er thans nog onvoldoende gegevens voorhanden zijn om de gevolgen voor het slachtoffer van het bewezen verklaarde te beoordelen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de gevorderde kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep overweegt het hof het navolgende.

Voor de rechtsgang in hoger beroep is het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven (per 1 mei 2018) van toepassing. Daarbij geldt ten aanzien van een “principaal appel van sector kanton op hof” het tarief als bij “principaal appel van rechtbank op hof”, te weten een tarief van € 759,00 per punt in zaken met een geldswaarde van een hoofdsom beneden de € 10.000,00. De benadeelde partij komt één punt toe, namelijk voor de aanwezigheid van haar advocaat ter terechtzitting in hoger beroep.

Daarnaast zullen de proceskosten van de benadeelde partij in eerste aanleg ten laste van de verdachte worden gebracht, te weten € 15,24.

Op basis van het voorgaande wordt een bedrag van € 15,24 (eerste aanleg) plus een bedrag van € 759,00 (hoger beroep), in totaal € 774,24 aan proceskosten toegewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 128,22 en immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag en vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor de duur van 21 dagen zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de door de eerste rechter opgelegde straf en de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.128,22 (duizend honderdachtentwintig euro en tweeëntwintig cent) bestaande uit € 128,22 (honderdachtentwintig euro en tweeëntwintig cent) aan materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 167,96 (honderdzevenenzestig euro en zesennegentig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.128,22 (duizend honderdachtentwintig euro en tweeëntwintig cent) bestaande uit € 128,22 (honderdachtentwintig euro en tweeëntwintig cent) aan materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 23 augustus 2015.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 774,24 (zevenhonderdvierenzeventig euro en vierentwintig cent).

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door:

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven en mr. S. Riemens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,

en op 10 juli 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.