Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2853

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
06-07-2018
Zaaknummer
200.223.845_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:3745
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

omgangsregeling;

Verzoek grootouders tot omgang met kleinkind nu er sprake is van ‘family life’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2018/66.36
RFR 2018/137
PFR-Updates.nl 2018-0182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 5 juli 2018

Zaaknummer: 200.223.845/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/306234 / FA RK 16-1513.2

in de zaak in hoger beroep van:

[grootmoeder] en

[grootvader] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten in principaal appel,

verweerders in incidenteel appel,

hierna te noemen: de grootouders,

advocaat: mr. J.J.E. van Berlo,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.H.A.J. Slaats.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de tussen partijen gewezen beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 juni 2017 met bovenvermeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 september 2017, hebben de grootouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - hun verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling met hun kleindochter [minderjarige] alsnog toe te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 7 november 2017, heeft de moeder verzocht het verzoek van de grootouders af te wijzen en de door hen bestreden beschikking te bekrachtigen.

Tevens heeft de moeder incidenteel appel ingesteld en verzocht om de tussenbeschikking van de rechtbank van 12 juli 2016 te vernietigen en de grootouders alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 14 december 2017, hebben de grootouders verzocht om de verzoeken van de moeder in incidenteel appel af te wijzen en de beschikking van de rechtbank van 12 juli 2016 te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 mei 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de grootouders, bijgestaan door mr. Van Berlo;

  • -

    mr. Slaats namens de moeder;

  • -

    de heer [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad.

2.3.1.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de rapportage van de raad d.d. 2 februari 2017;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 22 mei 2018.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

3.1.

Uit de moeder is - voor zover in hoger beroep van belang - geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] .

De vader, [de vader] , heeft [minderjarige] erkend.

De moeder heeft het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij tussenbeschikking van 12 juli 2016 heeft de rechtbank vastgesteld dat er sprake is van nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootouders en [minderjarige] en de grootouders in zoverre ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling.

De rechtbank heeft in het kader van dit verzoek een raadsonderzoek gelast en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.3.

In zijn rapport van 2 februari 2017 heeft de raad geadviseerd een begeleide omgangsregeling via het Omgangshuis vast te stellen, nader in te vullen door het Omgangshuis en betrokkenen.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het primaire verzoek van de grootouders afgewezen en een informatieregeling vastgesteld waarbij de moeder de grootouders regelmatig, doch in ieder geval een keer in de twee maanden, schriftelijk dient te informeren over het welzijn, de gezondheid en de ontwikkeling van [minderjarige] . Daarnaast dient de moeder jaarlijks - in januari en juli - een recente foto van [minderjarige] aan de grootouders toe te zenden.

3.5.

De grootouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De grootouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende aan.

Zij stellen op de eerste plaats dat zij ontvankelijk zijn in hun verzoek, nu zij voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen hen en [minderjarige] . In het verleden hebben zij een substantieel deel van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] voor hun rekening genomen. Vanwege deze structurele en intensieve betrokkenheid was er sprake van een overstijging van het gebruikelijke grootouders-kleinkind contact.
Omgang is in het belang van [minderjarige] nu [minderjarige] en haar grootouders erg aan elkaar gehecht zijn. De moeder dient haar eigen belang ondergeschikt te maken aan het belang van [minderjarige] en dient mee te werken aan een situatie waarin contact weer mogelijk is. Het ontbreken van bereidheid en medewerking van moeder en stiefvader mag geen contra-indicatie vormen.

Contactherstel via een omgangshuis, zoals door de raad geadviseerd, is met voldoende waarborgen omkleed en eventuele negatieve invloeden op de ontwikkeling van [minderjarige] kunnen op deze wijze tot een minimum worden beperkt. Het biedt bovendien een opening voor het herstel van contact tussen partijen.

3.7.

De moeder voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende aan.

De grootouders zijn niet ontvankelijk in hun verzoek. Zij zijn zeer betrokken geweest bij [minderjarige] , maar zij hebben [minderjarige] niet zelfstandig verzorgd of opgevoed, ook niet in de periode dat de moeder en [minderjarige] bij de grootouders inwoonden.

Alhoewel er sprake was van een prettig contact en alhoewel er nadien ook uitjes en oppasmomenten zijn geweest, maakt dit nog niet dat er sprake is geweest van ‘family life’.

De relatie tussen de moeder en grootmoeder is sinds geruime tijd ernstig verstoord en een omgangsregeling zal onvermijdelijk tot spanningen leiden. Deze spanningen zullen hun weerslag op [minderjarige] hebben. De moeder voelt zich in wisselende bewoordingen door de grootouders gediskwalificeerd. Ten onrechte trekken de grootouders in twijfel dat de problematiek aan zijde van de moeder de omgang in de weg zou staan.

De moeder heeft een kwetsbare psychische gesteldheid en zij is niet in staat om de thans door haar gevolgde therapie te combineren met de door grootouders gewenste omgang.

Nu [minderjarige] en haar halfbroertje [halfbroertje] (geboren [geboortedatum] 2015) gebaat zijn bij een goed functionerende moeder kan er van een contactherstel geen sprake zijn, om redenen als beschreven.

3.8.

De raad heeft ter zitting - samengevat - als volgt geadviseerd.

De grootouders hebben altijd een grote rol gehad in het leven [minderjarige] en de raad acht het voor [minderjarige] van belang dat het contact tussen haar en haar grootouders wordt hersteld.

Er zijn goede voorzieningen om de omgang tussen [minderjarige] en de grootouders te faciliteren en te begeleiden, zodat de problematiek van de moeder geen beletsel vormt om deze omgang tot stand te brengen. Zo nodig kan de therapeut van de moeder in dit proces worden betrokken om te voorkomen dat het contactherstel aan het geestelijk herstelproces van de moeder in de weg staat. Het is niet in het belang van [minderjarige] om te wachten totdat de moeder volledig is hersteld.

3.9.

Het hof overweegt als volgt.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.

Op grond van het tweede lid kan de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststellen.

Op grond van het derde lid kan de rechter het recht op omgang slechts ontzeggen op één van de in dit lid genoemde gronden.

3.9.2.

Allereerst dient het hof vast te stellen of er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen [minderjarige] en haar grootouders.

De familierechtelijke verwantschapsrelatie is hiertoe niet voldoende; er dienen bijkomende omstandigheden naar voren te worden gebracht.

Door de moeder is niet weersproken dat zij met [minderjarige] enige maanden bij de grootouders in gezinsverband heeft samengewoond.

Verder is uit de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard gebleken, dat de moeder en [minderjarige] in het verleden regelmatig bij de grootouders verbleven, waarbij de grootouders ook een deel van de verzorging van [minderjarige] op zich hebben genomen. Dit blijkt onder meer uit de betrokkenheid van de grootmoeder bij de diabetesproblematiek van [minderjarige] , waarbij de grootmoeder ook aanspreekpunt is geweest voor het kinderdagverblijf en school en zij bevoegd was om [minderjarige] zo nodig injecties toe te dienen.

De grootouders hebben meer dan zes jaar een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] gespeeld en een goed contact met haar gehad.

Op grond van het voorgaande staat vast dat er sprake is geweest van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootouders en [minderjarige] en zijn de grootouders derhalve ontvankelijk in hun verzoek. Dat er al enige tijd geen contact is geweest maakt dit niet anders. Het verzoek van de moeder in incidenteel appel wordt derhalve afgewezen.

3.9.3.

Het hof stelt verder vast dat [minderjarige] de afgelopen jaren veel heeft meegemaakt.

Zij heeft moeten leren omgaan met haar ziekte, er hebben een aantal verhuizingen en schoolwisselingen plaatsgevonden en de moeder en [minderjarige] zijn een nieuw gezinsverband aangegaan met de huidige partner van de moeder, waarbij er ook een broertje in het leven van [minderjarige] is gekomen. Tegelijkertijd zijn de grootouders, met wie [minderjarige] een hechte band had en die zij regelmatig zag, van de ene op de andere dag door de moeder uit het leven van [minderjarige] geweerd en is er al circa drie jaar lang geen contact meer tussen hen geweest.

Nu de grootouders meer dan zes jaar lang vaste hechtingsfiguren voor [minderjarige] zijn geweest en zij bij alle veranderingen altijd een stabiele factor in haar leven zijn geweest, heeft [minderjarige] er belang bij dat het contact met haar grootouders spoedig wordt hersteld.

Het belang van [minderjarige] bij contactherstel dient zwaarder te wegen dan de belangen van de moeder om het contact met de grootouders uit de weg te gaan.

Alhoewel het hof onderkent dat er bij de moeder sprake is van psychische problematiek, die mogelijk samenhangt met de ervaringen uit haar jeugd, is er geen sprake is van een ontzeggingsgrond, zoals bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW.

De gevolgen van het contactherstel op de gesteldheid van de moeder kunnen, zoals door de raad ook is geadviseerd, voor een groot deel worden ondervangen door de inzet van een professionele instelling die de omgangsregeling begeleidt, zodat het volledige herstel van de moeder, dat volgens haar therapeut nog geruime tijd in beslag gaat nemen, niet hoeft te worden afgewacht.

Een omgangshuis kan de moeder - wellicht in samenspraak met de therapeut van de moeder - handvatten bieden om met de mogelijke spanningen die het contactherstel met zich meebrengt, om te gaan. Op deze wijze zullen de spanningen voor [minderjarige] ook tot een minimum kunnen worden beperkt.

3.9.4.

Mede gelet op het advies van de raad zal het hof partijen verwijzen naar Stichting Combinatie Jeugdzorg te [vestigingsplaats] voor een begeleide omgangsregeling (BOR), met als doel, te komen tot onbegeleide omgang.

De vorm, frequentie en duur van de begeleide omgang zal aan Stichting Combinatie Jeugdzorg worden overgelaten. Stichting Combinatie Jeugdzorg dient uiterlijk op de hierna te vermelden datum schriftelijk aan het hof te rapporteren.

3.9.5.

Teneinde de moeder in staat te stellen om zich op het contactherstel voor te bereiden, zal aan haar een termijn van een half jaar worden gegund voordat de BOR zal aanvangen. Zij kan deze tijd gebruiken door een en ander met haar therapeut te bespreken, zodat de therapie van de moeder zo nodig hierop kan worden aangepast.

Mocht de moeder over een half jaar nog steeds niet in staat zijn om het contact met de grootouders aan te gaan, dan gaat het hof ervan uit dat de moeder een derde zal inschakelen om [minderjarige] naar het omgangshuis te brengen en daar op te halen.

3.10.

Het hof zal als volgt beslissen.

4 De beslissing

Het hof:

op het incidenteel appel:

wijst af het verzoek van de moeder in het incidenteel appel;

op het principaal appel:

bepaalt dat de grootouders en [minderjarige] (geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ) gerechtigd zijn tot contact met elkaar in het kader van het traject Begeleide Omgangsregeling (BOR) van Stichting Combinatie Jeugdzorg te [vestigingsplaats] teneinde zo mogelijk ook te komen tot onbegeleide omgang;

bepaalt dat het traject via de BOR niet eerder zal aanvangen dan in januari 2019;

bepaalt dat de Stichting Combinatie Jeugdzorg de vorm, frequentie en duur van de omgang nader zal vaststellen en over het verloop van de omgang uiterlijk op 9 mei 2019 schriftelijk aan het hof zal rapporteren;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan tot 9 mei 2019 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, E.A.M. Scheij en H.J. Witkamp en is op 5 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.E.M. Geertsma-van Ooijen, griffier.