Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2833

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
200.217.354_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Verdeling als bedoeld in art. 3:182 BW. Feitelijke verdeling met wederzijdse instemming en overeenstemming over de financiële consequenties die de verdeling van de goederen voor ieder van partijen heeft (het ontstaan van vorderingen uit over- en onderbedeling).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 182
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.217.354/01

zaaknummer rechtbank : C/01/303809/ FA RK 16-352

beschikking van de meervoudige kamer van 5 juli 2018

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. C.F.M.L. van Beukering-Michielsen te Eindhoven,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. I.E. Nonnemaker te Eindhoven.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 maart 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 14 juni 2017 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2

De man heeft op 1 augustus 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 16 augustus 2017 met productie 12;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 17 januari 2018 met productie 13.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 7 februari 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

  • -

    a) Partijen zijn op 25 augustus 1972 te Eindhoven met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.

  • -

    b) Het verzoek tot echtscheiding is ingediend op 21 januari 2016.

  • -

    c) Bij de bestreden beschikking (17 maart 2017) is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.

  • -

    d) Het huwelijk van partijen is op 20 juli 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap gelast.

4.2

De vrouw verzoekt de beschikking waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen zoals blijkt uit het door de vrouw als productie 11 bij het beroepschrift overgelegde overzicht, waarbij de activa die in de kolom van de man zijn opgesomd aan hem worden toegedeeld en de in die kolom genoemde passiva voor zijn rekening komen en de activa, genoemd in de kolom vrouw aan de vrouw toekomen en de daarin genoemde passiva voor haar rekening komen en te bepalen dat de vrouw uit hoofde van die verdeling een bedrag van € 89.566,30 aan de man dient te voldoen op het moment dat de notariële akte van verdeling wordt gepasseerd.

4.3

De man heeft zich tegen deze verzoeken verweerd en hij heeft verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het beroep van de vrouw en daarmee haar verzoeken, af te wijzen onder bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof stelt allereerst vast dat de vrouw vol appel heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking. Nu de vrouw echter geen grief heeft aangevoerd tegen de daarbij uitgesproken echtscheiding en voorts is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking op 20 juli 2017 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, behoeft dit punt thans geen verdere bespreking meer.

5.2

De peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap is 21 januari 2016 (datum van indiening echtscheidingsverzoek). Partijen zijn het er over eens dat deze datum ook als peildatum voor waardering van de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen geldt. Het hof zal daarvan dan ook uitgaan.

5.3

De vrouw heeft twee grieven aangevoerd. Het hof zal de grieven hierna bespreken. Alvorens daartoe over te gaan, stelt het hof vast dat de vrouw, zoals door de vrouw nader toegelicht ter zitting, met haar hoger beroep in wezen beoogt dat het bedrag dat zij uit hoofde van haar overbedeling aan de man dient te vergoeden, wordt vastgesteld, met inachtneming van haar hierna te bespreken grieven. Voor het overige is de door de rechtbank gelaste wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap niet in geschil.

Grief 1 (activum en passivum)

5.4

In haar eerste grief klaagt de vrouw erover dat de rechtbank heeft bepaald dat de huwelijksgemeenschap de op pagina 2 en 3 van de bestreden beschikking genoemde bestanddelen omvat. De vrouw is van mening dat er zowel een activum als een passivum ontbreekt.

Grief 1 (onderdeel activum)

5.5

Het activum dat zou ontbreken, is het aandeel van de man in de nalatenschap van zijn moeder. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw dit onderdeel van de grief ingetrokken, zodat dit thans geen verdere bespreking behoeft.

Grief 1 (onderdeel passivum)

5.6

Ten onrechte ontbreekt de schuld aan de Belastingdienst die betrekking heeft op het jaar 2015. Ter toelichting wijst de vrouw op het volgende. Het betreft een beschikking zorgtoeslag d.d. 26 april 2017 op grond waarvan een bedrag van € 1.621,-- aan de Belastingdienst betaald dient te worden. De beschikking is weliswaar ná de peildatum ontvangen, maar omdat deze betrekking heeft op de periode vóór de peildatum, is het een huwelijkse schuld. De vrouw heeft de schuld aan de Belastingdienst voldaan, zodat zij een vordering op de man heeft van € 810,50 (zijnde ½ van € 1.621,--).

5.7

De man voert hiertegen het volgende aan. De schuld bestaat, maar deze maakt geen deel uit van de huwelijksgemeenschap, omdat zij dateert van 26 april 2017, derhalve van ná de peildatum. Dat de schuld betrekking heeft op het jaar 2015 is niet relevant, ook omdat partijen al vanaf 2010 gescheiden leefden en sindsdien geen gezamenlijke huishouding meer voerden.

5.8

Het hof overweegt als volgt. De schuld aan de Belastingdienst heeft betrekking op het jaar 2015 en is derhalve ontstaan vóór de peildatum (21 januari 2016). Daarmee behoort die schuld tot de (inmiddels ontbonden) huwelijksgemeenschap (art. 1:94 lid 2 (oud) BW). Het feit dat de Belastingdienst de beschikking eerst op 26 april 2017 aan de vrouw heeft verzonden, alsmede het feit dat partijen al sedert 2010 feitelijk gescheiden leefden en geen gezamenlijke huishouding meer voerden, maakt het dit niet anders. Voor zover de man heeft willen betogen dat – in afwijking van de hoofdregel van artikel 1:100 BW – alleen de vrouw draagplichtig is voor de schuld, verwerpt het hof dit betoog. De man heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld die afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. Het enkele feit dat partijen al sedert 2010 gescheiden leefden, is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid.

5.9

Het voorgaande brengt met zich dat partijen gelijkelijk draagplichtig zijn voor de schuld. Nu de vrouw onbetwist heeft gesteld dat zij deze schuld volledig heeft voldaan, dient de man de vrouw de helft van dit bedrag, te weten (€ 1.621,-- : 2 =) € 810,50 te voldoen. Dit onderdeel van de grief slaagt dus.

Grief 2

5.10

De tweede grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte de vordering van de vrouw ten aanzien van de koopsompolis ad f 97.170,-- (gulden) (ofwel € 44.093,82 (euro)) en lening ad € 25.000,-- heeft afgewezen.

5.11

De rechtbank heeft hierover als volgt overwogen:

“Vordering ten aanzien van de opbrengst koopsompolis € 44.093,82 en lening € 25.000.00

De vrouw stelt dat er tijdens het huwelijk twee koopsompolissen tot uitkering zijn gekomen en dat partijen bij overeenkomsten van 2 en 8 december 2011 zijn overeengekomen dat de opbrengst van de tweede koopsompolis van f1. 97.170,00, oftewel € 44.093,82, bij een echtscheiding geheel ten goede dient te komen aan de vrouw’. Daarnaast heeft de vrouw tijdens het huwelijk een bedrag van € 25.000,00 aan de man geleend uit gelden van een ontslagvergoeding die zij heeft ontvangen. Ook daarvan hebben partijen een overeenkomst opgesteld. Partijen hebben met deze overeenkomsten expliciet afgesproken dat de bedragen van € 44.093,82 en € 25.000,00 als voorschot aan de man op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap dient te worden beschouwd. De vrouw stelt zich derhalve op het standpunt dat deze bedragen op het overbedelingsbedrag van de vrouw, ervan uitgaande dat de woning aan haar wordt toegedeeld, in mindering dienen te worden gebracht, nu de man deze bedragen reeds in het kader van een voorschot heeft ontvangen. Volgens de vrouw heeft de man eerder erkend dat dit dient te worden gezien als een voorschot op de overbedeling van de vrouw in het kader van de echtscheiding en verwijst daarvoor naar twee e-mails van de man waarin hij erkent dat de opbrengst van de koopsompolis en het bedrag van € 25.000,00 in mindering moeten worden gebracht op het overbedelingsbedrag. De vrouw doet een uitdrukkelijk beroep op het haviltex criterium en de redelijkheid en billijkheid.

De man stelt zich op het standpunt dat de vordering van de vrouw dient te worden afgewezen, nu hiervoor geen juridische grondslag geldt. De tweede koopsompolis is net als de eerste koopsompolis uitbetaald aan [onderneming] en geheel opgegaan om een mogelijk faillissement af te wenden. Tussen partijen was niet in geschil dat het geld daarvoor was bedoeld. Dat de man een overeenkomst heeft getekend dat de waarde van de koopsompolis bij een scheiding zal worden verrekend ten gunste van de vrouw doet niet meer ter zake, nu er geen koopsompolis meer is, de opbrengst hiervan volledig is verdampt en er derhalve niets meer te verdelen valt.

De man betwist dat de vrouw hem €25.000,00 heeft geleend. Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd en er kan dan geen sprake zijn van overheveling van gelden dan wel een lening tussen echtgenoten. Het genoemde bedrag is volgens de man gebruikt om de eenmanszaak overeind te houden en voor de bestrijding van de kosten van levensonderhoud.

De overeenkomsten die de vrouw de man heeft laten tekenen, waren een dwangmiddel, omdat de vrouw anders niet bereid was om financieel hij te springen. Indien de rechtbank van oordeel is dat de genoemde bedragen dienen te worden betrokken in de verdeling, doet de man een beroep op misbruik van omstandigheden, op grond waarvan deze verklaringen dienen te worden vernietigd. De verklaringen zijn tot stand gekomen onder sterke druk van de vrouw. De man zat in grote financiële nood en kon geen kant op. De vrouw heeft daarvan misbruik gemaakt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 1:100 BW hebben echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden. Met dit laatste wordt een echtscheidingsconvenant bedoeld.

In dit geval hebben partijen geen huwelijkse voorwaarden opgemaakt en ook geen echtscheidingsconvenant gesloten. De vrouw beroept zich op de tussen partijen gesloten overeenkomsten van 2 en 8 december 2011. Nu de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap op 21 januari 2016 is ontbonden, is de rechtbank van oordeel dat deze overeenkomsten uit 2011 niet kunnen worden gezien als overeenkomsten tussen de echtgenoten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap, zodat van de uitzonderingen zoals bepaald in artikel 1:100 BW geen sprake is.

Een afwijking van de regel dat echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap van goederen hebben, is vervolgens niet geheel uitgesloten. Dit kan echter slechts in zeer uitzonderlijke gevallen worden aangenomen, waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (HR 7 december 1990, nr. 14036, NJ1991, 593).

De rechtbank is van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde omstandigheden noch op zichzelf noch in onderlinge samenhang zo uitzonderlijk zijn dat toepassing van de wettelijke verdelingsmaatstaf naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn en dat een afwijking van genoemde regel gerechtvaardigd is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat een voorschot op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap niet bestaat en dat een geldlening tussen echtgenoten die in gemeenschap van goederen zijn gehuwd in principe niet mogelijk is, aangezien deze geldlening zelf dan ook weer in de gemeenschap zou vallen. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een uitzonderlijk geval die [dat, hof ] afwijking van de hoofdregel zoals bepaald in artikel 1:100 BW rechtvaardigt, zodat de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld.”

5.12

De vrouw betoogt dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wél sprake is van een overeengekomen voorschot (van € 44.093,82 en € 25.000,--) op de verdeling van de huwelijksgemeenschap. In aanvulling op hetgeen zij dienaangaande in eerste aanleg al heeft aangevoerd, wijst de vrouw in hoger beroep nog op het volgende.

In 2007 heeft de man zijn huidige partner leren kennen. In 2010 is de situatie van partijen onhoudbaar geworden en heeft de man de echtelijke woning verlaten. Vanaf het moment dat de man eigen woonruimte heeft betrokken, hebben partijen financiële afspraken gemaakt, die er op neerkomen dat ieder in zijn eigen levensonderhoud voorziet. Over de kosten van de man die nog wel van de gezamenlijke bankrekening werden afgeschreven, hebben partijen de afspraak gemaakt dat de man die kosten maandelijks aan de vrouw zou overmaken (onder aftrek van 50% van de maandelijks ontvangen zorgtoeslag; die aldus ook werd gedeeld). De vrouw heeft haar standpunt over de koopsompolissen en het bedrag van € 25.000,-- voorts als volgt toegelicht.

Koopsompolissen

Partijen hadden ten tijde van het huwelijk twee koopsompolissen. In 2011, toen partijen al niet meer samen waren, heeft de man één van deze koopsompolissen verzilverd, buiten medeweten van de vrouw. De vrouw is het met deze verzilvering nooit eens geweest. Het verzilverde bedrag – waarvan de exacte waarde de vrouw onbekend is – is geheel aan de man toegevallen en ook door hem geconsumeerd.

Omdat de man onvoldoende financiële armslag had, wilde hij enige tijd later óók de tweede koopsompolis verzilveren. De man heeft de vrouw verzocht of zij wilde meewerken aan verzilvering van deze polis. De vrouw is hiermee onder voorwaarden akkoord gegaan. Deze voorwaarden zijn neergelegd in de overeenkomsten van 2 en 8 december 2011.

De overeenkomst van 2 december 2011 luidt als volgt:

“(…) [De man] verklaart in januari 2012 in ontvangst te nemen de waarde van de koopsompolis.

Aangezien [de man] de volledige waarde van de eerste koopsompolis heeft genoten, zal de waarde van de tweede koopsompolis bij een scheiding volledig worden verrekend ten laste van het deel dat [de man] toekomt.”

De overeenkomst van 8 december 2011 luidt als volgt:

“De volledige waarde van deze koopsompolis [fl 97.170,-- eerder in de overeenkomst genoemd, hof] zal bij scheiding worden verrekend ten gunste van [de vrouw] aangezien de eerste koopsompolis al volledig door [de man] is benut.

De afspraak kwam er volgens de vrouw – zoals door haar nader toegelicht ter zitting – op neer dat de eerste polis voor de man was en de tweede polis voor de vrouw. De waarde van de polissen was ongeveer gelijk. Ter zitting van het hof heeft de vrouw verder uitgelegd dat de bruto waarde van de polis weliswaar € 44.093,82 is, maar dat dit netto € 22.500,-- is. De netto waarde moet bij de verdeling worden betrokken.

Bedrag € 25.000,--

In 2014 heeft de man de vrouw verzocht of hij geld van haar kon lenen. De vrouw heeft hiermee ingestemd, doch niet nadat de man ter zake een schuldverklaring zou tekenen. De man heeft dit op 18 november 2014 gedaan. Deze schuldverklaring is op dezelfde datum bij afzonderlijke schuldverklaring aangevuld. Daarin staat het volgende:

“Hierbij verklaar ik [de vrouw] een bedrag van 25.000,= euro te hebben verstrekt aan [de man] op basis van een lening. Het bedrag zal bij echtscheiding worden verrekend ten gunste van [de vrouw]”

De aanspraken van de man op de verdeling van de huwelijksgemeenschap moeten ten slotte worden getoetst aan de redelijkheid en billijkheid waarnaar de man zich als een deelgenoot in een (ontbonden) gemeenschap van goederen heeft te gedragen (art. 3:166 lid 3 en art. 6:2 BW).

5.13

De man voert het volgende aan. De waarde van de eerste polis is niet bekend, zodat de eerste polis niet tegen de waarde van de tweede polis kan worden “afgezet” (verklaring man ter zitting van het hof). Het is juist dat de man in 2014 bij de vrouw heeft aangeklopt voor het bedrag van € 25.000,--, omdat hij geld nodig had en dat hij dit geld van de vrouw heeft verkregen onder de voorwaarden zoals opgenomen in de door de vrouw overgelegde stukken. Echter, voor zowel de polissen als het bedrag geldt dat de vordering van de vrouw juridische grondslag mist. De rechtbank heeft deze vordering van de vrouw dan ook terecht afgewezen.

5.14

Het hof overweegt als volgt. Deze zaak draait om de vraag of met de afspraken van partijen over de tweede koopsompolis en het bedrag van € 25.000,-- bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap rekening moet worden gehouden (standpunt vrouw) of dat aan die afspraken geen betekenis toekomt en daaraan moet worden voorbijgegaan (standpunt man).

Om op deze kwestie te kunnen beslissen, moeten de afspraken worden uitgelegd. In dit verband, zij ook verwezen naar HR 12 juli 2013 (Texelse woning), ECLI:NL:HR:2013:
BZ8746, rov. 3.5:

“(…) de rechter dient de wijze van verdeling te bepalen met inachtneming van de tussen de deelgenoten geldende rechtsverhouding, zulks mede in het licht van het bepaalde in art. 3:166 lid 3 BW.”

De uitleg van de afspraken dient plaats te vinden aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635):

“De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht.”

Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493).

Het hof stelt voorop dat partijen vanaf het moment dat het slecht ging met hun huwelijk, de man een affectieve relatie kreeg met een ander en hij elders ging wonen, hun vermogensrechtelijke betrekkingen steeds verder hebben ontvlochten. Partijen hebben afgesproken dat zij beiden in hun eigen levensonderhoud gingen voorzien en dat zij hun eigen kosten zouden betalen (al dan niet via verrekening). De man beschikte over een auto en over een inboedel in de door hem bewoonde woning, en dit gold ook voor de vrouw (waarover ook de bestreden beschikking, p. 5 en 6). De man heeft zijn eenmanszaak voorgezet, zonder bemoeienis van de vrouw.

De afspraken over de polissen en het bedrag van € 25.000,-- moeten dan als vervolgstap, zo niet sluitstuk van die ontvlechting worden aangemerkt. Partijen hebben daarbij ook gecontracteerd met het oog op de echtscheiding (en dus de ontbinding van de gemeenschap). De man heeft dit zo begrepen blijkens zijn e-mails aan de vrouw van 5 en 7 augustus 2015, waarin hij verklaart dat hij er geen probleem mee heeft dat de tweede koopsompolis in de “afhandeling” wordt betrokken en dat hij de leningen erkent en dat deze “kunnen worden meegenomen in de financiële afhandeling” (beroepschrift, prod. 7).

Zonder de afspraken, zo mag worden aangenomen, zouden de polissen en het bedrag ook nog hebben behoord tot de ontbonden gemeenschap. Dat dit anders zou zijn, is gesteld noch gebleken. Daarbij heeft partijen bovendien een gelijke verdeling voor ogen gestaan (overeenkomstig de hoofdregel van art. 1:100 lid 1 BW). Onvoldoende gemotiveerd betwist is namelijk de stelling van de vrouw, dat de man de ene polis kreeg, waartegenover de vrouw de andere polis zou ontvangen (en dat deze ongeveer dezelfde waarde hadden; het had op de weg van de man gelegen inzicht te geven in het bedrag van de eerste polis, nu deze op zijn naam stond en hij deze polis heeft verzilverd). De zinsnede in de schuldverklaring van 18 november 2014, dat het bedrag van € 25.000,-- “bij echtscheiding zal worden verrekend ten gunste van de vrouw”, duidt op zichzelf evenmin op een ongelijke verdeling (het hof zal hieronder nog nader ingaan op het bedrag van € 25.000,--).

Partijen zijn ten aanzien van de polissen en het geldbedrag aldus een verdeling als bedoeld in art. 3:182 BW overeengekomen met ingang van het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap (zie in die zin ook HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, rov. 4.1). Er is hierbij niet alleen sprake van een “feitelijke verdeling met wederzijdse instemming”, in de zin van “wie krijgt wat” (waarover AG Rank-Berenschot in haar conclusie voor HR 8 februari 2013, zojuist aangehaald, pt. 4.6 en 4.10) én aldus dat een goed ter vrije, feitelijke beschikking is gekomen van de deelgenoot (de man) die door partijen als verkrijger wordt beschouwd (waarover A.J.M. Nuytinck, ‘Peildatum waardebepaling ontbonden huwelijksgemeenschap, WPNR 2013 (6974), p. 349-350). “[Ook zijn] partijen het (…) eens geworden over de financiële consequenties die de verdeling van de goederen voor ieder van hen heeft (het ontstaan van vorderingen uit over- en onderbedeling)”, als bedoeld in HR 8 februari 2013, zojuist aangehaald, rov. 4.2.2). Dit is de betekenis die partijen over en weer aan de afspraken mochten toekennen en dit is ook wat partijen ter zake over en weer van elkaar mochten verwachten. Aan de aldus overeengekomen verdeling zijn partijen gebonden. Daarbij verzetten in het bijzonder ook de redelijkheid en billijkheid die partijen jegens elkaar in acht dienen te nemen (art. 3:166 lid 3 en 6:2 BW) zich er in deze omstandigheden tegen dat voorbij wordt gegaan aan de ontvlechtings-afspraken van partijen (en dus geen rekening zou worden gehouden met, kort weergegeven, het voorschot van de man). Dat de man de aan hem toegedeelde koopsompolis en het geldbedrag vóór de ontbinding van de huwelijksgemeenschap heeft opgemaakt, doet aan het bestaan van de vordering van de vrouw op de man uit hoofde van haar onderbedeling (in de onderlinge verhouding van partijen) dan niet af.

Wat het bedrag van € 25.000,-- betreft, is van belang dat dit bedrag afkomstig is van een door de vrouw op 25 november 2014 ontvangen ontslagvergoeding van € 69.800,65. Omdat die ontslagvergoeding, anders dan de vrouw tot de bestreden beschikking meende, partijen gezamenlijk toebehoort (bestreden beschikking, p. 2-3), is slechts sprake van, kort weergegeven, een voorschot van de helft van dit bedrag (€ 25.000,-- : 2 =) € 12.500,--.

De slotsom van het voorgaande is dat met de overeenkomsten van partijen over de tweede koopsompolis (ad € 22.500,--) en het bedrag van (€ 25.000,-- : 2 =) € 12.500,-- bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap rekening moet worden gehouden zoals hiervóór nader overwogen. Vanwege de devolutieve werking van het hoger beroep, dient dan nog wel de stelling van de man in eerste aanleg, dat de overeenkomsten vernietigd dienen te worden wegens misbruik van omstandigheden, te worden beoordeeld. Dit geldt ook voor de stelling van de man dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is hem aan zijn verklaringen inzake de koopsompolis en het bedrag van € 25.000,-- te houden.

Misbruik van omstandigheden of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?

5.15

De man heeft het volgende aangevoerd. De verklaringen van de man zijn tot stand gekomen onder sterke druk van de vrouw. De man zat toen in grote financiële nood en hij kon geen kant op. De vrouw heeft daarvan misbruik gemaakt en de man ertoe bewogen de verklaringen te tekenen, omdat zij anders niet bereid was om financieel bij te springen. Daarom is sprake van misbruik van omstandigheden.

Met een huur van € 585,-- per maand en de negatieve resultaten van zijn eenmanszaak heeft de man alle moeite om zijn hoofd financieel boven water te houden. Zijn financiële positie is aanzienlijk slechter dan die van de vrouw. De accountant van de man heeft het eigen woningforfait van de voormalige echtelijke woning, die de vrouw al jaren bewoont, ten laste van de man gebracht. Dit betreft een bedrag van circa € 1.700,-- x 7 (jaar) = circa
€ 13.600,--. Gezien deze omstandigheden is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar hem aan zijn verklaringen inzake de koopsompolis en het bedrag van € 25.000,-- te houden.

5.16

De vrouw heeft, ook ter zitting in hoger beroep, verweer gevoerd.

5.17

Het hof oordeelt als volgt.

Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (art. 3:44 lid 4 BW).

Krachtens art. 150 Rv rust de stelplicht – en bij voldoende gemotiveerde betwisting ook de bewijslast – van misbruik van omstandigheden op de man. De man heeft gesteld dat hij “in grote financiële nood zat en geen kant op kon”, waaruit de financiële nood bestond en waarom hij geen kant op kon, is echter niet geconcretiseerd, noch van enige onderbouwing voorzien. Zo de man al heeft willen betogen dat het slecht ging met zijn eenmanszaak, heeft hij dat betoog evenmin onderbouwd, noch duidelijk gemaakt waarom de man aangewezen was op financiering (van zijn eenmanszaak of anderszins) door de vrouw en andere financieringsmogelijkheden hem niet ter beschikking stonden. De man heeft de vrouw ook benaderd om hem de koopsompolis en het bedrag van € 25.000,-- ter beschikking te stellen en hij heeft in zoverre zelf (en niet de vrouw) het initiatief genomen dat uiteindelijk heeft geleid tot de afspraken die partijen daarover hebben gemaakt. Zowel de polis als het bedrag van € 25.000,-- viel in de huwelijksgemeenschap en partijen waren daartoe dus beiden gerechtigd. Dat de vrouw – in het kader van de verdeling – bedongen heeft dat haar de helft van de waarde van de polis en de helft van het bedrag van € 25.000,-- toekomt is daarmee en met art. 1:100 lid 1 BW (dat bepaalt dat partijen een gelijk aandeel hebben in de ontbonden gemeenschap ) in overeenstemming. In het licht van het bovenstaande luidt de slotsom dat geen sprake is van misbruik van omstandigheden als bedoeld in art. 3:44 lid 4 BW.

Het betoog van de man dat het beroep van de vrouw op de overeenkomsten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:248 lid 2 BW), gaat evenmin op. Zo de man beweert te veel aan de woning te hebben betaald, had het op zijn weg gelegen ter zake een verzoek te doen (c.q. een vordering tegen de vrouw in te stellen). De stelling van de man dat hij alle moeite heeft zijn hoofd financieel boven water te houden, gaat eraan voorbij dat partijen een verdeling zijn overeengekomen (art. 3:182 BW), waarbij de vrouw uit hoofde van haar overbedeling een aanzienlijk bedrag aan de man moet vergoeden. Het hof herinnert nog aan hetgeen het hiervóór overwoog dat de redelijkheid en billijkheid die partijen jegens elkaar in acht dienen te nemen (art. 3:166 lid 3 en 6:2 BW) zich er in het onderhavige geval juist tegen verzetten dat voorbij wordt gegaan aan de ontvlechtings-afspraken van partijen (en dus geen rekening zou worden gehouden met, kort weergegeven, het voorschot van de man).

Aldus slaagt de tweede grief van de vrouw ten dele. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover het betreft de afwijzende beslissing opgenomen het kopje “Vordering ten aanzien van de opbrengst koopsompolis € 44.093,82 en lening € 25.000.00”, en voor zover in die beschikking geen rekening is gehouden met de door de man aan de vrouw te betalen helft van de belastingschuld als omschreven in rov. 5.9 hiervóór.

5.18

Het voorgaande brengt, gelet ook op het door de vrouw verzochte en gelet op het feit dat de man (de waarde van) de overige door de vrouw gestelde bestanddelen niet heeft bestreden, het volgende met zich:

Bestanddelen

Waarde

Man

Vrouw

Woning [adres] te [plaats]

€ 278.000,--

€ 278.000,--

Inboedel: ieder eigen inboedel zonder nadere verrekening

-

-

-

Auto’s: ieder eigen auto zonder nadere verrekening

-

-

-

[bankrekeningnummer 1]

€ 6,97

€ 6,97

[bankrekeningnummer 2]

€ 1.983,20

€ 1.983,20

[bankrekeningnummer 3]

€ 43.051,78

€ 43.051,78

[bankrekeningnummer 4]

-

-

-

[bankrekeningnummer 5]

€ 0,71

€ 0,71

[bankrekeningnummer 6]

€ 32,37

€ 16,19

€ 16,19

Onderneming [onderneming] ; activa en passiva voor de man zonder nadere verrekening

Totaal

€ 323.075,03

€ 16,90

€ 323.058,14

Door vrouw aan man te betalen

€ 161.520,62 +

€ 161.520,62 -/-

€ 323.075,03

€ 161.537,52

€ 161.537,52

5.19

Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen, dient de man aan de vrouw te voldoen een bedrag van in totaal (€ 810,50 + € 22.500,-- + € 12.500,-- =) € 35.810,50, zodat de vrouw per saldo aan de man dient te vergoeden een bedrag van (€ 161.520,62 -/- € 35.810,50 =) € 125.710,12, en wel – overeenkomstig het (onweersproken) verzoek van de vrouw – op het moment dat de notariële akte van verdeling wordt gepasseerd.

5.20

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn.

5.21

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 maart 2017, maar alleen voor zover het betreft de beslissing opgenomen het kopje “Vordering ten aanzien van de opbrengst koopsompolis € 44.093,82 en lening € 25.000.00” en voor zover in die beschikking geen rekening is gehouden met de door de man aan de vrouw te betalen helft van de belastingschuld als in rov. 5.9 van deze beschikking nader is omschreven.

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vrouw bij het passeren van de notariële akte van verdeling een bedrag aan de man dient te vergoeden van € 125.710,12;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, M.J. van Laarhoven en M.A Ossentjuk, bijgestaan door de griffier, en is op 5 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.