Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2827

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
06-07-2018
Zaaknummer
200.215.895_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie;

1. Kinderbijdrage. 2. Aandeel stiefouder. 3. Vervallen verklaring bepaling ouderschapsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.215.895/01

zaaknummer rechtbank : C/01/309947 / FA RK 16-3430

beschikking van de meervoudige kamer van 5 juli 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.F.M. Gulickx te Breda,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.J.Y.M. Thomas te Breda.

en

[de jongmeerderjarige] ,

hierna: [de jongmeerderjarige] .

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 22 februari 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 15 mei 2017 in hoger beroep gekomen tegen voornoemde beschikking.

2.2.

De vrouw heeft op 7 juli 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 10 april 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

[de jongmeerderjarige] is niet verschenen.

2.4.1.

In het procesdossier bevinden zich van beide partijen persoonlijk reacties:

  • -

    van de man bij productie 84, overgelegd door zijn advocaat bij V-formulier van 19 maart 2018, onder vermelding van “reactie van de man op het verweerschrift in hoger beroep van de vrouw”.

  • -

    van de vrouw bij productie 12, overgelegd door haar advocaat bij V-formulier van 28 maart 2018, onder vermelding van “Reactie vrouw op reactie man”.

Het hof heeft partijen ter zitting medegedeeld dat deze producties wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing zullen worden gelaten. Het hof heeft deze stukken daarom ter zitting aan partijen teruggegeven. De overige bijlagen zijn wel bij de beoordeling betrokken.

2.4.2.

Het hof heeft voorts kennis genomen van:

  • -

    het V-formulier van 9 maart 2018 met bijlagen van advocaat van de man, ingekomen 20 maart 2018;

  • -

    het V-formulier van 19 maart 2018 met bijlagen, met uitzondering van de eerder genoemde productie 84, van advocaat van de man, ingekomen op 20 maart 2018;

  • -

    het V-formulier van 28 maart 2018 met bijlagen van advocaat van de vrouw, ingekomen op 30 maart 2018;

  • -

    het V-formulier van 9 april 2018 met bijlagen van de advocaat van de man.

3 De feiten

3.1.

De man en de vrouw zijn op 19 december 1997 met elkaar gehuwd. Tijdens dit huwelijk zijn geboren:

  • -

    [de jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 1999 (hierna: [de jongmeerderjarige] ) te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2003 (hierna: [minderjarige] ) te [geboorteplaats] .

[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

3.2.

In november 2016 is de vrouw hertrouwd met de heer [partner] (hierna: [partner] ). Tussen partijen staat niet ter discussie dat [partner] onderhoudsplichtig is voor [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] .

3.3.

Bij beschikking van 26 januari 2010 is tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken. De echtscheiding is op 29 januari 2010 ingeschreven in de daartoe bestemde registers. Bij deze echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de onderlinge regelingen uit het door de man en de vrouw op 2 december 2009 ondertekende echtscheidingsconvenant en uit het door hen op 30 december 2009 ondertekende ouderschapsplan als in de beschikking overgenomen en herhaald dienen te worden beschouwd. Voor zover thans relevant, zijn zij in dit ouderschapsplan het volgende overeengekomen:

“2.1. De minderjarige kinderen zullen ingeschreven staan op het adres van de moeder. “

”2.5. Met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand en zolang de minderjarige kinderen bij de moeder hun woonplaats hebben, betaalt de vader aan de moeder een bijdrage van € 250,-- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.”

“2.9. Ieder van partijen zal naar verhouding van ieders draagkrachtruimte bijdragen in de schoolkosten, behalen rijbewijs, sporten etc.”

Dit betekent voor het jaar 2016 dat de geïndexeerde kinderalimentatie € 267,75 per kind per maand bedraagt.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de man, met wijziging van de echtscheidingsbeschikking alsmede van het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan, voor zover thans van belang, de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] met ingang van 1 december 2016 nader bepaald op € 143,14 per maand per kind. De man had de rechtbank, samengevat en voor zover thans relevant, het volgende verzocht:

  • -

    nihilstelling, althans verlaging, van de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2016, althans met ingang van een datum die de rechtbank juist acht;

  • -

    een verklaring voor recht dat de vrouw vanaf 1 juni 2013, althans vanaf een datum die de rechtbank juist acht, tot en met heden en voor zolang [de jongmeerderjarige] niet bij de vrouw woont, geen aanspraak kan maken op kinderalimentatie en dat de vrouw alle executiemiddelen dient te staken en gestaakt dient te houden;

  • -

    dat artikel 2.9 uit het ouderschapsplan komt te vervallen.

4.2.

De grieven van de man zien op:

  • -

    het verkrijgen van een verklaring voor recht;

  • -

    wijziging van omstandigheden;

  • -

    de ingangsdatum;

  • -

    de rangorde tussen de onderhoudsplichtigen en het aandeel van de heer [partner] in de kosten van [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] ;

  • -

    vervallenverklaring artikel 2.9 van het ouderschapsplan.

De man verzoekt het hof zijn hoger beroep gegrond te verklaren en de bestreden beschikking te vernietigen, alsmede om te bepalen dat zijn verzoeken, zoals door hem gedaan in eerste aanleg, alsnog worden toegewezen.

5 De motivering van de beslissing

Verklaring voor recht inzake bijdrage [de jongmeerderjarige]

5.1.1.

Het hof zal allereerst de meest verstrekkende grief van de man beoordelen. De man heeft een verklaring voor recht gevraagd dat de vrouw vanaf 1 juni 2014 tot en met november 2015 en voor zolang [de jongmeerderjarige] niet bij de vrouw staat ingeschreven en woont, geen aanspraak kan maken op kinderalimentatie voor [de jongmeerderjarige] en de vrouw alle daartoe ingezette executiemiddelen dient te staken en gestaakt dient te houden. De man stelt daartoe dat [de jongmeerderjarige] vanaf 5 juni 2014 tot 1 december 2015 op het adres van de man stond ingeschreven en dat hij op grond van artikel 2.1. van het ouderschapsplan niet verplicht is de bijdrage voor [de jongmeerderjarige] in die periode aan de vrouw te voldoen. [de jongmeerderjarige] heeft vanaf maart 2014 nooit feitelijk bij de vrouw verbleven maar steeds bij de zus van de vrouw en de vrouw heeft in die periode nauwelijks bijgedragen in de kosten voor [de jongmeerderjarige] . De man heeft in 2014 en 2015 kosten voor het levensonderhoud van [de jongmeerderjarige] gemaakt. Het is volgens de man absoluut onredelijk dat hij de vrouw alsnog de vastgestelde onderhoudsbijdrage ten behoeve van [de jongmeerderjarige] dient te betalen over de jaren 2014 en 2015. De vrouw heeft in de jaren 2014, 2015 en 2016 totaal € 731,= betaald ten behoeve van [de jongmeerderjarige] , aldus de man. In feite wil hij dat de kinderbijdrage voor [de jongmeerderjarige] over die periode wordt bepaald op wat hij (aan de vrouw) heeft betaald.

5.1.2.

De vrouw verweert zich als volgt. In artikel 2.1. van het ouderschapsplan zijn partijen uitdrukkelijk overeengekomen dat de kinderen aan het adres van de vrouw zullen staan ingeschreven. De man heeft zonder overleg en zonder instemming en medeweten van de vrouw, [de jongmeerderjarige] in 2014 ingeschreven op zijn adres. De feitelijke situatie was in die periode echter niet veranderd; doordeweeks verbleef [de jongmeerderjarige] bij haar tante. [de jongmeerderjarige] kwam ten laste van de vrouw en zij heeft verschillende kosten voor haar voldaan, zoals zakgeld, reiskosten, kapper, sport, school, telefoon etc. Als de man kosten voor [de jongmeerderjarige] wil maken, had hij dat met haar moeten overleggen, maar het is niet aan hem te bepalen dat er geen kinderalimentatie meer nodig is. Het had op de weg van de man gelegen om in 2014 een verzoek in te dienen tot vermindering van de kinderalimentatie. De vrouw is al sinds 2014 doende om de achterstallige kinderalimentatie bij de man te innen. De man heeft steeds geweigerd om de achterstand te erkennen en te voldoen.

Het hof overweegt als volgt.

5.1.3.

Met zijn eerste grief wil de man in feite bereiken dat de door hem verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jongmeerderjarige] met terugwerkende kracht wordt gewijzigd en vastgesteld op hetgeen hij in feite heeft betaald. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het een keuze van de man is geweest om niet eerder een procedure tegen de vrouw te entameren om de kinderalimentatie voor [de jongmeerderjarige] te verlagen. Het had echter wel op zijn weg gelegen om eerder een procedure te starten, te meer nu het hem duidelijk had moeten zijn dat de vrouw, die naar onweersproken door haar is gesteld, al sinds 2014 doende was om de achterstallige alimentatie te innen. Deze keuze dient dan ook voor zijn eigen rekening en risico dient te komen. Dat de man niet eerder een procedure is gestart om tot wijziging van de afgesproken bijdrage te komen vanwege advocaatkosten, doet hier niet aan af en deze stelling is ook overigens door de man onvoldoende onderbouwd. Hiermee faalt de eerste grief van de man.

Wijziging van omstandigheden

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van wijzigingen van omstandigheden, die zijn gelegen in de inkomensdaling van de man en het feit dat de vrouw opnieuw is gehuwd.

De grief die de man hiertegen heeft gericht, behoeft daarom geen bespreking meer.

Ingangsdatum

5.3.1.

De man is het niet eens met door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum van 1 december 2016, als zijnde de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrouw is hertrouwd, en hij verzoekt de ingangsdatum te stellen op 1 januari 2016. Volgens de man heeft de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met de overige gewijzigde omstandigheden: [de jongmeerderjarige] woont bij de zus van de vrouw en heeft ingeschreven gestaan bij de man; de vrouw heeft nauwelijks kosten voor [de jongmeerderjarige] gemaakt en hij had in de periode van 1 januari 2016 tot 11 april 2016 een lager inkomen. De advocaat van de man heeft de vrouw op 1 april 2016 medegedeeld dat de man per 1 januari 2016 geen werk meer had en een WW-uitkering ontving. Vanaf dat moment moest de vrouw er redelijkerwijs rekening mee houden dat de kinderalimentatie gewijzigd zou gaan worden.

5.3.2.

De vrouw sluit zich aan bij de beslissing van de rechtbank. De rechtbank heeft duidelijk overwogen dat de kinderalimentatie per 1 december 2016 opnieuw beoordeeld moest worden vanwege het feit dat de vrouw is hertrouwd en haar partner hierdoor onderhoudsplichtig is geworden.

Het hof overweegt als volgt.

5.3.3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:402 lid 1 BW is de rechter voor wat betreft de vaststelling van de ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatie in beginsel vrij. Als er reden is voor een herbeoordeling van de draagkracht van de man op grond van artikel 1:401 BW dan wordt gebruikelijk de datum van indiening van het wijzigingsverzoek ook als ingangsdatum van de (eventuele) wijziging van de alimentatie genomen. Vanaf dat moment heeft de wederpartij immers rekening kunnen en behoren te houden met een mogelijke wijziging. In de onderhavige zaak is dit geschied op 1 juli 2016. De feiten en omstandigheden van het geval kunnen echter meebrengen dat een eerdere of juist latere ingangsdatum meer in de rede ligt. Het hof overweegt dat de man via deze grief met terugwerkende kracht de kinderalimentatie beoogt aan te tasten, hetgeen het hof, in de gegeven omstandigheden, in strijd met de rechtszekerheid acht. Het hof ziet geen aanleiding om van een andere ingangsdatum dan de rechtbank heeft genomen, uit te gaan. zodat de ingangsdatum 1 december 2016 zal worden gehandhaafd. Door het huwelijk van de vrouw in november 2016 met [partner] , had zij er redelijkerwijs vanaf dit moment pas vanuit hoeven gaan dat dit gevolgen zou kunnen hebben voor de hoogte van de kinderalimentatie, te meer nu de man in zijn inleidend verzoekschrift heeft gesteld dat zijn werkloosheid (ingaande 1 januari 2016) slechts tijdelijk is geweest en de man inmiddels ingaande 11 april 2016 een nieuwe dienstbetrekking had gevonden. De derde grief van de man slaagt niet.

Behoefte [de jongmeerderjarige] en [minderjarige]

5.4.

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] per 1 januari 2016

€ 408,95 per kind per maand bedraagt, totaal afgerond € 818,- per maand.

Geïndexeerd naar 2017: totaal afgerond € 835,- per maand.

Geïndexeerd naar 2018: totaal afgerond € 848,- per maand.

De draagkracht van de onderhoudsplichtigen

Het hof zal de bedragen, waar nodig, afronden.

5.5.1.

Vaststaat dat [partner] door het aangaan van het huwelijk met de vrouw op grond van artikel 1:395 BW onderhoudsplichtig is geworden ten opzichte van [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] . In dit geval is er aldus sprake van drie onderhoudsplichtigen: de man, de vrouw en [partner] .

Bij het bepalen van het eigen aandeel van de onderhoudsplichtigen in de kosten van [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] dient ieders draagkracht en de verhouding waarin zij tot de kinderen staan in de beoordeling te worden betrokken.

5.5.2.

Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtigen tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. In navolging van de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) wordt het netto besteedbaar inkomen verhoogd met het te ontvangen kindgebonden budget.

De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 890,- (2016) | € 905,- (2017) | € 920,- (2018))]. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de onderhoudsplichtigen het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten vermeerderd met een bedrag van € 890,- / € 905,- / € 920,- aan overige lasten en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

5.5.3.

De rechtbank heeft de draagkracht van de onderhoudsplichtigen als volgt vastgesteld:

  • -

    de man: € 757,33 per maand;

  • -

    de vrouw: € 277,62 per maand;

  • -

    [partner] : € 1.218,91 per maand.

Ten aanzien van de man

5.5.4.

Gezien de uitlatingen van de man ter zitting in hoger beroep, begrijpt het hof standpunt van de man zo dat hij nu betoogt dat zijn draagkracht – in ieder geval vanaf 12 april 2017 – ontoereikend is om de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 143,14 per kind per maand te betalen. De vrouw heeft hier ter zitting bezwaar tegen gemaakt: volgens haar is er sprake van een novum en had de man hier in zijn appelschrift een grief tegen moeten richten.

Het hof verwerpt dit bezwaar. In een geschil betreffende levensonderhoud mag de rechter in hoger beroep bij zijn beslissing rekening houden met feiten en omstandigheden waarop de appellant eerst ná het formuleren van zijn grieven een beroep doet. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de nieuwe grief niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde. Hiervan is geen sprake, aangezien de vrouw ter zitting in voldoende mate inhoudelijk hierop heeft kunnen reageren. De nieuwe grief is toelaatbaar en het hof zal deze grief dan ook beoordelen.

Periode van 1 december 2016 (ingangsdatum) tot 12 april 2017

5.5.5.

Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat de man in deze periode werkzaam was bij [service] Service Benelux B.V. (hierna: [service] ) als Service Sales Engineer op basis van een jaarcontract dat van rechtswege afliep op 12 april 2017. De rechtbank is bij de bestreden beschikking uitgegaan van het inkomen dat de man uit dit dienstverband verdiende. Nu partijen geen grief hebben gericht tegen de becijfering van de draagkracht van de man, behorend bij het inkomen dat hij in deze periode bij [service] verdiende, zal het hof de rechtbank in zoverre volgen en uitgaan van een draagkracht van € 757,- per maand in de periode van 1 december 2016 tot en met 11 april 2017.

Periode met ingang van 12 april 2017

5.5.6.

De man verzoekt het hof er rekening mee te houden dat hij werkloos is geraakt en dat hij met ingang van 12 april 2017 een inkomen uit hoofde van een WW-uitkering ontvangt.

5.5.7.

De vrouw heeft ter zitting betoogd dat niet uitgegaan dient te worden van deze WW-uitkering; in de afgelopen jaren heeft de man vaker een baan gevonden na periodes van werkloosheid. De vrouw verzoekt het hof daarom thans voor de berekening van de draagkracht van de man uit te gaan van een fictief inkomen, zijnde het gemiddelde inkomen dat de man heeft verdiend in de jaren 2015, 2016 en 2017, dan wel dat zijn laatstgenoten inkomen bij [service] Service als uitgangspunt dient te worden genomen. De vrouw verwacht dat de man binnenkort weer een baan heeft: de man heeft drie gesprekken gehad bij één potentiële werkgever en het ziet er hoopvol uit.

Het hof overweegt als volgt.

5.5.8.

Het hof is van oordeel dat de door de vrouw aan de man toegedichte verdiencapaciteit niet redelijk is te achten. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is genoegzaam gebleken dat de man zich inspant om een nieuwe baan te zoeken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat op de man, gelet op de aan hem, sinds 12 april 2017, toegekende WW-uitkering, een sollicitatieplicht rust. Ter zitting van het hof is gebleken dat de man in een vergevorderd stadium van een sollicitatieprocedure is. Anders dan de vrouw wenst, kan het hof er nu niet van uit gaan dat de man de baan ook echt krijgt. Indien en voor zover de man in de toekomst een hoger inkomen dan ter zitting is gebleken zal verwerven, dienen partijen in onderling overleg een daarbij passende onderhoudsbijdrage voor de kinderen vast te stellen. Voor nu ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de actuele situatie waarin de man uitsluitend een inkomen op grond van de Werkeloosheidswet genereert.

Uit de door de man in het geding gebrachte betaalspecificaties van het UWV van zijn uitkering over de maand december 2017 blijkt dat de man in december 2017 een bruto uitkering van € 2.882,- heeft ontvangen. Vermeerderd met de gebruikelijke 8% vakantiegeld en rekening houdend met de algemene heffingskorting, komt het netto besteedbaar inkomen van de man in 2017 op € 2.032,- per maand.

Aan de hand van voormelde formule becijfert het hof de draagkracht van de man met ingang van 12 april 2017 op € 362,- per maand.

Ten aanzien van de vrouw

5.5.9.

Nu geen van partijen heeft gegriefd tegen de door de rechtbank becijferde draagkracht van de vrouw, volgt het hof in zoverre de berekening van de rechtbank en stelt de draagkracht van de vrouw vast op € 278,- per maand.

Ten aanzien van [partner]

5.5.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat de arbeidsovereenkomst van [partner] is geëindigd met ingang van 1 januari 2017 en dat hem een bruto ontslagvergoeding is toegekend van € 70.000. De rechtbank is bij de becijfering van draagkracht van [partner] uitgegaan van het laatstgenoten salaris van € 5.898,- bruto per maand te vermeerderen met vakantiegeld. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat van [partner] mag worden verwacht dat hij zijn uitkering tot het niveau van zijn voormalig arbeidsinkomen met de ontslagvergoeding aanvult.

5.5.11.

De vrouw voert aan dat de rechtbank bij het berekenen van de draagkracht van [partner] ten onrechte is uitgegaan van zijn oude salaris. [partner] heeft moeten interen op zijn ontslagvergoeding, die netto € 28.000 bedroeg. Met ingang van het jaar 2018 is de vergoeding volledig opgesoupeerd. [partner] heeft zijn WW-uitkering aan moeten vullen tot zijn oude salaris door de ontslagvergoeding aan te wenden. Tot op heden heeft [partner] volgens de vrouw nog geen andere dienstbetrekking gevonden en is hij voornemens om als zelfstandige een bedrijf op te richten. Indien wordt uitgegaan van het actuele inkomen uit WW, kan de draagkracht van [partner] worden vastgesteld op € 353,50 per maand, aldus de vrouw.

Het hof overweegt als volgt.

Periode van 1 december 2016 (ingangsdatum) tot 1 januari 2018

5.5.12.

Het hof ziet in deze periode geen aanleiding om af te wijken van de uitgangspunt van de rechtbank. De vrouw heeft onderschreven dat [partner] in deze periode volledig heeft moeten interen op zijn ontslagvergoeding om zijn inkomen aan te vullen. Conform de becijfering van de rechtbank, zal het hof daarom uitgaan van een draagkracht van [partner] van € 1.219,- per maand.

Periode met ingang van 1 januari 2018

5.5.13.

Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling dat de ontslagvergoeding van [partner] met ingang van deze datum nog niet volledig opgesoupeerd is, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd. Dat [partner] sindsdien niet over andere inkomsten beschikt dan zijn uitkering op grond van de Werkeloosheidswet, is niet weersproken. Het hof zal bij [partner] – evenals het hof bij de beoordeling van de draagkracht van de man heeft gedaan – uitgaan van de actuele inkomenssituatie.

Het hof zal aansluiting zoeken bij de meest recente betaalspecificatie van het UWV over de periode december 2017 van bruto € 2.195,- per maand. Rekening houdend met het reguliere percentage aan vakantiegeld van 8 en de algemene heffingskorting, becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen van [partner] op € 1.631,= per maand.

Conform de draagkrachtformule over het jaar 2018, stelt het hof de draagkracht van [partner] vast op € 155, per maand.

5.5.14.

Op grond van het vorenstaande stelt het hof de draagkracht van de onderhoudsplichtigen als volgt vast:

Draagkrachttabel

De man

De vrouw

[partner]

Totale draagkracht onderhouds-plichtigen

Totale behoefte [de jongmeerderjarige] en [minderjarige]

Periode van 1 december 2016 tot 12 april 2017

€ 757,-

€ 278,-

€ 1.219,-

€ 2.254,-

€ 818,-

Periode van 12 april 2017

tot 1 januari 2018

€ 362,-

€ 278,-

€ 1.219,-

€ 1.859,-

€ 835,-

Periode met ingang van 1 januari 2018

€ 362,-

€ 278,-

€ 155,-

€ 795,-

€ 848,-

5.5.15.

Het hof constateert dat de onderhoudsplichtigen tot 1 januari 2018 in staat zijn om volledig in de behoefte van [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] te voorzien; met ingang van deze datum schiet de draagkracht echter tekort.

De verdeling van de draagkracht van de onderhoudsplichtigen

5.6.1.

Het hof zal thans ingaan op de wijze hoe de draagkracht van de drie onderhouds-plichtigen dient te worden verdeeld over [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] . De rechtbank is bij de bestreden beschikking niet uitgegaan van een gelijke rang en heeft de man een hoger aandeel toegekend in de kosten van de kinderen met als gevolg dat de man voor de ene helft in de totale behoefte van de kinderen voorziet en de vrouw en [partner] gezamenlijk in de andere helft. In zijn appelschrift heeft de man aangevoerd dat de rechtbank hiermee buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Ter zitting van het hof heeft de man deze grief ingetrokken.

5.6.2.

De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man een groter aandeel moet leveren in de kosten van [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] dan [partner] . De man stelt dat [partner] vanaf het moment van het huwelijk (november 2016) onderhoudsplichtig is voor [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] . Er is volgens hem geen enkele grondslag om de duur van een huwelijk te betrekken bij de beoordeling of een stiefouder al dan niet in gelijke rang als de ouders onderhoudsplichtig is voor zijn stiefkinderen. De redenering dat het huwelijk recent is, gaat volgens de man voor de langere duur niet op.

5.6.3.

De vrouw verweert zich en stelt dat het huwelijk met [partner] in november 2016 is gesloten. Met het oog op de leeftijd van de kinderen, het feit dat [de jongmeerderjarige] al sinds 2014 bij haar tante woont en er de komende jaren nimmer een zodanige verwantschap zou kunnen ontstaan tussen stiefouder en kind als tussen ouder en kind, heeft de rechtbank hier volgens de vrouw terecht het gevolg aan gegeven zoals zij dat heeft gedaan.

Het hof overweegt als volgt.

5.6.4.

Alles tegen elkaar afwegende ziet het hof in hetgeen de vrouw hieromtrent heeft aangevoerd, onvoldoende aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat in het geval de onderhoudsverplichting van de stiefouder samenvalt met die van de ouder van de kinderen, de verplichtingen ter zake van onderhoud in beginsel van gelijke rang zijn (parl. Gesch. BW Inv. Boe 1, p. 1442-1443). Het hof neemt voor dit oordeel in aanmerking dat [de jongmeerderjarige] feitelijk geen deel uitmaakt van het gezin van de vrouw met [partner] , noch van dat van de man en dat [minderjarige] (thans 15 jaar oud) wel onderdeel uitmaakt van het gezin van de vrouw en [partner] en de onderhoudsplicht van de ouders en stiefouder in beginsel nog enige tijd, tot [minderjarige] de 21e jarige leeftijd heeft bereikt, zal voortduren.

Dit betekent dat het hof alsnog zal uitgaan van onderhoudsverplichtingen van gelijke rang, te becijferen volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

5.6.5.

Op grond van het vorenstaande stelt het hof het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] als volgt vast:

In de periode van 1 december 2016 tot 12 april 2017:

Het eigen aandeel van de man bedraagt:

757 / 2254 x 818 is € 275,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt:

278 / 2254 x 818 is € 101,-

Het eigen aandeel van [partner] bedraagt:

1219 / 2254 x 818 is € 442,-

totaal: € 818,- per maand

In periode van 12 april 2017 tot 1 januari 2018:

Het eigen aandeel van de man bedraagt:

362/ 1859 x 835 is € 163,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt:

278 / 1859 x 835 is € 125,-

Het eigen aandeel van [partner] bedraagt:

1219 / 1859 x 835 is € 547,-

totaal: € 835,- per maand

Periode met ingang van 1 januari 2018

Zoals eerder opgemerkt is totale de draagkracht van de onderhoudsplichtigen ontoereikend om met ingang van 1 januari 2018 te voorzien in de totale behoefte van [minderjarige] en [de jongmeerderjarige] . Dit betekent dat de man in beginsel zijn volledige draagkracht ad € 362,- per maand dient aan te wenden voor een bijdrage in de kosten van [minderjarige] en [de jongmeerderjarige] .

Vermindering met de zorgkorting

5.7.1.

De rechtbank is uitgegaan van een zorgkorting van 15%. Nu partijen daartegen geen grief hebben gericht, zal het hof dit uitgangspunt overnemen. Dit betekent, gezien de geïndexeerde behoefte van [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] in de verschillende jaren, dat het hof de zorgkorting voor 2016 vaststelt op afgerond € 123,- per maand, in 2017 op afgerond € 125,- per maand en in 2018 op afgerond € 127,- per maand.

5.7.2.

Dit betekent dat tot 1 januari 2018 voornoemde bedragen aan zorgkorting volledig in mindering worden gebracht op het aandeel van de man in de kosten van [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] , omdat de onderhoudsplichtigen in deze periodes samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] te voorzien.

5.7.3.

Op grond van het vorenstaande stelt het hof het aandeel van de man als volgt vast:

- in de periode van 1 december 2016 tot 12 april 2017:

o op € 152,- totaal per maand (275 – 123).

- in de periode van 12 april 2017 tot 1 januari 2018:

o op € 38,- totaal per maand (163 – 125)

5.7.4.

Aangezien de onderhoudsplichtigen gezamenlijk met ingang van 1 januari 2018 onvoldoende draagkracht hebben (€ 795,-) om in de totale behoefte (€ 848,-) van [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] te voorzien, zal het hof de zorgkorting van € 127,- daarom niet (volledig) in mindering brengen op de bijdrage van de man; het tekort in draagkracht (€ 53,-) wordt gelijkelijk verdeeld tussen de drie onderhoudsplichtigen: de man, de vrouw en [partner] . Het aan de man toegekende deel van dat tekort, afgerond € 18,-, wordt in mindering gebracht op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting € 109 (127 – 18) wordt in mindering gebracht op het eerder becijferde aandeel van de man in deze periode.

Dit betekent dat het aandeel van man met ingang van 1 januari 2018 als volgt luidt:

o € 253,- totaal per maand (362 – 109).

Vaststelling van de bijdrage van de man in de kosten van [de jongmeerderjarige] en [minderjarige]

5.8.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en de bijdrage van de man als volgt vaststellen:

  • -

    € 76,- per kind per maand in de periode van 1 december 2016 tot 12 april 2017;

  • -

    € 19,- per kind per maand in de periode van 12 april 2017 tot 1 januari 2018;

  • -

    € 126,50 per kind per maand met ingang van 1 januari 2018.

Verzoek vervallen verklaring van artikel 2.9 van het Ouderschapsplan

5.9.1.

Het hof dient tot slot een oordeel te geven over artikel 2.9. van het ouderschapsplan. De man betoogt dat dit een verkapte alimentatieverplichting betreft. Het is voor de man niet mogelijk om naast de volgens de Tremanormen berekende kinderalimentatie nog meer kosten voor de kinderen te voldoen. Voortzetting van dit artikel levert voor de man een onmogelijke situatie op. Hij staat inmiddels € 5.000,- rood en heeft geld moeten lenen om aan zijn verplichtingen te voldoen. De man wordt met grote regelmaat geconfronteerd met bedragen die hij volgens de vrouw naast de alimentatie aan haar zou moeten voldoen.

5.9.2.

De vrouw verweert zich en stelt dat partijen destijds bewust, naast de kinderalimentatie, een eigen regeling hebben afgesproken met elkaar. Partijen zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Het is aan de man om te onderbouwen op welke grond hij meent dat hij niet langer is gehouden aan het overeengekomen in artikel 2.9.

Het hof overweegt als volgt.

5.9.3.

Artikel 2.9. maakt onderdeel uit van het ouderschapsplan (o.p.)dat de man en de vrouw met elkaar hebben gesloten. De bepaling luidt als volgt:

“Ieder van partijen zal naar verhouding van ieders draagkrachtruimte bijdragen in de schoolkosten, behalen rijbewijs, sporten etc.”

Partijen hebben in het ouderschapsplan (onder 2.4.) de kosten van de minderjarige kinderen vastgesteld op € 250,- per kind per maand, verhoogd met de jaarlijkse indexering en hebben verder onder 2.5 van het ouderschapsplan bepaald dat de man maandelijks € 250,- per kind aan de vrouw als onderhoudsbijdrage betaalt.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank echter de behoefte van de kinderen opnieuw vastgesteld (op 1 januari 2016 op € 408,95 per kind per maand) en de door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor de kinderen, met wijziging van het ouderschapsplan in zoverre, gewijzigd en bepaald op € 143,14 per kind per maand. De in artikel 2.9 van het ouderschapsplan genoemde enuntiatieve opsomming van kosten (zoals schoolkosten, behalen rijbewijs, sporten etc.) die door partijen naar verhouding van draagkracht moeten worden gedragen, betreffen, naar door geen van partijen is gesteld, niet uitzonderlijke kosten, maar zijn te beschouwen als kosten die zijn begrepen in de tabel “kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling van kinderalimentatie” (opgemaakt in samenwerking met het NIBUD). Nu ook het hof (bij deze beschikking) onder toepassing van deze tabel de bijdrage van man in de kosten van [de jongmeerderjarige] en [minderjarige] opnieuw vaststelt – met wijziging van het ouderschapsplan – treedt deze beslissing voor wat betreft de bepaalde onderhoudsbijdrage voor de kinderen volledig in de plaats van de afspraken die de man en de vrouw toentertijd in het ouderschapsplan hierover overeen zijn gekomen. Het hof is dan ook van oordeel dat de regeling onder 2.9 van het ouderschapsplan overeenkomstig het verzoek van de man per 1 december 2016 als vervallen moet worden beschouwd. De stelling van de vrouw dat partijen bij het overeenkomen van deze afspraak bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, maakt het hof niet tot het zijne. De vrouw heeft haar stelling in het licht van de betwisting door de man en in aanmerking genomen dat de door de man volgens het ouderschapsplan te betalen kinderbijdrage is afgestemd op de in het ouderschapsplan bepaalde kosten van de minderjarige kinderen, onvoldoende met feiten onderbouwd.

6 De slotsom

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, vernietigen en beslissen als volgt.

6.2.

Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van de man en van [partner] gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, met wijziging van de echtscheidingsbeschikking van 26 januari 2010 inclusief het echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan in zoverre het de bijdrage van de man in de kosten van de gezamenlijke kinderen van de man en de vrouw betreft, en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding c.q. levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] (geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ) en [minderjarige] (geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ) is verschuldigd:

  • -

    € 76,- per kind per maand in de periode van 1 december 2016 tot 12 april 2017;

  • -

    € 19,- per kind per maand in de periode van 12 april 2017 tot 1 januari 2018;

  • -

    € 126,50 per kind per maand met ingang van 1 januari 2018, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat art. 2.9 van het ouderschapsplan als vervallen moet worden beschouwd;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, C.D.M. Lamers, L.Th.L.G. Pellis en is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2018 in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.