Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2796

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
200.231.185_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding; geen schorsing non-concurrentiebeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0782
XpertHR.nl 2018-20001531
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.231.185/01

arrest van 3 juli 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. F.E.L. Teerling te Heerlen ,

tegen

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. S.G.J. Habets te Kerkrade,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 december 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 6 december 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6454300 CV EXPL 17-8293)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van [appellant] ;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellant] is op 1 oktober 2016 krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst getreden van [geïntimeerde] als medewerker binnendienst / kandidaat makelaar. Per 1 mei 2017 is hij krachtens een nieuwe aansluitende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als makelaar bij [geïntimeerde] in dienst gekomen, met een salarisverhoging van € 200,- bruto per maand.

3.1.2.

Artikel 11 van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (verder te noemen: het beding) luidt:

“1. Het is werknemer verboden binnen een tijdvak van 2 jaren na beëindiging van de arbeidsovereenkomst binnen een straal van 30 km van [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] , in enigerlei vorm en/of op enigerlei wijze betaald of onbetaald werkzaam te zijn bij, of financieel deel te nemen in en/of belang te hebben in een onderneming gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van werkgever.

Werknemer erkent dat er sprake is van zwaarwegend bedrijfsbelang, omdat werknemer inzicht verkrijgt in bedrijfs- en marktgevoelige informatie.

2. Het in lid 1 vermelde verbod geldt niet indien werknemer daartoe voorafgaand schriftelijke toestemming heeft verkregen van werkgever, aan welke toestemming werkgever voorwaarden kan verbinden.

3. Voor iedere overtreding van het hierboven bepaalde en voor iedere dag dat de werknemer in overtreding is, verbeurt werknemer een boete van € 5.000 per overtreding benevens een bedrag van € 500 per dag dat de overtreding voortduurt, te betalen aan werkgever, onverminderd het recht van werkgever op volledige vergoeding van de geleden schade.”.

3.1.3.

In juli 2017 heeft [appellant] [geïntimeerde] om een loonsverhoging van € 300,- per maand verzocht, die hij heeft gekregen.

3.1.4.

[de vennootschap 2] , een concurrent van [geïntimeerde] met onder meer een vestiging in [plaats 1] (hierna te noemen: [de vennootschap 2] ), heeft op enig moment [appellant] benaderd en hem een aanbod gedaan om voor [de vennootschap 2] te komen werken.

3.1.5.

Op 10 oktober 2017 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] mondeling te kennen gegeven dat hij voornemens is om per 1 december 2017 bij [de vennootschap 2] in dienst te treden. Dit herhaalde [appellant] in een gesprek op 13 oktober 2017. Tijdens dat laatste gesprek heeft [geïntimeerde] [appellant] op het beding gewezen en te kennen gegeven dat zij [appellant] daaraan (en aan het eveneens overeengekomen relatiebeding) zou houden.

3.1.6.

[appellant] heeft diezelfde dag nog een e-mail aan [geïntimeerde] verzonden waarin hij schrijft van mening te zijn dat het beding zou moeten kunnen komen te vervallen. Hem zouden de consequenties ervan onvoldoende zijn uitgelegd bij het ondertekenen ervan en gezien de korte duur van het dienstverband beschikt hij niet over concurrentiegevoelige informatie die (een beroep op) het beding zou kunnen rechtvaardigen. Tevens zou [geïntimeerde] hem onvoldoende toekomstperspectief bieden, aldus [appellant] in dit bericht. Tevens verzocht hij nogmaals om een gesprek.

3.1.7.

Op 16 oktober 2017 vond een vervolggesprek plaats, waarin [appellant] zich nogmaals op het standpunt stelde vrijgesteld te moeten kunnen worden van het beding. [geïntimeerde] liet echter weten van mening te blijven dat het beding onverkort van toepassing is en dat zij -indien nodig- stappen zal ondernemen om het beding (alsmede het relatiebeding) af te dwingen indien [appellant] voor [de vennootschap 2] zou gaan werken. [geïntimeerde] heeft in dat gesprek [appellant] tevens verzocht vóór 17 oktober 2017 om 17:00 uur kenbaar te maken of hij nu wel of niet per 1 december 2017 de overstap naar [de vennootschap 2] zou gaan maken en heeft hem tegelijkertijd tevens gewezen op discussies en gerechtelijke procedures die zij in 2016 met andere ex werknemers heeft gevoerd. [appellant] en [geïntimeerde] hebben daarna op 17 oktober 2017 nog over en weer gereageerd (per e-mail) zonder dat dit tot een wijziging van de respectieve standpunten heeft geleid.

3.1.8.

Een dag later, op 18 oktober 2017, heeft [appellant] mondeling aan [geïntimeerde] laten weten nog steeds van plan te zijn per 1 december 2017 de overstap naar [de vennootschap 2] te maken, waarop [geïntimeerde] haar standpunt richting [appellant] aangaande het beding handhaafde.

3.1.9.

Na nog enkele berichten over en weer, waarin partijen volhardden in hun standpunten, heeft [geïntimeerde] [appellant] op 2 november 2017 vrijgesteld van de bedongen werkzaamheden onder de vermelding dat dat géén opzegging was.

3.1.10.

De arbeidsovereenkomst tussen partijen is per 1 december 2017 geëindigd. [appellant] heeft een arbeidsovereenkomst gesloten met [de vennootschap 2] , ingaande op 1 december 2017, maar per 12 december 2017 is die arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd. Op die dag heeft [appellant] aan [geïntimeerde] verzocht hem opnieuw in dienst te nemen, hetgeen [geïntimeerde] heeft geweigerd. [appellant] is per laatstgenoemde datum in dienst getreden van [de vennootschap 3] als backoffice medewerker verzekeringen op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 30 juni 2018.

3.2.1.

In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd, in kort geding, dat de kantonrechter (samengevat):

primair

1. het beding schorst totdat in een bodemprocedure is beslist;

subsidiair

2. het beding gedeeltelijk, te weten qua tijdsduur en/of geografische omvang en/of hoogte van de boete, schorst totdat in een bodemprocedure is beslist;

3. hem een voorschot toekent op de schadevergoeding ex artikel 7:653 lid 5 BW ad € 1.500,- bruto per maand indien de kantonrechter het beding gedeeltelijk (of niet) schorst,

primair & subsidiair:

4. een voorziening treft die de kantonrechter juist acht;

5. [geïntimeerde] veroordeelt in de proceskosten en nakosten;

6. het vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaart.

3.2.2.

Bij het beroepen vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.

3.2.3.

In hoger beroep heeft [appellant] zes grieven aangevoerd en zijn in eerste aanleg geformuleerde vorderingen gehandhaafd en herhaald.

3.3.

Het hof is van oordeel dat [appellant] in hoger beroep nog steeds een spoedeisend belang heeft, omdat hij door het beding tot 1 december 2019 wordt beperkt in zijn arbeidsmogelijkheden.

3.4.

Het hof stelt voorop dat de vraag of een voorlopige voorziening in kort geding toewijsbaar is, afhangt van de beoordeling van de voorlopige merites van de zaak en van de afweging van de belangen van partijen. Bij die belangenafweging is onder meer van belang hoe ingrijpend het uitblijven van de voorlopige voorziening is voor de eisende partij en het toewijzen van de gevraagde voorziening voor de gedaagde partij. Voor een uitgebreid onderzoek naar de feiten, bijvoorbeeld door het horen van getuigen, is in een geding als het onderhavige in beginsel geen plaats.

3.5.

Met grief III komt [appellant] (ook) op tegen de feitenvaststelling in het bestreden vonnis. Volgens [appellant] heeft de kantonrechter ten onrechte niet vermeld dat de volgende tekst onderdeel is van het beding: “Werknemer erkent dat er sprake is van zwaarwegend bedrijfsbelang, omdat werknemer inzicht verkrijgt in bedrijfs- en marktgevoelige informatie.” De grief slaagt in zoverre, dat het hof dit bij de beoordeling zal betrekken en de feiten met deze passage heeft aangevuld (zie 3.1.2). Het hof volgt [appellant] echter niet in de conclusie die hij aan deze passage verbindt. Alvorens het hof zal uitleggen waarom [appellant] hierin niet wordt gevolgd, benadrukt het hof dat in dit geval sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Lid 2 van artikel 7:653 BW is daarom niet van toepassing. Zoals hierna zal blijken, betekent dat niet zonder meer, dat aan deze passage geen enkele betekenis toekomt. Het hof zal daarop nader ingaan bij de op grond van artikel 7:653 lid 3 BW uit te voeren toets (zie 3.9 tot en met 3.11).

3.6.

Lid 4 van artikel 7:653 BW luidt als volgt:

Aan een beding als bedoeld in lid 1 of lid 2 kan de werkgever geen rechten ontlenen, indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

De kantonrechter is in 4.6 van het bestreden vonnis tot het oordeel gekomen dat [appellant] zijn stelling dat [geïntimeerde] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij hem geen mogelijkheden heeft geboden om binnen het bedrijf door te groeien, onvoldoende heeft onderbouwd. Grief I heeft betrekking op dit oordeel. [appellant] heeft in zijn toelichting op de grief opnieuw uiteengezet dat en waarom hij meent dat [geïntimeerde] een positief carrièreverloop van hem in de weg staat. Het hof begrijpt uit deze toelichting dat [appellant] meent dat hij een veel beter inkomen kan verdienen bij [de vennootschap 2] en dat de onderneming van [de vennootschap 2] een groeiperspectief heeft, terwijl [geïntimeerde] zich volgens [appellant] in een neerwaartse spiraal bevindt. Het hof is van oordeel dat, als dit al zo zou zijn, deze stelling van [appellant] geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [geïntimeerde] oplevert in de zin van artikel 7:653 lid 4 BW. Voor zover uit de toelichting op de grief al moet worden opgemaakt dat [geïntimeerde] een toezegging met betrekking tot de functie-inhoud niet heeft waargemaakt, is het hof van oordeel dat het te vroeg was om een dergelijke conclusie te kunnen trekken. De onderhavige arbeidsovereenkomst was immers pas per 1 mei 2017 aangegaan. Maar ook in zo’n situatie moet er sprake zijn van bijzondere omstandigheden om te kunnen concluderen tot ernstige verwijtbaarheid. Een teleurstelling over de functie-inhoud is daarvoor in het algemeen, en ook in dit geval, onvoldoende. De grief faalt.

3.7.

Lid 3 van artikel 7:653 BW geeft de rechter de mogelijkheid een beding zoals hier aan de orde, geheel of gedeeltelijk vernietigen indien, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door het beding onbillijk wordt benadeeld. [appellant] vordert in kort geding, dus vooruitlopend op een dergelijke beslissing door de bodemrechter, de schorsing van het beding. De bodemrechter dient een afweging te maken tussen het recht van [appellant] op vrije arbeidskeuze enerzijds en het belang van [geïntimeerde] bij handhaving van het overeengekomen beding anderzijds. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het belang van [geïntimeerde] hierin gelegen dient te zijn dat [appellant] door zijn arbeidskeuze na beëindiging van het dienstverband niet een situatie bewerkstelligt waarbij sprake is van oneerlijke concurrentie. Het rechtens te respecteren belang van [geïntimeerde] is niet het tegengaan van concurrentie in het algemeen, maar het voorkomen dat [appellant] met gebruikmaking van de kennis van [geïntimeerde] , die hij zonder de werkzaamheden voor [geïntimeerde] niet zou hebben, [geïntimeerde] rechtstreeks concurrentie zou kunnen aandoen en daarmee zichzelf of een derde ( [de vennootschap 2] ) een ongerechtvaardigde voorsprong in concurrerend handelen zou kunnen bezorgen.

3.8.

Het hof dient dus te beoordelen hoe de bodemrechter deze belangen van [geïntimeerde] en van [appellant] tegen elkaar zal afwegen. Het hof zal eerst ingaan op het belang van [geïntimeerde] bij handhaving van het beding en daarna op het belang van [appellant] bij vernietiging daarvan.

3.9.

[appellant] heeft (zie de toelichting op grief III), onder verwijzing naar de laatste zin in artikel 11 lid 1 van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, aangevoerd dat ‘bedrijfsmatige- en marktgevoelige informatie’ het enige bedrijfsbelang is dat het hof in aanmerking mag nemen bij de toets van artikel 7:653 lid 3 BW. Het is het hof (‘Haviltexend’) niet duidelijk op grond waarvan [appellant] die conclusie trekt. De tekst van het beding biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten (er staat bijvoorbeeld niet: uitsluitend, of slechts) en [appellant] heeft niets aangevoerd over hetgeen hierover is besproken tijdens de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst.

3.10.

Gelet op het bepaalde in artikel 157 lid 2 Rv levert de hiervoor vermelde passage dwingend bewijs op, behoudens tegenbewijs. Het hof zal daarom bij de hierna uit te voeren toets van artikel 7:653 lid 3 BW voorshands er vanuit gaan dat [geïntimeerde] een zwaarwegend bedrijfsbelang heeft omdat [appellant] inzicht heeft verkregen in bedrijfs- en marktgevoelige informatie.

3.11.

Om de hiervoor, in 3.10 genoemde reden, gaat [appellant] er met grief IV ten onrechte vanuit dat de stelplicht voor wat betreft zijn toegang tot bedrijfsmatige en marktgevoelige informatie van [geïntimeerde] , bij [geïntimeerde] ligt. Afgezien daarvan acht het hof het voorshands voldoende aannemelijk dat [appellant] bij [geïntimeerde] informatie heeft gekregen die potentieel concurrentiegevoelig is. Hoewel dat niet zo zal zijn voor alle genoemde informatie, acht het hof het voorshands wel aannemelijk dat dit zal gelden voor bijvoorbeeld tarieven, kennis van werkwijze en netwerk. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, kan het hof er voorshands niet vanuit gaan dat ‘netwerk’ volledig wordt gedekt door het overeengekomen relatiebeding. Het netwerk van [geïntimeerde] kan meer contacten omvatten dan waar het relatiebeding op ziet. Dit kort geding leent zich niet voor een nader feitenonderzoek hiernaar.

3.12.

Volgens grief II heeft de kantonrechter het belang van [appellant] bij schorsing van het beding ondergewaardeerd. [appellant] heeft de volgende argumenten aangedragen:

- arbeidsvoorwaarden;

- ondernemingskwaliteiten en carrièreperspectief;

- kans op ander werk / werkloosheid;

- duur van de arbeidsovereenkomst.

Het hof zal hierop puntsgewijs ingaan.

3.13.

Uit de door [appellant] overgelegde stukken blijkt dat [appellant] bij [de vennootschap 2] meer kon gaan verdienen dan bij [geïntimeerde] . Dat belang bij de schorsing van het beding heeft [appellant] geconcretiseerd en onderbouwd.

3.14.

Het hof kan [appellant] voorshands niet volgen in zijn stelling dat zijn carrièreperspectief bij [geïntimeerde] slecht was. [appellant] heeft daartoe onder meer verwezen naar cijfers uit 2016. Als uit die cijfers zou volgen dat het toekomstperspectief van [geïntimeerde] niet goed was, dan valt niet in te zien waarom [appellant] desondanks per 1 mei 2017 de aansluitende overeenkomst met [geïntimeerde] heeft gesloten. [appellant] is op 1 oktober 2016 bij [geïntimeerde] in dienst getreden. Hij heeft per 1 mei 2017 een overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. Het hof is voorshands van oordeel dat [appellant] zich in die tijd een beeld heeft kunnen vormen van de onderneming van [geïntimeerde] , alsmede op de vooruitzichten van [geïntimeerde] vanuit concurrentieoogpunt ten opzichte van andere makelaarskantoren in de omgeving en ook op zijn eigen carrièreperspectief bij [geïntimeerde] . [appellant] is heel kort na aanvaarding van deze aansluitende overeenkomst tot de conclusie gekomen dat hij liever bij [de vennootschap 2] wilde werken. Het hof acht het voorshands niet aannemelijk dat dit was omdat [geïntimeerde] opeens geen carrièreperspectief meer bood. Wellicht is het carrièreperspectief bij [de vennootschap 2] gunstiger, maar dat heeft [geïntimeerde] gemotiveerd betwist en dat kan in dit kort geding onvoldoende worden onderzocht. Partijen twisten ook over de exacte inhoud van de functie. Ook dat kan in dit kort geding onvoldoende worden onderzocht. Het hof acht het voorshands niet aannemelijk dat [appellant] als beginnend makelaar zich bij [geïntimeerde] in de toekomst niet had kunnen richten op nieuwbouw.

3.15.

[appellant] heeft verder nog aangevoerd dat hij geen of amper kans heeft op het vinden van ander passend werk. Het hof kan op basis van de stukken onvoldoende beoordelen of het voor [appellant] zo goed als onmogelijk is om als makelaar te gaan werken ten noorden van [plaats 4] . Dit kort geding leent zich niet voor een nader feitenonderzoek op dit punt. [appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat hij jarenlang heeft gestudeerd voor makelaar en dat hij in dat vak zijn werkervaring heeft opgedaan, maar een nadere concrete toelichting op dit punt ontbreekt. Wat hij allemaal heeft gedaan voorafgaand aan de indiensttreding bij [geïntimeerde] heeft [appellant] niet uiteengezet. Hij heeft geen cv overgelegd. In dit kort geding kan het hof dus voorshands niet tot het oordeel komen dat het voor [appellant] feitelijk onmogelijk is om zijn carrière als makelaar voort te zetten. Verder is van belang dat [appellant] niet heeft aangevoerd dat een onderbreking van zijn carrière als makelaar betekent dat hij de kwalificatie Kandidaat Register-Makelaar Taxateur, die hij tijdens zijn studie heeft behaald, of certificaten verliest of iets dergelijks. Hij heeft wel gesteld dat hij alleen cursussen kan volgen en titels kan behalen als hij in de sector werkzaam is, maar welke titel hij nog nodig heeft, heeft hij niet, althans onvoldoende, toegelicht. Dat het daarvoor nodig is om als makelaar werkzaam te zijn blijkt niet uit enig door hem overgelegd document. Hoewel het hof begrijpt dat het niet eenvoudig is om na verloop van tijd het vak weer op te pakken en ook dat het niet eenvoudig is om nu een baan als makelaar te vinden buiten een straal van 30 km van [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] , wil dat niet zeggen dat dat onmogelijk is. Maar zelfs als dat wel zo zou zijn, betekent dat niet dat [appellant] verstoken is van inkomen. Hij heeft (vrijwel) aansluitend op zijn baan bij [geïntimeerde] een baan gevonden in de verzekeringsbranche (zie 3.1.10). Dat zijn contract loopt tot en met 30 juni 2018, wil niet zeggen dat hij daarna niet een soortgelijke baan zou kunnen vinden, eventueel bij een andere werkgever. [appellant] heeft geen enkel inzicht gegeven in zijn kans op andere werk in de verzekeringsbranche of een andere branche.

3.16.

De korte duur van de arbeidsovereenkomst acht het hof in dit geval van ondergeschikt belang. Het gaat hier niet om een contract voor bepaalde tijd. In zo’n situatie heeft een werknemer na korte tijd het probleem dat hij elders ander werk moet gaan vinden en daarbij wordt beperkt in zijn mogelijkheden. In dit geval is sprake van een overeenkomst voor onbepaalde tijd, die nog maar kort daarvoor was aangegaan, maar die is geëindigd omdat [appellant] al heel snel tot de slotsom is gekomen dat hij liever elders wilde werken. Dat was niet ingegeven door een probleem in de relationele sfeer, althans dit is volstrekt onvoldoende gebleken. De verhoudingen tussen partijen zijn pas vertroebeld nadat [appellant] te kennen had gegeven dat hij ondanks het beding bij een directe concurrent wilde gaan werken.

Een kort dienstverband wil niet per definitie zeggen dat om die reden weinig kennis is opgedaan van gevoelige bedrijfsmatige informatie. Dat zal afhankelijk zijn van het soort onderneming. Het hof gaat er voorshands vanuit dat [appellant] die kennis heeft verkregen (zie 3.10 en 3.11). Dat die kennis snel is verouderd zal gelden voor de marketingstrategie (omdat [appellant] niet meer aanwezig is geweest bij een bespreking), maar niet per definitie voor andere kennis.

3.17.

Uit het voorgaande volgt dat het hof voorshands van oordeel is dat ervan uitgegaan dient te worden dat [geïntimeerde] een rechtens te respecteren belang heeft bij het overeengekomen beding en dat [appellant] door het beding niet onbillijk wordt benadeeld. [appellant] ziet er kennelijk aan voorbij dat het feit dat hij wordt benadeeld door het beding, onvoldoende is. Het gaat erom of hij onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van [geïntimeerde] . Alle omstandigheden in aanmerking nemend komt het hof voorshands niet tot het oordeel dat de bodemrechter een dergelijke onbillijkheid zal vaststellen. Om die reden ziet het hof geen aanleiding om het beding te schorsen, ook niet gedeeltelijk, dus ook niet in tijd of geografische beperking. Het hof ziet om dezelfde redenen evenmin aanleiding om het boetebeding te schorsen. Het hof ziet daartoe geen aanleiding omdat de boetes dienen als prikkel tot nakoming. Bij dit alles heeft het hof meegewogen dat [appellant] concreet het voornemen had en heeft om bij een directe concurrent van [geïntimeerde] - [de vennootschap 2] - in dienst te treden. [de vennootschap 2] heeft meerdere vestigingen. [geïntimeerde] loopt het risico dat [de vennootschap 2] een ongerechtvaardigde voorsprong verkrijgt door [appellant] in dienst te nemen, ook als dat is op een locatie die wat verder afligt van het werkgebied van [geïntimeerde] . Grief V faalt dus ook.

3.18.

[appellant] klaagt met grief VI over de afwijzing van het voorschot op de gevorderde (schade)vergoeding. [appellant] baseert zijn vordering op lid 5 van artikel 7:653 BW. Uit die bepaling volgt dat de bodemrechter kan bepalen dat [geïntimeerde] een vergoeding moet betalen voor de duur van het beding. Ook deze grief faalt. [appellant] ziet over het hoofd dat het enkele feit dat het beding hem belemmert om anders dan bij [geïntimeerde] in dienst te zijn, onvoldoende is voor toekenning van een vergoeding. Het gaat bij die vergoeding niet om een schadevergoeding, maar om een vergoeding naar billijkheid. Daartoe is nodig dat het beding hem in belangrijke mate belemmert. Het hof acht het niet aannemelijk dat de bodemrechter tot die conclusie zal komen. Immers, [appellant] is tot 1 juli 2018 elders werkzaam geweest tegen een beter salaris dan het salaris dat hij bij [geïntimeerde] verdiende en het hof acht het niet onaannemelijk dat hij aansluitend een soortgelijke baan zal vinden. Ook deze grief faalt dus.

3.19.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen. Het hof zal [appellant] veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 716,- aan griffierecht en op € 1.074,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, M.E. Smorenburg en D.W. Giltay Veth en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 juli 2018.

griffier rolraadsheer