Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2795

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
200.210.126_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:9900
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdeling huwelijksgemeenschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.210.126/01

arrest van 3 juli 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. G.O. Perquin te Zoetermeer,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. P.W.A.M. van Roy te Beek,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 februari 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 16 november 2016, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen de man als eiser in conventie, verweerder in reconventie en de vrouw als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/214100 / HA ZA 15-704)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;

  • -

    de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 7 mei 2018 met producties 19 en 20;

  • -

    het pleidooi d.d. 23 mei 2018, waarbij de vrouw werd bijgestaan door mr. D. Lavain namens zijn kantoorgenoot mr. P.W.A.M. van Roy.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. Partijen zijn op 25 maart 1983 te Mexico-Stad (Mexico) met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

Partijen wonen sinds medio juni 2008 gescheiden. De man heeft toen de voormalige echtelijke woning verlaten. De vrouw is met de twee kinderen van partijen in de woning blijven wonen.

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2010 is (onder meer) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en zijn partijen bevolen tot verdeling over te gaan van de tussen hen bestaande “sociedad conyugal” naar het recht van de Mexicaanse deelstaat Distrito Federal met benoeming van de daarin genoemde notaris en onzijdige personen.

De echtscheidingsbeschikking is op 28 mei 2010 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag.

Partijen zijn er niet in geslaagd de tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende vermogensbestanddelen te verdelen.

3.2.1.

In eerste aanleg hebben partijen over en weer – kort gezegd – de verdeling van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap gevorderd.

3.2.2.

Partijen hebben over en weer verweer gevoerd.

3.2.3.

Bij vonnis van 16 november 2016 heeft de rechtbank Limburg (Maastricht), voor zover thans van belang, in conventie en in reconventie het volgende beslist:

“5.1. stelt de (wijze van de) verdeling van de tussen partijen bestaande wettelijke gemeenschap als volgt vast:

(…)

5.5.

bepaalt dat, voor zover [geïntimeerde] de woning verlaat voordat deze aan een derde is verkocht, partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor alle kosten met betrekking tot de woning totdat deze aan een derde is verkocht én geleverd,

(…)

5.9.

deelt toe aan [geïntimeerde] de levensverzekering (polisnummer [polisnummer] ) afgesloten bij [levensverzekeringsmaatschappij] , onder veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] wegens overbedeling te betalen € 25.183,50, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf vandaag tot aan de dag der algehele voldoening,

5.10.

deelt toe aan [geïntimeerde] de lijfrenteverzekering die op haar naam staat en deelt toe aan [appellant] de lijfrenteverzekering die op zijn naam staat, onder veroordeling dat [appellant] aan [geïntimeerde] dient te voldoen € 844,89 (ter zake verschuldigde premies) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

5.11.

deelt aan [geïntimeerde] de auto die zij al in haar bezit heeft zonder dat hiervoor een vergoeding hoeft te worden voldaan aan [appellant] ,

(…)

5.13.

veroordeelt [appellant] aan [geïntimeerde] te betalen:

- € 16.626,00 ter zake hypothecaire rentebetalingen, te vermeerderen met de wettelijke

rente daarover vanaf vandaag tot aan de dag der algehele voldoening,

- € 2.174,00 ter zake onroerendgoedbelasting, te vermeerderen met de wettelijke rente

daarover vanaf vandaag tot aan de dag der algehele voldoening,

- € 231,00 ter zake premies uitvaartverzekering, te vermeerderen met de wettelijke

rente daarover vanaf de datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

- € 2.514,66 ter zake het doorlopend krediet opgenomen op 25 mei 2010, te vermeerderen met de helft van de daarover door [geïntimeerde] betaalde rente en met de wettelijke rente vanaf vandaag tot de dag van algehele voldoening,

- € 3.500,00 ter zake het doorlopend krediet opgenomen op 2 augustus 2010, te vermeerderen met de helft van de daarover door [geïntimeerde] betaalde rente en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

- € 288,33 ter zake het door haar betaalde negatieve banksaldo, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf vandaag tot aan de dag der algehele voldoening,

- € 1.173,90 ter zake premies ziektekostenverzekering, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

- € 465,03 ter zake taxatiekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf vandaag tot aan de dag der algehele voldoening,

(…)

5.17.

wijst af het meer of anders gevorderde.”

3.3.

Partijen kunnen zich op onderdelen met het bestreden vonnis niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De man heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis.

De vrouw heeft in incidenteel hoger beroep één grief gericht tegen het vonnis waarvan beroep. De grieven van de man en de vrouw zien op de volgende onderwerpen: peildatum, de auto, de hypotheekrente, gebruiksvergoeding, eigenaarslasten, onroerendgoedbelasting, gebruikerslasten en de kosten van onderhoud en reparatie van de woning.

3.5.

Het hof zal de onderwerpen hierna bespreken.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.6.

Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, alsmede het toepasselijke recht. Het hof verwijst hiervoor naar de daaraan gewijde overwegingen van de rechtbank waartegen geen grieven zijn gericht en die het hof onderschrijft. De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot de onderhavige verzoeken en hierop is Nederlands recht van toepassing.

Peildatum

3.7.1.

Grief 1 van de man houdt in dat de rechtbank ten onrechte verschillende peildata heeft gehanteerd voor de waardering van (1) de gevorderde kosten van de persoonlijke lijfrentepolis van de vrouw, de ziektekosten- en begrafeniskostenverzekering, (2) de te verdelen levensverzekering afgesloten bij [levensverzekeringsmaatschappij] (polisnr. [polisnummer] ) en (3) de persoonlijke bankrekeningen van partijen. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan.

(1) De toezegging van de man ter comparitie van de rechtbank om de door de vrouw gevorderde kosten (premies) van de persoonlijke lijfrentepolis van de vrouw en de ziektekosten- en begrafenisverzekering te betalen, was ingegeven op basis van een waardering van het gezamenlijk vermogen per medio 2008. Nu de rechtbank heeft bepaald dat 28 mei 2010 heeft te gelden als peildatum voor de vaststelling van de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap, kan de man niet meer instemmen met de ter comparitie door hem gedane toezeggingen om deze door de vrouw gevorderde kosten te betalen.

(2) De betalingen voor de levensverzekering zijn tot 28 mei 2010 voldaan uit het gezamenlijk vermogen, zodat de levensverzekering op zijn vroegst op 28 mei 2010 dient te worden gewaardeerd en niet op 31 december 2008.

(3) Nu de rechtbank voor de waardering van de gezamenlijke bankrekening van partijen is uitgegaan van peildatum 31 december 2010, moet hetzelfde gebeuren voor de waardering van de persoonlijke bankrekeningen van partijen. Het is om het even of voor de waardering uitgegaan moet worden van peildatum 31 december 2010 of 28 mei 2010. Het saldo van de op naam van de vrouw staande bankrekening op 31 december 2010 was € 7.388,38.

3.7.2.

De vrouw heeft hiertegen het volgende aangevoerd.

(1 en 2) Partijen hebben ter zitting in eerste aanleg overeenstemming bereikt over de verdeling van kosten van de persoonlijke lijfrentepolis van de vrouw, de ziektekosten- en begrafeniskostenverzekering alsmede over de verdeling van de levensverzekering. De overeenstemming is niet bereikt onder enige ontbindende of opschortende voorwaarde. Evenmin was de overeenstemming verbonden aan de afhankelijkheid van enige peildatum. De man werd bij zijn instemming voorzien van kundige juridische bijstand.

(3) Als productie 17 is een overzicht van de banksaldi 2008 van de gezamenlijke bankrekeningen van partijen in het geding gebracht, inclusief bankafschriften. Daaruit volgt dat de (spaar)gelden van partijen in 2008 beperkt waren. In 2010 waren er helemaal geen gelden meer. In 2008 noch in 2010 valt er een positief saldo te verdelen.

3.7.3.

Het hof overweegt als volgt.

(ad 1) De rechtbank heeft in rov. 4.27, 4.28 en 4.46 van het bestreden vonnis overwogen dat de man heeft verklaard ermee akkoord te zijn dat de vorderingen “zoals gedaan door [geïntimeerde] ” ter zake van de kosten van de lijfrenteverzekeringen, de begrafenisverzekering en ziektekostenverzekering worden toegewezen. De vrouw heeft deze vorderingen in haar conclusie van antwoord tevens eis in reconventie onder punt 54, 56 en 62 duidelijk omschreven. Aldus is tussen partijen overeenstemming bereikt over de kosten van de persoonlijke lijfrentepolis van de vrouw en de kosten van de ziektekosten- en begrafeniskostenverzekering. Daarmee is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen. De man is gehouden de uit deze overeenkomst voortvloeiende verbintenissen na te komen, tenzij deze overeenkomst nietig dan wel vernietigbaar, (bijvoorbeeld op grond van het bestaan van een wilsgebrek) zou zijn. Dit is echter gesteld noch gebleken. In zoverre faalt de grief van de man.

(ad 2) Uit rov. 4.6 in samenhang gelezen met rov. 4.26 van het bestreden vonnis, alsook gelet op hetgeen partijen blijkens het proces-verbaal van de op 1 augustus 2016 gehouden comparitie van partijen over en weer hebben verklaard, leidt het hof af dat partijen het erover eens waren dat voor de waardering van de levensverzekering kon worden uitgegaan van de peildatum 31 december 2008. Aldus is tussen partijen overeenstemming bereikt over de peildatum van de waardering van de levensverzekering. Op die overeenstemming kan de man niet terugkomen. Het hof verwijst hierbij naar het vorenoverwogene onder 3.7.3. onder (1).

(ad 3) Ter zitting in hoger beroep zijn partijen het erover eens geworden dat het op de peildatum 28 mei 2010 aanwezige saldo op de bankrekening van de man met rekeningnummer [bankrekeningnummer van de man] , alsmede het op voormelde peildatum aanwezige saldo op de bankrekening van de vrouw met rekeningnummer [bankrekeningnummer van de vrouw] tussen partijen bij helfte moet worden verdeeld. Aldus zal het hof bepalen.

De auto

3.8.1.

Grief 2 van de man houdt in dat de rechtbank ten onrechte de vordering uit overbedeling ter zake van de auto heeft afgewezen. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan.

Hij acht het onacceptabel dat de vrouw wordt beloond voor het feit dat zij in eerste aanleg heeft nagelaten gegevens over te leggen van de Toyota Yaris die de vrouw eind 2008 heeft gekocht en waarbij zij de gezamenlijke Toyota Verso van partijen heeft ingeruild.

De rechtbank had om die reden uit moeten gaan van de bekende waarde van de Toyota Verso van € 9.500,--.

3.8.2.

De vrouw heeft hiertegen het volgende aangevoerd.

De auto die partijen hadden toen zij nog samen waren, was een Toyota Verso. Na het vertrek van de man in 2008 heeft de vrouw deze auto eind 2008 noodgedwongen moeten inleveren voor een kleinere auto (Toyota Yaris), omdat de lasten van de Toyota Verso te hoog waren.

De Toyota Yaris heeft de vrouw nog in gebruik en is op juiste gronden aan haar toegewezen. Van overbedeling kan geen sprake zijn aangezien uitsluitend de vrouw de lasten van deze auto heeft gedragen. Een verplichting tot betaling uit dien hoofde zou in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn. De waarde van de auto bedroeg op peildatum 16 november 2016 (peildatum waardering auto) circa € 2.800,--.

3.8.3.

Het hof overweegt als volgt.

Partijen verschillen van mening over de waarde waartegen de door de vrouw in 2008 gekochte Toyota Yaris aan de vrouw kan worden toegedeeld. Als peildatum voor de waardering geldt in de regel de datum van de verdeling. Dit is slechts anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen, of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard (vgl. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, rov. 4.2.1). Het hof stelt vast dat de Toyota Yaris zich altijd binnen de risicosfeer van de vrouw heeft bevonden. De vrouw heeft de Toyota Yaris immers gekocht nadat de man in augustus 2008 de echtelijke woning had verlaten en het is de vrouw geweest die de auto steeds heeft gebruikt (en nog immer gebruikt). Gelet daarop ligt de door de vrouw bepleite peildatum van 16 november 2016 niet in de rede. Nu de man ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat als peildatum voor de waardering van de Toyota Yaris uitgegaan mag worden van het jaar 2010, zal het hof, gelet op het vorenoverwogene, dat jaar als peildatum voor de waarde van de Toyota Yaris hanteren.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat de koopprijs van de Toyota Yaris in 2008 € 9.500,-- bedroeg. De man heeft dit niet betwist. Mitsdien stelt het hof de waarde van de Toyota Yaris in 2010 in alle redelijkheid vast op een bedrag van € 7.500,--. Dit brengt met zich dat de vrouw ter zake van overbedeling een bedrag van € 3.750,-- aan de man dient te voldoen. Aldus zal het hof bepalen. Dit betekent dat de grief van de man slaagt.

De hypotheekrente

3.9.1.

Grief 3 van de man houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij gehouden is over de periode van 28 mei 2010 tot en met februari 2016 de helft van de hypothecaire rentebetalingen van de woning te dragen. Ter toelichting op zijn grief voert hij het volgende aan.

In 2011 zijn de condities van de hypotheek fundamenteel gewijzigd zonder dat de man daar enige invloed op heeft kunnen uitoefenen. Sinds dat jaar is de grond onder het aan de man toekomende deel van de spaarhypotheek weggenomen aangezien de man sindsdien geen belanghebbende meer is van de levensverzekeringen welke aan de hypotheek zijn gekoppeld. Indien de vrouw zou zijn overleden voordat de woning aan een koper was geleverd, dan was uitkering op grond van de levensverzekering niet aan de man ten goede gekomen, maar was hij wel verantwoordelijk gesteld voor de hele hypotheek. Het is daarom niet aanvaardbaar dat hij de helft van de hypothecaire lasten moet betalen vanaf het moment dat de levensverzekering is gewijzigd.

3.9.2.

De vrouw heeft hiertegen het volgende aangevoerd. De man is terecht veroordeeld tot terugbetaling van de hypothecaire rentebetalingen. De man is mede-eigenaar van de woning en hij is hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen die daaruit voortvloeien. Het betoog van de man omtrent de spaarhypotheek kan de vrouw niet volgen. De wijzigingen hebben plaatsgevonden ten tijde van hun huwelijk, nog vóór het vertrek van de man uit de echtelijke woning in 2008. Inmiddels is de voormalige echtelijke woning in augustus 2017 verkocht.

3.9.3.

Het hof overweegt als volgt.

De woning behoort aan partijen gezamenlijk toe, zodat sprake is van een (eenvoudige) gemeenschap in de zin van art. 3:166 BW. Op grond van art. 3:166 lid 2 BW zijn partijen ieder voor een gelijk aandeel in de woning gerechtigd, nu niet is gesteld of gebleken dat hun rechtsverhouding anders meebrengt. De rechtsbetrekkingen tussen partijen – als deelgenoten – worden beheerst door de eisen van de redelijkheid en billijkheid (art. 3:166 lid 3). Op grond van art. 3:172 BW moeten de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht, tenzij een regeling anders bepaalt. Nu partijen ieder voor de helft tot de woning gerechtigd zijn dienen zij in beginsel voor de helft in de uitgaven van de woning bij te dragen. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat partijen hoofdelijk verbonden zijn voor de hypotheekschuld. Op grond van art. 6:10 BW zijn zij gehouden ieder voor het gedeelte van de schuld dat hen in hun onderlinge verhouding aangaat, in de schuld en de kosten bij te dragen. In hoeverre de schuld ieder van hen aangaat, hangt af van de bijzondere omstandigheden van het geval, met name van hun onderlinge rechtsverhouding. Nu de schuld door partijen destijds tezamen is aangegaan ter financiering van de woning die op dat moment door hen beiden werd bewoond en dat die aan ieder van hen voor de onverdeelde helft in eigendom toebehoort, gaat deze schuld ook op grond van art. 6:10 BW in beginsel partijen ieder voor de helft aan. Naar het oordeel van het hof heeft de man – mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw – onvoldoende gesteld dat tot de conclusie kan leiden dat uit de onderlinge rechtsverhouding van partijen voortvloeit dat de vrouw de hypotheekrente over de periode van 28 mei 2010 tot en met februari 2016 geheel voor haar rekening dient te nemen. Dat de condities van de hypotheek in 2011 fundamenteel gewijzigd zijn, in die zin dat de man geen belanghebbende meer was bij de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekeringen, kan, wat daar overigens ook van zij, aan het voorgaande niet afdoen. Mitsdien faalt de grief van de man.

Gebruiksvergoeding

3.10.1.

De man vordert ter zake van de gezamenlijke voormalige echtelijke woning een door de vrouw aan hem te betalen gebruiksvergoeding over de periode van 28 mei 2010 tot de datum van notariële levering van deze woning.

3.10.2.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Een door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding is in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De man heeft de vrouw met de kinderen in 2008 achtergelaten in de woning. De vrouw heeft noodgedwongen in de woning moeten verblijven en heeft alle aan de woning verbonden kosten sindsdien gedragen. Van exclusief woongenot van de vrouw is geen sprake geweest. Veel ruimtes in de woning zijn in gebruik gebleven voor spullen van de man.

3.10.3.

Het hof oordeelt als volgt. In art. 3:169 BW is bepaald:

“Tenzij een regeling anders bepaalt, is iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is.”

Indien één van de deelgenoten met uitsluiting van de andere deelgenoot het uitsluitend gebruik heeft van de voormalige echtelijke woning, dan kan het onder bepaalde omstandigheden aangewezen zijn dat de deelgenoot die niet het gebruik heeft van de woning, voor het verlies aan profijt een redelijke vergoeding verkrijgt. De eisen van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen deelgenoten beheersen (art. 3:166 lid 3 jo. art. 6:2 BW) spelen daarbij een rol. In dit geval heeft de man de gezamenlijke woning verlaten en elders woonruimte gevonden. De man had met betrekking tot het gebruik van de woning dezelfde rechten als de vrouw. Dat de man van zijn gebruiksrecht geen gebruik heeft gemaakt, of een regeling voor het gebruik op basis van art. 3:168 BW aan de kantonrechter heeft verzocht, komt voor zijn rekening en risico. Naar het oordeel van het hof is het onder de gegeven feiten en omstandigheden niet redelijk en billijk, dat de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding moet betalen. Dit klemt te meer nu de man ter zitting in hoger beroep desgevraagd heeft erkend dat na zijn vertrek uit de woning de nodige spullen van hem daarin zijn achtergebleven. De vordering van de man ter zake van de gebruiksvergoeding wordt afgewezen.

Eigenaarslasten

3.11.1.

De vrouw vordert betaling door de man van de door haar betaalde eigenaarslasten van € 20.855,-- over de periode van mei 2010 tot en met augustus 2017.

3.11.2.

De man heeft verweer gevoerd. Hij stelt dat de opstelling van de vrouw in de echtscheidingsprocedure aanleiding geeft om af te wijken van het wettelijke stelsel inzake de draagplicht van de lasten met betrekking tot de voormalige echtelijke woning.

3.11.3.

Het hof oordeelt als volgt.

Niet in geschil is dat de vrouw over voornoemde periode de volledige hypotheekrente (die is verbonden aan de voormalige echtelijke woning) heeft betaald. Onder verwijzing naar hetgeen het hof hiervóór in rov. 3.9.3. heeft overwogen, zal het hof deze vordering van de vrouw dan ook toewijzen. Dit betekent dat de grief slaagt.

Onroerendgoedbelasting

3.12.

Ter zitting in hoger beroep heeft de man zich akkoord verklaard met het betalen aan de vrouw van een bedrag van € 2.738,-- ter zake van de door de vrouw betaalde onroerendgoedbelasting over de periode van mei 2010 tot en met augustus 2017. Aldus zal het hof de man daartoe veroordelen.

Gebruikerslasten

3.13.1.

De vrouw vordert betaling door de man van een totaalbedrag van € 878,-- ter zake van door de vrouw in de periode van 2008-2017 betaalde gebruikerslasten van de voormalige echtelijke woning.

3.13.2.

De man heeft verweer gevoerd.

3.13.3.

Het hof oordeelt als volgt.

Op grond van het bepaalde in art. 3:172 BW is in beginsel ieder der partijen voor de helft draagplichtig voor de lasten met betrekking tot deze gemeenschappelijke woning. De door de vrouw gevorderde gebruikerslasten hebben echter betrekking op de periode dat zij met uitsluiting van de man de woning bewoonde. Voor de door de vrouw gevorderde kosten bestaat derhalve geen grondslag. Deze lasten komen dan ook voor rekening van de vrouw.

Het hof wijst de vordering van de vrouw dan ook af. Dit betekent dat de grief faalt.

Onderhoud en reparatie

3.14.1.

De vrouw vordert betaling door de man van een bedrag van € 2.457,-- ter zake van het onderhoud en de reparatie van de cv-ketel en de garage. Het onderhoud en de reparaties waren noodzakelijk. Uitstel kon niet worden geleden. Overleg met de man hierover was niet mogelijk. De man dient daarom alsnog de helft van de door de vrouw betaalde kosten terug te betalen.

3.14.2.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij stelt dat de vordering van de vrouw moet worden afgewezen omdat de vrouw heeft nagelaten met hem in overleg te treden over het te verrichten onderhoud.

3.14.3.

Het hof oordeelt als volgt.

Naar het oordeel van het hof dienen de kosten die de vrouw gemaakt heeft in verband met het betalen van het onderhoud en de reparatie van de cv-ketel en garage te worden aangemerkt als kosten ten behoeve van een gemeenschappelijk goed als bedoeld in de artikelen 3:170 lid 1 en 3:172 BW. Dit brengt met zich dat de man daarvan de helft dient te dragen. Aldus zal het hof de vordering van de vrouw toewijzen. Dit betekent dat de grief slaagt.

Proceskosten

3.15.

Nu partijen gewezen echtgenoten zijn, zal het hof de proceskosten compenseren als na te melden.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend voor zover daarbij:

  • -

    de auto (Toyota Yaris) is toegedeeld aan de vrouw zonder dat hiervoor een vergoeding hoeft te worden voldaan aan de man;

  • -

    de man is veroordeeld om aan de vrouw een bedrag te betalen van € 16.626,-- ter zake van hypothecaire rentebetalingen;

  • -

    de man is veroordeeld om aan de vrouw een bedrag te betalen van € 2.174,-- ter zake van onroerendgoedbelasting,

en opnieuw rechtdoende:

deelt toe aan de vrouw de auto (Toyota Yaris) tegen een waarde van € 7.500,--, onder de verplichting de helft van die waarde, zijnde een bedrag van € 3.750,--, aan de man te voldoen;

veroordeelt de man aan de vrouw te betalen € 20.855,-- ter zake van de eigenaarslasten (hypothecaire rentebetalingen), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de man aan de vrouw te betalen € 2.738,-- ter zake van onroerendgoedbelasting, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de man aan de vrouw te betalen € 2.457,-- ter zake van het onderhoud en de reparatie van de cv-ketel en de garage, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf vandaag tot aan de dag der algehele voldoening;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van dit hoger beroep tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, J.C.E. Ackermans-Wijn en A.J.F. Manders en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 juli 2018.

griffier rolraadsheer