Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2786

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-06-2018
Datum publicatie
27-09-2018
Zaaknummer
17/00460 en 17/00516
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:3372, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:360
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanslagen rioolheffing vier recreatiewoningen.

Volgens het Hof is belanghebbende degene die - naar de omstandigheden beoordeeld - gebruiker is van de recreatiewoningen. De door belanghebbende overgelegde huurovereenkomsten zijn volgens het Hof niet van doorslaggevend belang. Ten aanzien van het eigenaardeel van de aanslagen rioolheffing oordeelt het Hof evenals de Rechtbank dat belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Het gevoerde beleid berust op een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de heffing van rioolheffing ten aanzien van een bepaalde groep belastingplichtigen, te weten de eigenaren van stacaravans op een recreatieterrein. Aannemelijk is dat het beleid zonder die onjuiste rechtsopvatting achterwege zou zijn gebleven. Een ongelijkheid die wordt veroorzaakt door op een onjuiste rechtsopvatting berustend beleid kan dan niet leiden tot een geslaagd beroep – over een tijdvak vóórdat van de onjuistheid van die rechtsopvatting was gebleken – op het gelijkheidsbeginsel door belastingplichtigen die niet tot de voormelde bepaalde groep behoren (vgl. HR 27 januari 2006, nr. 39407, ECLI:NL:HR:2006:AV0394).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-09-2018
V-N Vandaag 2018/2090
Belastingblad 2019/31 met annotatie van G. GROENEWEGEN
Viditax (FutD), 15-03-2019
NTFR 2018/2486 met annotatie van Mr. E.G. Borghols
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00460 en 17/00516

Uitspraak op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Veere,

hierna: de Heffingsambtenaar,

en het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 6 juni 2017, nummer BRE 16/2458 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna te vermelden aanslagen rioolheffing.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 28 februari 2015 onder aanslagbiljetnummer [aanslagnummer] voor het jaar 2015 aanslagen in de rioolheffing opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Heffingsambtenaar zijn gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de aanslagen rioolheffing gebruikersdeel van vier recreatiewoningen, de uitspraak op bezwaar in zoverre vernietigd, die aanslagen verminderd tot, in totaal, € 74,45, een proceskostenvergoeding van € 990 toegekend en teruggave van het griffierecht gelast.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Heffingsambtenaar hoger beroep ingesteld bij het Hof (kenmerk: 17/00460). Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Tevens heeft belanghebbende een stuk aangeduid als ‘incidenteel hoger beroep’ ingediend. De Heffingsambtenaar heeft op dit als ‘incidenteel hoger beroep’ aangeduide stuk gereageerd.

1.4.

Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende eveneens hoger beroep ingesteld bij het Hof (kenmerk: 17/00516). Ter zake van dit hoger beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) hebben partijen vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 17 mei 2018 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [A] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, [B] , advocaat te Middelburg, en [C] .

1.7.

De Heffingsambtenaar heeft tijdens deze zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende was het gehele jaar 2015 eigenaar van de onroerende zaken gelegen aan de [adres] 1 en 1A te [plaats] (hierna: de onroerende zaken). Het gaat om twee woningen en vijf recreatiewoningen. In de bestreden aanslagen zijn vier recreatiewoningen betrokken. De woningen en recreatiewoningen zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering. De recreatiewoningen worden afzonderlijk verhuurd. Op het perceel van belanghebbende bevindt zich tevens een minicamping.

2.2.

Met dagtekening 28 februari 2015 zijn, in één geschrift verenigd, onder meer, de volgende aanslagen aan belanghebbende opgelegd:

  1. rioolheffing gebruiker woning [adres] 1 (grondslag 3, € 100,80);

  2. rioolheffing gebruiker vier recreatiewoningen (grondslag 1, € 55,85 per woning);

  3. rioolheffing eigenaar woning [adres] 1 (€ 52,70);

  4. rioolheffing eigenaar woning [adres] 1 A (€ 52,70);

  5. rioolheffing eigenaar vier recreatiewoningen (€ 52,70 per woning).

2.3.

De heffing in het onderhavige geval geschiedt op grond van de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2015 van de gemeente Veere (hierna: Verordening). Artikel 1, artikel 3 en artikel 10 van die Verordening luiden, voor zover hier van belang:

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

a. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;

(…)

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

1. De belasting wordt geheven:

a. van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering; verder te noemen; eigenarendeel;

b. van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen; gebruikersdeel.

(…)

3. Met betrekking tot het gebruikersdeel, wordt als gebruiker aangemerkt:

a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens

eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

(…)

Artikel 10 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar, of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

(…)

3. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

(…).”.

2.4.

Tijdens de zitting van de Rechtbank heeft belanghebbende een overeenkomst overgelegd van 6 april 2015, gesloten tussen vier partijen, te weten belanghebbende, [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] CV (hierna: [bedrijf 2] CV) en [A] , waarin is vastgelegd dat [bedrijf 2] CV met ingang van 1 april 2015 huurder wordt van het kampeerterrein en de (zes) vakantiewoningen tegen een bedrag van € 65.000 per jaar.

2.5.

In de hoger beroepsfase heeft belanghebbende, via belastingadviseur [D] , een overeenkomst van 27 december 2013 overgelegd, gesloten tussen drie partijen, te weten belanghebbende (partij 1), [bedrijf 1] B.V. (partij 2) en [A] (partij 3) waarin is vastgelegd dat met ingang van 1 januari 2014 [bedrijf 1] B.V. huurder wordt van het kampeerterrein en de (vijf) vakantiewoningen tegen een bedrag van € 75.000 per jaar.

2.6.

Uit het Handelsregister blijkt onder meer het volgende:

  • -

    [bedrijf 2] CV is op [datum 1] 2015 opgericht, per die datum is (beherend) vennoot [bedrijf 3] BV. Onder ‘Activiteiten’ is vermeld: (….) Het aan verblijfrecreanten bieden van verblijf op de camping die aanwezig is op de locatie [adres] 1 te [plaats] . (…). Aantal werkzame personen: 1;

  • -

    [bedrijf 3] B.V. is opgericht op [datum 2] 2015, belanghebbendes moeder is enig aandeelhouder, belanghebbende is enig bestuurder. Onder ‘Activiteiten’ is vermeld: Financiële Holdings, aantal werkzame personen: 0;

  • -

    [bedrijf 1] B.V. is op [datum 3] 1993 opgericht, [bedrijf 4] B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder. Onder ‘Activiteiten’ is vermeld: Fokken en verhandelen van Haflingerpaarden en het exploiteren van een paardenmelkerij. Aantal werkzame personen: 0;

  • -

    [bedrijf 4] B.V. is op [datum 4] 1995 opgericht, B.V. [bedrijf 5] [plaats] is enig aandeelhouder en bestuurder. Onder ‘Activiteiten’ is vermeld: Financiële Holdings Beheervennootschap. Aantal werkzame personen: 0;

  • -

    B.V. [bedrijf 5] [plaats] is opgericht op [datum 5] 1989, belanghebbende is sinds 1 januari 2011 enig bestuurder, enig aandeelhouder was de per 7 januari 2013 uitgeschreven ontbonden B.V. [bedrijf 6] . Onder ‘Activiteiten’ is vermeld: Het optreden als bestuurder van andere vennootschappen die actief zijn in de agrarische sector. De uitoefening van een hengstenhouderij/paardenfokkerij. Handel in en im- en export van paarden. Aantal werkzame personen: 0.

  • -

    De bezoekadressen van alle vennootschappen luiden: [adres] 1 te [plaats] .

2.7.

De (oude) website van minicamping [E] vermeldt onder meer het volgende:

“(…) Uw gastheer en gastvrouw, [naam] (….) Als u een verblijf bij ons boekt, dan kunt u er dus van verzekerd zijn, dat u bij ons een uiterst plezierige tijd zult doorbrengen. (…)

Op de andere pagina’s op onze website vindt u meer informatie over de minicamping en de vakantiewoningen, over de directe omgeving (….).

Binnenkort kunt u via de website rechtstreeks een plek op de minicamping of een vakantiebon boeken. Tot dat moment kunt u ons rechtstreeks benaderen. Onze contactgegevens vindt u onder de knop “Contact”. (…)

In de maanden juli en augustus zijn wissels op zondag niet mogelijk. Uw gastheer en gastvrouw willen in die maanden namelijk wat tijd voor zichzelf om net als u te kunnen genieten van het vele dat Walcheren te bieden heeft. (….)”.

2.8.

De (nieuwe) website van [E] vermeldt onder meer het volgende:

“ Eigenaars [naam] zijn altijd bereid om meer informatie te geven over bezienswaardigheden en evenementen in de buurt. (….)”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de in 2.2 onder b) en e) vermelde aanslagen rioolheffing terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot, naar het Hof begrijpt, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslagen vermeld in 2.2 onder b) en e). De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, ongegrondverklaring van het beroep bij de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vooraf

4.1.

Bij brief van 17 augustus 2017 heeft belanghebbende een stuk ingediend aangeduid als incidenteel hoger beroep. Aangezien belanghebbende reeds op 20 juli 2017 zelf hoger beroep heeft ingesteld zal het Hof hetgeen in de brief van 17 augustus 2017 is aangevoerd aanmerken als een aanvulling van de hoger beroepsgronden. De door de Heffingsambtenaar opgeworpen vraag of naast een door een partij ingediend hoger beroep diezelfde partij incidenteel hoger beroep kan instellen, laat het Hof daarom in het midden.

4.2.

Belanghebbende heeft primair verzocht de Heffingsambtenaar niet-ontvankelijk in diens hoger beroep te verklaren wegens – kort gezegd – ongerijmde stellingen van de Heffingsambtenaar (meer in het bijzonder de gemachtigde van de Heffingsambtenaar), die bovendien getuigen van een niveau van ‘roddel en achterklap’, alsmede misbruik van processuele bevoegdheden. Nog daargelaten of de Heffingsambtenaar ongerijmde stellingen betrekt en bewoordingen bezigt van het niveau ‘roddel en achterklap’, ziet het Hof geen aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring. Van misbruik van processuele bevoegdheden is evenmin sprake.

Ten aanzien van de aanslagen onder 2.2 onder b); rioolheffing gebruiker vier recreatiewoningen

4.3.

Volgens de Verordening gaat het bij het gebruikersdeel rioolheffing om degene die naar omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.

4.4.

De aanslagen rioolheffing gebruikersdeel zijn opgelegd aan belanghebbende als eigenaar/verhuurder van deze recreatiewoningen. De Heffingsambtenaar heeft zich daarbij gebaseerd op gegevens uit de Basisadministratie Adressen en Gebouwen en er was hem ten tijde van de aanslagoplegging geen informatie bekend die zou wijzen op een andere gebruiker dan belanghebbende. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat de Heffingsambtenaar ten tijde van de aanslagoplegging bekend was met de verklaring van [D] , belastingadviseur, van 22 april 2014, maar deze verklaring is ingebracht in een bezwaarprocedure over een aanslag toeristenbelasting over een ander jaar en met enkel die verklaring kan niet gezegd worden dat de Heffingsambtenaar ermee bekend was dat bij aanvang van het belastingjaar 2015 een ander dan belanghebbende gebruiker zou zijn in de zin van de Verordening.

4.5.

Evenals de Rechtbank is ook het Hof van oordeel dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat belanghebbende aannemelijk maakt dat, hoewel zij eigenaar is, een ander de gebruiker is. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij niet de gebruiker is van de recreatiewoningen omdat deze zijn verhuurd aan [bedrijf 1] B.V. (van 1 januari 2015 tot 1 april 2015) en aan [bedrijf 2] CV (vanaf 1 april 2015). Daartoe heeft zij de huurovereenkomsten overgelegd vermeld in 2.4 en 2.5. Belanghebbende heeft verder gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 25 november 2011, ECLI:NL:RVS:2015:3629.

4.6.

Hoewel de overgelegde huurovereenkomsten een rol spelen bij beantwoording van de vraag wie naar de omstandigheden beoordeeld gebruiker is van de recreatiewoningen, zijn deze geschriften niet doorslaggevend. In het onderhavige geval zijn ook andere omstandigheden van belang. Zoals valt af te leiden uit informatie op de website is belanghebbende degene die als aanspreekpunt voor de gasten fungeert, regelt zij de boekingen en verstrekt zij informatie. Niet weersproken is verder dat belanghebbende de schoonmaak en het onderhoud van de recreatiewoningen verzorgt. De inschrijvingen in het Handelsregister duiden op diverse vennootschappen zonder werkzame personen of slechts één (belanghebbende), op activiteiten die niet veel van doen hebben met exploitatie van recreatiewoningen, en vennootschappen die hetzelfde bezoekadres hebben, te weten het woonadres van belanghebbende. Verder is belanghebbende eigenaar van de recreatiewoningen en woont zij op hetzelfde terrein. Al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, leiden tot de conclusie dat belanghebbende degene is die het perceel gebruikt in de zin van de Verordening. Ook de verwijzing naar de in 4.5 genoemde uitspraak van de ABRvS kan belanghebbende niet baten. Uit die uitspraak is immers niet af te leiden dat de ABRvS een oordeel heeft gegeven over de vraag of [bedrijf 2] CV naar de omstandigheden beoordeeld gebruiker is van de recreatiewoningen.

De door belanghebbende overgelegde bankafschriften bieden ook onvoldoende aanwijzingen voor gebruik door [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2] CV. De als bijlage 11 bij haar verweerschrift in hoger beroep van 28 augustus 2017 gevoegde bankafschriften hebben betrekking op 2016 en verder staat de bankrekening op naam van [E] . De in de Rechtbankfase overgelegde, grotendeels weggelakte, bankafschriften tonen twee stortingen in juli 2015 op de bankrekening van belanghebbende, afkomstig van de bankrekening van [bedrijf 1] B.V.. Als omschrijving is vermeld: ‘afrekening huur [bedrijf 2] c.v. voorschot’. Omdat belanghebbende zelf degene is die als enig (middellijk) bestuurder van [bedrijf 1] B.V. de omschrijving van die overboekingen kon bepalen, kent het Hof aan die omschrijving geen betekenis toe.

Belanghebbende heeft verder geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat niet zij, maar [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2] CV gebruiker van de percelen is.

4.7.

Gelet op het voorgaande zijn de aanslagen rioolheffing gebruikersdeel terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd. Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar is dan ook gegrond.

Ten aanzien van de aanslagen onder 2.2 onder e); rioolheffing eigenaar vier recreatiewoningen

4.8.

De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

“ 2.6. Niet in geschil is dat gelet op alleen de Verordening de aanslagen rioolheffing eigenaren terecht zijn opgelegd.

Belanghebbende stelt evenwel dat het opleggen van de aanslagen die betrekking hebben op de recreatiewoningen achterwege had moeten blijven gelet op het gelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat van recreatieterreinen met stacaravans binnen de gemeente Veere op basis van één perceel rioolheffing wordt geheven, en dat dus ter zake van de stacaravans niet afzonderlijk rioolheffing wordt geheven.

De heffingsambtenaar heeft ter zitting erkend dat afzonderlijke stacaravans kwalificeren als perceel in de zin van de Verordening, en dat het beleid wordt gehanteerd om een recreatieterrein als geheel in de heffing van rioolrecht te betrekken volgens een hogere grondslag. De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat dit terecht is nu voor de WOZ een recreatieterrein afgebakend wordt als één object, en dat voor de rioolheffing daarbij wordt aangesloten.

2.7.

De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar met de handelwijze om ter zake van stacaravans op een recreatieterrein geen aanslagen rioolheffing eigenaren op te leggen afwijkt van de Verordening. Niet in geschil is immers dat dergelijke stacaravans kwalificeren als perceel in de zin van artikel 1 van de Verordening. De verwijzing naar de objectafbakening voor de WOZ baat de heffingsambtenaar niet omdat de Verordening voor de afbakening van het begrip ‘perceel’ niet (mede) aansluit bij de objectafbakening ter zake van recreatieterreinen voor de Wet WOZ. De stacaravans worden derhalve ten onrechte niet in de heffing betrokken. Dat het recreatieterrein volgens een hogere grondslag in de heffing wordt betrokken, maakt dat niet anders.

2.8.

Hoewel stacaravans op grond van beleid ten onrechte niet in de heffing worden betrokken, kan dit niet ertoe leiden dat de aanslagen voor de recreatiewoningen worden vernietigd. Het gevoerde beleid berust op een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de heffing van rioolheffing ten aanzien van een bepaalde groep belastingplichtigen, te weten de eigenaren van stacaravans op een recreatieterrein (zie 2.7). De rechtbank acht voorts aannemelijk dat – uitgaande van de Verordening zoals die voor dit jaar luidt – het beleid zonder die onjuiste rechtsopvatting achterwege zou zijn gebleven. Een ongelijkheid die wordt veroorzaakt door op een onjuiste rechtsopvatting berustend beleid kan dan niet leiden tot een geslaagd beroep – over een tijdvak vóórdat van de onjuistheid van die rechtsopvatting was gebleken – op het gelijkheidsbeginsel door belastingplichtigen die niet tot de voormelde bepaalde groep behoren (vgl. HR 27 januari 2006, nr. 39407, ECLI:NL:HR:2006:AV0394). Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.”.

4.9.

Het Hof verenigt zich met deze overwegingen en maakt die tot de zijne.

Belanghebbende heeft gewezen op de Kadernota 2017 waaruit blijkt (Hoofdstuk 3.2) dat de Heffingsambtenaar reeds lang bekend was met de problematiek rond afbakening afvalstoffenheffing en rioolheffing, aldus belanghebbende. Daarom is volgens belanghebbende het oordeel van de Rechtbank, dat de Heffingsambtenaar zich niet bewust was van zijn onjuiste rechtsopvatting, niet juist.

Uit de gedingsukken maakt het Hof op, dat de discussie tussen gemeenteraad en college van burgemeester en wethouders in de afgelopen jaren (voor 2017) over afbakening in het kader van drie onderscheidenlijke gemeentelijke heffingen er niet een is die enkel en specifiek de afbakening ten aanzien van stacaravans op recreatieterreinen betreft, maar een meer algemene discussie. Eerst door de uitspraak van de Rechtbank van 6 juni 2017 is komen vast te staan dat het beleid van de Heffingsambtenaar op een onjuiste rechtsopvatting berustte. In het onderhavige jaar, 2015, was die bekendheid er dus niet. Belanghebbendes grief kan dan ook niet slagen.

4.10.

Belanghebbende heeft in zijn brief van 6 mei 2018 nog de vraag opgeworpen of bij een juiste toepassing van de Verordening de opbrengstlimiet mogelijk zou zijn overschreden. Deze vraag is niet relevant omdat de opbrengst en de kosten zijn geraamd uitgaande van het onjuiste beleid omtrent de afbakening van stacaravans op recreatieterreinen. Immers ten tijde van die opbrengst- en kostenraming was de Heffingsambtenaar nog niet bekend met de onjuiste rechtsopvatting waarop zijn beleid berustte.

4.11.

Gelet op het voorgaande zijn de aanslagen rioolheffing eigenaarsdeel terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd. Al hetgeen belanghebbende in hoger beroep overigens in dit verband heeft aangevoerd brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

Slotsom

4.12.

De slotsom is dat het hoger beroep van de Heffingsambtenaar gegrond is en dat van belanghebbende ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep ongegrond verklaren.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt. Immers het is niet in overeenstemming met de strekking van artikel 8:114 van de Awb om vergoeding van het griffierecht toe te kennen aan de procespartij wiens hoger beroep ongegrond is verklaard in een geval waarin de vernietiging van een uitspraak van de Rechtbank uitsluitend zijn grond vindt in het slagen van het door de andere partij ingestelde (incidentele) hoger beroep (vgl. HR 15 april 2011, nr. 10/00692, ECLI:NL:HR:2011:BP6600).

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep van de Heffingsambtenaar gegrond;

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 29 juni 2018 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, M. Harthoorn en J.A. Monsma, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.