Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2756

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
05-07-2018
Zaaknummer
20-000449-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:4929, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is ter zake van telkens een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te dulden en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan dwang door een groot aantal personen telefonisch te confronteren met het (door hem verzonnen) bericht dat een of meer familieleden waren overleden. De slachtoffers werden niet alleen volstrekt overvallen door verdachte, tijdens de telefoongesprekken bleef verdachte bovendien gruwelijke elementen aan zijn verhalen toevoegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000449-17

Uitspraak : 2 mei 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 mei 2016, parketnummer 09-857170-15 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parket-nummer 15-049631-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

thans zonder vaste- woon of verblijfplaats hier te lande,

[postadres]

.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte onder de feiten 1 tot en met 16 is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, Drechterwaard 102 te Alkmaar, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht en dat verdachte zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van het forensisch ACT van de GGZ Noord Holland Noord, of een soortgelijke instelling voor ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens die instelling/behandelaar zullen worden gegeven ook indien dit individuele psychomotore therapie (PMT), traumabehandeling door middel van EMDR en huisbezoeken betreft.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] ,

[slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vorderingen in het geheel zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de vordering van het [slachtoffer 16] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, maar wel de schade-vergoedingsmaatregel zal opleggen voor een bedrag van € 2.500,00.

Met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze zal toewijzen.

Door de verdediging is integrale vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank. Reeds hierom zal het hof het vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 2 maart 2015 te Den Haag en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 1] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 1] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 1] moest mededelen dat haar moeder bij een woningoverval door meerdere messteken om het leven was gebracht en/of dat de dader(s) een briefje had(den) achtergelaten met daarop (in het Arabisch) de tekst "Uw dochters zijn de volgende", door die [slachtoffer 1] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

  • -

    de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenwekkende en/of aandachtsverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

2.
hij op of omstreeks 19 februari 2015 te Delft en/of Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] , door een feitelijkheid wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat die [slachtoffer 2] sprak met een medewerker van de technische recherche en/of dat hij haar verschrikkelijk nieuws moest vertellen en/of haar gevraagd of zij even kon gaan zitten en/of dat het om haar moeder ging, door die [slachtoffer 2] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

  • -

    de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenwekkende en/of aandachtsverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

3.
hij op of omstreeks 17 februari 2015 te Delft en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 3] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 3] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 3] moest mededelen dat haar moeder was overleden en/of dat er een moordonderzoek was gestart en/of dat er een stomp voorwerp met bloed daarop naast het hoofd van haar moeder was gevonden en/of dat die [slachtoffer 3] die middag om 17:00 uur haar moeder kon identificeren, door die [slachtoffer 3] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

  • -

    de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenwekkende en/of aandachtsverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

4.
hij op of omstreeks 02 maart 2015 te Haarlem en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 4] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 4] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in die hoedanigheid die [slachtoffer 4] moest mededelen dat zijn moeder was overleden aan een hartstilstand en/of dat zijn moeder op straat was gevonden, door die [slachtoffer 4] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

  • -

    de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenwekkende en/of aandachtsverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

5.
hij op of omstreeks 16 februari 2015 te Den Helder en/of Alkmaar, althans in Nederland,

[slachtoffer 5] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 5] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 5] moest mededelen dat er een overval heeft plaatsgevonden in de woning van haar ouders en/of haar moeder daarbij een acute hartstilstand heeft gehad en direct is overleden en/of haar vader door het hoofd is geschoten en kort daarna is overleden, door die [slachtoffer 5] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

  • -

    de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenwekkende en/of aandachtsverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

6.
hij op of omstreeks 02 maart 2015 te Lelystad en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 6] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 6] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 6] moest mededelen dat haar moeder was overleden aan een hartaanval en/of dat het waarschijnlijk geen natuurlijke dood was omdat haar moeder hoofdwonden had en/of dat het zusje van die [slachtoffer 6] niet gebeld kon worden omdat die door haar hoofd was geschoten, door die [slachtoffer 6] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

  • -

    de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenwekkende en/of aandachtsverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

7.
hij op of omstreeks 14 februari 2015 te Haarlem en/of Alkmaar, althans in Nederland,

[slachtoffer 7] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 7] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 7] moest mededelen dat haar moeder is gevonden in haar huis en/of dat haar moeder was overleden aan een hartstilstand en/of dat hij zojuist het bericht kreeg dat haar moeder toch nog een hartslag had en/of direct daarachteraan vertelde dat haar moeder toch niet meer leefde en/of dat het mogelijk om een moord zou gaan, door die [slachtoffer 7] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

  • -

    de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenwekkende en/of aandachtsverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

8.
hij op of omstreeks 14 februari 2015 te Amersfoort en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 8] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 8] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 8] moest mededelen dat haar moeder dood was aangetroffen en/of met meerdere kogels was vermoord door Jihadisten en/of dat er ook een jongetje was aantroffen bij het lijk van haar moeder en/of dat de daders een briefje met Islamitische teksten op het hoofd van haar moeder hadden geplakt, door die [slachtoffer 8] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

  • -

    de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenwekkende en/of aandachtsverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

9.
hij op of omstreeks 16 februari 2015 te Nijmegen en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 9] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 9] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 9] moest mededelen dat haar moeder die ochtend was overleden aan een hartstilstand en/of dat het lichaam was overgebracht naar het UMC Amsterdam en/of dat zij daar om 17:00 uur het lichaam moest identificeren anders zou het lichaam overgedragen worden aan de staat, door die [slachtoffer 9] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

  • -

    de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenwekkende en/of aandachtsverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

10.
hij op of omstreeks 17 februari 2015 te Nijmegen en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 10] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 10] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 10] moest mededelen dat haar moeder was overleden, door die [slachtoffer 10] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

  • -

    de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenwekkende en/of aandachtsverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

11.
hij op of omstreeks 19 februari 2015 te Nijmegen en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 11] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 11] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 11] moest mededelen dat haar man was overleden aan een acute hartstilstand en/of dat men nog geprobeerd heeft haar man te reanimeren en/of dat er sprake was van een auto-ongeluk en dat haar zoon ernstig trauma had opgelopen, door die [slachtoffer 11] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

  • -

    de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenwekkende en/of aandachtsverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

12.
hij op of omstreeks 19 februari 2015 te Nijmegen en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 12] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 12] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 12] moest mededelen dat twee van haar kinderen waren overleden en/of iets over een overval met kogels, door die [slachtoffer 12] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

  • -

    de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenwekkende en/of aandachtsverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

13.
hij op of omstreeks 19 februari 2015 te Nijmegen en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 13] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 13] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 13] moest mededelen dat haar moeder was overleden aan een acute hartstilstand, door die [slachtoffer 13] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

  • -

    de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenwekkende en/of aandachtsverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

14.
hij op of omstreeks 19 februari 2015 te Vianen en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 14] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 14] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 14] moest mededelen dat haar moeder was overleden en/of dat haar moeder tijdens een beroving was neergestoken door die [slachtoffer 14] onverhoeds te bellen en/of te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

  • -

    de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenwekkende en/of aandachtsverhogende) aard en/of strekking te zeggen;
15.
hij op of omstreeks 03 maart 2015 te Almere en/of Alkmaar, althans in Nederland, [slachtoffer 15] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 15] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat hij, verdachte, een medewerker van de politie was en/of in de hoedanigheid van die functie die [slachtoffer 15] moest mededelen dat zijn dochter was aangereden bij een kruispunt in Almere en/of dat de dader is doorgereden en/of dat zijn dochter is overleden, door die [slachtoffer 15] onverhoeds te bellenen/of te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, (een medewerker) van de politie/(technische) recherche was en/of

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling en/of slecht nieuws had en/of

  • -

    de (door verdachte) gebelde persoon/de persoon aan de andere kant van de lijn (beter) even kon/moest gaan zitten,

althans door woorden van soortgelijke (vertrouwenwekkende en/of aandachtsverhogende) aard en/of strekking te zeggen;

16.
hij op of omstreeks 22 augustus 2015 te Alkmaar [slachtoffer 16] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte, terwijl hij met zijn gezicht heel dicht voor haar stond, die [slachtoffer 16] opzettelijk dreigend (meermalen) de woorden toegevoegd :"Ik kan je wel aan, ik sla je neer en maak je helemaal af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 2, 6 en 10 ten laste gelegde feiten, op de gronden als vermeld onder kopje “vrijspraak van het onder 2, 6 en 10 ten laste gelegde”.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14, 15 en 16 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 2 maart 2015 in Nederland, [slachtoffer 1] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 1] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder bij een woningoverval door meerdere messteken om het leven was gebracht en dat de dader(s) een briefje had(den) achtergelaten met daarop in het Arabisch de tekst "Uw dochters zijn de volgende", door die [slachtoffer 1] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, van de politie was en

  • -

    of de door verdachte gebelde persoon even kon gaan zitten;

3.
hij op 17 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 3] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 3] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder was overleden en dat er een moordonderzoek was gestart en dat er een stomp voorwerp met bloed daarop naast het hoofd van haar moeder was gevonden en dat die [slachtoffer 3] haar moeder kon identificeren, door die [slachtoffer 3] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, van de technische recherche was en

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling had en

  • -

    de door verdachte gebelde persoon moest gaan zitten;


4.
hij op 02 maart 2015 in Nederland, [slachtoffer 4] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 4] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat zijn moeder was overleden aan een hartstilstand en dat zijn moeder op straat was gevonden, door die [slachtoffer 4] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, van de technische recherche was en

  • -

    hij, verdachte, slecht nieuws had;


5.
hij op 16 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 5] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 5] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat er een overval heeft plaatsgevonden in de woning van haar ouders en haar moeder daarbij een acute hartstilstand heeft gehad en direct is overleden en haar vader door het hoofd is geschoten en kort daarna is overleden, door die [slachtoffer 5] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, van de technische recherche was en

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling had en

  • -

    of de door verdachte gebelde persoon even kon gaan zitten;


7.
hij op 14 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 7] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 7] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder is gevonden in haar huis en dat haar moeder was overleden aan een hartstilstand en dat hij zojuist het bericht kreeg dat haar moeder toch nog een hartslag had en direct daarachteraan vertelde dat haar moeder toch niet meer leefde en dat het mogelijk om een moord zou gaan, door die [slachtoffer 7] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, van de politie/ recherche was en

  • -

    hij, verdachte, een vervelende mededeling had;


8.
hij op 14 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 8] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 8] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder dood was aangetroffen en met meerdere kogels was vermoord door Jihadisten en dat er ook een jongetje was aantroffen bij het lijk van haar moeder en dat de daders een briefje met Islamitische teksten op het hoofd van haar moeder hadden geplakt, door die [slachtoffer 8] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de technische recherche was;

9.
hij op 16 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 9] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 9] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder die ochtend was overleden aan een hartstilstand en dat het lichaam was overgebracht naar het UMC Amsterdam en dat zij daar om 17:00 uur het lichaam moest identificeren anders zou het lichaam overgedragen worden aan de staat, door die [slachtoffer 9] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, van de recherche was en

  • -

    hij, verdachte, slecht nieuws had en

  • -

    de door verdachte gebelde persoon even moest gaan zitten;


11.
hij op 19 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 11] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 11] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar man was overleden aan een acute hartstilstand en dat men nog geprobeerd heeft haar man te reanimeren en dat er sprake was van een auto-ongeluk en dat haar zoon ernstig trauma had opgelopen, door die [slachtoffer 11] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, van de technische recherche was en

  • -

    hij, verdachte, slecht nieuws had;


12.
hij op 19 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 12] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 12] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat twee van haar kinderen waren overleden en iets over een overval met kogels, door die [slachtoffer 12] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, van de politie was en

  • -

    hij, verdachte, slecht nieuws had en

  • -

    de door verdachte gebelde persoon even moest gaan zitten;


13.
hij op 19 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 13] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 13] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder was overleden aan een acute hartstilstand, door die [slachtoffer 13] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, van de politie/recherche was en

  • -

    hij, verdachte, slecht nieuws had en

  • -

    de door verdachte gebelde persoon beter even kon gaan zitten;


14.
hij op 19 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 14] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 14] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder was overleden en dat haar moeder tijdens een beroving was neergestoken door die [slachtoffer 14] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

- hij, verdachte, van de technische recherche was;


15.
hij op 3 maart 2015 in Nederland, [slachtoffer 15] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 15] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling zijn dochter was aangereden bij een kruispunt in Almere en dat de dader is doorgereden en dat zijn dochter is overleden, door die [slachtoffer 15] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:

  • -

    hij, verdachte, van de technische recherche was en

  • -

    de door verdachte gebelde persoon even moest gaan zitten;


16.
hij op 22 augustus 2015 te Alkmaar [slachtoffer 16] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte, terwijl hij met zijn gezicht heel dicht voor haar stond, die [slachtoffer 16] opzettelijk dreigend (meermalen) de woorden toegevoegd :"Ik kan je wel aan, ik sla je neer en maak je helemaal af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15

In de volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie eenheid Den Haag met proces-verbaalnummer PL2015.068410, opgemaakt door [verbalisant 1] , sluitingsdatum 28 mei 2015, pagina 1 t/m 336.

Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Aangiftes

[slachtoffer 1] (feit 1)

Op 6 maart 2015 heeft [slachtoffer 1] aangifte1 gedaan en daarbij verklaard dat zij op 2

maart 2015 werkzaam was bij [naam café] te Den Haag. Omstreeks 16.50 uur hoorde zij de

telefoon overgaan en nadat zij deze had opgenomen hoorde zij een man vragen of zij

[slachtoffer 1] was. Toen zij zei dat dat klopte, zei de man dat hij van de politie

was en vroeg of zij rustig kon gaan zitten. Hierop vertelde de man dat de moeder van [slachtoffer 1]

bij een woningoverval met meerdere messteken om het leven was gebracht. Op het

moment dat de man dit tegen haar zei, voelde het alsof haar leven instortte. Vervolgens

vertelde de man dat er in de woning van de moeder een briefje was aangetroffen, waarop in

het Arabisch stond geschreven: “uw dochters zijn de volgende.” Het gesprek heeft ongeveer

15 minuten geduurd.

[slachtoffer 3] (feit 3)

Op 4 maart 2015 heeft [slachtoffer 3] aangifte2 gedaan en daarbij verklaard dat zij op 17 februari

2015 rond 11.00 uur aanwezig was op haar werk [naam uitzendbureau] te

Delft, toen zij door een mannelijke collega werd geroepen met de mededeling dat hij de

politie aan de telefoon had. Op het moment dat [slachtoffer 3] de telefoon opnam hoorde zij dat de

man zei dat hij van de technische recherche was, dat hij een vervelend bericht had en dat zij

moest gaan zitten. Vervolgens zei de man dat de moeder van [slachtoffer 3] was overleden. [slachtoffer 3]

schrok en zij wilde de man van alles vragen. De man zei dat hij geen antwoord kon geven

op de vraag waar en hoe het was gebeurd omdat het een moordonderzoek betrof. Er was

naast het hoofd van de moeder van [slachtoffer 3] een stomp voorwerp met daarop bloed

aangetroffen. [slachtoffer 3] kon de volgende dag om 17.00 uur haar moeder identificeren.

Uiteindelijk verbrak de man de verbinding. Door [slachtoffer 3] en haar collega’s is vervolgens

gebeld naar diverse familieleden van [slachtoffer 3] . Het kantoor was anderhalf uur lang in rep en

roer en moest tot de lunch gesloten worden.

[slachtoffer 4] (feit 4)

Op 5 maart 2015 heeft [de zus van slachtoffer 4] aangifte3 gedaan en daarbij verklaard dat zij op 2 maart

2015 omstreeks 18.15 uur aan het werk was in [naam restaurant] te Haarlem. Er werd gebeld op de werktelefoon. Zij nam op en hoorde een mannenstem die zei dat hij van de

recherche Haarlem was, dat zij even moest gaan zitten en dat haar moeder een hartinfarct

had gehad. [de zus van slachtoffer 4] brak in huilen uit en was erg van slag. Een collega van haar heeft

vervolgens het nummer van haar broer [slachtoffer 4] aan de beller gegeven.

Op 3 maart 2015 heeft [slachtoffer 4] aangifte4 gedaan en daarbij verklaard

dat zijn vriendin op 2 maart 2015 omstreeks 18.23 uur telefonisch werd benaderd door een

man die zei dat hij van de technische recherche was en dat hij akelig/afschuwelijk nieuws

had over de moeder van aangever [slachtoffer 4] . Nadat aangever de telefoon van zijn

vriendin had overgenomen, zei de man wederom dat hij van de technische recherche was,

dat hij verschrikkelijk nieuws over de moeder van [slachtoffer 4] had, dat zij was overleden

aan een hartstilstand en dat zij op straat was gevonden. Toen [slachtoffer 4] dit hoorde, schrok

hij heel erg en stond hij te trillen op zijn benen. Uiteindelijk heeft hij de verbinding

verbroken. Hij heeft de hele nacht wakker gelegen en was helemaal van slag.

[slachtoffer 5] (feit 5)

Op 21 februari 2015 heeft [slachtoffer 5] aangifte5 gedaan en daarbij verklaard dat zij op 16

februari 2015 als receptionist werkzaam was bij [naam bedrijf] te Den

Helder. Tussen 16.45 uur en 17.00 uur nam zij de telefoon op en hoorde zij dat een man

zich voorstelde als Willemsen van de technische recherche. De man sprak rustig, zei dat hij

belde met een vervelende mededeling en vroeg of [slachtoffer 5] even kon gaan zitten. De man

vertelde dat er een overval had plaatsgevonden in de woning van de ouders van aangeefster.

Hierbij had de moeder van aangeefster een acute hartstilstand gekregen, waardoor zij direct

was overleden. De vader van aangeefster was door zijn hoofd geschoten en was kort daarna

overleden. Aangeefster raakte erg overstuur en heeft uiteindelijk de verbinding verbroken.

Het gesprek heeft ongeveer 10 à 15 minuten geduurd. Na deze gebeurtenis is aangeefster erg

van slag geweest. Ook haar werkzaamheden als receptionist hebben eronder geleden, omdat

zij bang was om de telefoon op te nemen.


[slachtoffer 7] (feit 7)

Op 20 februari 2015 heeft [slachtoffer 7] aangifte6 gedaan en daarbij verklaard dat zij op 14

februari 2015 in [naam café 2] te Haarlem aan het werk was. Om 16.10 uur nam zij de

werktelefoon op en hoorde zij een mannelijke beller zeggen dat hij van de politie, recherche

Kennemerland Haarlem, was en dat hij op zoek was naar aangeefster. Hierbij sprak de man

met een kalme en professionele stem. De man zei vervolgens dat hij een vervelende

mededeling had, dat de moeder van aangeefster in haar huis was gevonden en dat zij was

overleden aan een hartstilstand. Ook zei de man dat aangeefster naar het AMC moest komen

voor een schouwing. Even later zei de man dat hij bericht kreeg dat de moeder van

aangeefster weer een lichte hartslag had, maar kort hierna zei hij dat dit toch niet het geval

was. Vervolgens zei de man dat het mogelijk om een moord zou gaan, omdat er een huls in

de woning was gevonden. Uiteindelijk heeft aangeefster opgehangen. Na het gesprek voelde

zij zich een wees en bang en eenzaam. Er gingen veel spanningen en verdriet door haar

heen. Zij is het hele weekend van slag geweest.

[slachtoffer 8] (feit 8)

Op 14 maart 2015 heeft [slachtoffer 8] aangifte7 gedaan en daarbij verklaard dat zij werkzaam

is bij [naam restaurant 2] te Amersfoort. Op 14 februari 2015 nam zij daar

omstreeks 18.50 uur de telefoon op. De beller was een man die zich voorstelde als Mark

Plasman van de technische recherche. De man vertelde [slachtoffer 8] dat haar moeder dood was

aangetroffen. [slachtoffer 8] raakte in paniek, het was alsof de grond onder haar voeten wegzakte.

De man vertelde dat haar moeder met meerdere kogels was vermoord door jihadisten. Op de

vraag wat er met haar broertje was gebeurd, antwoordde de man dat er ook een jongetje was

aangetroffen bij het lijk van haar moeder. Ook vertelde de man dat de daders op het hoofd

van haar moeder een briefje met islamitische teksten hadden geplakt. Omdat de moeder en

het broertje van [slachtoffer 8] die week in Parijs waren, kwam het verhaal van de man heel

realistisch over. Uiteindelijk is de verbinding verbroken. Het gesprek heeft ongeveer 15 tot

20 minuten geduurd. [slachtoffer 8] is onmiddellijk naar het politiebureau gegaan. Aldaar, nadat

[slachtoffer 8] haar moeder had gesproken, was de ontlading groot en barstte zij in tranen uit.

[slachtoffer 9] (feit 9)

Op 17 februari 2015 heeft [slachtoffer 9] aangifte8 gedaan en daarbij verklaard dat

zij een dag eerder omstreeks 12.45 uur de telefoon opnam bij haar werk [naam winkel] te Nijmegen. [slachtoffer 9] hoorde dat een man zei dat hij van de recherche Nijmegen was, dat hij slecht nieuws had, dat zij even moest gaan zitten en dat

haar moeder die ochtend was overleden aan een hartstilstand. Het lichaam van de moeder

van aangeefster was overgebracht naar het UMC Amsterdam en aangeefster zou daar om

17.00

uur liet lichaam moeten identificeren, anders zou het lichaam worden overgedragen

aan de Staat. Na het gesprek was [slachtoffer 9] met twee collega’s de winkel uitgelopen. Zij

was er ontzettend van geschrokken.

[slachtoffer 11] (feit 11)

Op 19 februari 2015 heeft [slachtoffer 11] aangifte9 gedaan en daarbij verklaard dat zij

dezelfde dag omstreeks 07.55 uur de telefoon heeft opgenomen bij haar werk,

[naam banketbakkerij] te Nijmegen. Vervolgens hoorde zij een man zeggen dat hij van de

technische recherche was en dat hij slecht nieuws had. Aangeefster schrok heel erg en dacht

gelijk dat haar man was overleden. Ze riep: “Er is toch niets mis met mijn man?”. Daarop

zei de beller dat haar man was overleden aan een acute hartstilstand, dat ze hebben

geprobeerd hem te reanimeren maar dat dat niet mocht baten. Aangeefster kreeg het gevoel

dat haar wereld in elkaar stortte en was enorm overstuur. Even later zei de man dat er een

auto-ongeluk was gebeurd, dat ook haar kinderen daarbij betrokken waren en dat haar zoon

een ernstig trauma had opgelopen. De man was gedurende het hele gesprek heel kalm.

[slachtoffer 12] (feit 12)

Op 20 februari 2015 heeft [slachtoffer 12] aangifte10 gedaan en daarbij verklaard dat zij een

dag eerder aan het werk was bij [naam bakkerij 2] te Nijmegen. Omstreeks 07.50 uur had zij

de telefoon opgenomen en hoorde zij dat een man zei dat hij meneer Willems van de politie

Nijmegen was, dat hij heel slecht nieuws had, dat aangeefster even moest gaan zitten, dat er

iets met haar kinderen was gebeurd en dat twee kinderen waren overleden. Verder zei de

man iets over een overval met kogels. De baas van aangeefster heeft het gesprek uiteindelijk

weggedrukt. Aangeefster is moeder van drie kinderen en is verschrikkelijk geschrokken van

dit telefoongesprek.

[slachtoffer 13] (feit 13)

Op 21 februari 2015 heeft [slachtoffer 13] aangifte11 gedaan en daarbij verklaard dat zij

twee dagen eerder werkzaam was bij [naam bakkerij 3] te Nijmegen. Daar heeft zij

omstreeks 08.15 uur de telefoon opgenomen waarna zij een man hoorde zeggen dat hij

Willemsen van de politie of recherche was, dat zij beter even kon gaan zitten en dat hij

slecht nieuws over haar moeder had. Aangeefster raakte hierdoor enigszins in verwarring.

De man zei dat het serieus was en dat de moeder van aangeefster was overleden aan een

acute hartstilstand. Aangeefster heeft de verbinding verbroken. Zij was hevig aan het trillen, kon geen woord meer uitbrengen en begon te huilen. Ze wilde haar moeder gaan bellen,

maar kreeg het niet voor elkaar omdat ze zo bibberde.

[slachtoffer 14] (feit 14)

Op 19 februari 2015 heeft [slachtoffer 14] aangifte12 gedaan en daarbij verklaard dat zij dezelfde

dag aan het werk was in de [naam winkel 2] te Vianen. Omstreeks 15.55 uur

kreeg aangeefster te horen dat er telefoon voor haar was. De mannelijke beller zei dat hij

van de technische recherche was en dat de moeder van aangeefster was overleden.

Aangeefster voelde een enorm golf van stress en verdriet opkomen en begon te huilen en te

schreeuwen. Vervolgens vertelde de man dat haar moeder bij een beroving was

neergestoken, dat er losgeld naast haar op de grond lag en dat er gezien was dat twee

Marokkaanse jongens waren weggelopen.

[slachtoffer 15] (feit 15)

Op 5 maart 2015 heeft [slachtoffer 15] aangifte13 gedaan en daarbij verklaard dat hij op 3 maart 2015 omstreeks 19.00 uur in Beverwijk werd gebeld op zijn huistelefoon. Het

telefoonnummer is tevens het nummer van [de onderneming] van aangever. Aangever

hoorde dat een man zich voorstelde als Willemsen van de technische recherche Almere. De

man had een ferme, niet weifelende stem en zei dat aangever even moest gaan zitten.

Vervolgens zei de man dat de dochter van aangever was aangereden bij een kruispunt in

Almere, dat de dader is doorgereden en zijn dochter is overleden. Aangever heeft de

telefoon aan zijn vrouw gegeven. Hij hoorde achteraf van zijn vrouw dat hij in elkaar is

gezakt tegen de bank.

Telefoongegevens

Verdachte heeft verklaard dat het [telefoonnummer van verdachte] sinds januari 2014 bij hem

in gebruik is en dat hij de enige is die van deze telefoon gebruik kan maken.14 Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens van dit telefoonnummer is gebleken dat er telkens met dit nummer is gebeld naar (het werk van) de aangeefsters/aangevers op de dagen en tijden zoals die in de aangiftes zijn vermeld.15

Verklaring verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg16 verklaard dat hij veel heeft gebeld, dat hij meestal via Google bij de nummers kwam, dat hij zei dat hij van de politie was en dat hij vervolgens zei dat een van de dierbaren van de persoon die door hem werd gebeld was overleden Een aantal keren heeft hij mensen horen huilen tijdens het telefoongesprek.

Voorts heeft hij verklaard:” De rode draad in de gesprekken was dat ik mij als agent heb voorgedaan en vervolgens tegen de mensen zei dat hun dierbaren waren overleden. Als je zegt dat je van de politie bent, dan geloven ze je.”

Bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 1, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Het hof is, op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, van oordeel dat verdachte de persoon is geweest waarbij hij tegenover de personen als opgenomen in de onder 1, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15 ten laste gelegde feiten zich telkens heeft voorgedaan als iemand van de politie of technische recherche en hij vervolgens aan de aangevers/aangeefsters heeft medegedeeld dat een of meer van hun dierbaren waren overleden.

Het hof overweegt dat voor een bewezenverklaring van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat iemand wederrechtelijk is gedwongen iets te doen, na te laten of te dulden door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging hiermee. De onder-havige zaak spitst zich toe op de vraag of verdachte door middel van een feitelijkheid de aangevers/aangeefsters wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden.

Feitelijkheid

Het bestanddeel ‘andere feitelijkheid’ in de zin van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht omvat in beginsel elke gedraging die onder de gegeven omstandigheden iemand kan dwingen tot het betreffende gevolg en die niet beantwoordt aan een van de andere in het betreffende artikel genoemde dwangmiddelen. Anders dan de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd, is daaronder – onder omstandigheden – ook het uitspreken van woorden begrepen.

In deze zaak bestaat de dwanghandeling primair uit het onverhoeds aangaan en voeren van vaak minutenlange telefoongesprekken met de aangevers/aangeefsters. Het hof stelt vast dat verdachte telkens aan het begin van de verschillende telefoongesprekken de valse hoedanigheid van politieagent of (technisch) rechercheur heeft aangenomen. Gedurende de telefoongesprekken uitte hij zich blijkens meerdere aangiftes op een zeer rustige, beheerste en professionele wijze. Verdachte presenteerde zich dus op een manier die past bij de wijze waarop een echte politieagent of rechercheur zich zou uitdrukken. Vervolgens ontvingen de aangevers en aangeefsters – terwijl zij op dat moment in de veronderstelling verkeerden dat zij spraken met een politieagent of rechercheur – de mededeling dat verdachte slecht nieuws had en/of kregen zij het advies om even te gaan zitten, welk advies ook kan worden opgevat als de opmaat naar slecht nieuws. Aldus heeft verdachte misbruik gemaakt van een in het maatschappelijk verkeer geldend patroon dat men (telefonische) mededelingen van hulpverleners, zoals de politie, aanhoort, serieus neemt en in beginsel niet zelf het gesprek afbreekt. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de verdachte gedragingen heeft verricht die geschikt zijn om iemand te dwingen tot een bepaalde gevolg – het dulden van een hierna nader te omschrijven dwanggevolg.

Dat verschillende aangevers/aangeefsters zijn gebeld op een telefoonnummer van hun werk, en zij onder die omstandigheden niet de verwachting zouden kunnen hebben dat voor hen persoonlijk zou worden gebeld, acht het hof – anders dan de rechtbank – in dit verband niet relevant. Het verweer van de raadsman tot vrijspraak van feit 4 en 15 om de reden dat de betrokken aangevers thuis zijn gebeld, behoeft gelet hierop geen bespreking meer.

Wederrechtelijkheid

Het bestanddeel wederrechtelijk wordt in het algemeen uitgelegd als ‘in strijd met het recht’ of ‘aanzienlijke overschrijding van de grenzen van de maatschappelijke betamelijkheid’. In het kader van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht heeft het bestanddeel echter een meer specifieke betekenis gekregen, te weten ‘zonder bevoegdheid’. Het hof is van oordeel dat verdachte de ten laste gelegde telefoongesprekken steeds zonder daartoe strekkende bevoegdheid heeft gevoerd, en beschouwt de telefoongesprekken overigens ook als een aanzienlijke overschrijding van de grenzen van de maatschappelijke betamelijkheid.

Dwingen tot dulden

Het dulden heeft feitelijk bezien eruit bestaan dat de aangevers/aangeefsters hebben moeten aanhoren dat een of meerdere van hun dierbaren waren overleden. Volledig onverwacht werden ze geconfronteerd met dit heftige nieuws en vaak bleef het niet bij deze enkele mededeling. Verdachte heeft soms gesprekken van meer dan vijf minuten gevoerd, waarbij door hem steeds nieuwe – vaak gruwelijke – elementen werden toegevoegd aan de initiële boodschap. Als gevolg hiervan werden de aangevers/aangeefsters overweldigd door hevige emoties waardoor zij begonnen te huilen, trillen en schreeuwen, maar ook ineenzakten en verkrampten. Gelet op de aard en inhoud van de gesprekken, waarin werd gesproken over ernstig leed van naaste familieleden, kan van niemand, dus ook niet van de aangevers en aangeefsters, redelijkerwijs niet worden verwacht dat de gesprekken werden beëindigd.

Het hof kan voorts de beoordeling van het dwanggevolg niet los zien van de inhoud van de telefoongesprekken. Alleen al het bericht van het overlijden van een familielid, in het bijzonder een ouder, partner of kind, maakt doorgaans diepe indruk op de nabestaanden en kan zeker grote verslagenheid teweegbrengen. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat verdachte door het voeren van (minutenlange) telefoongesprekken een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer alsook op de autonomie van de aangevers/aangeefsters. Aldus is het door artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht beschermde rechtsgoed, te weten de vrijheid van personen, door verdachte aangetast.

In het voorgaande ligt als oordeel besloten dat causaal verband bestaat tussen de feitelijk-heid en het dulden. Het hof is van oordeel dat verdachte door de feitelijkheden – zich voordoen als politieagent, het voorbereiden op slecht nieuws – een situatie heeft geschapen waarin aangevers/aangeefsters zich niet konden onttrekken aan het gesprek en aldus gedwongen werden voor kortere of langere tijd te blijven luisteren naar het slecht-nieuwbericht en de huiveringwekkende details daarvan.

Opzet

Ten slotte vereist artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht dat sprake is van opzet, gericht op het dwingen en de wederrechtelijkheid van de gedragingen.

De raadsman heeft ten aanzien van het opzet-bestanddeel om verschillende redenen vrijspraak bepleit. Hij heeft het standpunt ingenomen dat niet sprake is van bewust maar van willekeurig belgedrag, omdat verdachte in een periode van een maand maar liefst 1.149 of 2.542 telefoongesprekken heeft gevoerd, gestuurd door zoekslagen op Google.

Het hof ziet echter niet in waarom de zeer grote hoeveelheid telefoongesprekken die verdachte zou hebben gevoerd op zichzelf afdoet aan het opzet op het voeren van die gesprekken. Voor zover de raadsman heeft beoogd te bepleiten dat verdachte niet heeft gehandeld volgens een duidelijk kenbaar motief, faalt het verweer eveneens, omdat voor de vaststelling van strafrechtelijk opzet in beginsel niet is vereist dat bepaalde achterliggende motieven voor het betreffende gedrag worden vastgesteld. Dat verdachte willekeurige personen heeft gebeld, de personen die hij belde niet heeft uitgekozen op basis van enig criterium en de aangevers/aangeefsters voorafgaand aan de telefoongesprekken niet kende, doet ten slotte evenmin afbreuk aan het oordeel dat hij willens en wetens telefoongesprek-ken heeft gevoerd. Niet vereist is immers dat wordt vastgesteld dat verdachte de intentie had specifieke met naam bij hem bekend personen te bellen, daarvoor is het strafrechtelijke opzetbegrip te generaal.

Daarnaast heeft de raadsman vrijspraak bepleit op de grond dat verdachte met de telefoon-gesprekken het enkele doel had dat de toehoorders zouden geloven dat zij inderdaad met een politieagent te maken hadden, en dat aldus – zo begrijpt het hof – opzet op het teweeg-brengen van een dwanggevolg heeft ontbroken.

Het hof is evenwel van oordeel dat het opzet van verdachte niet beperkt is geweest tot het louter geloofwaardig als politieambtenaar overkomen. Het is immers een algemene ervaringsregel dat personen die met het overlijden van een familielid worden geconfron-teerd, daarvan doorgaans heftige emotionele en soms fysieke gevolgen ondervinden, in het bijzonder als gruwelijke details van de wijze van overlijden worden verteld. Het hof gaat ervan uit dat verdachte deze ervaringsregel kende. Door keer op keer nieuwe personen te bellen en in het bijzonder door telkens mededelingen te doen over de precieze wijze van overlijden van hun dierbaren, heeft verdachte daarom het hiervoor uiteengezette gevolg bewust aanvaard.

De raadsman heeft voorts vrijspraak bepleit op de grond dat verdachte geen opzet op de wederrechtelijkheid van de gedragingen heeft gehad. Volgens de raadsman is verdachte onder meer zwakbegaafd en is zijn empathisch vermogen zeer beperkt, kon hij zich derhalve niet inleven in de impact van de slecht-nieuwsberichten op de ontvangers daarvan en had hij daarom geen besef van de wederrechtelijkheid van zijn gedragingen.

Het hof stelt voorop dat een geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling slechts dan aan bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. Dit is niet anders indien het opzet op de wederrechtelijkheid van de gedragingen betrekking heeft. Op grond van de rapporten van 8 oktober 2015 en 14 december 2015, opgesteld door drs. J. Koeman, Orthopedagoog Generalist en drs. M.H. Keppel, GZ- en Kinder- en Jeugdpsycholoog kan worden vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de geestvermogens in de vorm van zwak-begaafdheid, een gedragsstoornis, een identiteitsprobleem en een bedreigde persoonlijk-heidsontwikkeling, en daarnaast van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een posttraumatische stressstoornis. Uit het Pro Justitia rapport van 14 december 2015, opgesteld door dr. J. Vreugdenhil, psychiater, blijkt dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheids-stoornis Niet Anderszins Omschreven met antisociale, narcistische en borderline trekken en zwakbegaafdheid. Op basis daarvan kan het hof echter niet de conclusie trekken dat bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. De conclusie dat dergelijk inzicht niet ontbroken heeft, leidt het hof daarnaast af uit de doordachte, weloverwogen wijze waarop verdachte de telefoongesprekken heeft gevoerd.

Het hof is van oordeel dat verdachte zowel opzettelijk de ten laste gelegde telefoongesprekken heeft gevoerd en aldus gevolgen teweeg heeft gebracht, als opzet heeft gehad op handelen zonder bevoegdheid. Bij dit oordeel betrekt het hof dat verdachte heeft verklaard dat hij meerdere telefoongesprekken heeft gevoerd waarin hij heeft gezegd dat hij van de politie was en dat een van de dierbaren van de persoon die door hem werd gebeld was overleden. Hierbij heeft verdachte verklaard dat hij zei dat hij van de politie was omdat men hem dan zou geloven en dat hij een aantal keren mensen heeft horen huilen tijdens een telefoongesprek.

De verweren worden verworpen.

Ten slotte heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt dat zij is gebeld met het [telefoonnummer 2] en uit het overzicht op pagina 136 van het dossier is opgenomen dat met het [telefoonnummer van verdachte] , het nummer van verdachte, is gebeld. Hierdoor is onduidelijkheid ontstaan met welk nummer is gebeld en om deze reden dient verdachte te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij meerdere telefoon- gesprekken heeft gevoerd waarin hij heeft gezegd dat hij van de politie was en dat een van de dierbaren van de persoon die door hem werd gebeld was overleden. Voorts heeft verdachte op 16 maart 2015 bij de politie verklaard dat, wanneer een deel van de aangifte van [slachtoffer 1] wordt voorgehouden, hij degene moet zijn geweest die heeft gebeld en dat hij zich nog wel kan herinneren dat er is gesproken over een woningoverval. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat de modus operandi vrijwel identiek is als de onder 3, 4, 5, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15 bewezen verklaarde feiten.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat ook wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde.

Vrijspraak van het onder 2, 6 en 10 ten laste gelegde

Uit de aangifte van [slachtoffer 2] van 4 maart 2015 blijkt dat zij op 19 februari 2015
aan het werk was bij [naam winkel 3] te Delft en dat zij daar om 15.06 uur de telefoon heeft opgenomen. De beller was een man die op een rustige en serieuze wijze tegen haar zei dat hij van de technische recherche was, dat hij wat verschrikkelijks moest vertellen en aan haar vroeg of ze kon gaan zitten. De angst sloeg [slachtoffer 2] om het hart en zij stond te trillen op haar benen. Zij dacht dat haar man of broer iets was overkomen. Vervolgens hoorde [slachtoffer 2] de man zeggen dat het over haar moeder ging waarop zij reageerde dat die al vijf jaar eerder was overleden. Uiteindelijk werd de verbinding verbroken.

Uit de aangifte van [slachtoffer 6] van 2 maart 2015 blijkt dat zij die dag aan het werk was bij [naam bakkerij 4] te Lelystad. Omstreeks 09.00 uur nam zij de telefoon op en hoorde zij een man zeggen dat hij een rechercheur van de politie was, dat haar moeder was overleden ten gevolge van een hartaanval en dat er waarschijnlijk geen sprake was van een natuurlijke dood gelet op de hoofdwonden bij de moeder. Aangeefster kon haar zusje niet meer bellen aangezien deze door haar hoofd was geschoten. De man zei desgevraagd dat hij van de recherche Leeuwarden was. Later vertelde aangeefster dat ze de beller niet geloofde, waarop de man zei dat zij er was ingetrapt. Hierop werd aangeefster boos en is ze de confrontatie aangegaan, omdat ze heel erg was geschrokken.

Uit de aangifte van [slachtoffer 10] van 2 maart 2015 dat zij op 17 februari 2015 aan het werk was bij [naam uitzendbureau 2] te Nijmegen. Tussen 11.00 uur en 11.15 uur nam zij de telefoon op en hoorde zij een man zeggen dat hij van de rijksrecherche of technische recherche was. De man vroeg of aangeefster even kon gaan zitten, of iets van die strekking, en zei vervolgens dat de moeder van aangeefster was overleden. Aangeefster heeft de verbinding verbroken. Zij geloofde niet dat de boodschap echt was, maar uit woede en onmacht heeft zij wel een traan laten vallen. Zij voelde zich mentaal mishandeld.

Het hof is van oordeel dat in deze drie gevallen de dwanggedragingen niet hebben geleid tot een ernstige inbreuk op de autonomie van een persoon. De gedragingen van verdachte zijn anders gezegd niet bewezen omdat het ten laste gelegde dwanggevolg niet is ingetreden. Het hof erkent dat ook in deze drie gevallen de aangeefsters heftig geschrokken zijn van de gedragingen van verdachte, maar is tegelijkertijd van oordeel dat dit op zichzelf onvoldoende is om tot bewezenverklaring van dwang over te gaan. Dat betekent dat het gedrag van verdachte in deze gevallen niet kan worden bewezen, en hij om die reden van het onder 2, 6 en 10 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 16

In de volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar dossier-pagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie eenheid Noord-Holland met proces-verbaalnummer PL1100-2015204388, opgemaakt door [verbalisant 2] , sluitingsdatum 23 augustus 2015, pagina 1 t/m 19.

Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Aangifte

Op 22 augustus 2015 heeft [slachtoffer 16] aangifte17 gedaan van bedreiging. Zij heeft verklaard dat

zij dezelfde dag met haar vriend en driejarige zoontje over de Jan de Heemstraat te Alkmaar

liep toen een man naar haar toe kwam lopen. De man zei: “God damn hot ass”, waarop de

vriend van aangeefster hier iets van zei. De man kwam vervolgens erg dicht bij aangeefster

staan, zijn neus tegen haar neus, wat erg bedreigend op haar overkwam. Vervolgens heeft de

man haar meermalen voor kankerhoer uitgemaakt en seksueel getinte opmerkingen richting

haar gemaakt. Op het moment dat aangeefster zei dat ze daar niet van was gediend begon de

man haar te bedreigen met teksten als: “ik kan je wel aan, ik sla je neer en maak je helemaal

af.” Hierbij nam de man een agressieve houding aan. Vervolgens is aangeefster weggelopen

en is de man achter aangeefster aan blijven lopen, waarbij hij de bedreigingen herhaalde. De

man kwam opnieuw met zijn neus tegen haar neus staan, waardoor aangeefster het gevoel

had dat de man haar iets zou aandoen.

Verklaring [getuige]

De vriend van aangeefster, [getuige]18, heeft verklaard dat een man een opmerking

maakte over de billen van aangeefster. Hierop zei [getuige] : “hey joh”. Hij zag dat de man

richting aangeefster liep en met zijn neus tegenover haar neus is ging staan. Getuige [getuige]

kan zich niet meer precies herinneren wat de man heeft gezegd. Hij was in shock, net als

aangeefster, die stond te trillen op haar benen en wit was weggetrokken. Voorts hoorde hij

aangeefster meermalen zeggen dat ze het niet leuk vond wat de man deed, waarop de man

reageerde dat dit hem niet interesseerde. [getuige] hoorde dat de man aangeefster meerdere

keren voor kankerhoer uitmaakte. Nadat [getuige] en aangeefster waren doorgelopen is de man

achter hen aan blijven lopen. [getuige] heeft verklaard dat de man zeer bedreigend was en dat

aangeefster helemaal in paniek was.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster op straat is tegengekomen, dat hij een

opmerking over de billen van aangeefster heeft gemaakt, dat zij boos werd en dat hij op

korte afstand tegenover haar is gaan staan.19

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 16

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder 16 ten laste gelegde. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de aangifte van [slachtoffer 16] niet wordt ondersteund door de verklaring van [getuige] ten aanzien van de bewoordingen die door verdachte zouden zijn geuit. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat aangeefster [slachtoffer 16] en [getuige] in 2018 nogmaals zijn gehoord bij de politie en afwijkend verklaren ten opzichte van de eerdere verklaringen, waardoor de verklaringen – het hof begrijpt: alle verklaringen – als onbetrouwbaar moeten worden bestempeld en niet als bewijs kunnen worden gebruikt.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De verklaringen die aangeefster [slachtoffer 16] en [getuige] direct na het incident hebben afgelegd ten overstaan van de politie acht het hof betrouwbaar en bruikbaar voor bewijs. Hoewel deze verklaringen wat betreft een aantal details niet op elkaar aansluiten, komen zij op hoofdlijnen wel met elkaar overeen (in het bijzonder de dreigende houding van verdachte en de uitwerking daarvan op aangeefster). Dat aangeefster [slachtoffer 16] en [getuige] 2,5 jaar na het incident over details afwijkend verklaren tast naar het oordeel van het hof de betrouwbaarheid van deze eerder afgelegde verklaringen niet aan. Het hof is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 16] in voldoende mate wordt ondersteund door de verklaring van [getuige] en het hof is hiermee van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde bedreiging.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

telkens: een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te dulden.

Het onder 16 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Gelet hierop is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan dwang door een groot aantal personen

telefonisch te confronteren met het (door hem verzonnen) bericht dat een of meer

familieleden waren overleden. De slachtoffers werden niet alleen volstrekt overvallen door

verdachte, tijdens de telefoongesprekken bleef verdachte bovendien gruwelijke elementen

aan zijn verhalen toevoegen. Hiermee heeft hij de slachtoffers veel verdriet, angst en woede

bezorgd. Zelfs nadat de slachtoffers hadden ontdekt dat hun dierbaren nog in leven waren,

waren deze heftige emoties niet onmiddellijk verdwenen, zoals volgt uit de aangiftes en de

toelichtingen bij de vorderingen van de benadeelde partijen. Daarbij heeft verdachte zich

telkens voorgedaan als politieagent of rechercheur met als doel dat de slachtoffers de

verschrikkelijke boodschap ook zouden geloven. Daarmee heeft verdachte het vertrouwen

dat mensen moeten kunnen hebben in de politie aangetast. Het hof neemt dit verdachte zeer kwalijk.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan een bedreiging van een willekeurige

voorbijgangster op straat. Deze confrontatie waarbij verdachte zich uit het niets zeer agressief heeft gedragen, is voor het slachtoffer erg beangstigend geweest. Daarbij overweegt het hof dat slachtoffers nog lang last kunnen hebben van gevoelens van angst en onveiligheid en dergelijke feiten kunnen deze gevoelens ook in de maatschappij teweeg brengen, waarbij de rechtsorde ernstig wordt geschokt. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat dit ook in deze zaak het geval is.

Voorts heeft het hof bij de beoordeling acht geslagen het strafblad van verdachte van 28 februari 2018, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een bedreiging,

waarvoor hij nog in een proeftijd liep, en dat hij na het plegen van de onderhavige feiten is

veroordeeld tot voorwaardelijke jeugddetentie, welke veroordeling nog niet onherroepelijk

is.

Het hof heeft acht geslagen op de hiervoor al genoemde rapporten van 8 oktober 2015 en 14 december 2015, opgesteld door drs. J. Koeman, Orthopedagoog Generalist en drs. M.H. Keppel, GZ- en Kinder- en Jeugdpsycholoog. De rapporteurs concluderen dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid, een gedragsstoornis, een identiteitsprobleem en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, en daarnaast van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een posttraumatische stressstoornis. Deze problematiek was ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig. De feiten 1 tot en met 15 zijn volgens de rapporteurs gepleegd vanuit hoog opgelopen frustratie en woede en vanuit de wens om serieus genomen en gerespecteerd te worden. Verdachte is impulsief en in beperkte mate in staat om zich in te leven in de ander, wat maakt dat hij nauwelijks remming heeft ervaren door het leed dat hij zijn slachtoffers toebracht. De rapporteurs adviseren om het onder 1 tot en met 15 ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Over feit 16 kunnen de rapporteurs geen uitspraak doen, omdat verdachte dit feit heeft ontkend. De kans op herhaling wordt als hoog ingeschat.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het hiervoor al genoemde rapport van 14 december 2015, opgesteld door dr. J. Vreugdenhil, psychiater. De rapporteur concludeert dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis Niet Anderszins Omschreven met antisociale, narcistische en borderline trekken en zwakbegaafdheid. Deze stoornissen waren ook ten tijde van het onder 1 tot en met 15 ten laste gelegde aanwezig. Door de zwakbegaafdheid loopt verdachte meer frustraties op, terwijl hij daardoor, maar vooral ook door de persoonlijkheidsstoornis, ook een gebrekkige frustratietolerantie heeft. Verdachte heeft een grote behoefte om de agressie uit te leven. Hij kan zich op cognitief niveau inleven in wat anderen het ergste zal raken, maar wordt in zijn handelen niet geremd door een goed functionerend geweten, een goed ontwikkelde affectieve empathie en een adequate coping. De rapporteur adviseert om verdachte voor het onder 1 tot en met 15 ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Over feit 16 heeft de psychiater zich niet uitgelaten. De kans op herhaling wordt als hoog ingeschat.

Het hof kan zich, gelet op de onderbouwing van deze conclusies verenigen met de conclusies van de deskundigen dat verdachte ten tijde van de onder 1, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15 bewezen verklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar is en maakt deze tot de hare. Het hof is derhalve van oordeel dat deze bewezen verklaarde feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Ten slotte heeft het hof kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering

Nederland d.d. 2 februari 2016, opgesteld en ondertekend door N. Schilder,

Reclasseringswerker, en H. van Dijk, leidinggevende. De reclassering schat de

kans op recidive en de kans dat verdachte zich onttrekt aan voorwaarden in als hoog.

Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere

voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandeling door ForACT, gericht op

agressieregulatie, impulscontrole, frustratietolerantie en traumabehandeling. In het reclasseringsadvies heeft de reclassering aangegeven dat gelet op de complexe

(persoonlijkheids)problematiek van verdachte de voortgang en uitvoerbaarheid van een

werkstraf ernstig worden bemoeilijkt.

Gelet op de ernst en de hoeveelheid van de feiten is het hof van oordeel dat, naast een voorwaardelijke straf, ook een onvoorwaardelijk straf dient te volgen. Het hof is van oordeel dat niet kan worden volstaan met de straf zoals opgelegd is door de rechtbank. Gelet op de ernst van de problematiek van verdachte en het als hoog ingeschatte recidiverisico acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 3 jaren aangewezen. Alles overziend is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met reclasseringstoezicht, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden is.

Het hof overweegt dat in detentie een aanvang kan worden gemaakt met de noodzakelijke behandeling van verdachte. Verdachte kan zich daaraan gedurende een periode van zes maanden niet onttrekken. Deze start kan het begin zijn van hulp die verdachte, ook tijdens de proeftijd, daadwerkelijk nodig heeft.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3)

A. vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 93,87 ter zake materiële schade, bestaande uit een vergoeding van € 35,50 voor de gemaakte treinkosten om te reizen naar de moeder van [slachtoffer 3] en € 58,37 voor de gemaakte kosten voor het bioscoopbezoek. De benadeelde partij heeft geen rente gevorderd.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2015 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft in hoger beroep laten weten de vordering te handhaven.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 35,50. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof is van oordeel dat de gemaakte kosten voor het bioscoopbezoek geen direct verband houden met het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Derhalve is niet gebleken dat de gestelde schade door het bewezen verklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. Het hof zal de benadeelde partij in dat deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade aan het slachtoffer [slachtoffer 3] is toegebracht tot een bedrag van € 35,50. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor de duur van 1 dag zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

De benadeelde partij [slachtoffer 6] (feit 6)

De benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00, ter zake immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2015 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2015 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is ten aanzien van het overige gedeelte afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [slachtoffer 6] in haar vordering niet worden ontvangen.

De benadeelde partijen [slachtoffer 4] (feit 4), [slachtoffer 5] (feit 5), [slachtoffer 7] (feit 7), [slachtoffer 8] (feit 8), [slachtoffer 12] (feit 12), [slachtoffer 13] (feit 13), [slachtoffer 14] (feit 14) en [slachtoffer 15] (feit 15)

A. vorderingen

De benadeelde partijen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 15] hebben zich in eerste aanleg gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vorderingen bedragen € 500,00, ter zake immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vorderingen zijn bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [slachtoffer 14] heeft zich in eerste aanleg gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 515,17, bestaande uit € 15,17 ter zake materiële schade (reis- en parkeerkosten bezoek aan de rechtbank voor een gesprek met een medewerker van Slachtofferhulp) en € 500,00 ter zake immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 165,17, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [slachtoffer 7] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 200,00, ter zake – naar het hof begrijpt – immateriële schade (niet de niet-gewerkte uren). De benadeelde partij heeft geen rente gevorderd. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2015 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vorderingen.

Het hof begrijpt dat de vorderingen tot schadevergoeding van immateriële schade zijn

gebaseerd op aantasting van de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 lid 1

van het Burgerlijk Wetboek, voor zover hier van belang inhoudende: Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen; b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Voor de toewijsbaarheid van dergelijke vorderingen is het uitgangspunt dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Een enkel psychisch onbehagen is niet voldoende, maar bij een bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer kan immateriële schade wel worden aangenomen.

Naar het oordeel van het hof vormen de bewezen verklaarde feiten een dusdanig

ernstige inbreuk op de vrijheid van handelen van de slachtoffers dat dit in zichzelf als

aantasting van de persoon op andere wijze dient te worden beschouwd. Bovendien is gebleken dat verdachte het oogmerk had een zodanige schade toe te brengen. Het hof acht

daarom vergoeding van immateriële aan de orde en zal de vorderingen toewijzen tot een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vorderingen tot deze bedragen toewijsbaar zijn. Voor het overige dienen de vorderingen van de benadeelde partijen te worden afgewezen. De vordering van [slachtoffer 7] wordt toegewezen tot een bedrag van € 200,00. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14] overweegt het hof voorts dat ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten voldoende is gebleken dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 14 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 15,17. Het hof zal daarom de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14] toewijzen tot een bedrag van € 315,17, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Voor het overige dient te vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan de benadeelde partijen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 15] is toegebracht tot een bedrag van € 300,00 voor ieder afzonderlijk, aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] tot een bedrag van € 200,00 en aan de benadeelde partij [slachtoffer 14] tot een bedrag van € 315,17. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormelde bedragen en vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor de duur van 6 dagen zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

[slachtoffer 16] (feit 16)


Het slachtoffer in deze zaak, [slachtoffer 16] , heeft zich in eerste aanleg niet gevoegd als benadeelde partij. In hoger beroep heeft [slachtoffer 16] door middel van een brief van 5 april 2018 kenbaar gemaakt dat zij zich in eerste aanleg niet heeft gevoegd als benadeelde partij omdat zij nooit formulieren en brieven over de strafzaak heeft ontvangen. In deze brief heeft [slachtoffer 16] het hof verzocht om de schadevergoedingsmaatregel van een bedrag van € 2.500,00 op te leggen aan verdachte, nu zij zich niet als benadeelde partij kan voegen in hoger beroep.

Het hof ziet aanleiding om ter zake van een deel van de gevorderde schadevergoeding, te weten een deel van de immateriële schade, de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Voor een schadevergoedingsmaatregel is niet vereist dat het slachtoffer zich heeft gevoegd als benadeelde partij. Art. 36f lid 2 Sr bepaalt immers: “De maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.”

Het hof is van oordeel dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel voor een deel van de gestelde immateriële schade, te weten € 1.000,00, ten minste billijk is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2015.

Vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie in het arrondissement Den Haag heeft bij vordering van 8 januari 2016, de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 11 februari 2014 onder parketnummer 15-049631-13 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, is het hof van oordeel dat de tenuitvoerlegging van deze straf dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14g, 36f, 57, 63, 284 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2, 6 en 10 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14, 15 en 16 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14, 15 en 16 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren:

- aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of

- gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering, zolang de reclassering dat aangewezen acht.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 35,50 (vijfendertig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 35,50 (vijfendertig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 maart 2015.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 16 februari 2015.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 7] ter zake van het onder 7 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 7] , ter zake van het onder 7 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 8] ter zake van het onder 8 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 8] , ter zake van het onder 8 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 14 februari 2015.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 12] ter zake van het onder 12 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 12] , ter zake van het onder 12 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 februari 2015.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 13] ter zake van het onder 13 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 13] , ter zake van het onder 13 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 februari 2015.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 14] ter zake van het onder 14 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 315,17 (driehonderdvijftien euro en zeventien cent) bestaande uit € 15,17 (vijftien euro en zeventien cent) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 14] , ter zake van het onder 14 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 315,17 (driehonderdvijftien euro en zeventien cent) bestaande uit € 15,17 (vijftien euro en zeventien cent) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 19 februari 2015.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 15] ter zake van het onder 15 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 15] , ter zake van het onder 15 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 maart 2015.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 16] , ter zake van het onder 16 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 augustus 2015.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van Den Haag van, parketnummer 15-049631-13, te weten een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. S.C. van Duijn en mr. F.C.J.E. Meeuwis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,

en op 2 mei 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 32 t/m 35.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , p. 17 t/m 19.

3 Proces-verbaal van aangifte [de zus van slachtoffer 4] , p. 71-72.

4 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 4] , p. 78 t/m 80.

5 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 5] , p. 102 t/m 105.

6 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 7] , p. 153 t/m 155.

7 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 8] , p. 172 t/m 174.

8 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 9] , p. 175-176.

9 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 11] , p. 194 t/m 196.

10 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 12] , p. 197 t/m 199.

11 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 13] , p. 202 t/m 204.

12 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 14] , p. 207 t/m 209.

13 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 15] , p. 215 t/m 217.

14 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 16 maart 2015, verdachtendossier, p. 27.

15 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 134 t/m 146.

16 Proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Den Haag d.d. 26 april 2016, verklaring van verdachte.

17 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 16] , p. 7-8.

18 Proces-verbaal van verhoor [getuige] , p. 9-10.

19 Proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Den Haag d.d. 26 april 2016, verklaring van verdachte.