Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2737

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-06-2018
Datum publicatie
23-12-2019
Zaaknummer
200.191.365_01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:2034, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Contractenrecht;

pachtrecht;

Wie is de contractuele wederpartij?

Pachtovereenkomst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.191.365/01

arrest van 26 juni 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] (België),

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. E.H.M. Harbers te Arnhem,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R.R.E.Robus te Terneuzen,

op het bij exploot van dagvaarding van 13 april 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 23 maart 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 4540659/15-6582)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met 3 grieven en 6 producties;

  • -

    de memorie van antwoord met 10 producties;

  • -

    de akte, tevens houdende uitlating producties, van [appellant] ;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] ;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellant] is bestuurder en eigenaar (groot-aandeelhouder) van [de vennootschap] NV, gevestigd te [vestigingsplaats] (België), verder [de vennootschap] . Deze vennootschap exploiteert enerzijds een detailhandel in diverse soorten brandstoffen, waaronder motorbrandstoffen, en aanverwante producten en anderzijds een paardenfokkerij (prod. 3 inl. dagv.; prod. B mvg). Sinds 25 februari 2014 staat [de vennootschap] ook ingeschreven in het (Nederlandse) handelsregister bij de Kamer van Koophandel waarbij als bedrijfsactiviteit is vermeld het telen van en handelen in landbouwproducten (prod. 1 cva).

  2. [geïntimeerde] heeft tot 2011 een agrarisch bedrijf uitgeoefend en is eigenaar van een aantal percelen agrarische grond gelegen aan de Belgische grens te Zeeuws-Vlaanderen (prod. 8 en 9 mva).

  3. [geïntimeerde] heeft in 2008 op basis van een mondelinge afspraak (mvg punt 15; mva punt 42) enkele percelen ter grootte van 4,07 hectare als weiland ter beschikking gesteld aan “de heer [appellant] ”, wonende te [woonplaats] , “en eigenaar van “ [de vennootschap] ”(….) te [vestigingsplaats] “ (cursieve tekst is ontleend aan de hierna onder e) genoemde overeenkomst). [geïntimeerde] heeft die percelen daartoe ingezaaid met gras(zaad) zodat [appellant] daarop paarden kon laten grazen, zulks tegen een vergoeding van € 4.000,- per jaar.

  4. De vergoeding van € 4.000,- per jaar is telkens door [de vennootschap] aan [geïntimeerde] betaald (prod. D mvg).

  5. Eind 2014 is door partijen een door [geïntimeerde] opgestelde zogenaamde “overeenkomst van uitscharing” ondertekend (prod. 1 inl. dagv.). Daarin verklaart [appellant] “dat hij gedurende de jaren 01-04-2008 tot 01-04-2014 paarden heeft ingeschaard bij de heer [geïntimeerde] tegen de prijs van € 4.000,- op jaarbasis.” (mvg punt 20 en 21; mva punt 44 en 45).

  6. In maart 2015 (de exacte datum staat niet vast: mvg punt 25) is een door [geïntimeerde] opgestelde en op 15 maart 2015 gedateerde zogenaamde “jaarlijkse overeenkomst van inscharing (begrazing van paarden)” door partijen ondertekend (prod. 2 inl. dagv.). Daarin verklaart [appellant] “dat hij gedurende 01-04-2014 tot 01-04-2015 paarden heeft ingeschaard (begrazing) bij de heer [geïntimeerde] tegen de prijs van € 4.000,- “, met dien verstande dat in de tekst van die verklaring de woorden “paarden” en “(begrazing)” door [appellant] zijn doorgekrast (mvg punt 23).

  7. Bij brief van 31 maart 2015 heeft (de advocaat van) [geïntimeerde] [appellant] gesommeerd zijn paarden van het weiland te verwijderen vóór 1 augustus 2015 (prod. 4 inl. dagv.).

  8. Bij brief van 17 april 2015 heeft (de gemachtigde van) [de vennootschap] op deze sommatie gereageerd met de mededeling dat zij degene is die het perceel weiland gebruikt tegen een jaarlijkse prijs, dat er sprake is van pacht en dat deze pacht op grond van artikel 7:322 BW voor onbepaalde tijd geldt. [de vennootschap] weigerde het weiland te ontruimen (prod. 5 inl. dagv.).

3.2.

[geïntimeerde] heeft gevorderd voor recht te verklaren dat tussen partijen een overeenkomst van inscharing en geen overeenkomst van pacht is gesloten en dat die overeenkomst is beëindigd op 31 maart 2015, althans 1 augustus 2015, dan wel gevorderd dat die overeenkomst door de Pachtkamer wordt beëindigd.

Voorts vordert [geïntimeerde] ontruiming van het weiland door [appellant] op straffe van een dwangsom.

3.3.

Nadat de Pachtkamer ter comparitie van 25 januari 2016 te kennen had gegeven dat zij zich, gelet op artikel 1019j Rv niet bevoegd achtte te beslissen op de vorderingen, hebben partijen blijkens het beroepen vonnis de zaak op de voet van artikel 96 Rv ter beslissing voorgelegd aan de kantonrechter.

Bij vonnis van 23 maart 2016 heeft de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen met dien verstande dat [appellant] op straffe van een dwangsom is veroordeeld het weiland binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen.

3.4.

Het hof stelt vooreerst vast dat op grond van artikel 5 EEX-Vo de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van [geïntimeerde] .

Voorts stelt het hof vast dat op de rechtsverhouding tussen partijen Nederlands recht van toepassing is. Partijen gaan daar ook van uit.

3.5.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant] de wederpartij is van [geïntimeerde] . Volgens de kantonrechter (rov. 4.4.) heeft [appellant] geen, althans onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat niet hij, maar [de vennootschap] als wederpartij van [geïntimeerde] heeft te gelden.

3.6.

Grief I is tegen dit oordeel gericht en tegen de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

Volgens [appellant] geven de twee genoemde overeenkomsten van uit- en inscharing (die door [geïntimeerde] achteraf zijn opgesteld) niet de werkelijke situatie weer.

De werkelijke situatie is dat partijen in 2008 hebben afgesproken dat [de vennootschap] het weiland in gebruik zou nemen ten behoeve van het door haar geëxploiteerde bedrijf (de paardenhouderij/paardenfokkerij), derhalve ter uitoefening van de landbouw, en niet ter inscharing van – hobby-matig gehouden – paarden van [appellant] . Met de term “inscharing” was [appellant] niet bekend en [appellant] houdt geen paarden als hobby.

[de vennootschap] heeft destijds de noodzakelijke afrastering om de percelen aangebracht en steeds gezorgd voor water en dagelijks toezicht ten behoeve van de paarden. Het weiland is door [de vennootschap] niet alleen gebruikt voor begrazing, maar ook voor het oogsten van gras. [de vennootschap] verrichtte ook alle voorkomende werkzaamheden, zoals maaien, slepen en dergelijke. [geïntimeerde] voerde in het geheel geen werkzaamheden uit (mvg punt 15 en 16).

Het bewuste weiland ligt aansluitend aan de landbouwgronden die eigendom zijn van [de vennootschap] . [geïntimeerde] wist dat [appellant] via de vennootschap [de vennootschap] een landbouwbedrijf (paardenhouderij) exploiteerde en dat [appellant] als privé-persoon niet hobby-matig dieren houdt (mvg punt 28 en 34).

[de vennootschap] betaalde ook de overeengekomen vergoeding van € 4.000,- per jaar en vermeldde daarbij dat het “huur”(in 2009) c.q. “pacht” (in 2010 ev.) betrof (prod. D mvg).

Aan de in eerstgenoemde uitscharingsovereenkomst opgenomen vermelding dat [appellant] eigenaar is van [de vennootschap] komt dan ook de betekenis toe dat die overeenkomst werd gesloten met [de vennootschap] (en niet met [appellant] privé), te meer nu [geïntimeerde] , toen hij in 2011 zijn agrarisch bedrijf beëindigde, ook aan [de vennootschap] toeslagrechten heeft overgedragen (mvg punt 26 en 27).

3.7.

[geïntimeerde] heeft tegenover deze stellingen van [appellant] als verweer gevoerd dat hij altijd in de veronderstelling was dat hij een overeenkomst had gesloten met [appellant] (mva punt 56), dat [appellant] nooit enig blijk heeft gegeven van het feit dat [de vennootschap] partij was bij de overeenkomst (mva punt 48) en dat – kort gezegd – al hetgeen [appellant] aanvoert daaraan niet afdoet.

Omdat [appellant] in 2006 [geïntimeerde] had geholpen (inl. dagv. punt 5; mva punt 32-38) heeft [geïntimeerde] later [appellant] geholpen om zijn paarden, die [appellant] als “hobby-boer” hield (inl. dagv. punt 26, 30 en 31; mva punt 70 en 71), op het weiland te laten grazen. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst is nooit sprake geweest van “pacht” en dat is ook nooit de bedoeling geweest (mva punt 78-80; antwoordakte punt 20). De jaarlijkse vergoeding betaalde [appellant] steeds onder de noemer “uitscharing” (mva punt 30 en prod. 7 inl. dagv.). De laatste betaling op 5 mei 2015 van € 4.000,- onder de noemer “pacht 2015/2016” heeft [geïntimeerde] teruggestort (prod. 15 mva).

3.8.

Het hof oordeelt naar aanleiding van grief I het volgende.

3.8.1.

Vast staat dat [geïntimeerde] in 2008 grond ter beschikking heeft gesteld om daarop paarden te laten grazen. Van de hieromtrent gemaakte afspraken, die volgens [appellant] de in rov. 3.6. vermelde inhoud hadden, is indertijd geen schriftelijk stuk opgemaakt. Voor de beantwoording van de vraag wie bij die afspraken de wederpartij van [geïntimeerde] is geworden komt het vooral aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen aan de uitlatingen die zij over en weer hebben gedaan en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Volgens [appellant] zou het zijn bedoeling zijn geweest om de overeenkomst aan te gaan namens [de vennootschap] . De vraag is dan of [geïntimeerde] in 2007/2008 ook redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst optrad als vertegenwoordiger van [de vennootschap] .

3.8.2.

[appellant] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan het hof tot het oordeel kan komen dat [geïntimeerde] heeft moeten begrijpen dat hij, [appellant] , optrad namens [de vennootschap] . [appellant] heeft noch in eerste aanleg, noch in de toelichting op grief 1 in de memorie van grieven, gesteld dat hij dit bij het maken van de afspraak expliciet aan [geïntimeerde] heeft meegedeeld. Het schriftelijk stuk dat eind 2014 is opgemaakt, getiteld “overeenkomst van uitscharing”, biedt ook geen grond om te concluderen dat [appellant] de beweerdelijke afspraak destijds namens [de vennootschap] heeft gemaakt. Integendeel, die overeenkomst vormt veeleer een bevestiging van de stelling van [geïntimeerde] dat hij met [appellant] heeft afgesproken dat [appellant] zelf het weiland van hem (tijdelijk) in gebruik kreeg ter begrazing door “paarden”.

3.8.3.

[appellant] verwijst naar een aantal omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat [de vennootschap] een landbouwbedrijf exploiteert, dat de paarden eigendom waren van [de vennootschap] , dat [de vennootschap] de grond in gebruik had en altijd de jaarlijkse vergoeding heeft voldaan en dat [de vennootschap] ook altijd zorg heeft gedragen voor de verzorging van de paarden en het onderhoud van de in gebruik gegeven grond. Het hof merkt op dat dit allemaal omstandigheden zijn die er wellicht op kunnen duiden dat [appellant] de bedoeling heeft gehad om op te treden namens [de vennootschap] , maar uit deze omstandigheden volgt niet dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de overeenkomst ook heeft moeten begrijpen dat [appellant] optrad als vertegenwoordiger van [de vennootschap] . Het was immers ook zeer wel mogelijk dat [appellant] de ter beschikking komende grond op zijn beurt weer ter beschikking zou stellen aan [de vennootschap] . Dat [appellant] vóór het aangaan van de overeenkomst over deze mogelijkheid met [geïntimeerde] heeft gesproken is niet gesteld. Evenmin heeft [appellant] gesteld dat [geïntimeerde] uit andere gedragingen of uitlatingen van [appellant] heeft moeten begrijpen dat hij optrad als vertegenwoordiger van [de vennootschap] .

3.8.4.

Het hof komt tot de slotsom dat [appellant] geen feiten en/of omstandigheden heeft aangevoeerd die tot de slotsom kunnen leiden dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de overeenkomst heeft moeten begrijpen dat hij contracteerde met [de vennootschap] . [appellant] heeft daarom als de wederpartij van [geïntimeerde] te gelden. Grief 1 faalt.

3.9.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant] zich niet bezig houdt met de bedrijfsmatige beoefening van de landbouw in de zin van artikel 7:312 BW. Grief II is gericht tegen dit oordeel.

3.10.

[appellant] stelt dat, ook als hijzelf als wederpartij van [geïntimeerde] heeft te gelden, de door hem met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst als een pachtovereenkomst is aan te merken.

Omdat [appellant] bestuurder en groot-aandeelhouder is van de vennootschap [de vennootschap] die het weiland gebruikt voor het door haar geëxploiteerde agrarisch bedrijf, is [appellant] met [de vennootschap] te vereenzelvigen en is het gebruik van het weiland door de vennootschap te kwalificeren als persoonlijk gebruik van de pachter zelf, aldus [appellant] .

3.11.

Het hof oordeelt omtrent grief II als volgt.

3.11.1.

Ook ten aanzien van de kwalificatie van de tussen partijen gesloten overeenkomst komt het, nu daaromtrent bij het aangaan ervan niets op papier is gezet, in belangrijke mate aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen aan de uitlatingen die zij over en weer hebben gedaan en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dat speelt temeer in dit geval, omdat een pachtovereenkomst zijn eigen wettelijke regeling kent, met name ook met betrekking tot de mogelijkheid om deze op te zeggen. Voorts neemt het hof tot uitgangspunt dat zowel [geïntimeerde] als [appellant] (als directeur grootaandeelhouder van [de vennootschap] ) op de hoogte moeten zijn geweest van het verschil tussen een pachtovereenkomst en een overeenkomst tot gebruik van bepaalde gronden.

3.11.2.

Tot de regels met betrekking tot een pachtovereenkomst behoort artikel 7:317 BW, welke bepaling voorschrijft dat een pachtovereenkomst schriftelijk wordt aangegaan. Bij gebrek aan een schriftelijke vastlegging, kan de rechter op vordering van de meest gerede partij deze schriftelijk vastleggen. Het hof stelt vast dat de tussen partijen gemaakte afspraken in 2007/2008 niet op schrift zijn gesteld. Het hof ziet hierin een aanwijzing voor het feit dat partijen niet de bedoeling hebben gehad om een pachtovereenkomst aan te gaan.

Voor zover partijen later, achteraf in 2014, hun afspraak wel op papier hebben gezet, is dat niet gebeurd onder de vlag “pachtovereenkomst”, maar onder de titel “overeenkomst van uitscharing”. Ook in 2015 hebben partijen een akte ondertekend onder het hoofd “Jaarlijkse overeenkomst van inscharing (begrazing van paarden)”. Uit de aanhef van deze stukken blijkt niet dat het de bedoeling van partijen is geweest om een pachtovereenkomst aan te gaan.

Ten slotte neemt het hof in overweging dat [appellant] in eerste aanleg niet in reconventie heeft gevorderd dat de rechter de pachtovereenkomst schriftelijk zou vastleggen. Op grond hiervan kan het hof vooralsnog niet aannemen dat het bij het aangaan van de overeenkomst of op enig later tijdstip de bedoeling van partijen, meer in het bijzonder ook van [geïntimeerde] , is geweest om een pachtovereenkomst aan te gaan.

3.11.3.

[appellant] heeft erop gewezen dat in de latere bankafschriften van 2009 en volgende jaren de term “huur” c.q. “pacht” is gebruikt als omschrijving van de vergoeding. [appellant] heeft echter niet gesteld dat dit berust op enige (nadere) afspraak dienaangaande tussen [appellant] en/of [de vennootschap] enerzijds en [geïntimeerde] anderzijds, een nadere afspraak die zou hebben ingehouden dat het weiland voortaan door [geïntimeerde] aan [de vennootschap] in gebruik wordt verstrekt ter uitoefening van de landbouw. Aangenomen moet daarom worden dat [de vennootschap] deze omschrijving zonder overleg met of instemming van [geïntimeerde] is gaan bezigen. Daaruit volgt naar het oordeel van hof niets ten aanzien van de bedoeling die partijen bij het aangaan van de overeenkomst hebben gehad en/of ten aanzien van de kwalificatie van die overeenkomst. Het feit dat [appellant] later bij de ondertekening van de inscharingsovereenkomst van 15 maart 2015 de woorden “paarden” en “(begrazing)” heeft doorgekrast – naar hij stelt (zie mvg punt 23) “omdat het gebruik veel ruimer was” - leidt evenmin tot het oordeel dat [geïntimeerde] het weiland aan [de vennootschap] in gebruik heeft verstrekt ter uitoefening van de landbouw. [appellant] heeft het beweerdelijk veel ruimere gebruik (voederwinning of andere agrarische activiteiten zoals teelt van akkerbouwproducten) niet feitelijk onderbouwd. En voor zover al sprake is geweest van een ruimer gebruik door [de vennootschap] dan begrazing, heeft [appellant] ook niet onderbouwd dat daarvan in de jaren 2008 tot en met 2014 in zodanige mate sprake is geweest dat moet worden geconcludeerd dat [geïntimeerde] door dit desbewust toe te laten ermee heeft ingestemd dat het weiland door hem in gebruik is verstrekt aan [appellant] en/of [de vennootschap] ter uitoefening van de landbouw (lees: paardenhouderij).

3.12.

Het hof is voorts van oordeel dat hetgeen in rov. 3.8.1 tot en met 3.8.4 is overwogen meebrengt dat [appellant] niet als pachter is aan te merken, ook niet al wist [geïntimeerde] dat [appellant] op het weiland paarden liet grazen die in de vennootschap [de vennootschap] bedrijfsmatig werden gefokt en gehouden. Indien het de bedoeling van [appellant] was om het gebruik dat [geïntimeerde] hem van het weiland verstrekte, onderdeel te maken van de exploitatie van de paardenhouderij van [de vennootschap] , waardoor dit gebruik als gebruik door hemzelf aangemerkt zou dienen te worden, had het op de weg van [appellant] gelegen dit aan [geïntimeerde] duidelijk kenbaar te maken, hetzij bij de aanvang van het gebruik hetzij nadien, waarna [geïntimeerde] – mede met het oog op de consequenties die een kwalificatie als pachtovereenkomst voor de onderlinge rechten en verplichtingen kon hebben - had kunnen beslissen of hij daarmee akkoord zou gaan. Niet gebleken is dat [appellant] dat gedaan heeft. De omstandigheden dat [de vennootschap] de afrastering heeft aangebracht, voor water en toezicht zorgde, het weiland gebruikte voor maaigras en in de bankafschriften de woorden “huur” of “pacht” ging vermelden zijn daartoe onvoldoende, omdat [appellant] uit het feit dat [geïntimeerde] op dit alles niet reageerde, niet zonder meer mocht afleiden dat [geïntimeerde] er mee instemde dat het weiland door hem in gebruik werd verstrekt aan [de vennootschap] ter uitoefening van de landbouw en dat dit gebruik als gebruik van [appellant] zelf zou gelden. Voor de bepleite vereenzelviging bestaat ook overigens geen grond.

3.15.

De conclusie is dat [appellant] onvoldoende feiten of omstandigheden heeft gesteld om te concluderen dat het voor [geïntimeerde] bij het aangaan van de overeenkomst kenbaar was dat [appellant] het weiland ter uitoefening van de landbouw (zelf of door [de vennootschap] ) in gebruik zou gaan nemen en dat de gesloten overeenkomst daarom als pachtovereenkomst heeft te gelden. Evenmin is gesteld of gebleken dat dit later tussen partijen is overeengekomen. Grief II faalt.

3.16.

Nu de grieven I en II falen, faalt ook de daarop voortbouwende grief III.

[appellant] biedt bewijs aan (mvg punt 4), maar stelt geen, althans onvoldoende concrete (voor bewijs vatbare) feiten die tot een ander oordeel leiden.

3.17.

Nu alle grieven falen dient het beroepen vonnis te worden bekrachtigd en dient [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 23 maart 2016, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 314,- aan verschotten en op € 1.611,- aan salaris van de advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 juni 2018.

griffier rolraadsheer