Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2680

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-06-2018
Datum publicatie
20-06-2018
Zaaknummer
200.202.272_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:6121
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

pensioenrecht; informatieplicht pensioenfonds

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/118
AR-Updates.nl 2018-0701
PR-Updates.nl PR-2018-0072
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.202.272/01

arrest van 19 juni 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.A. van de Hoef te Woerden,

tegen

Stichting Pensioenfonds ABP,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als ABP,

advocaat: mr. E. Lutjens te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 oktober 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 juli 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en ABP als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4629839 / CV EXPL 15-11692)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met een productie;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellant] , geboren op [geboortedatum] 1945, is van 5 augustus 1963 tot 5 augustus 1971 werkzaam geweest bij de Koninklijke Marine. Daarna is hij van 1 oktober 1971 tot

1 december 1978 in dienst geweest van de Gemeentepolitie Rotterdam. In de periode van

1 december 1978 tot en met 31 mei 1981 was [appellant] werkzaam als medefirmant van een eigen onderneming. Vervolgens is [appellant] per 1 juni 1981 in dienst getreden bij de Politie Dordrecht in de functie van hoofdagent. Aansluitend werkte [appellant] van 1 maart 1982 tot en met 31 december 1993 bij de Rijkspolitie als wachtmeester en adjudant-F. Ten slotte heeft [appellant] tot zijn pensionering gewerkt bij de Politie Zuid Holland Zuid, aanvankelijk als inspecteur en uiteindelijk als commissaris. Van 1 november 2005 tot 1 november 2010 heeft [appellant] gebruik gemaakt van de zogenaamde FLO-FPU-regeling. Tijdens deze periode is de pensioenopbouw bij ABP voortgezet. Vanaf 1 november 2010 ontvangt [appellant] ouderdomspensioen van ABP.

3.1.2.

Gedurende alle hiervoor onder 3.1.1. vermelde dienstverbanden, met uitzondering van de periode 1 december 1978 tot en met 31 mei 1981 waarin hij als zelfstandige werkzaam was, was [appellant] deelnemer in de pensioenregeling van ABP. De pensioenregeling betrof tot 1 januari 2004 een eindloonregeling en nadien een geïndexeerde middelloonregeling.

3.1.3.

[appellant] heeft van ABP pensioenoverzichten ontvangen. Van de processtukken maken deel uit aan [appellant] gerichte pensioenoverzichten van ABP over de jaren 1994-1996, 1998 en 2000-2003 (productie 4 bij dagvaarding). In deze pensioenoverzichten staat - voor zover relevant - vermeld:

Pensioenoverzicht 1994

“(…) De gedachte achter de Abp-regeling is: een “redelijk” pensioen (Abp-ouderdomspensioen met AOW erbij) bedraagt 70% van het laatstverdiende loon. Daarvoor moet u in elk geval 40 volle dienstjaren maken. (…)

Uit de gegevens hiernaast kan worden afgeleid dat uw ouderdomspensioen

- als gehuwde: ongeveer 62%

- als ongehuwde: ongeveer 61%

van uw laatstverdiende loon bedraagt. U hebt dus mogelijk een pensioentekort. Het Abp wil u hierop attenderen. Hier is uitgegaan van Abp-ouderdomspensioen met AOW erbij. (…) U kunt uw pensioentekort aanvullen door u bij te verzekeren. (…)”

Pensioenoverzicht 1995

“(…) De gedachte achter de Abp-regeling is: een “redelijk” pensioen (Abp-ouderdomspensioen met AOW erbij) bedraagt 70% van het laatstverdiende loon.

Uit de gegevens hiernaast kan worden afgeleid dat uw ouderdomspensioen

- als gehuwde: ongeveer 64%

- als ongehuwde: ongeveer 59%

van uw laatstverdiende loon zal bedragen. Hier is uitgegaan van Abp-pensioen met AOW erbij. (…)U hebt dus mogelijk een pensioentekort. Het Abp wil u hierop attenderen. (…) Als u dat wilt, kunt u uw pensioen aanvullen door u bij te verzekeren. (…)”

Pensioenoverzicht 1996

“(…) Uw ouderdomspensioen bedraagt als alleenstaande ongeveer 63% of anders 65% van uw laatste salaris. (…)”

Pensioenoverzicht 1998

“(…) Hoort u tot het executief personeel

Dan ontvangt u van uw 60ste tot uw 65ste, een FLO uitkering van uw werkgever

Ouderdomspensioen plus AOW (vanaf uw 65ste)

gehuwd/ samenwonend (…) 65% van uw salaris

ongehuwd (…) 63% van uw salaris

(…)”

Pensioenoverzicht 2000

“(…) Hoort u tot het executief personeel

vanaf uw 65ste: Ouderdomspensioen

als u alleenstaand bent, met AOW (…) 62% van uw salaris

als u gehuwd bent of samenwoont

met AOW voor uzelf (…) 54% van uw salaris

met AOW-toeslag tot uw partner 65 wordt (…) 64% van uw salaris”

Pensioenoverzicht 2001

Daarna ontvangt u vanaf uw 65ste

ABP Ouderdomspensioen (…) 43%

ingeruild nabestaandenpensioen (…) 1%

uw AOW (…) 16%

60%”

Pensioenoverzicht 2002

vanaf uw 65ste

ABP Ouderdomspensioen (…) 39%

AOW van de Sociale Verzekeringsbank (…) 9%

48%”

Pensioenoverzicht 2003

Daarna, vanaf uw 65ste

ABP Ouderdomspensioen (…) 39%

AOW van de Sociale Verzekeringsbank (…) 9%

48%”

3.1.4.

[appellant] ontvangt sinds 1 november 2010, vermeerderd met zijn AOW-uitkering, een ouderdomspensioen van ABP van (in 2010) € 51.756 bruto per jaar. Dat is circa 55% van zijn laatstverdiende salaris. Exclusief de AOW-uitkering (voor gehuwden) die [appellant] ontvangt, bedroeg zijn ABP-pensioen in 2010 ruim € 41.000 bruto per jaar.

3.1.5.

[appellant] heeft bij ABP bezwaar gemaakt tegen de hoogte van dit ouderdomspensioen. Het bezwaar is ongegrond verklaard bij beslissing van ABP van 16 september 2011.

3.2.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg, na eiswijziging, samengevat, gevorderd om ABP te veroordelen:

primair:

- tot het alsnog toekennen van pensioenaanspraken ten bedrage van een ouderdomspensioen van € 57.841,-, te vermeerderen met verleende toeslagen vanaf oktober 2010 en een nabestaandenpensioen ten bedrage van 70% van dit ouderdomspensioen;

- om deze pensioenaanspraken met terugwerkende kracht te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente;

- om een nieuw bewijs van pensioenaanspraken af te geven op straffe van verbeurte van een dwangsom van een dwangsom;

subsidiair:

- om een schadevergoeding van € 334.059,- te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente;

meer subsidiair:

- om een schadevergoeding van € 157.264,- te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente;

zowel primair als subsidiair:

- tot vergoeding van € 4.295,50 aan buitengerechtelijke kosten;

- tot betaling van de proceskosten en nakosten.

3.2.2.

Bij het bestreden vonnis zijn alle vorderingen van [appellant] afgewezen en is hij veroordeeld in de proceskosten. [appellant] is tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft onder aanvoering van vier grieven geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen met veroordeling van ABP in de proceskosten.

3.3.

Kern van het geschil is de vraag of [appellant] méér pensioen (althans schadevergoeding) moet worden toegekend dan het pensioen waarop hij volgens het pensioenreglement recht heeft. Volgens [appellant] is daartoe aanleiding, omdat ABP hem niet tijdig, juist en volledig heeft geïnformeerd over de toepassing van de zogenaamde pensioenknip en de gevolgen daarvan voor het aantal pensioenjaren. Volgens [appellant] had hij op grond van de aan hem verstrekte pensioenoverzichten de verwachting dat bij 40 pensioenjaren een redelijk pensioen zou worden opgebouwd, waaronder door ABP werd verstaan: 70% van het laatst verdiende salaris. [appellant] verwachtte dat zijn pensioen tenminste 70% van zijn laatst verdiende salaris zou bedragen, omdat hij geen 40, maar 45 dienstjaren zou kunnen bereiken. Dat bleek niet het geval, omdat vanwege de onderbreking van zijn deelname aan de pensioenregeling bij ABP van 1 december 1978 tot en met 31 mei 1981 (zie 3.1.1) een zogenaamde pensioenknip is toegepast. Volgens [appellant] is hij zich niet bewust geweest van die pensioenknip, omdat dit nooit is vermeld op de pensioenoverzichten en ABP hem daar ook niet op enig ander moment op heeft gewezen. Integendeel, door ABP werd steeds vermeld dat hij 40 pensioenjaren zou bereiken, zodat hij kon rekenen op een ouderdomspensioen van 70% van het laatst verdiende loon, aldus [appellant] . Volgens [appellant] had hij geen aanleiding om nadere informatie in te winnen bij ABP of bij andere professionals, omdat hij wist dat hij ongeveer 45 dienstjaren zou gaan behalen.

3.4.

Slechts geschilpunten die door middel van een – ook voor ABP als zodanig herkenbare – grief aan het hof zijn voorgelegd zullen door het hof worden beoordeeld. Het hof gaat om die reden voorbij aan de opmerking van [appellant] in zijn inleiding op de grieven dat hij het geschil in volle omvang aan het hof voor wenst te leggen.

[appellant] heeft geen grief gericht tegen rov. 4.2.1. van het bestreden vonnis. In die overweging heeft de kantonrechter het beroep van [appellant] op artikel 3:35 BW verworpen. Dat heeft tot gevolg dat in hoger beroep wordt uitgegaan van hetgeen de kantonrechter daar heeft overwogen en beslist. De kantonrechter heeft in 4.2.1. onder meer overwogen: “(...) de door ABP aan [appellant] verstrekte (…) pensioenoverzichten [kunnen] niet als rechtshandelingen worden gekwalificeerd. Met de pensioenoverzichten heeft ABP aan [appellant] informatie verstrekt omtrent de hoogte van de bruto-pensioenuitkeringen die hem in voorkomende gevallen zullen worden gedaan. Voorts staat in de pensioenoverzichten geen toezegging. De pensioenoverzichten gaan uit van de op dat moment geldende pensioenregeling en de op dat moment geldende situatie van [appellant] en geven globaal aan wat het effect van veranderingen in privé- of werksituatie (…) is op (de hoogte van) het pensioen. ABP is de pensioenuitvoerder, hetgeen betekent dat ABP de afspraken uitvoert tussen overheidswerkgevers en overheidswerknemers. In de verhouding tussen [appellant] en ABP zijn deze afspraken vertaald in, en in die rechtsverhouding zijn rechten en verplichtingen gebaseerd op, het pensioenreglement. Het is dit pensioenreglement, niet de door ABP aan [appellant] verstrekte pensioenoverzichten, dat bepalend is voor de vraag op welke pensioenuitkering [appellant] jegens ABP aanspraak kan maken. Dat ABP het reglement onjuist zou hebben toegepast, heeft [appellant] niet gesteld en is overigens niet gebleken. (…).”

3.5.

Volgens grief 2 heeft de kantonrechter in 4.2.2. van het vonnis geoordeeld dat [appellant] niet mocht verwachten dat zijn pensioenaanspraak 70% van het eindloon zou bedragen omdat de pensioenoverzichten wisselende percentages vermelden en omdat verder wordt vermeld dat er mogelijk een pensioentekort is. Volgens de grief is deze overweging onjuist omdat de pensioenoverzichten juist voortdurend wisselende percentages vermelden, waardoor het voor [appellant] onduidelijk was dat 70% van het eindloon onmogelijk was. Volgens [appellant] richtte hij zijn aandacht vooral op het aantal pensioenjaren dat als voorwaarde voor een redelijk pensioen werd vermeld.

3.6.

Deze grief faalt om meerdere redenen. In de eerste plaats geeft [appellant] niet goed weer wat de kantonrechter heeft overwogen. De kantonrechter heeft niet overwogen dat de pensioenoverzichten telkens wisselende percentages vermelden. De kantonrechter is er (terecht) vanuit gegaan dat de vermelde percentages telkens (veel) lager zijn dan 70%. Ook heeft de kantonrechter (onbestreden) geoordeeld dat de overzichten van 2002 en 2003 zelfs een veel lager percentage vermelden dan de 55% die [appellant] sinds 2010 ontvangt. Verder acht het hof van belang dat [appellant] niet heeft betwist dat de in de pensioenoverzichten weergegeven berekeningen juist zijn. In de door hem overgelegde overzichten (productie 4 bij inleidende dagvaarding) wordt de hoogte van zijn ouderdomspensioen berekend, uitgaande van de stand van zaken op dat moment. Voorts meldt het ABP dat uit deze gegevens kan worden afgeleid welk percentage het pensioen is van zijn laatst verdiende loon. Bepalend voor de percentages is de berekende hoogte van het pensioen en dit bedrag neemt jaarlijks toe. In de toelichting op de grief voert [appellant] aan dat hij zijn aandacht richtte op het aantal vermelde pensioenjaren. ABP heeft reeds in eerste aanleg gewezen op het feit dat in de pensioenoverzichten telkens de concrete bedragen zijn genoemd en in eerste aanleg aangevoerd dat de genoemde bedragen de juiste pensioenbedragen zijn en dat daarin de pensioenknip was verwerkt. [appellant] kon concreet zien welke bedragen naar verwachting en op basis van hetgeen hij had opgebouwd, op de pensioengerechtigde leeftijd aan hem konden worden uitgekeerd. De genoemde bedragen zijn veel lager dan het bedrag dat hij stelt te hebben mogen verwachten. In dit verband acht het hof - evenals de kantonrechter en niet met grieven bestreden - van belang dat de pensioenoverzichten 1994-1996 melding maken van een mogelijk pensioentekort, dat [appellant] is gewezen op de mogelijkheid dit bij te verzekeren en dat [appellant] naar aanleiding hiervan geen vragen heeft gesteld aan ABP of daarnaar onderzoek heeft gedaan. Nu in de pensioenoverzichten telkens (ook) concrete bedragen werden vermeld én ABP waarschuwde tegen een mogelijk pensioentekort, mocht [appellant] niet uitsluitend afgaan op de algemene mededeling van ABP dat een redelijk pensioen 70% bedraagt van het laatstverdiende loon, dat daarvoor in elk geval 40 volle dienstjaren nodig zijn en de verwachting van [appellant] dat hij 45 dienstjaren ging behalen. Het hof acht - evenals de kantonrechter - in dit verband van belang dat ABP heeft vermeld dat om dat te bereiken, ‘in elk geval’ 40 volle dienstjaren moeten worden gemaakt.

3.7.

Met grief 3 betoogt [appellant] dat hij zijn verwachting niet slechts heeft gebaseerd op twee pensioenoverzichten, maar op alle pensioenoverzichten en de informatie die hem werd gegeven bij de Wet Privatisering ABP en bij de overgang van eindloonregeling naar middelloonregeling. Volgens [appellant] is keer op keer bevestigd dat de pensioenhoogte werd bepaald door het aantal pensioenjaren, het salaris en de franchise AOW. Het hof begrijpt het betoog van [appellant] aldus, dat hij gelet op deze mededelingen er geen rekening mee kon of hoefde te houden dat ABP niet zou uitgaan van het in de pensioenoverzichten genoemde aantal pensioenjaren, maar dat ABP zou uitgaan van het niet genoemde aantal pensioenrekenjaren (een lager aantal als gevolg van de toepassing van de ‘pensioenknip’).

3.8.

De grief faalt op de hiervoor genoemde gronden. Kort gezegd heeft ABP telkens concrete (juiste) bedragen genoemd en gewaarschuwd tegen een pensioentekort.

3.9.

Grief 4 is gericht tegen de volgende overweging van de kantonrechter in 4.2.3 van het vonnis: “In het pensioenoverzicht 1994 wordt “in elk geval 40 volle dienstjaren” als minimaal te vervullen voorwaarde gesteld voor de aanspraak op een, op dat moment door ABP “redelijk” geacht pensioen van 70% van het laatstverdiende loon. Deze formulering laat alle ruimte voor toekomstige ontwikkelingen die tot gevolg hebben dat die 70% ook bij 40 dienstjaren niet wordt bereikt, zoals de “pensioenknip” (…)”.

3.10.

Deze grief slaagt in zoverre, dat [appellant] terecht opmerkt dat de pensioenknip in 1994 geen toekomstige omstandigheid was. Deze had zich al voorgedaan. Dat leidt echter niet tot een ander oordeel. Het hof volgt [appellant] namelijk niet in de conclusie die hij daaraan verbindt. Volgens [appellant] leidde dat tot een veel lager pensioen dan in de tekst van het pensioenoverzicht van 1994 werd voorgespiegeld. Dat is niet zo. De in het pensioenoverzicht genoemde bedragen zijn juist en daarin is de pensioenknip verwerkt. Het enkele feit dat het pensioenoverzicht niet vermeldt dat het aantal genoemde pensioenjaren niet gelijk is aan het aantal jaren waarmee ABP het pensioen heeft berekend doet daar niet aan af, nu dit een gevolg was van de reglementaire toepassing van de pensioenknip, waarbij de waarde van het door [appellant] opgebouwde pensioen behouden is gebleven.

3.11.

De kantonrechter heeft over de subsidiaire vordering in 4.4. van het vonnis het volgende overwogen: “De bijzondere zorgplicht van ABP houdt volgens [appellant] in dat ABP tijdig complete en juiste informatie verstrekt en alle relevante informatie die voor een verzekerde van cruciaal belang is vermeldt. ABP betwist dat een dergelijke zorgplicht bestond en stelt dat zij overigens [appellant] tijdig juiste en voldoende informatie heeft verstrekt. Gelet op de betwisting van ABP had het op de weg van [appellant] gelegen nader te concretiseren waaruit volgt dat deze zorgplicht bestond, wat daarvan de omvang was en welke concrete informatieverplichting ABP heeft geschonden. Nu [appellant] zulks heeft nagelaten ontbeert zijn stelling, dat ABP in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld, voldoende feitelijke onderbouwing”. [appellant] klaagt met grief 1 over dat oordeel.

3.12.

[appellant] verwijst in zijn toelichting op de grief naar hetgeen hij heeft vermeld in zijn memorie onder randnummers 25 tot en met 32. In 25 tot en met 27 wordt slechts het verloop van het dispuut met ABP vermeld. In 28 tot en met 36 gaat [appellant] nader in op de bijzondere zorgplicht van ABP. Het hof leidt daaruit af dat [appellant] bedoelt te verwijzen naar hetgeen hij heeft aangevoerd in randnummers 28 tot en met 36, in plaats van 25 tot en met 32. Hetgeen [appellant] aldaar heeft vermeld, blijft (grotendeels) steken in algemeenheden. Overigens kan het hof de verwijzing naar vaste rechtspraak over de zorgplicht van financiële instellingen niet volgen. Die rechtspraak is niet gelijkelijk toepasbaar op pensioenfondsen die een collectieve verplichte pensioenregeling uitvoeren waarbij de deelnemer geen keuzes heeft.

3.13.

Het hof begrijpt uit de toelichting op de grief dat [appellant] bedoelt dat ABP hem expliciet via het pensioenoverzicht had moeten informeren over de toepassing van de pensioenknip en dat er meerdere natuurlijke momenten zijn geweest waarop daartoe aanleiding bestond. Dat is de meest concrete zorgplichtschending die [appellant] heeft aangevoerd. Het hof is van oordeel dat, nu ABP concreet de bedragen heeft genoemd die voor [appellant] van toepassing waren (met toepassing van de pensioenknip), niet valt in te zien waarom ABP hierover had moeten meedelen dat zij de pensioenknip had toegepast. ABP heeft gewaarschuwd tegen een pensioentekort. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen. Ook deze grief faalt.

3.14.

Gelet op het voorgaande komt het hof aan bewijslevering niet toe. Uit het voorgaande volgt dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen. Het hof zal [appellant] veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van ABP op € 1.957,- aan griffierecht en op € 1.959,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, J.M.H. Schoenmakers en A.W. Rutten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 juni 2018.

griffier rolraadsheer