Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2650

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-06-2018
Datum publicatie
19-06-2018
Zaaknummer
200.200.648_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Testament erflaatster is geldig, omdat niet is gebleken dat erflaatster wilsonbekwaam was dan wel dat de pastoor bij het opmaken van dit testament druk heeft uitgeoefend op erflaatster.

Niet voldaan aan relativiteitsvereiste ex art. 6:163 BW. Bisdom en bisschop niet aansprakelijk.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 163
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0114
JERF 2018/228
RFR 2018/127
RN 2018/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.200.648/01

arrest van 19 juni 2018

in de zaak van

1 [appellante 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante 2],
wonende te [woonplaats] ,

3. [appellante 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

voor zichzelf en in haar hoedanigheid van:

1. wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen te weten:

a. [de minderjarige 1],

b. [de minderjarige 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

2. executeur namens de erven van [de erflaatster (zus van appellante 1 en 2)],

4. [appellante 4] ,

wonende te [woonplaats] .

appellanten,

hierna gezamenlijk aan te duiden als de familie,

advocaat: mr. H.M.M. van den Elzen te Boxtel,

tegen

1 [geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. N.M. Lindhout-Schot te Tilburg,

2. Rooms-Katholieke Parochie Heilige Franciscus, als opvolger van Rooms-Katholieke Angelusparochie [vestigingsnaam] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de parochie;

3. Bisdom van [vestigingsnaam] ,
zetelende te [zetel] ,

hierna te noemen: het bisdom,

4. Mgr. [de bisschop], in zijn hoedanigheid van Bisschop van
[bisdom] ,

zetelende te [zetel] ,

hierna te noemen: de bisschop;

geïntimeerden,

advocaat geïntimeerden sub 2 tot en met 4: mr. M.A.W. Ketelaars te Helmond,

geïntimeerden sub 2 tot en met 4 hierna gezamenlijk aan te duiden als de kerk,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 december 2017 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch onder zaaknummer C/01/291560 / HA ZA 15-233 gewezen vonnis van 18 november 2015.

5 Het geding in hoger beroep

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    genoemd tussenarrest, waarbij pleidooi is bepaald;

  • -

    de bij brief van 20 maart 2018 door mr. Van den Elzen toegezonden akte wijziging en aanvulling eis en producties, die zij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht;

  • -

    het faxbericht van 21 maart 2018 van mr. Ketelaars;

  • -

    het faxbericht van 22 maart 2018 van mr. Lindhout;

  • -

    het faxbericht van 23 maart 2018 van mr. Van den Elzen;

  • -

    het e-mailbericht van het hof van 27 maart 2018;

  • -

    de brief van 28 maart 2018 van mr. Van den Elzen;

  • -

    het e-mailbericht van het hof van 3 april 2018;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1.

In r.o. 2 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Door de familie wordt deze vaststelling gedeeltelijk bestreden. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste relevante feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

a. Mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) is op 24 december 2014 overleden.

b. Erflaatster heeft bij uiterste wilsbeschikking van 17 april 2009 (hierna: het eerste testament) de (minderjarige) kinderen (appellanten sub 3.1.a, 3.b en sub 4) van haar nicht (appellante sub 3) benoemd tot enige erfgenamen, aan [geïntimeerde] een geldsom gelegateerd en haar nicht tot executeur benoemd.

c. Erflaatster heeft bij uiterste wilsbeschikking van 4 mei 2010 (hierna: het tweede testament) alle vroeger door haar gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen, aan haar nicht en haar kinderen (appellanten sub 3, 3.1.a, 3.1.b en 4) ieder een geldsom gelegateerd (ter grootte van het vrijgestelde bedrag voor de erfbelasting) en [geïntimeerde] benoemd tot enig erfgenaam en executeur. Voor het geval [geïntimeerde] voor of tegelijkertijd met erflaatster zou komen te overlijden is de parochie tot erfgename benoemd.

d. Appellanten sub 1, 2 en de inmiddels overleden [de erflaatster (zus van appellante 1 en 2)] , hiervoor sub 3.2 genoemd, zijn zussen van erflaatster. Erflaatster had geen kinderen.

e. Erflaatster woonde bij leven in [woonplaats] en was rooms-katholiek. [geïntimeerde] is op 15 augustus 2008 benoemd tot pastoor van de parochie.

f. De echtgenoot van erflaatster (de heer [echtgenoot van eflaatster] ) is overleden op 23 november 2008. [geïntimeerde] heeft hem als pastoor de laatste sacramenten toegediend en de uitvaart verzorgd.

g. Na het overlijden van haar echtgenoot heeft erflaatster regelmatig contact gehad met [geïntimeerde] onder andere doordat zij regelmatig de pastorie bezocht om daar te spreken met [geïntimeerde] dan wel de aan de pastorie verbonden gastvrouw, mevrouw [gastvrouw verbonden aan de pastorie] . Erflaatster bezocht ook meermalen per week de mis.

h. [geïntimeerde] heeft op enig moment € 12.000 van erflaatster geleend voor de aankoop van een auto.

i. Een half jaar voor haar overlijden werd bij erflaatster kanker geconstateerd. Erflaatster is vervolgens tweemaal in het ziekenhuis opgenomen geweest en heeft de laatste fase van haar leven in een hospice doorgebracht, waar zij is overleden.

j. Enkele weken voor haar overlijden heeft erflaatster via haar nicht, appellante sub 3, haar familie op de hoogte gesteld van het feit dat zij [geïntimeerde] tot enig erfgenaam had benoemd. De familie heeft vervolgens nog dezelfde dag een notaris benaderd om erflaatster in de gelegenheid te stellen haar testament opnieuw te wijzigen. Erflaatster is in dat kader door een notaris bezocht, maar dat heeft niet tot wijziging van het testament geleid. Uiteindelijk is geen nieuw testament tot stand gekomen.

k. De familie heeft in een reactie op de ontdekking van het tweede testament bij brief van 16 december 2014 - met het tweede testament als bijlage - de bisschop verzocht om [geïntimeerde] te bevelen zich te onthouden van verdere bemoeienis met erflaatster. Het bisdom heeft bij brief van 18 december 2014 geantwoord geen aanleiding tot actie te zien omdat volgens [geïntimeerde] erflaatster (op dat moment nog in leven) volledig uit eigen beweging en vrije wil heeft gehandeld.

l. Uit de brief van 23 januari 2015 van het bisdom blijkt dat het bisdom de kwestie van civielrechtelijke aard acht en dat de kwestie het bisdom c.q. de bisschop niet regardeert. Ook geeft het bisdom aan dat het [geïntimeerde] , zoals elke burger, vrij staat te bepalen of hij een erfenis accepteert of niet.

m. Erflaatster beschikte bij leven over een betaalrekening, een spaarrekening en een safeloket bij de Rabobank. In het jaar 2009 stonden op de genoemde rekeningen bedragen in de orde van grootte van circa € 5.000 en € 117.000.

De familie heeft op 29 december 2014 beslag laten leggen op een aantal tot de nalatenschap behorende goederen. Uit de beslagstukken blijkt dat op de (overgebleven) rekening van erflaatster bij de bank nog een bedrag van € 8.791,97 aanwezig was en dat het safeloket leeg was.

n. [geïntimeerde] heeft op 31 december 2014 de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard en is vervolgens gestart met zijn taak als executeur.

o. De nalatenschap bestaat onder meer uit diverse enveloppen met contant geld (de hoogte van het contante bedrag is onbekend), genoemde bankrekening waar ten tijde van het overlijden van erflaatster een bedrag van € 8.791,97 op stond, een garagebox en de inboedel uit de (huur)woning.

p. Tijdens deze procedure in eerste aanleg heeft de familie tevens een verzoek ingediend voor een voorlopige getuigenverhoor. Dit verzoek heeft de rechtbank bij beschikking van 18 november 2015, bekend onder nummer C/01/290971/EX RK 15-33, afgewezen. Van deze beschikking is de familie in hoger beroep gegaan. Het hof heeft het verzoek in hoger beroep bij beschikking van 30 juni 2016, hersteld bij beschikking van 8 december 2016 en bekend onder zaaknummer 200.186.275/01, alsnog toegewezen en de beschikking van de rechtbank vernietigd. Hierop zijn vervolgens in enquête van de kant van de familie [geïntimeerde] , de heer [voormalig financieel adviseur] (voormalig financieel adviseur) en mevrouw [nicht van de echtgenoot van de erflaatster] (nicht van de heer [echtgenoot van eflaatster] ), en in contra-enquête van de zijde van [geïntimeerde] mr. [notaris] (notaris) en [gastvrouw verbonden aan de pastorie] voornoemd gehoord.

6.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde de familie - na eiswijziging- onder meer en voor zover in hoger beroep van belang:

in de hoofdzaak:

primair

1. een verklaring voor recht dat het tweede testament van erflaatster, nietig is, althans dat de rechtbank dit testament vernietigt, althans dat [geïntimeerde] geen rechten aan dit testament kan ontlenen;

2. een verklaring voor recht dat de nalatenschap van erflaatster moet worden afgewikkeld en verdeeld overeenkomstig de bepalingen van het eerste testament;

3. veroordeling van [geïntimeerde] tot:

a. afgifte van de goederen behorende tot de nalatenschap aan de familie;

b. betaling aan de familie van € 12.000 ter zake van een door [geïntimeerde] aangegane lening, vermeerderd met wettelijke rente en kosten;

c. het doen van rekening aan de familie over het door hem gevoerde beheer in de periode vanaf 1 januari 2009 tot aan de dag waarop dit beheer zal zijn geëindigd over het vermogen van erflaatster en het afleggen van verantwoording daarover;

d. vergoeding van de schade aan de familie, nader op te maken bij staat;

4. indien [geïntimeerde] nalatig is aan de veroordelingen op grond van de vorderingen sub 3 binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis te voldoen, de Kerk hoofdelijk te veroordelen tot betaling van hetgeen [geïntimeerde] aan de familie verschuldigd is,

5. veroordeling van het bisdom en de bisschop tot het treffen van maatregelen jegens [geïntimeerde] een en ander overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Canoniek Recht, zulks te doen binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis bij gebreke waarvan het bisdom en de bisschop hoofdelijk een dwangsom verbeuren van € 500 per dag tot aan de dag dat geïntimeerden de ter zake noodzakelijke decreten heeft genomen en tevens de inhoud daarvan aan de familie bekend heeft gemaakt;

en subsidiair:

[geïntimeerde] te veroordelen tot verwerping van de nalatenschap van erflaatster althans tot afgifte van de goederen van de nalatenschap aan de familie binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis bij gebreke waarvan [geïntimeerde] een dwangsom verbeurt van € 1.000 per dag tot aan de dag dat [geïntimeerde] hieraan volledig heeft voldaan;

in het incident ex artikel 843a Rv:

[geïntimeerde] te veroordelen om aan de familie afschriften te verstrekken van:

a. de mutaties en tijdstippen van die mutaties op de aan erflaatster toebehorende bankrekeningen vanaf 1 januari 2009 tot aan de dag dat het beheer van [geïntimeerde] zal zijn geëindigd;

b. de bezoekgegevens en tijdstippen van die bezoeken alsmede van de personalia van bezoekers, van het safeloket van erflaatster vanaf 1 januari 2009 tot heden een en ander tegen vergoeding van de kosten hiervan door de familie, zulks te doen binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis bij gebreke waarvan [geïntimeerde] een dwangsom aan de familie verbeurt van € 500 per dag tot aan de dag dat [geïntimeerde] hieraan volledig heeft voldaan;

in de hoofdzaak en in het incident: met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van de procedure.

6.2.2.

Aan deze vorderingen heeft de familie, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De familie stelt dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens erflaatster. Dit onrechtmatig handelen blijkt onder andere uit het - in strijd met de verplichtingen van het canoniek recht, in het bijzonder ook van de Gedragscode Pastoraat - beheer van het vermogen van erflaatster waarbij vermogen is zoek geraakt, het aangaan van de geldlening en het feit dat [geïntimeerde] zich heeft laten benoemen tot erfgenaam van erflaatster en hij de nalatenschap (beneficiair) heeft aanvaard, in weerwil van de geschonden wereldlijk en kerkelijke normen hieromtrent alsook de kritiek van de familie.

De familie legt aan haar vorderingen tevens het volgende ten grondslag:

- ongerechtvaardigde verrijking door [geïntimeerde] waarbij misbruik is gemaakt van een pastorale afhankelijkheidsrelatie;

- schending door [geïntimeerde] van het bepaalde in artikel 4:59 BW en 4:43 BW;

- schending door [geïntimeerde] van het bepaalde in artikel 3:11 jo 13 jo 15 jo 300 BW;

- schending van het bepaalde in artikel 3:12 BW;

- schending van het bepaalde in artikel 6:170 BW door de kerk;

- schending van het bepaalde in artikel 6:162 BW door de kerk;

- afleggen van rekening en verantwoording door [geïntimeerde] op grond van artikel 7:403 lid 2 BW over het gevoerde beheer over het vermogen van erflaatster.

6.2.3.

[geïntimeerde] en de kerk hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.2.4.

In het tussenvonnissen van 8 en 29 juli 2015 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 15 september 2015. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

6.2.5.

In het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank de vorderingen van de familie in de hoofdzaak en incident afgewezen. De rechtbank heeft hierbij het volgende overwogen. Centraal in de stellingen van de familie staat dat het tweede testament nietig en/of vernietigbaar is dan wel dat [geïntimeerde] gelet op het bepaalde in artikel 4:59 BW geen voordeel uit dit tweede testament kan trekken. Volgens de rechtbank heeft de familie deze juridische stellingen gebaseerd op feitelijke stellingen die onvoldoende duidelijk en onvoldoende onderbouwd zijn. Deze feitelijke stellingen betreffen beweerde gedragingen van [geïntimeerde] en zijn speculatief in die zin dat zij niet of nauwelijks zijn gebaseerd op vaststaande of deugdelijk onderbouwd gestelde feiten, aldus de rechtbank.

De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat gelijktijdig met de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg een procedure aanhangig op basis van een door de familie bij de rechtbank ingediend verzoekschrift gericht op het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Mede tegen die achtergrond ligt bij de rechtbank de vraag voor of de familie in de gelegenheid moet worden gesteld om haar stellingen - die nu onvoldoende zijn - nader te ontwikkelen, wat kennelijk de bedoeling is van de familie. De rechtbank is van oordeel dat die gelegenheid niet moet worden geboden. De rechtbank heeft hierbij tevens geoordeeld dat dat in deze procedure betekent dat evenmin plaats is voor toewijzing van de incidentele vordering ex artikel 843a Rv, die immers gericht is op het (alsnog) verzamelen van de nodige informatie.

De rechtbank komt dan tot de conclusie dat de vorderingen sub 1 en 2 voor afwijzing gereed liggen, wat betekent dat van de geldigheid van het tweede testament moet worden uitgegaan. Daarvan uitgaande hebben de nicht en haar kinderen recht op de hen toegekende legaten. Voor het overige heeft de familie geen rechten op de nalatenschap van erflaatster. Dat betekent dat de familie geen recht heeft op afgifte van goederen, geen recht heeft op terugbetaling van de lening, geen belang heeft bij het door [geïntimeerde] afleggen van rekening en verantwoording en tot slot dat er geen grondslag aanwijsbaar is voor enige schadevergoedingsverplichting van [geïntimeerde] jegens de familie. Daaruit volgt dat de vordering sub 3 eveneens voor afwijzing gereed ligt. [geïntimeerde] kan niet worden veroordeeld tot enige betaling aan de familie zodat daarmee eveneens de grondslag van het gevorderde sub 4 is komen te vervallen, zodat ook dit dient te worden afgewezen. Omdat onvoldoende is gesteld omtrent onrechtmatige of anderszins rechtens relevante ongeoorloofde gedragingen van [geïntimeerde] , ontvalt mede de grondslag voor het gevorderde sub 5 en dient ook dit te worden afgewezen.

De familie is tot slot in de kosten van de hoofdzaak en incident veroordeeld.

6.3.

De familie heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd, haar eis gewijzigd en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen in de hoofdzaak en het incident. De in de memorie van grieven opgenomen eiswijziging luidt als volgt. De familie vordert -uitvoerbaar bij voorraad- dat het hof:

In de hoofdzaak

I. a. voor recht verklaart dat het tweede testament van erflaatster nietig is, althans dat het hof dit testament vernietigt;

b. te verklaren voor recht dat (derhalve) gelding heeft, en ten gevolge daarvan dient te worden uitgevoerd, het eerste testament van erflaatster;

II. voorwaardelijk, voor het geval de vordering sub I niet wordt toegewezen, voor recht verklaart dat [geïntimeerde] onwaardig is om voordeel te trekken uit het tweede testament van erflaatster en dat [geïntimeerde] derhalve hieraan geen rechten kan ontlenen;

III. voorwaardelijk, voor het geval de vorderingen sub I en II niet worden toegewezen, voor recht verklaart dat de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving door [geïntimeerde] bij akte van 31 december 2014 van het tweede testament van erflaatster nietig is, althans dat het hof deze aanvaarding vernietigt;

IV. voorwaardelijk, voor zover de vorderingen sub I, II of III niet worden toegewezen, voor recht verklaart dat de uitvoering van het tweede testament van erflaatster naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, althans dat [geïntimeerde] hieraan geen rechten kan ontlenen;

V. voor recht verklaart dat de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving door [geïntimeerde] bij akte van 31 december 2014 van het tweede testament van erflaatster onrechtmatig is jegens de familie;

VI. [geïntimeerde] te veroordelen tot:

A. indien en voor zover te gelden heeft en uitvoering gegeven moet worden aan het eerste testament van erflaatster:

a. afgifte van de goederen behorende tot de nalatenschap van erflaatster bestaande uit de inboedelgoederen, garagebox, vorderingen en gelden, een en ander zoals gespecificeerd in randnummer 89 van de memorie van grieven aan de nicht en haar kinderen, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag;

b. betaling aan de familie van € 12.000,- ter zake van een door hem aangegane lening, vermeerderd met rente en kosten;

c. het doen van rekening aan de familie over het door hem gevoerde beheer in de periode vanaf 1 januari 2009 tot aan de waarop dit beheer zal zijn geëindigd over het vermogen van erflaatster en het afleggen van verantwoording daarover;

d. vergoeding van de schade die de familie heeft geleden, zoals gespecificeerd in randnummer 89 van de memorie van grieven, bestaande uit het gederfde erfdeel, immateriële schade en kosten, althans vergoeding van de schade aan de familie nader op te maken bij staat, althans vergoeding van de schade aan de familie zoals door het hof in goede justitie te bepalen;

B. indien en voor zover het tweede testament van erflaatster in stand blijft maar daaraan geen uitvoering wordt gegeven dan wel daaruit geen voordeel getrokken mag worden door [geïntimeerde] of hij daaraan geen rechten mag ontlenen, dan wel de aanvaarding van dit testament door [geïntimeerde] nietig is of vernietigd wordt:

a. afgifte van de goederen behorende tot de nalatenschap van erflaatster bestaande uit de inboedelgoederen, garagebox, vorderingen en gelden, een en ander zoals gespecificeerd in randnummer 89 van de memorie van grieven aan de zussen, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag;

b. betaling aan de familie van € 12.000,- ter zake van een door hem aangegane lening, vermeerderd met rente en kosten;

c. het doen van rekening aan de familie over het door hem gevoerde beheer in de periode vanaf 1 januari 2009 tot aan de waarop dit beheer zal zijn geëindigd over het vermogen van erflaatster en het afleggen van verantwoording daarover;

d. vergoeding van de schade die de familie heeft geleden, zoals gespecificeerd in randnummer 89 van de memorie van grieven, bestaande uit het gederfde erfdeel, immateriële schade en kosten, althans vergoeding van de schade aan de familie nader op te maken bij staat, althans vergoeding van de schade aan de familie zoals door het hof in goede justitie te bepalen;

C. indien en voor zover het tweede testament van erflaatster in stand blijft en de aanvaarding daarvan door [geïntimeerde] in stand blijft:

a. het doen van rekening aan de familie over het door hem gevoerde beheer in de periode vanaf 1 januari 2009 tot aan de waarop dit beheer zal zijn geëindigd over het vermogen van erflaatster en het afleggen van verantwoording daarover;

b. vergoeding van de schade die de familie heeft geleden, zoals gespecificeerd in randnummer 89 van de memorie van grieven, bestaande uit het gederfde erfdeel, immateriële schade en kosten, althans vergoeding van de schade aan de familie nader op te maken bij staat, althans vergoeding van de schade aan de familie zoals door het hof in goede justitie te bepalen;

VII. voorwaardelijk, namelijk voor zover [geïntimeerde] niet binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest aan de veroordelingen op grond van de vorderingen sub VI zal voldoen dan wel indien de vorderingen sub VI tegen [geïntimeerde] geheel of deels worden afgewezen, de parochie, het bisdom en/of de bisschop hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de schade die de familie heeft geleden, zoals gespecificeerd in randnummer 89 van de memorie van grieven, bestaande uit het gederfde erfdeel, immateriële schade en kosten, althans vergoeding van de schade aan de familie nader op te maken bij staat, althans vergoeding van de schade aan de familie zoals door het hof in goede justitie te bepalen;

VIII. het bisdom en de bisschop te veroordelen tot het treffen van maatregelen jegens [geïntimeerde] een en ander overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Canoniek Recht tot handhaving van de regels van het canonieke recht, zulks te doen binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag;

IX. voorwaardelijk, voor het geval de vorderingen onder I tot en met VIII geheel of deels worden afgewezen, geïntimeerden ieder voor zich dan wel gezamenlijk te veroordelen tot vergoeding van de schade die de familie heeft geleden, een en ander zoals gespecificeerd in randnummer 89 van de memorie van grieven, bestaande uit het gederfde erfdeel, immateriële schade en kosten, althans vergoeding van de schade aan de familie nader op te maken bij staat, althans vergoeding van de schade aan de familie zoals door het hof in goede justitie te bepalen;

en in het incident:

[geïntimeerde] te veroordelen om aan de familie afschriften te verstrekken van:

a. de mutaties en tijdstippen van die mutaties op de aan erflaatster toebehorende bankrekeningen vanaf 1 januari 2009 tot aan de dag dat het beheer van [geïntimeerde] zal zijn geëindigd;

b. de bezoekgegevens en tijdstippen van die bezoeken alsmede van de personalia van bezoekers, van het safeloket van erflaatster vanaf 1 januari 2009 tot heden een en ander tegen vergoeding van de kosten hiervan door de familie, zulks te doen binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis bij gebreke waarvan [geïntimeerde] een dwangsom aan de familie verbeurt van € 500,- per dag tot aan de dag dat [geïntimeerde] hieraan volledig heeft voldaan;

in de hoofdzaak en het incident:

met veroordeling van geïntimeerden hoofdelijk in de proceskosten van beide instanties, waaronder begrepen de kosten van het conservatoir beslag.

6.4.

Bij akte wijziging en aanvulling eis, die tijdens het pleidooi door de familie in het geding is gebracht, heeft de familie haar eis wederom gewijzigd. Voor de inhoud van die tweede eiswijziging verwijst het hof naar het petitum van die akte. [geïntimeerde] en de kerk hebben bezwaar gemaakt tegen de tweede eiswijziging. Het hof ziet aanleiding om eerst na de behandeling van de grieven op dat bezwaar te beslissen (r.o. 6.33).

Voor zover [geïntimeerde] en de kerk bezwaar hebben gemaakt tegen de bij de akte behorende producties, verwerpt het hof dit bezwaar. De producties zijn immers tijdig ingediend en partijen konden tijdens de zitting op deze producties reageren. Zo hadden [geïntimeerde] en de kerk bijvoorbeeld, net als de familie, indien nodig voor de zitting langere spreektijd kunnen vragen.

6.5.

Voor zover de familie heeft gegriefd tegen de vaststelling van de feiten heeft zij geen belang bij beoordeling van die grief omdat het hof de feiten opnieuw heeft vastgesteld.

Het hof zal de vijf grieven - gezien hun onderlinge verband - hierna gezamenlijk behandelen. Met de grieven is het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voorgelegd.

6.6.

Naar de kern genomen stelt de familie- kort gezegd - het volgende. Het tweede testament van erflaatster is nietig dan wel dient vernietigd te worden door het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] . Verder stelt de familie dat tussen [geïntimeerde] en erflaatster sprake was van een pastorale relatie ten gevolge waarvan [geïntimeerde] door het vermogensbeheer, het aangaan van een geldlening en het aanvaarden van de nalatenschap van erflaatster in strijd heeft gehandeld met de kerkrechtelijke regels en in het bijzonder met de Gedragscode Pastoraat (hierna: de gedragscode). Voorts stelt de familie dat zij erop mocht vertrouwen dat de kerk zou toezien op een correcte handhaving van het canonieke recht, in het bijzonder de gedragscode. Door dit handelen van [geïntimeerde] en de kerk heeft de familie schade geleden.

6.7.

[geïntimeerde] en de kerk betwisten de stellingen van de familie en stellen - kort gezegd - dat de stellingen suggestief zijn, onvoldoende concreet zijn en/of niet door bewijsstukken worden onderbouwd.

6.8.

De kerk stelt voorts dat het hof bevoegd is om kennis te nemen van de vordering tot schadevergoeding, maar dat vanwege het bestaan van de kerkrechtelijke procesgang de vorderingen jegens de kerk niet ontvankelijk moeten worden verklaard of ten minste (de besluitvorming van de kerk) slechts marginaal getoetst moeten worden.

Vervolgens stelt de kerk dat de contacten tussen [geïntimeerde] en erflaatster wat betreft de bij de kerk bekende verlening van pastorale zorg beperkt is geweest. Indien en voor zover er meer contacten zijn geweest tussen [geïntimeerde] en erflaatster heeft dit volgens de kerk plaatsgevonden buiten de taakvervulling en worden de eventuele contacten door de kerk beschouwd als vriendschappelijke contacten.

Nietigheid/vernietigbaarheid tweede testament

6.9.

Het hof zal eerst bezien of het tweede testament van erflaatster een geldig testament is.

De familie stelt hierover - kort gezegd - dat dit testament nietig dan wel vernietigd moet worden op grond van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] en voert hiervoor het volgende aan. [geïntimeerde] heeft misbruik gemaakt van het diepgelovige karakter van erflaatster en haar vertrouwen in de kerk en in de verpersoonlijking daarvan, dit alles voor eigen financieel gewin. [geïntimeerde] heeft erflaatster van noodzakelijke hulp door derden afgehouden, haar geïsoleerd en haar op die manier in een afhankelijkheidspositie gebracht. [geïntimeerde] heeft het vertrouwen dat erflaatster in hem stelde gebruikt. Er was geen sprake van een evenwichtige verhouding tussen beiden: een groot leeftijdsverschil, verschil in opleiding en verschil in gezag. De familie concludeert dat [geïntimeerde] misbruik heeft gemaakt van de positie waarin de erflaatster verkeerde en haar eenvoudige en kwetsbare persoonlijkheid.

Volgens de familie heeft zij door de getuigenverklaringen het bewijs geleverd dat erflaatster onder druk van [geïntimeerde] haar testament in 2010 heeft gewijzigd, dat dit niet uit eigen vrije wil was en dat erflaatster niet beoogd heeft haar erfenis aan [geïntimeerde] in privé te vermaken.

Verder stelt de familie dat het zeer aannemelijk is dat notaris [notaris] , die het tweede testament heeft gepasseerd, het Stappenplan Wilsonbekwaamheid niet heeft toegepast, terwijl daarvoor wel degelijk zeer sterke indicatoren aanwezig waren.

Op grond van het vorenstaande en onder verwijzing naar de getuigenverklaringen stelt de familie verder dat het testament onder bedreiging met schade aan het zielenheil tot stand is gekomen en dat het testament op grond van artikel 4:43 BW vernietigbaar is.

De familie heeft aangegeven dat zij de grondslag voor vernietiging van het testament op grond van artikel 4:59 BW niet langer zal handhaven.

6.10.

[geïntimeerde] heeft onder meer gemotiveerd betwist dat hij erflaatster op enigerlei wijze onder druk heeft gezet. Volgens [geïntimeerde] heeft erflaatster het testament zelfstandig, welbewust en ook uit eigen beweging laten opmaken door de notaris. [geïntimeerde] stelt dat uit het testament blijkt dat hij als privépersoon tot erfgenaam is benoemd en dat hij een vriendschappelijke band had met erflaatster en derhalve niet gebonden was aan kerkelijke regels.

6.11.

Het hof overweegt als volgt.

Erflaatster heeft in 2010 haar testament gewijzigd. Een testament is een notariële akte waarbij een notaris uiterst zorgvuldig moet handelen en voldoende waarborgen moet inbouwen om zelf genoegzaam te kunnen beoordelen of een erflater zijn wil kan bepalen en de (rechts)gevolgen van zijn nieuwe uiterste wil kan overzien. Notaris [notaris] , die het tweede testament heeft gepasseerd, heeft tijdens het voorlopige getuigenverhoor over de gang van zaken bij het opmaken en passeren van een testament in zijn algemeenheid verklaard dat hij eerst een oriënterend gesprek heeft met de cliënt waarin de cliënt zijn wensen aangeeft. Hierna wordt een ontwerpakte opgemaakt die naar de cliënt wordt gestuurd. De cliënt kan hierop zijn op- of aanmerkingen geven. Bij het passeren van het testament is volgens notaris [notaris] uitsluitend degene aanwezig die het testament laat maken. De notaris heeft verder verklaard dat hij bij twijfel of als hij niet achter de inhoud van een akte staat een akte nooit passeert. Het hof leidt hieruit af dat in het onderhavige geval de notaris geen twijfel heeft gehad en achter het testament stond, aangezien het testament is gepasseerd. Uit de getuigenverklaring van de notaris volgt dat [geïntimeerde] niet bij de gesprekken van de notaris met erflaatster over het testament aanwezig is geweest. Naar het oordeel van het hof heeft de notaris zodanig verklaard dat ervan moeten worden uitgegaan dat het testament aan de hiervoor vooropgestelde vereisten voldoet. Dat [geïntimeerde] in het tweede testament tot enig erfgenaam is benoemd, hoeft voor de notaris ook geen aanleiding te zijn geweest om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van erflaatster, aangezien [geïntimeerde] in het eerste testament ook al tot legataris was benoemd. De stelling van de familie dat de notaris het Stappenplan Wilsonbekwaamheid niet heeft toegepast, vindt geen steun in diens getuigenverklaring. Hij heeft zich terzake beroepen op zijn verschoningsrecht.

In de periode van het overlijden van de echtgenoot van erflaatster tot het opmaken van het tweede testament is het hof ook niet is gebleken van rechtens relevante druk die [geïntimeerde] op erflaatster uitgeoefend heeft. De familie stelt bijvoorbeeld dat erflaatster na het overlijden van haar echtgenoot steeds meer steun vond bij [geïntimeerde] en de kerk en dat zij steeds meer met [geïntimeerde] omging, maar uit de (grotendeels partij-)getuigenverklaringen blijkt niet, althans onvoldoende, dat [geïntimeerde] misbruik heeft gemaakt van het - zo de familie stelt - diepgelovige karakter van erflaatster. Ook stelt de familie dat erflaatster de laatste jaren erg verward was en onder behandeling was bij een geriater, maar deze stelling heeft zij, na betwisting door [geïntimeerde] , niet nader onderbouwd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt ook niet in te zien dat deze stelling relevant is voor de vraag of er in de periode voorafgaand aan het opmaken van het tweede testament druk is uitgeoefend door [geïntimeerde] op erflaatster.

Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat van wilsonbekwaamheid van erflaatster bij het maken van het tweede testament niet is gebleken. Zo er al sprake zou zijn van misbruik van omstandigheden door [geïntimeerde] dan heeft dat op zichzelf niet tot gevolg dat de uiterste wilsbeschikking vatbaar is voor vernietiging (zie artikel 4:43 BW).

6.12.

De familie wil nader bewijs leveren van haar stelling dat het bij de benoeming van [geïntimeerde] niet om hem als privépersoon te doen was maar om [geïntimeerde] als vertegenwoordiger van de kerk. Zij verwijst naar het testament waarin staat dat indien [geïntimeerde] vóór of tegelijk met erflaatster zou komen te overlijden de erfenis aan de parochie zou toekomen. Volgens de familie duidt dit er op dat het niet de bedoeling van erflaatster was om [geïntimeerde] in privé tot erfgenaam te benoemen.

Het hof gaat echter aan dit bewijsaanbod voorbij omdat het hof van oordeel is dat de familie onvoldoende heeft gesteld. De bewoordingen van het testament acht het hof duidelijk, mede gelet op de verhoudingen die het testament kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder het testamant is gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat het hof niet toe komt aan het achterhalen van de bedoeling van erflaatster (zie artikel 4:46 BW).

6.13.

De familie doet nog een bewijsaanbod voor de stelling dat de notaris ten onrechte niet getwijfeld heeft aan het vermogen van erflaatster om een uiterste wil te maken, althans dat hij ten onrechte niet heeft getwijfeld aan het feit dat zij de wijzigingen uit eigen vrije wil heeft gemaakt. Daargelaten dat het hof ervan uitgaat dat de notaris de wilsbekwaamheid van erflaatster heeft beoordeeld (zie hiervoor rov. 6.11), gaat het hof aan dit bewijsaanbod voorbij gelet op het volgende. De familie heeft niet aangegeven wie over deze stelling een verklaring zouden kunnen afleggen. Voor zover de familie de notaris opnieuw zou willen horen, gaat het hof daaraan voorbij omdat de notaris al tijdens het voorlopige getuigenverhoor is gehoord en de familie niet heeft gespecificeerd wat hij nog meer of anders zou kunnen verklaren. Hetzelfde geldt voor andere reeds gehoorde getuigen of personen van wie schriftelijke verklaringen zijn overgelegd.

Artikel 4:3 en 4:43 BW

6.14.

De familie verder stelt dat [geïntimeerde] onwaardig is om uit de nalatenschap van erflaatster voordeel te trekken omdat hij oneigenlijke druk op erflaatster heeft uitgeoefend dan wel dat het testament vernietigbaar is op grond van artikel 4:43 lid 3 BW omdat het testament onder bedreiging door [geïntimeerde] tot stand is gekomen.

Het hof overweegt dat uit de afgelegde verklaringen niet blijkt van bedreiging als bedoeld in artikel 4:3 en 4:43 lid 3 BW. De door de familie gestelde bedreiging met schade aan het zielenheil is, noch daar gelaten of het een bedreiging als in deze artikelen betreft, niet voldoende onderbouwd.

Pastorale relatie/onrechtmatige daad

6.15.

De familie stelt vervolgens dat tussen [geïntimeerde] en erflaatster sprake was van een pastorale relatie en dat [geïntimeerde] in strijd heeft gehandeld met de bepalingen van het kerkelijk recht door vanuit die pastorale relatie onder andere:

- de erfenis van erflaatster te aanvaarden;

- de benoeming als executeur in de nalatenschap van erflaatster te aanvaarden en als zodanig op te treden;

- een geldlening met erflaatster aan te gaan;

- het vermogen van erflaatster te beheren.

De schending van deze kerkrechtelijke regels moet volgens de familie worden aangemerkt als schending van de maatschappelijke zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 6:162 BW. Het gedrag van [geïntimeerde] acht de familie ook volgens de niet-kerkrechtelijke normen als grensoverschrijdend, onbetamelijk en in strijd met de regels van geschreven en ongeschreven recht. De schending van maatschappelijke zorgvuldigheid wordt in het onderhavige geval nader ingevuld door regels van het canoniek recht. Door dit onrechtmatig handelen - dat aan [geïntimeerde] is toe te rekenen - lijdt de familie schade, aldus de familie.

6.16.

[geïntimeerde] betwist dat sprake is van een pastorale relatie en stelt dat tussen erflaatster en hem een vriendschappelijke band bestond. [geïntimeerde] is dan ook van mening dat het geen kerkrechtelijke, maar een privékwestie betreft, wat wordt bevestigd door de kerk.

6.17.

Het hof overweegt als volgt.

De grondslag van de vorderingen stoelt de familie onder meer op onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW. Dit heeft tot gevolg dat ook voldaan moet worden aan het hiermee samenhangende relativiteitsvereiste ex artikel 6:163 BW. Bij de beantwoording van de vraag of aan het in artikel 6:163 BW neergelegde relativiteitsvereiste is voldaan, komt het volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt.

6.18.

Het hof brengt in herinnering dat, zoals hiervoor is overwogen in r.o. 6.11, uitgangspunt dient te zijn dat de benoeming van [geïntimeerde] tot enig erfgenaam rechtsgeldig is en het erflaatster bij de benoeming van [geïntimeerde] om hem als privépersoon te doen was.

Voorts overweegt het hof dat de kerkelijke regels en in het bijzonder de gedragscode waarop de familie een beroep doet primair interne werking hebben, in de zin dat die primair gericht zijn op de verhouding tussen bijvoorbeeld een pastoor en de kerk. Ook impliceert schending van de regels van het kerkelijk recht of de gedragscode door een pastoor niet dat deze maatschappelijk onbetamelijk handelt als bedoeld in artikel 6:162 BW. In dit geval is van bijkomende omstandigheden, zoals dat [geïntimeerde] misbruik heeft gemaakt van de situatie, die zijn handelen onrechtmatig zouden kunnen maken niet gebleken, zoals hiervoor reeds is overwogen. Daarnaast kan niet worden aangenomen dat de regels van het kerkelijk recht en de gedragscode strekten ter bescherming van de familie bij het maken van het testament door de erflaatster, zo al kan worden aangenomen dat het doel daarvan was om erflaatster te beschermen als burger in het civiele recht. Het hof is dan ook van oordeel dat ook aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW niet is voldaan.

Zelfs al zou sprake zijn van een pastorale relatie tussen erflaatster en [geïntimeerde] , dan maakt dat civielrechtelijk gezien nog niet dat [geïntimeerde] misbruik zou hebben gemaakt van de situatie. Daartoe heeft de familie, gezien de betwisting door [geïntimeerde] , onvoldoende voor gesteld.

6.19.

Gezien het voorgaande acht het hof het bewijsaanbod van de familie - voor zover al toegekomen zou worden aan bewijslevering - over het bestaan van de pastorale relatie tussen [geïntimeerde] en erflaatster niet ter zake dienend. Het hof ziet ook geen aanleiding om de door de familie aangedragen kerkrechtelijke deskundigen te horen als bewijs voor haar stelling dat het handelen van [geïntimeerde] in strijd is met het canonieke recht.

De conclusie is dan ook dat er geen deugdelijke grondslag is voor een onrechtmatige daad op grond van artikel 6:162 BW.

Derogerende werking redelijkheid en billijkheid

6.20.

De familie stelt tot slot dat de hiervoor genoemde omstandigheden rechtvaardigen dat op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, door [geïntimeerde] geen rechten kunnen worden ontleend aan de tweede testament.

6.21.

Het hof is van oordeel dat die visie geen steun vindt in het recht (vgl. ECLI:NL:GHDHA:2014:2807). De rechtszekerheid staat daaraan naar het oordeel van het hof in de weg, nu gebleken is dat het tweede testament is gemaakt door een wilsbekwame erflaatster en overigens van vernietigingsgronden niet is gebleken. Het hof ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om het testament buiten toepassing te laten. Het hof verwijst naar wat hiervoor is overwogen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat erflaatster in de vier jaar tot haar overlijden het testament niet heeft herroepen terwijl niet gebleken is dat zij daartoe niet in de gelegenheid is geweest.

In dit geval is niet vast komen te staan dat [geïntimeerde] op een dwingende wijze erflaatster heeft aangezet om haar testament te wijzigen. Een en ander leidt tot het oordeel dat geen sprake is geweest van omstandigheden die maken dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het tweede testament buiten toepassing moet worden gelaten.

Vermogensbeheer

6.22.

De familie stelt vervolgens dat [geïntimeerde] ook onrechtmatig heeft gehandeld door het vermogen van erflaatster tijdens leven en na haar overlijden te beheren. [geïntimeerde] heeft hierbij in strijd gehandeld met het canoniek recht en de gedragscode. Op basis van deze kerkrechtelijke regels mag een pastoor geen vermogens van onder andere parochianen beheren. Op grond hiervan stelt de familie dat [geïntimeerde] rekening en verantwoording aan haar moet afleggen.

[geïntimeerde] betwist dat hij het vermogen van erflaatster heeft beheerd, zodat hij ook geen rekening en verantwoording over het door hem gevoerde beheer af kan leggen.

6.23.

Het hof overweegt als volgt.

Als [geïntimeerde] het vermogen van erflaatster tijdens haar leven zou hebben beheerd, maakt dat nog niet dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens de familie. Het hof verwijst hiertoe naar r.o. 6.18.

De vraag is of [geïntimeerde] rekening en verantwoording moet afleggen aan de familie in geval hij het vermogen van erflaatster zou hebben beheerd.

Voor zover de gevorderde rekening en verantwoording ziet op de periode voor het overlijden van erflaatster overweegt het hof als volgt. Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (HR 9 mei 2014 ECLI:NL:HR:2014:1089). Dat daar van sprake is niet (voldoende) onderbouwd en evenmin gebleken. Voor zover er sprake is van beheer door [geïntimeerde] bij leven van erflaatster is niet gebleken dat dit zonder haar instemming is geschied en evenmin dat zij niet in staat was haar wil dienaangaande te bepalen.

Voor zover de rekening en verantwoording ziet op de periode na het overlijden van erflaatster, heeft de familie geen belang heeft bij deze vordering. [geïntimeerde] is immers enig erfgenaam en executeur zodat de goederen van erflaatster niet aan de familie toekomen. Ook de in het tweede testament genoemde legatarissen hebben geen belang bij deze vordering aangezien [geïntimeerde] heeft verklaard dat het geld voor de legatarissen in contanten klaar ligt, hetgeen de familie niet althans onvoldoende heeft betwist, zodat het hof ervan uitgaat dat dit bedrag ook aanwezig is.

6.24.

Nu [geïntimeerde] op grond van het vorenstaande niet gehouden is om aan de familie rekening en verantwoording af te leggen, gaat het hof aan het bewijsaanbod over dit onderdeel voorbij.

De familie heeft nog bewijs aangeboden van de stelling dat het tegoed van de bankrekeningen niet is aangewend voor legaten, en dat deze bedragen uit de geldenveloppen uit de kluis moeten zijn gekomen. Het hof gaat aan dit bewijsaanbod voorbij, reeds aangezien [geïntimeerde] dit heeft erkend. De notaris heeft hierover ook verklaard dat [geïntimeerde] hem enveloppen met contanten heeft gegeven, dat zij samen hebben gekeken wat er in de enveloppen zat en dat de enveloppen zich bevinden op het notariskantoor. De notaris heeft verklaard dat hij hiervan een depotakte heeft opgemaakt.

Geldlening

6.25.

Tussen partijen is in geschil of [geïntimeerde] een van erflaatster geleend geldbedrag van € 12.000,- voor de aankoop van een auto heeft terugbetaald.

Nu het hof heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] enig en algehele erfgenaam is in de nalatenschap van erflaatster heeft de familie geen recht op deze nalatenschap. Dit heeft tot gevolg dat de familie ook geen recht heeft op de terugbetaling van de geldlening, voor zover deze nog niet aan erflaatster zou zijn terugbetaald. Het hof gaat er hierbij vanuit, zoals hiervoor in r.o. 6.24 is overwogen, dat het geld voor de legatarissen al klaar ligt, zodat ook zij geen belang hebben bij de terugbetaling van de lening. Het bewijsaanbod van de familie over dit onderdeel acht het hof dan ook niet ter zake dienend.

Bewijs(aanbod)

6.26.

De familie heeft een bewijsaanbod gedaan om de personen die een beëdigde verklaring bij de notaris hebben afgelegd, alsnog te laten horen. Het hof gaat aan dit bewijsaanbod voorbij, aangezien het feit dat deze verklaringen bij de notaris zijn afgelegd, en niet bij een rechter, niet meebrengt dat het hof daaraan minder bewijskracht heeft toegekend.

De familie verzoekt verder nog om omkering van de bewijslast ten aanzien van de pastorale rol, het gestelde vermogensbeheer, het terugbetalen van de lening en het bestaan van dreigingen met het zielenheil. Weliswaar kan van de hoofdregel van artikel 150 Rv worden afgeweken indien uit enige bijzondere regel - of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid - een andere bewijslastverdeling voortvloeit, maar hiervan is naar het oordeel van het hof in deze zaak geen sprake. De familie heeft geen rechtens relevante feiten of omstandigheden gesteld die een omkering van de bewijslast rechtvaardigen.

Overige grondslagen (ongerechtvaardigde verrijking, schending van de artikelen 3:11 jo 13 jo 15 jo 300 BW en artikel 3:12 BW)

6.27.

Nu het hof van oordeel is dat niet gebleken is dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens erflaatster dan wel de familie en [geïntimeerde] de nalatenschap van erflaatster mocht aanvaarden, zal het hof de vorderingen op grond van de overige grondslagen afwijzen.

Incident ex artikel 843a Rv

6.28.

Aangezien [geïntimeerde] het door de familie gestelde vermogensbeheer betwist, vordert de familie in het incident afgifte van de volgende bescheiden:

- mutaties en tijdstippen van die mutaties op de aan erflaatster toebehorende bankrekeningen vanaf 1 januari 2009 tot aan de dag de het beheer zal zijn geëindigd;

- de bezoekgegevens en tijdstippen van die bezoeken alsmede de personalia van bezoekers van het safeloket van erflaatster vanaf 1 januari 2009 tot heden.

De familie stelt dat zij een rechtmatig belang heeft, nu [geïntimeerde] over genoemde bescheiden beschikt. Deze stukken zijn bovendien nodig voor de door de familie gevraagde rekening en verantwoording.

6.29.

Het hof zal beoordelen of de vordering op grond van artikel 843a Rv kan worden toegewezen. Het hof stelt hierbij voorop dat artikel 843a Rv niet ziet op een algemeen recht op inzage, afschrift of uittreksel. Een vordering op grond van artikel 843a Rv kan slechts worden toegewezen indien voldaan is aan de in het eerste lid van dat artikel genoemde cumulatieve voorwaarden, te weten:

1. de eiser of verzoeker dient een rechtmatig belang te hebben;

2. de vordering dient betrekking te hebben op bepaalde bescheiden;

3. de bescheiden dienen een rechtsbetrekking te betreffen waarin de eiser of verzoeker of zijn rechtsvoorganger partij is.

Verder moet zich, indien de belanghebbende zich daarop beroept, geen van de drie in de leden 3 en 4 vervatte uitzonderingen voordoen.

6.30.

Het hof is van oordeel dat de incidentele vordering niet voldoet aan het hierboven onder 1 genoemde vereiste. De familie heeft alleen een rechtmatig belang bij haar vordering indien de bescheiden waarvan afschrift wordt gevorderd, bestemd zijn ter onderbouwing van een vordering of verweer in de onderhavige hoger beroepsprocedure. Het hof heeft echter hiervoor geoordeeld dat [geïntimeerde] erfgenaam is en tijdens het leven van erflaatster niet gehouden was om rekening en verantwoording aan haar af te leggen. Dit heeft tot gevolg dat de familie geen rechtmatig belang heeft bij de afgifte van de door haar gevorderde bescheiden.

Voorts is het hof van oordeel dat de gevorderde bescheiden onvoldoende nauwkeurig zijn omschreven (het hiervoor onder 2 genoemde vereiste). De familie vraagt immers afgifte van bankafschriften over een lange periode wat neer komt op een algemeen recht op inzage. Deze vordering betreft aldus te zeer een ‘fishing expedition’, zoals [geïntimeerde] ook meent.

Tot slot is het hof van oordeel dat de familie ook niet voldoet aan het hiervoor onder 3 genoemde vereiste, aangezien de bescheiden geen rechtsbetrekking betreffen waarin de familie partij is. Zij kan immers geen rechten ontlenen aan het tweede testament en de familie is geen rechtsopvolgers van erflaatster.

Het hof merkt nog op dat de familie tijdens het pleidooi heeft gesteld dat [geïntimeerde] een verzwaarde betwistingsplicht heeft omdat hij de gevraagde bescheiden onder zich heeft. Wat daar verder ook van zij, het hof zou op grond van artikel 22 Rv nog nadere informatie bij partijen op kunnen vragen, maar ziet in de gegeven omstandigheden geen aanleiding om dit te doen.

6.31.

Nu op grond van het vorenstaande aan (één of meer van) de – cumulatieve – voorwaarden van artikel 843a Rv niet is voldaan, dient de incidentele vordering van de familie te worden afgewezen en de familie in de kosten van het incident worden veroordeeld.

Aansprakelijkheid kerk

6.32.

De familie stelt dat de kerk zowel op grond van artikel 6:170 BW als op grond van artikel 6:162 BW onrechtmatig handelt jegens de familie. Hoewel daartoe bevoegd heeft de bisschop geen gebruik gemaakt om maatregelen te treffen, zoals het beheer van het vermogen van erflaatster door [geïntimeerde] te beëindigen en te bepalen dat [geïntimeerde] niet in strijd met de voor hem geldende regels het testament en de benoeming tot executeur zou aanvaarden. Dit wordt door de familie als onrechtmatig aangemerkt.

6.33.

Het hof overweegt als volgt. Nu [geïntimeerde] erfgenaam is en de familie onvoldoende heeft gesteld dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens erflaatster, heeft de familie geen belang bij de vordering op grond van 6:170 BW of 6:162 BW jegens de kerk.

Het hof merkt op dat - voor zover de kerk in het onderhavige geval aansprakelijk zou kunnen zijn - het niet op de weg van het hof ligt op basis van het kerkelijk recht te bepalen dat de kerk disciplinaire maatregelen diende te treffen tegen [geïntimeerde] .

De familie heeft ter zake haar stelling nog een bewijsaanbod gedaan, maar gelet op het voorgaande komt het hof niet aan bewijslevering toe. Het hof acht dit aanbod overigens ook onvoldoende concreet en onvoldoende gespecificeerd.

Conclusie

6.34.

Wegens het ontbreken van een deugdelijke grondslag komen de (gewijzigde) vorderingen van de familie niet voor toewijzing in aanmerking. De vraag of de tweede eiswijziging van de familie toelaatbaar is (zie hiervoor r.o. 6.4) kan, gelet op de uitkomst van de procedure derhalve in het midden blijven.

6.35.

Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dat alle grieven falen. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en de familie, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het hoger beroep in de hoofdzaak.

Het hof zal voor [geïntimeerde] geen griffierecht liquideren, omdat hij voor het voorlopige getuigenverhoor al griffierecht heeft voldaan. In de hoofdzaak wordt dan geen griffierecht meer in rekening is gebracht. Bij de vaststelling van de proceskosten en nakosten gaat het hof uit van de nieuwe liquidatietarieven civiel.

7 De uitspraak

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering af;

veroordeelt de familie in de kosten van het incident en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 1.047,- aan salaris advocaat;

in de hoofdzaak:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt de familie in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 790,- aan getuigentaxen en op € 3.222,- aan salaris advocaat en aan de zijde van de kerk op € 718,- aan griffierecht en op € 3.222,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten ten behoeve van [geïntimeerde] op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J. Henzen, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en J.P. de Haan en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 juni 2018.

griffier rolraadsheer