Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2589

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-06-2018
Datum publicatie
15-06-2018
Zaaknummer
17-00166
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:67, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:948
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof is van oordeel dat de forfaitaire rendementsheffing (box 3) in het jaar 2013 niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Het Hof heeft daarbij gekeken naar het nominale rendement van risicomijdende beleggingen en concludeert dat in dit jaar weliswaar het door de wetgever veronderstelde mogelijke rendement van 4% niet langer haalbaar was, maar dat een rendement van 2% nog wel haalbaar was. Rekening houdend met een tarief van 30% zou de box 3-heffing bij een rendement van 2% neerkomen op een effectieve heffing van 60%. Van een dergelijke heffing kan niet worden gezegd dat zij ertoe leidt dat belastingplichtigen worden geconfronteerd met een buitensporig zware last.

Wetsverwijzingen
Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1278
Viditax (FutD), 15-06-2018
FutD 2018-1602 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2018/48.1.3
Vp-bulletin 2018/48
NTFR 2018/1497
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00166

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 11 januari 2017, nummer BRE 16/636, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te vermelden aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.983 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.869, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 23 maart 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [A] , als gemachtigde van belanghebbende, vergezeld van [B] , alsmede, namens de Inspecteur, [C] , [D] en [E] . Ter zitting zijn de zaken met kenmerk 17/00166 en 17/00167 gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld.

1.5.

De Inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota met één bijlage toegezonden aan het Hof en door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.6.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met mevrouw [de vrouw] .

2.2.

Belanghebbende heeft in 2013 tot een bedrag van € 26.983 pensioen genoten, waarop een bedrag van € 8.151 aan loonheffing is ingehouden. Tevens heeft hij per saldo een bedrag van nihil aan belastbare inkomsten uit eigen woning genoten. Het belastbare inkomen uit werk en woning over het jaar 2013 bedraagt aldus € 26.983.

2.3.

Op 1 januari 2013 is de samenstelling van de bezittingen en de waarde daarvan als volgt:

Bank- en spaartegoeden in Nederland € 280.992

Aandelen, obligaties e.d. € 61.831.

De grondslag sparen en beleggen voor het jaar 2013 bedraagt € 342.823 verminderd met het heffingvrije vermogen van € 42.278 = € 300.545. Hierbij is een bedrag van € 296.745 toegerekend aan de grondslag van belanghebbende. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen bedraagt 4% van deze grondslag, dat is € 11.869. De belasting over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen bedraagt € 3.560 (vermogensrendementsheffing).

2.4.

Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar een bedrag van € 4.021 aan rentebaten uit bank- en spaartegoeden genoten.

2.5.

Bij besluit van 26 juni 2015, nr. BLKB2015/903M, Stcrt. 2015, 18400, heeft de Staatssecretaris van Financiën bezwaarschriften tegen de aanslagen inkomstenbelasting waarin uitsluitend de hierna te noemen rechtsvraag aan de orde is, aangewezen als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst 2015). In het besluit wordt de volgende rechtsvraag geformuleerd:

“Is de vermogensrendementsheffing zoals vastgelegd in artikel 5.2, eerste lid van de Wet IB 2001, op spaarsaldi naar haar aard in strijd met artikel 1, eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), zonder dat in geschil is of sprake is van een schending van de fair balance op grond van een individuele en excessieve last?”.

2.6.

Bij kennisgeving van 6 juni 2016, nr. BLKB2016/425, Stcrt. 2016, 31329, heeft de Staatssecretaris van Financiën medegedeeld dat de onderhavige zaak (tezamen met vijf andere zaken) is geselecteerd om te worden voorgelegd aan de belastingrechter (proefprocedure).

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de vermogensrendementsheffing in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP).

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Voorafgaande overweging

4.1.

Blijkens het onder 2.5 vermelde besluit is de rechtsvraag waarover partijen van mening verschillen beperkt tot het rendement op spaartegoeden. Gelet op het hierna vermelde arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2016, nr. 14/05020, ECLI:NL:HR:2016:1129, BNB 2016/177, is niet voldoende dat het rendement van bepaalde bezittingen structureel blijft beneden de vier percent, ook niet indien de bezittingen van een belastingplichtige in box 3 vooral uit dergelijke bezittingen bestaan. Gelet op dat arrest zou de geformuleerde rechtsvraag tussen partijen ontkennend moeten worden beantwoord, aangezien niet relevant is dat belanghebbende zijn vermogen voor het overgrote deel in bank- en spaartegoeden heeft belegd.

4.2.

Aangezien het hier gaat om een proefprocedure over de houdbaarheid van de forfaitaire rendementsheffing, en mede gelet op het debat dat tussen partijen is gevoerd, zal het Hof de rechtsvraag daarom ruimer opvatten door te toetsen of de forfaitaire rendementsheffing op het niveau van wet- en regelgeving in strijd is met artikel 1 EP.

Arresten van de Hoge Raad

4.3.

In het arrest Hoge Raad 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, BNB 2015/174, oordeelde de Hoge Raad over de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2010:

“2.3.1. De heffing van inkomstenbelasting over de inkomsten uit sparen en beleggen vindt met ingang van 2001 op forfaitaire wijze plaats in box 3. Bij de bepaling van die inkomsten wordt uitgegaan van een forfaitair rendement van vier percent, berekend over de waarde in het economische verkeer (hierna: WEV) van het positieve saldo van de bezittingen en de schulden. Aanvankelijk werd dit saldo berekend naar het gemiddelde aan het begin en het einde van het kalenderjaar, vanaf 2011 naar het saldo aan het begin van het kalenderjaar. Dit forfaitaire stelsel is naar de opzet van de wetgever ‘robuust’ en daardoor enigszins ruw, aangezien het niet afhankelijk is gesteld van het werkelijke rendement van de bezittingen gedurende het jaar. De wetgever achtte dat uitgangspunt gerechtvaardigd omdat:

“daarmee op een globale maar aanvaardbare wijze zou kunnen worden aangesloten bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. In zoverre kan derhalve niet worden gesteld dat in het concept van de forfaitaire rendementsheffing geen rekening wordt gehouden met de omvang van de werkelijk genoten inkomsten uit vermogen.”

(Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 263).

2.3.2.

Van dit forfaitaire stelsel kan, gelet op voormelde uitgangspunten, niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: het EP) (vgl. HR 28 oktober 2012, nr. 10/03727, ECLI:NL:HR:2011:BR0664, BNB 2011/297). Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 van het EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. Dit een en ander is in dit geding niet gesteld of gebleken.

Voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 van het EP is niet voldoende dat het rendement van bepaalde bezittingen – zoals in het onderhavige geval onder de huurbescherming vallende verhuurde woningen - structureel blijft beneden vier percent van het daarin geïnvesteerde bedrag, ook niet indien de bezittingen van de belastingplichtige in box 3 vooral uit dergelijke bezittingen bestaan. Daarbij moet ook in aanmerking worden genomen dat een gering beleggingsresultaat van de verhuurde woningen in het algemeen mede tot uitdrukking komt in de WEV van die woningen.”

4.4.

Voor het jaar 2011 heeft de Hoge Raad in het arrest van 10 juni 2016, nr.14/05020, ECLI:NL:HR:2016:1129, BNB 2016/177, als volgt geoordeeld:

“2.4.1.1. Bij de totstandkoming van box 3 met ingang van 2001 heeft de wetgever het forfaitaire rendement bepaald op vier percent. Dit percentage is niet afhankelijk gesteld van het werkelijke rendement van de bezittingen gedurende het jaar. De wetgever achtte dat gerechtvaardigd omdat:

“daarmee op een globale maar aanvaardbare wijze zou kunnen worden aangesloten bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. In zoverre kan derhalve niet worden gesteld dat in het concept van de forfaitaire rendementsheffing geen rekening wordt gehouden met de omvang van de werkelijk genoten inkomsten uit vermogen.”

(Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 263).

2.4.1.2. Van de wetgever mag worden verlangd dat een forfaitair stelsel, waaraan een zekere ruwheid inherent is, zodanig wordt vormgegeven dat daarmee wordt beoogd de werkelijkheid te benaderen (vgl. HR 12 mei 1999, nr. 33320, ECLI:NL:HR:AA2756, BNB 1999/271). Bij de vaststelling van het forfaitaire rendementspercentage op vier percent heeft de wetgever dan ook terecht aansluiting gezocht “bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen”.

2.4.1.3. Van het forfaitaire stelsel van box 3 kan, gelet op voormelde uitgangspunten, niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 EP. Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last (zie HR 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, BNB 2015/174). Indien deze onhaalbaarheid duidelijk zou worden en de wetgever ervoor kiest uit te blijven gaan van een forfaitair rendement, mag van hem worden verlangd dat hij de regeling aanpast teneinde de beoogde benadering van de werkelijkheid te herstellen.

2.5.1.

De onderhavige procedure betreft de forfaitaire rendementsheffing voor het jaar 2011. In het zojuist genoemde arrest BNB 2015/174 inzake de heffing van inkomstenbelasting voor het jaar 2010 was niet komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers toen niet meer haalbaar was. Er is geen grond om daarover anders te oordelen voor het onderhavige jaar 2011, ten aanzien van welk jaar in deze procedure niet is komen vast te staan dat de gemiddelde opbrengsten uit sparen en beleggen lager waren dan in 2010.

2.5.2.

Anders dan het middel betoogt is voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 EP niet voldoende dat het rendement van een bepaalde bezitting – in dit geval de woning – structureel blijft beneden de vier percent van het daarin geïnvesteerde vermogen. Het middel dat slechts het negatieve rendement van de woning in aanmerking neemt, faalt derhalve; nog daargelaten dat wegens het eigen gebruik van een woning voor de heffing van inkomstenbelasting de economische huurwaarde van die woning als inkomste in natura van oudsher tot de belastbare inkomsten uit vermogen wordt gerekend en er geen reden is daarover anders te oordelen ten aanzien van de inkomsten uit sparen en beleggen onder de Wet IB 2001.”

4.5.

Uit vorenstaande arresten volgt dat het stelsel van de forfaitaire vermogensrendementsheffing in strijd is met artikel 1 EP indien komt vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporige zware last.

4.6.

Het vorenstaande roept een aantal vragen op. In de eerste plaats naar welk rendement van welk type beleggingen moet worden gekeken. In de tweede plaats of dit een nominaal rendement betreft dan wel een reëel rendement, dat wil zeggen: na correctie voor in- en/of deflatie. In de derde plaats komt de vraag op over welke periode het rendement dient te worden beoordeeld.

Type rendement

4.7.

De wetgever heeft met het gekozen forfaitaire rendement van 4% voor ogen gehad dat een particuliere belegger over een langere periode bezien een dergelijk rendement gemiddeld zou moeten kunnen behalen zonder dat hij daar (veel) risico voor hoeft te nemen. Zo is in de Nota naar aanleiding van het verslag opgemerkt:

“Dit percentage komt overeen met het langjarige rendement dat door een ieder kan worden behaald. De hoogte van het rendement dat zonder risico kan worden behaald – te denken valt aan staatsobligaties – is daarbij leidend.” (NV, Kamerstukken II, 1999-2000, 26 727, nr. 7, p. 264).

Het antwoord op de vraag of de wetgever genoodzaakt was om in te grijpen, wordt naar het oordeel van het Hof dan ook niet bepaald door het gemiddelde rendement van alle beleggingen in box 3, zoals de Inspecteur verdedigt met, onder andere, de verwijzing naar de memorie van toelichting bij het Belastingplan 2016 (Kamerstukken II, 2015/16, 34302, nr. 3, p. 9 e.v.), en ook niet door het rendement op spaarrekeningen sec, zoals belanghebbende verdedigt, maar door het gemiddelde rendement over een langere periode van beleggingen waarbij de belastingplichtige niet (veel) risico hoeft te nemen. Naar het oordeel van het Hof zou daarom moeten worden gekeken naar het gemiddelde rendement over een langere periode ten aanzien van een mix van spaarrekeningen, termijndeposito’s en staatsobligaties.

Nominaal rendement of reëel rendement?

4.8.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de wetgever bij het vaststellen van het forfaitaire rendement op 4% is uitgegaan van een reëel rendement, dat wil zeggen na correctie voor inflatie. De Inspecteur stelt dat moet worden gekeken naar het nominale rendement.

4.9.

In de Nota naar aanleiding van het verslag is het volgende opgemerkt:

“Naar aanleiding van de opmerking van de leden van de fractie van de PvdA over de het rekening houden met inflatie – ook de leden van de fractie van het CDA vragen daar aandacht voor – wordt opgemerkt dat in de inkomstenbelasting in beginsel slechts indirect rekening wordt gehouden met de invloed van inflatie. Dit komt tot uitdrukking in het feit dat de omvang van diverse bedragen (zoals de schijflengten) jaarlijks voor inflatie wordt gecorrigeerd. Bij de bepaling van de omvang van het belastbare inkomen wordt als zodanig echter geen rekening gehouden met de invloed van inflatie. Deze in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gehanteerde systematiek vormt ook het uitgangspunt voor de Wet inkomstenbelasting 2001. Over de vraag of dat theoretisch juist is of niet, zijn in het verleden reeds uitgebreide discussies gevoerd. In dat verband kan onder meer worden gewezen op het eind jaren zeventig verschenen rapport Hofstra inzake inflatieneutrale belastingheffing; de leden van de fractie van het CDA refereren daaraan. Wel dient in dit verband voor de volledigheid te worden opgemerkt dat door het sinds die tijd sterk teruglopen van het niveau van de inflatie het belang van het zuiveren van het belastbaar inkomen van een inflatiecomponent navenant is afgenomen. Mede tegen die achtergrond is ervoor gekozen om bij de vaststelling van de omvang van het belastbare inkomen geen rekening te houden met inflatie. Dit geldt ook voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.” (NV, Kamerstukken II, 1999-2000, 26 727, nr. 7, p. 265).

En:

“De opzet van de forfaitaire rendementsheffing sluit op globale wijze aan bij de werkelijke rendementen die belastingplichtigen zonder veel risico kunnen behalen. Achtergrond daarvan is dat – zoals hiervoor in deze nota is aangegeven – de precieze omvang van de werkelijke inkomsten uit vermogen niet in alle gevallen exact is te bepalen, noch via een aanpassing van het huidige stelsel, noch via een vermogenswinstbelasting. De koppeling met het feitelijk behaalde rendement is derhalve slechts indirect aanwezig.

De leden van de fractie van het CDA geven in dit kader het voorbeeld van een spaarrekening waarop 3,25% rente wordt genoten. Deze leden trekken van dit rendement eerst 2,2% inflatie af alvorens daar ook de forfaitaire rendementsheffing van 1,2% vanaf te trekken. Aldus ontstaat naar het oordeel van deze leden een negatief rendement van 0,15%. De leden van de fracties van het GPV en de RPF hanteren in dit verband een vrijwel vergelijkbaar rekenvoorbeeld. Naar aanleiding van het voorbeeld van de leden van de fractie van het CDA wordt het volgende opgemerkt. Het is niet redelijk het forfaitaire rendement uitsluitend te beoordelen op basis van rendementen die (tijdelijk) beneden het forfaitaire percentage van 4% liggen. Er zullen ook situaties ontstaan dat het rendement boven dit percentage zal liggen, ook in de sfeer van rentevergoedingen. Voorts wordt opgemerkt dat in de systematiek van de inkomstenbelasting – zoals hiervoor ook is aangegeven – geen rekening wordt gehouden met de directe invloed van inflatie. Dit geldt voor de huidige Wet op de inkomstenbelasting 1964, maar ook voor de Wet inkomstenbelasting 2001. Vanuit dat perspectief dient de door de leden van de fractie van het CDA toegepaste correctie van 2.2% achterwege worden gelaten. Daarenboven kan worden gesteld dat de belastingdruk onder het huidige stelsel in dit voorbeeld qua hoogte vergelijkbaar zal is. Thans wordt immers 3,25% rendement belast tegen een tarief van veelal (tenminste) 35,85%, zodat de feitelijke belastingdruk (tenminste) 1,17% zal bedragen, hetgeen nauwelijks afwijkt van de 1,2% feitelijke belastingdruk die voortvloeit uit de forfaitaire rendementsheffing. Vanuit dat perspectief zou de behoefte aan een tegenbewijsregeling dan ook gering kunnen zijn. Daarbij wordt voorts nog opgemerkt dat bij het berekenen van de feitelijke belastingdruk, ook rekening moet worden gehouden met de invloed van het heffingvrije vermogen. Belastingplichtigen hebben immers elk recht op een heffingvrij vermogen van € 17 000 (f 34 763). Bij een rendementsgrondslag tot dat bedrag bedraagt de effectieve druk nihil. Pas boven dit bedrag grijpt de forfaitaire rendementsheffing aan. Hierdoor ontstaat – ook de leden van de fractie van de PvdA vragen daar aandacht voor – binnen het forfaitaire rendement een vorm van progressie. Naarmate het vermogen en het daaruit forfaitair genoten inkomen hoger wordt, stijgt ook de effectieve druk van de heffing.” (NV, Kamerstukken II, 1999-2000, 26 727, nr. 7, p. 279-280).

4.10.

Tijdens een algemeen overleg met de Vaste Commissie van Financiën van de Tweede Kamer, gehouden op 8 december 1999, heeft de Minister van Financiën het volgende opgemerkt:

“Dan de 4%. Ik ben erkentelijk voor de waardering die is geuit over de wat uitvoeriger uiteenzetting hierover. De 4% beoogt te zijn het reële rendement dat je op langere termijn met beleggen risicovrij moet kunnen halen. Dan kom je inderdaad uit bij de staatsobligaties als benchmark, als benaderingswijze van het rendement. Wij spreken dan wel over reëel rendement en niet over nominaal rendement. In 1995 is er een rapport verschenen over de disconteringsvoet bij kosten-batenanalyses, waarbij natuurlijk precies hetzelfde probleem speelt. Dan moet je ook een reëel risicovrij rendement hebben. Ik zal niet de precieze samenstelling van de studiegroep geven, maar er zaten wel allerlei goede mensen in. De studiegroep heeft de regering geadviseerd, 4% te nemen. Dat is in 1995 overgenomen door het vorige kabinet. Ik kan wel een paar cijfers geven. Als je de Duitse reële rente over de afgelopen 25 jaar neemt, zit je precies op 4%. Voor Nederland hangt het een beetje van de periode af. Je komt tot iets boven of iets onder de 4%, afhankelijk van de indeling van de periode. Ik denk dat de 4% een vrij stevig percentage is. Als je heel ver teruggaat in de geschiedenis, toen het verschijnsel inflatie nog niet bestond – als systematisch verschijnsel bestaat het pas vrij recent – kom je ook rentevoeten tegen die rond 4% circuleren. 5 is dan een hoog percentage en 3 is dan een laag percentage. Het beweegt zich altijd rond 4%. Ik denk dat dit percentage een aardige tijd mee kan gaan, bijvoorbeeld de eerste eeuw van het volgende millennium of het eerste kwart van de volgende eeuw. Juist omdat het een reëel rendement is, is het heel moeilijk om van jaar op jaar een koppeling te maken. Je kunt wel de nominale rente nemen en daarvan de inflatie aftrekken, maar bij de reële rente gaat het natuurlijk om de toekomstige inflatie, dus om de verwachtingscomponent. Bij indexleningen kun je het heel zuiver meten. Wij hebben nu echter geen indexleningen. Bij indexleningen kun je gewoon het reële rendement op staatsobligaties van dag tot dag volgen via de beurskoers van die indexlening. Ook dan zie je dat het percentage meestal in de buurt van de 4 schommelt. Dat zie je bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk. Het reëel rendement op staatsobligaties is natuurlijk niet volstrekt constant. Los van de inflatieverwachtingen, die kunnen fluctueren, kan ook het reëel rendement zelf fluctueren, afhankelijk van de conjunctuur. In een wat hogere conjunctuur heb je wat meer spanningen op de kapitaalmarkt en een wat hoger reëel rendement op staatsobligaties dan in een wat lagere conjunctuur. Ik denk dan ook dat de 4% redelijk robuust is.” (Verslag van een algemeen overleg van 8 december 1999, Kamerstukken II, 1999-2000, 26 727, nr. 8, p. 26-27).

4.11.1.

Het Hof constateert dat uit de wetsgeschiedenis niet eenduidig kan worden opgemaakt of het door de wetgever gekozen forfaitaire rendement van 4% een benadering is van het nominale dan wel het reële rendement dat een particuliere belegger zonder al te veel risico over een langere periode zou kunnen behalen. De onder 4.9 geciteerde uitlatingen houden in dat, ook het kader van de forfaitaire vaststelling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, wordt uitgegaan van een nominaal inkomensbegrip, overeenkomstig de algemene systematiek die aan de heffing van inkomstenbelasting ten grondslag ligt. De onder 4.10 geciteerde uitlatingen duiden op het behalen van een reëel rendement. Genoemde uitlatingen lijken onverenigbaar met elkaar, tenzij zou mogen worden verondersteld dat, bezien over een langere reeks van jaren, de inflatie geen wezenlijk negatieve invloed heeft op de te realiseren nominale rendementen. Men zou die uitlatingen ook aldus kunnen verstaan dat volgens de toenmalige bewindsman een reëel rendement van 4% gehaald zou moeten kunnen worden, zodat een nominaal forfaitair rendementspercentage van 4% zeker niet te hoog is. Welke uitleg ook aan die uitlatingen wordt gegeven, zij staan op zijn minst op gespannen voet met de uitlatingen zoals geciteerd onder 4.9 hiervóór.

4.11.2.

Anders dan het Gerechtshof Amsterdam in, onder andere, zijn uitspraak van 16 januari 2018, nr. 17/00112, ECLI:NL:GHAMS:2018:83, onder 4.4.5.3, ziet het Hof geen aanleiding om de onder 4.9 weergegeven uitlatingen zodanig uit te leggen dat die geen betrekking zouden hebben op (de onderbouwing van) het forfaitaire rendement als zodanig. Die uitlatingen kunnen naar het oordeel van het Hof bezwaarlijk anders worden opgevat dan dat het forfaitaire rendement op nominale basis wordt bepaald en het rendementspercentage dus eveneens een nominaal percentage is. Beide, onder 4.9 en 4.10 geciteerde passages, betreffen dus (mede) hetzelfde, namelijk de benadering van het forfaitaire rendement op nominale, dan wel reële grondslag.

4.11.3.

Aangezien de wetsgeschiedenis op dit punt niet eenduidig is, dient die algemene wettelijke systematiek mede te worden betrokken in de beantwoording van de onderhavige vraag. Uit die systematiek vloeit logisch voort dat in het kader van de belastingheffing over inkomen uit sparen en beleggen, net als in het kader van de belastingheffing ter zake van overig inkomen, geen correctie wordt toegepast wegens inflatoire componenten in dat inkomen. Het inkomensbegrip in de inkomstenbelasting is nominalistisch; met de invloed van inflatie wordt, in beginsel, slechts rekening gehouden bij de correctie van bedragen zoals schijflengten (zie ook de eerste onder 4.9 genoemde passage). In overeenstemming met dit reeds onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vigerende uitgangspunt, dat onder de Wet IB 2001 is gehandhaafd, is het rendement van 4% een forfaitaire benadering van nominaal genoten inkomen uit sparen en beleggen.

4.11.4.

Namens belanghebbende is in dit kader betoogd dat het forfaitaire rendementspercentage van 4% weliswaar een benadering van nominaal inkomen is, maar dat, gezien de onder 4.10 geciteerde uitlatingen uit de wetsgeschiedenis, voor de beoordeling van de verenigbaarheid van de forfaitaire rendementsheffing met artikel 1 EP moet worden getoetst aan reële rendementen. Het Hof volgt dat betoog niet. Het valt immers niet in te zien dat het genoemde percentage dient ter forfaitaire vaststelling van genoten nominaal inkomen, terwijl datzelfde rendement moet worden geacht een haalbaar reëel rendement te zijn. Het gaat er immers om – in het kader van de onder 4.5 genoemde beoordeling – of het door de wetgever veronderstelde rendement van 4 percent over een lange reeds van jaren haalbaar is. Als de wetgever dat rendement op nominale basis heeft verondersteld, moet de hier bedoelde haalbaarheid ook aan de hand van nominale rendementen worden getoetst. Het is naar

’s Hofs oordeel dus van tweeën één: óf het forfaitaire rendementspercentage wordt geacht een benadering van nominaal inkomen te zijn, in welk geval moet worden beoordeeld of een dergelijk nominaal inkomen, bezien over een lange reeks van jaren haalbaar is (de norm onder 4.5 hiervóór), óf het forfaitaire rendementspercentage wordt geacht een benadering van reëel inkomen te zijn, in welk geval dezelfde toets moet worden aangelegd door te bezien of belastingplichtigen een dergelijk reëel inkomen over een lange reeks van jaren kunnen behalen (in het kader van dezelfde norm uit het overwogene onder 4.5 hiervóór).

4.12.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het forfaitaire rendementspercentage van 4% een nominaal percentage is en dat toepassing van de zojuist bedoelde norm inhoudt een beoordeling aan de hand van de nominale rendementen op spaarrekeningen, termijndeposito’s en staatsleningen.

Nominaal rendement op ‘risicovrije beleggingen’

4.13.

In het Rapport van de Commissie Van Dijkhuizen, “Naar een activerender belastingstelsel” (raadpleegbaar via: www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2013/06/18/eindrapport-commissie-inkomstenbelasting) (hierna: het Rapport) is in Tabel 4.2.1. (p. 64) een overzicht opgenomen van nominale en reële rendementen over de jaren 2001 t/m 2012. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen het rendement op een betaalrekening, spaarrekening, termijndeposito, lange rente en aandelen. Daarbij wordt onder ‘lange rente’ volgens het rapport verstaan: het rendement bij het langdurig risicovrij beleggen. Gelet op het onder 4.7 gegeven oordeel, acht het Hof de gegevens over het rendement op de spaarrekening, het termijndeposito en de lange rente van belang. Het gemiddelde nominale rendement over de periode 2001-2012 bedroeg 2,6, 3,7 respectievelijk 3,8%.

4.14.

In Tabel 4.2.3 van het Rapport (p. 67) is een overzicht opgenomen van het reële rendement over perioden van vijf jaar, waarbij het laatste tijdvak (2010-2012) slechts twee jaar beslaat. Uit deze tabel ontleent het Hof de volgende nominale rendementen:

1980

1985

1985

1990

1990

1995

1995

2000

2000

2005

2005

2010

2010

2012

Spaarrekening

5,3

3,9

4,8

3,5

2,9

2,5

2,2

Termijndeposito

7,4

5,9

6,1

3,3

3,6

3,9

3,6

Lange rente

9,0

7,0

7,4

5,3

4,3

3,8

2,4

4.15.

Volgens de gegevens van De Nederlandsche Bank, ontleend aan de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam 23 januari 2018, nr. 17/00202, ECLI:NL:GHAMS:2018:146, beliep het bruto rendement op de 10-jarige staatsleningen ultimo van ieder jaar:

Ultimo

%

2001

4,957

2002

4,891

2003

4,123

2004

4,091

2005

3,371

2006

3,78

2007

4,289

2008

4,233

2009

3,685

2010

2,985

2011

2,981

2012

1,93

2013

1,96

2014

1,45

2015

0,69

2016

0,29

2017

0,53

De Inspecteur heeft als bijlage bij zijn pleitnota een overzicht verstrekt van de maandelijkse rendementen op 10-jarige Nederlandse staatsleningen over de periode april 2008 tot en met maart 2015. Deze gegevens liggen in de orde van grootte van het hiervóór vermelde overzicht van De Nederlandsche Bank. Daarnaast heeft de Inspecteur - onweersproken - gesteld dat in 2013 op een topdeposito nog een rente van gemiddeld 2,5% haalbaar was en een spaarrente van 2%.

4.16.

Bij de beantwoording van de vraag naar het bestaan van een schending van artikel 1 EP moet niet alleen naar de belastinggrondslag (forfaitair versus haalbaar rendement) worden gekeken, maar ook naar het toepasselijke belastingtarief. De onder 4.14 en 4.15 genoemde bronnen bieden voldoende steun aan de stelling van belanghebbende dat het destijds voor de wetgever veronderstelde rendement van 4% over een langere reeks van jaren voor risicomijdende beleggingen in het onderhavige jaar niet meer haalbaar was. Gelet op die bronnen moet evenwel, althans in het onderhavige jaar, een zodanig rendement van in ieder geval 2% nog als haalbaar worden beschouwd. Materieel is de heffing in box III, daarvan uitgaande en gelet op het op het voor inkomen in box III geldende tarief van 30%, gelijk aan een forfaitaire regeling met een gefingeerd rendement van 2%, welk rendement wordt belast tegen een percentage van 60%. Van een dergelijke heffing kan niet worden gezegd dat zij ertoe leidt dat belastingplichtigen worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. Het Hof is dan ook van oordeel dat van een schending van artikel 1 in het onderhavige jaar geen sprake is.

4.17.

Het vorenstaande zou anders kunnen zijn indien in het specifieke geval van belanghebbende sprake zou zijn van een ‘individual and excessive burden’, zoals bijvoorbeeld aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest Hoge Raad 6 april 2018, nr. 17/01852, ECLI:NL:HR:2018:511. Het Hof is van oordeel dat deze vraag - gelet op de tussen partijen gemaakte afspraken over deze proefprocedure - in beginsel niet aan de orde kan komen. Ten overvloede overweegt het Hof als volgt. Voor de beantwoording van deze vraag zijn alle omstandigheden van belanghebbende relevant, waaronder zijn inkomens- en vermogenspositie. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende op dit punt niet aannemelijk heeft gemaakt dat van een dergelijke situatie sprake is.

Slotsom

4.18.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank - met verbetering van de gronden - dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.19.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.20.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 15 juni 2018 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en P.C. van der Vegt, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is enkel door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Let op: de Hoge Raad beoordeelt alleen of rechtsregels goed zijn uitgelegd en toegepast en of procedurevoorschriften zijn nageleefd. De Hoge Raad gaat uit van de feiten zoals die door de eerdere rechter zijn vastgesteld; hij stelt deze dus niet opnieuw vast. Wanneer een zaak zich niet leent voor cassatie kan de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaren of verwerpen zonder die beslissing te motiveren. Nadere informatie over het beroep in cassatie vindt u op de website van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.