Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:255

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-01-2018
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
200.200.782_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling

Verrekening

Provisionele vordering;

Gebruiksvergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2018/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 25 januari 2018

Zaaknummer: 200.200.782/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/208813 / FA RK 15-2430

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. S.M. van Luijk,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S. Smeets.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1.

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 28 oktober 2015, 5 februari 2016 en 7 juli 2016, gewezen onder voormeld zaaknummer.

1.2.

Bij beschikking van 28 oktober 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

1.3.

Bij beschikking van 7 juli 2016 heeft de rechtbank, onder meer en voor zover thans van belang:

  • -

    bepaald dat de vrouw met ingang van de datum van de beschikking van de rechtbank een gebruiksvergoeding van € 285,42 per maand verschuldigd is aan de man, waarbij de man de door de vrouw verschuldigde gebruiksvergoeding in mindering mag brengen op de door hem verschuldigde onderhoudsbijdrage;

  • -

    bepaald dat partijen de inboedel verdelen zoals door de man aangegeven in productie 14 bij het verweerschrift van de man, zonder nadere verrekening;

  • -

    bepaald dat de vrouw ter zake van de door de man ontvangen schenkingen aan de man dient te voldoen € 2.250,--;

  • -

    aan de vrouw de auto Hyundai i10 en aan de man de motor Honda ST1300 Pan European toegedeeld zonder verdere verrekening;

  • -

    de rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift, tevens akte instellen provisionele vordering, met producties, ingekomen ter griffie op 5 oktober 2016, heeft de man verzocht, zo begrijpt het hof, de beschikking van 7 juli 2016 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- ten aanzien van de echtelijke woning, staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres] , kadastraal bekend Venray, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer] :

primair

de vrouw te veroordelen binnen zeven dagen na betekening van de door het hof ten deze te wijzen beschikking haar medewerking te verlenen aan de levering van haar aandeel in de echtelijke woning aan de man, en, bij gebreke van die vereiste medewerking, binnen zeven dagen na betekening van de door het hof ten deze te wijzen beschikking, te bepalen dat de door het hof ten deze te wijzen beschikking in de plaats zal worden gesteld van de medewerking van de vrouw, en waarbij de vrouw de gelegenheid krijgt om uiterlijk drie maanden na de levering van haar aandeel in de echtelijke woning aan de man de echtelijke woning te ontruimen;

subsidiair

te bepalen dat de man binnen twee dagen na betekening van de door het hof ten deze te wijzen beschikking, zonder medewerking van de vrouw, in samenwerking met de makelaar, eenzijdig alle rechtshandelingen mag verrichten om tot een verkoop van de echtelijke woning te kunnen komen, waarbij een vraagprijs ad € 415.000,-- kosten koper wordt gehanteerd en waarbij de verkoopopbrengst minimaal tussen € 400.000,-- en € 405.000,-- kosten koper ligt;

te bepalen dat de door het hof ten deze te wijzen beschikking in de plaats zal worden gesteld van de vereiste medewerking van de vrouw voor de levering van de echtelijke woning aan een derde.

meer subsidiair

de vrouw te veroordelen binnen twee dagen na betekening van de door het hof ten deze te wijzen beschikking haar medewerking te verlenen aan de verlaging van de vraagprijs van de echtelijke woning naar een bedrag ad € 415.000,-- kosten koper, en de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de echtelijke woning voor een verkoopprijs tussen minimaal € 400.000,-- en € 405.000,-- kosten koper, zulks onder verbeurte van een dwangsom ad € 500,-- voor elke dag dat de vrouw in gebreke blijft in de nakoming van de door het hof ten deze te wijzen beschikking.

Zowel subsidiair als meer subsidiair te bepalen dat partijen, mocht de echtelijke woning onverhoopt niet worden verkocht na het volgen van het advies van de makelaar d.d. 3 september 2016, in de toekomst een nader advies van de makelaar dienen te volgen, alsmede dat de vrouw, indien de echtelijke woning wordt verkocht, uiterlijk drie maanden de tijd krijgt om tot ontruiming van de echtelijke woning over te gaan, zulks met ingang van de datum waarop er een rechtsgeldige koopovereenkomst met een koper tot stand is gekomen en zulks onder verbeurte van een dwangsom ad € 500,-- voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft in de nakoming van het door het hof ten deze te wijzen beschikking;

- ten aanzien van de gebruiksvergoeding (echtelijke woning) te bepalen dat de vrouw met ingang van 1 mei 2014 (volgens de man de datum van feitelijke scheiding van partijen), althans met ingang van de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding werd ingediend, althans met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een gebruiksvergoeding van € 490,-- per maand aan de man dient te voldoen;

- ten aanzien van de inboedel te bepalen dat de in punt 35 van het beroepschrift opgesomde inboedelbestanddelen (bureaustoel, auto Hyundai i10 met winterbanden en sieraden uit nalatenschap) alsnog aan de man worden toegedeeld;

- ten aanzien van de staande huwelijk ontvangen schenkingen te bepalen dat de vrouw nog een bedrag van € 2.000,-- aan te man dient te voldoen;

- ten aanzien van de auto Hyundai i10 en de motor Honda ST1300 Pan European, te bepalen dat, indien de vrouw de auto zou wensen over te nemen, terwijl de man de motor zal overnemen, de vrouw een bedrag ad € 3.542,34 aan de man dient te voldoen;

- ten aanzien van de sieraden primair te bepalen dat de vrouw, binnen twee dagen na betekening van de door het hof ten deze te wijzen beschikking, de navolgende sieraden aan de man dient af te geven;

- lange gouden ketting + handgemaakt hanger met steentje (van Hout);

- gouden handgemaakte oorbellen (van Hout);

- gouden ketting met steentje;

- zilveren ketting;

- gouden ring met briljantje;

- zilveren handgemaakte broche;

- zilveren gedraaide ketting;

- zilveren ketting met tandje,

alsmede subsidiair, voor het geval de vrouw een bepaald sieraad niet meer in haar bezit zou hebben, te bepalen dat de vrouw een door het hof in goede justitie nader te bepalen waarde van een betreffend sieraad aan de man dient te voldoen;

- ten aanzien van de aanslagen IB 2014 te bepalen dat de vrouw een bedrag ad € 848,-- aan de man dient te voldoen;

- ten aanzien van de S-MAX, alsmede de vakantie naar Turkije te bepalen dat de vrouw bedragen van € 10.000,-- respectievelijk € 750,-- aan de man dient te voldoen;

- ten aanzien van de vordering van de man op grond van art. 1:135 lid 3 BW te bepalen dat de vrouw een bedrag ad € 45.815,-- aan de man dient te betalen, althans dat de vrouw aan de man rekening en verantwoording dient af te leggen van het door de vrouw gedurende de periode september 2004 tot en met december 2014 cash opgenomen bedrag ad € 45.815,--;

- bij provisioneel verzoek: te bepalen dat de vrouw de administratie van partijen sedert de datum van het huwelijk tussen partijen (10 september 1999), althans gedurende de periode september 2004 tot en met december 2014, binnen vijf dagen na betekening van de door het hof ten deze te wijzen beschikking in kopie aan de man dient te verstrekken, danwel te bepalen dat de man deze administratie in de echtelijke woning mag aanzien, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft in de nakoming van de door het hof te wijzen beschikking;

- voor wat betreft sub j) de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 november 2016, heeft de vrouw verzocht de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen.

Tevens heeft de vrouw incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht voormelde beschikkingen van 5 februari 2016 en 7 juli 2016 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zo ver mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    te bepalen dat de man, uit hoofde van verrekening van spaargelden, gehouden is om een bedrag van € 5.276,99, respectievelijk € 1.931,39 aan de vrouw te voldoen;

  • -

    te bepalen dat de vrouw niet gehouden kan worden om enig bedrag aan gebruiksvergoeding aan de man te voldoen, alsmede dat de vrouw ten aanzien van de door haar reeds aan de man voldane gebruiksvergoeding een vergoedingsrecht heeft jegens de man, inhoudende dat de man gehouden is de reeds door de vrouw voldane gebruiksvergoeding aan de vrouw terug te betalen.

2.3.

Bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 20 december 2016, heeft de man verzocht de vrouw in incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken in incidenteel hoger beroep af te wijzen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. S. Smeets;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. S.M. van Luijk.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    een proces-verbaal van het behandelde ter terechtzitting van de rechtbank Roermond op 2 november 2015, ingekomen ter griffie op 7 november 2016;

  • -

    een journaalbericht van de advocaat van de vrouw met bijlagen, ingekomen ter griffie op 29 september 2017;

  • -

    een journaalbericht met bijlagen van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 2 oktober 2017;

  • -

    de tijdens de mondelinge behandeling zijdens de man overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen;

  • -

    de tijdens de mondelinge behandeling zijdens de vrouw overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 10 september 1999, na het sluiten van huwelijkse voorwaarden, gehuwd.

Voor zo ver van belang bevatten de huwelijkse voorwaarden de volgende bepalingen:

Algehele uitsluiting.

Artikel 1.

De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

Artikel 2.

  1. (..)

  2. Kleding en lijfsieraden zijn eigendom van de echtgenoot bij wie deze in gebruik zijn of tot wiens gebruik zij zijn bestemd, ongeacht van wiens zijde deze zaken zijn opgekomen en wel zonder enige vergoeding aan de andere echtgenoot.

  3. (..)

  4. (..)

Afrekening bij einde huwelijk

Artikel 11.

1. (..)

2. In geval het huwelijk wordt ontbonden door echtscheiding, alsmede bij scheiding van tafel en bed, zullen de echtgenoten met elkaar afrekenen alsof zij in wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd waren, met inachtneming van hetgeen hiervoor is bepaald ten aanzien van pensioenrechten. Buiten de afrekening blijft echter, hetgeen ten huwelijk werd aangebracht, door hem of haar krachtens erfrecht of schenking werd verkregen, de opbrengst van een en ander en wat voor een en ander in de plaats is gekomen, alsmede wat klaarblijkelijk onverteerd is gebleven van hetgeen op grond van de jaarlijkse verrekening werd verkregen.

3. (..) De verrekening in lid 2 genoemd geschiedt naar de toestand en de waarde in het economisch verkeer op de dag waarop de procedure tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed aanhangig werd gemaakt.

4. Ter gelegenheid van de afrekening als bedoeld in de leden 1 en 2 kan geen verrekening meer worden gevorderd als bedoeld in art. 6 lid 4 (kosten van de huishouding) en artikel 8 (periodieke verrekening).

5. (...)

6. (..)”

3.2.

De man heeft op 26 maart 2015 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Het huwelijk van partijen is op 29 maart 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidings-beschikking van 28 oktober 2015 in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

De man is met tien grieven in hoger beroep gekomen van de (eind)beschikking van 7 juli 2016. De vrouw is op haar beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven van partijen hebben betrekking op de navolgende onderwerpen:

  • -

    de woning (grief I van de man);

  • -

    een gebruiksvergoeding (grief II van de man en grief 2 van de vrouw);

  • -

    de inboedel (grief III van de man);

  • -

    de auto (Hyundai i10) en motor (Honda ST1300 Pan European) (grief VI van de man);

  • -

    de door de man van zijn moeder ontvangen schenking van € 4.000,-- (grief IV van de man);

  • -

    een aantal sieraden, verkregen uit de erfenis van de overleden moeder van de man (grief VII van de man);

  • -

    de teruggave inkomstenbelasting 2014 (grief VIII van de man);

  • -

    de spaarrekening van de vrouw ( [spaarrekening van de vrouw] ) en een spaarrekening van de man ( [spaarrekening van de man] ) (grief 1 van de vrouw);

  • -

    de verkoopopbrengst van € 4.538,-- van de door de man bij huwelijk aangebrachte motor (grief V van de man);

  • -

    een vordering van de man van per saldo € 10.750,-- (grief IX van de man);

  • -

    een verzoek van de man ex art. 1:135 lid 3 BW (grief X van de man).

Het hof zal deze onderwerpen achtereenvolgens bespreken. Het hof ziet aanleiding allereerst het verzoek van de man om het treffen van een provisionele voorziening te behandelen.

3.4.

De provisionele vordering van de man

3.4.1.

Verwijzend naar het verloop van de procedure en de proceshouding van de vrouw verzoekt de man bij provisionele vordering om een kopie van de volledige administratie van partijen, zoals die zich momenteel bij de vrouw bevindt, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten ten aanzien van deze vordering.

3.4.2.

De vrouw stelt de volledige bij haar aanwezige administratie in het geding te hebben gebracht. De man maakt niet duidelijk met welk doel hij de provisionele vordering indient.

3.4.3.

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge art. 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.

Het hof stelt voorop dat het karakter van een voorlopige (provisionele) voorziening een tijdelijke beslissing is die geldt voor de duur van de procedure. Het algemene vereiste dat de partij die de provisionele voorziening vraagt, belang moet hebben bij een dergelijk verzoek, gevoegd bij de beperkte werkingsduur van een voorziening op de voet van art. 223 Rv, leidt tot het vereiste dat de verzoeker in die zin belang bij het verzoek moet hebben dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. De belangen van partijen dienen te worden afgewogen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofzaak en de proceskansen daarin.

Het hof is van oordeel dat de verzochte voorlopige voorziening voldoende samenhang vertoont met het verzoek in de bodemzaak, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek. Het hof zal het verzoek van de man evenwel afwijzen. Het had, gezien de stellingen van de vrouw, op de weg van de man gelegen aan te geven welke administratie hem zou ontbreken, te specificeren ten behoeve van welke vorderingen (naast het finale verrekenbeding van partijen) hij deze administratie nodig zou hebben en te onderbouwen waarom hij (als rekeninghouder) die administratie niet bij derden (bank) kan opvragen. Het verzoek, zoals door de man geformuleerd, is dan ook niet voor toewijzing vatbaar.

Voor het oordeel van het hof over de proceskosten, verwijst het hof naar ro. 3.17.

3.5.

De woning (grief I van de man)

Ter zitting van het hof heeft de man, nu de gezamenlijke woning is verkocht, zijn verzoek om – kort gezegd – de vrouw te veroordelen tot het verlenen van haar medewerking aan een verkoop en levering van de voormalig echtelijke woning (zoals weergegeven in ro. 2.1 van de onderhavige beschikking) ingetrokken en daarmee zijn grief op dit punt niet gehandhaafd. Het hof zal de man in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

3.6.

De gebruiksvergoeding (grief II van de man en grief 2 van de vrouw)

3.6.1.

De man stelt het redelijk te vinden dat de door de vrouw aan hem verschuldigde gebruiksvergoeding wordt berekend op 4% van de verkoopprijs van de woning van € 415.000,-- (in plaats van een vraagprijs van € 429.000,--) verminderd met de hypotheekschuld van € 135.000,--. Het is – verwijzend naar de jurisprudentie en het rendement dat de fiscus over vermogen rekent – redelijk om van een percentage van 4 uit te gaan, aldus de man.

In hoger beroep vermeerdert de man zijn verzoek door het hof te verzoeken de gebruiksvergoeding met terugwerkende kracht toe te kennen. De vrouw kon sedert de feitelijke scheiding van partijen (1 mei 2014) rekening houden met een gebruiksvergoeding. De vrouw maakte sindsdien, met uitsluiting van de man, gebruik van de woning en was bekend met de hoge overwaarde van de woning.

3.6.2.

De vrouw voert verweer.

In incidenteel hoger beroep stelt de vrouw dat het in strijd is met de beginselen van de redelijkheid en billijkheid om een gebruiksvergoeding toe te kennen aan de man. De man heeft de woning vrijwillig verlaten. Geen van partijen had gedurende de echtscheidingsprocedure het uitsluitend gebruik van de woning. Dat de man van zijn gebruiksrecht geen gebruik heeft gemaakt en/of niet om een overeenkomst of een vervangende regeling voor het gebruik van de woning aan de rechter heeft verzocht, komt voor zijn rekening en risico. De vrouw verwijst voorts naar een uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 8 augustus 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:BX 6019) waarin dat hof heeft overwogen het niet redelijk te achten aan de man in kwestie een gebruiksvergoeding toe te kennen omdat de vrouw in kwestie met de kinderen van partijen in de woning woonde en de draagkracht van de man voor het betalen van een onderhoudsbijdrage zou zijn toegenomen, als hem een gebruiksvergoeding zou zijn toegekend.

De man voert in incidenteel hoger beroep verweer.

3.6.3.

Het hof overweegt als volgt. De woning is gezamenlijk eigendom van partijen. Het betreft een zogenoemde eenvoudige gemeenschap. Art. 3:169 BW schrijft voor dat – tenzij een regeling anders bepaalt – iedere deelgenoot in een gemeenschap bevoegd is een gemeenschappelijk goed te gebruiken, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Deze wettelijke bepaling heeft mede tot strekking de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere echtgenoot gebruikt, te verplichten de deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding.

Vast staat dat de vrouw sedert de feitelijke scheiding van partijen tot de datum van levering van de woning aan een derde (te weten: 29 september 2017) in de gemeenschappelijke woning is verbleven en dat de man niet over het genot van de woning beschikte. Het hof zal daarom, met toepassing van art. 3:169 BW, een gebruiksvergoeding aan de vrouw opleggen. De door de vrouw genoemde omstandigheden zijn onvoldoende om in het geheel geen gebruiksvergoeding toe te kennen zoals de vrouw bepleit. Het hof gaat dan ook in zoverre voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man van zijn gebruiksrecht geen gebruik heeft gemaakt en niet om een overeenkomst of een vervangende regeling voor het gebruik aan de rechter heeft verzocht. Voor het bepalen van een gebruiksvergoeding is immers niet vereist dat aan één van partijen het uitsluitend gebruik van de woning is toegekend of dat er anderszins een regeling voor het gebruik van de woning getroffen is. Voorts behoeft geen beantwoording de vraag of er aanleiding bestaat de vastgestelde onderhoudsverplichting van de man te herzien als gevolg van de door de man te ontvangen gebruiksvergoeding. Die vraag is in deze procedure namelijk niet aan de orde. Ook het gegeven dat de vrouw met de twee kinderen van partijen in de woning verbleef, leidt niet tot een ander oordeel. Het voorgaande maakt dat grief 2 van de vrouw faalt.

3.6.4.

Ten aanzien van grief II van de man overweegt het hof als volgt.

In tegenstelling tot de rechtbank, is het hof, van oordeel dat de vrouw met ingang van 30 maart 2016 een gebruiksvergoeding aan de man verschuldigd is. Naar het oordeel van het hof behoefde de vrouw in redelijkheid pas op 30 maart 2016 voor het eerst met een gebruiksvergoeding rekening te houden nu de man eerst toen een verzoek tot het betalen van een gebruiksvergoeding heeft gedaan en de echtscheiding bovendien eerst is ingeschreven op 29 maart 2016. Het had op de weg van de man gelegen om indien hij reeds hangende de echtscheiding een gebruiksvergoeding wenste bij voorlopige voorziening te vragen om toekenning van het gebruiksrecht van de woning aan de vrouw met toekenning van een redelijke vergoeding aan de man.

Partijen twisten niet over de wijze van berekenen van een door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding. Zij gaan beiden uit van een gebruiksvergoeding die gebaseerd is op een percentage van de helft van de overwaarde van de woning. Derhalve zal het hof bij de beoordeling ook daarvan uitgaan.

Gelet op het advies van de makelaar in februari 2016 om de vraagprijs van de woning te verlagen naar € 415.000,-- en de verkoopprijs van de woning in juni 2017 van € 415.000,--, acht het hof, met de man, redelijk om voor de periode waarover de vrouw een gebruiksvergoeding verschuldigd is (te weten vanaf 30 maart 2016 tot 29 september 2017) uit te gaan van een overwaarde van de woning van € 280.000,-- (= € 415.000,-- -/- € 135.000,--). Een overwaarde berekend aan de hand van de WOZ-waarde van € 409.000,--, zoals door de vrouw is aangevoerd, is voor het hof niet maatgevend, nu deze WOZ-waarde niet ziet op de periode waarover de vrouw een gebruiksvergoeding verschuldigd is, maar op het jaar 2015.

Voorts twisten partijen over het te hanteren percentage. Gezien het niveau van de huidige rentevergoedingen voor consumenten acht het hof, met de rechtbank, een percentage van 2,5 op zijn plaats. Het hof ziet in hetgeen de man heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om van dit percentage af te wijken.

3.6.5.

De conclusie van het voorgaande is dat grief 2 van de vrouw in het incidentele hoger beroep faalt en dat grief II van de man in het principaal hoger beroep deels slaagt.

Het hof zal de bestreden beschikking van de rechtbank, voor zover het de gebruiksvergoeding betreft, vernietigen en bepalen dat de vrouw, met ingang van 30 maart 2016 tot 29 september 2017, een gebruiksvergoeding aan de man dient te voldoen van afgerond € 291,67 per maand.

3.7.

De inboedel en auto (grief III van de man)

3.7.1.

De man stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat de rechtbank de bureaustoel, de auto (Hyundai i10) met winterbanden en de (ontbrekende) sieraden uit erfenis ten onrechte niet aan de man heeft toegedeeld, door te bepalen dat partijen de inboedel dienen te verdelen zoals door de man is aangegeven in productie 14 bij het verweerschrift van de man en niet zoals door de man is aangegeven in productie 35 bij zijn brief van 22 oktober 2015. De vrouw heeft zich tegen de toedeling van voornoemde goederen niet verzet, aldus de man.

De vrouw voert verweer.

3.7.2.

Het hof overweegt als volgt.

De grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte een verzoek om de verdeling van de inboedel te bepalen, heeft beoordeeld op basis van productie 14 bij het verweerschrift van de man, terwijl de man zich – naar zijn stelling – heeft beroepen op productie 35 bij zijn brief van 22 oktober 2015. Van een nieuw zelfstandig verzoek, voor zover de vrouw dit zou betogen, in de zin van art. 362 Rv is derhalve, naar het oordeel van het hof, geen sprake. Voor zover de man dit verzoek al niet gedaan zou hebben in eerste aanleg, is sprake van een nevenvoorziening, als bedoeld in art. 827 lid 1 aanhef en sub b Rv, die ook voor het eerst in hoger beroep mag worden gevraagd. De man is dan ook, in tegenstelling tot hetgeen de vrouw betoogt, ontvankelijk in dit verzoek.

Het hof zal evenwel de verzoeken van de man om toedeling van de bureaustoel, de auto met winterbanden en de (ontbrekende) sieraden uit erfenis aan hem, afwijzen.

Zo heeft de vrouw ter zitting aangegeven dat de man de door hem gewenste bureaustoel toegedeeld kan krijgen, mits hij de vrouw aangeeft om welke bureaustoel het gaat. Dit maakt dat de man in zoverre geen belang meer heeft bij zijn verzoek om toedeling van de bureaustoel.

Voorts waren partijen het in eerste aanleg eens over een toedeling van de auto aan de vrouw. De man heeft in hoger beroep geen gronden ingeroepen op basis waarvan de man thans niet aan die overeenstemming zou mogen worden gehouden. De man heeft ook geen beroep gedaan op een vernietigingsgrond in dit verband. Het verzoek van de man ligt dan ook voor afwijzing gereed.

Ook het verzoek van de man om de winterbanden behorende bij de auto aan hem toe te delen zal het hof afwijzen, omdat de man dit verzoek niet nader heeft toegelicht.

Tot slot zal het hof het in de toelichting op grief 3 van de man gedane verzoek van de man om toedeling van de sieraden afwijzen nu deze sieraden, naar de stellingen van partijen hieromtrent in het kader van art. 11 lid 2 en art. 1 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden van partijen, niet in een eenvoudige gemeenschap vallen. Het hof komt om die reden aan verdeling van de sieraden niet toe. Bij de bespreking van grief VII van de man komt het hof toe aan een nadere beoordeling van het verzoek van de man tot afgifte van de sieraden.

Grief III van de man faalt.

3.8.

De auto (Hyundai i10) en de motor (Honda ST1300 Pan European) (grief VI van de man)

3.8.1.

De man stelt dat de vrouw, ter zake de verdeling van de auto en de motor (naast de helft van de schenking van € 4.000,--, waarover nader ro. 5.5), nog een bedrag van € 1.273,34 aan hem verschuldigd is. De vrouw voert verweer, stellende dat geen van partijen door deze verdeling is over- of onderbedeeld, nu de voertuigen per peildatum een vergelijkbare waarde hadden.

3.8.2.

Het hof overweegt als volgt.

De man heeft niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de auto € 8.710,-- waard was en de motor € 6.163,33. Het had, gezien de gemotiveerde betwisting van de vrouw, maar ook gezien het oorspronkelijke verzoek en de stellingen van de man ten aanzien (van de waarde) van deze twee voertuigen in eerste aanleg, op de weg van de man gelegen om een waardebepaling van de auto en de motor van partijen in het geding te brengen. Niet kan worden volstaan met een uitdraai van Marktplaats met (gemiddelde) vraagprijzen van vergelijkbare motoren en auto’s die in bezit van derden zijn. Nu de man op dit punt geen gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan, komt het hof niet aan bewijslevering toe en zal het hof dit verzoek van de man afwijzen. Grief VI van de man faalt derhalve.

3.9.

De schenking van € 4.000,-- (grief IV van de man)

3.9.1.

De man stelt – samengevat – dat een bedrag van € 4.000,--, dat hij op 3 november 2005 van zijn moeder geschonken heeft gekregen, buiten de verrekening en verdeling tussen partijen dient te blijven. De man onderbouwt zijn stelling met een dagafschrift van 3 november 2005, waaruit blijkt dat voornoemd bedrag op de gezamenlijke rekening van partijen is gestort. De vrouw dient derhalve een bedrag van € 2.000,-- aan de man te vergoeden. De vrouw voert verweer.

3.9.2.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van art. 11 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden blijft buiten de afrekening hetgeen door de man of door de vrouw krachtens erfrecht is verkregen. Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrag van € 4.000,-- een door de moeder van de man geschonken bedrag betreft. Wel is in geschil of de schenking uitsluitend aan de man of aan de man en de vrouw gezamenlijk is gedaan. Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende nader onderbouwd dat de schenking uitsluitend aan hem is gedaan. Zo ligt aan de schenking geen schenkingsovereenkomst ten grondslag waaruit blijkt dat de moeder van de man het bedrag van € 4.000,-- aan de man geschonken heeft en niet aan de man en de vrouw gezamenlijk.. Ook uit het dagafschrift dat de man in het geding heeft gebracht, blijkt dat niet. De moeder van de man heeft de schenking op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen doen overschrijven, terwijl ieder van partijen al jaren over een privé bankrekening beschikte. Voorgaande omstandigheden in aanmerking nemend is het hof van oordeel dat de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd dat de schenking van € 4.000,--, uitsluitend door hem is verkregen . Het hof zal het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw hem nog € 2.000,-- dient te voldoen dan ook afwijzen.

Grief IV van de man faalt.

3.10.

De sieraden (grief VII van de man)

3.10.1.

De man verzoekt op grond van art. 11 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden

om afgifte van de door zijn moeder aan hem nagelaten sieraden. Art. 11 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden geniet voorrang op art. 2 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft meer sieraden in haar bezit, dan de sieraden die zij tot dusverre aan de man heeft afgegeven. Indien de vrouw niet meer over (één van) de sieraden beschikt, dient de vrouw de man de waarde van het betreffende sieraad te vergoeden.

3.10.2.

De vrouw stelt dat zij de in de kluis aanwezige sieraden van de moeder aan de man heeft afgegeven. Zij beschikt niet over meer sieraden dan die in de kluis aanwezig waren. Partijen hebben tijdens het huwelijk een gouden ketting laten vermaken tot een set met een armband en oorbellen. Welke sieraden daarvoor zijn gebruikt, weten partijen niet meer. Ter zitting heeft de vrouw verklaard ook de vermaakte set aan de man te zullen afgeven. Als de man stelt dat de vrouw thans nog sieraden in haar bezit zou hebben, dan dient de man dit te bewijzen. Voorts doet de vrouw een beroep op art. 2 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden van partijen. De door de moeder van de man gemaakte verdeling van de sieraden doorkruist deze tussen partijen gemaakte afspraak niet.

3.10.3.

Het hof overweegt als volgt.

Verwijzend naar ro. 3.6.2. van de deze beschikking staat vast dat de sieraden niet tot een eenvoudige gemeenschap van partijen behoren en dat van een verdeling van de sieraden aldus geen sprake kan zijn. Voorts staat vast dat de vrouw sieraden aan de man heeft afgegeven. Verder heeft de vrouw zich ter zitting bereid getoond om ook de vermaakte set (ketting, armband en oorbellen) aan de man af te geven. Gezien het verweer van de vrouw dat zij niet meer sieraden in haar bezit heeft (dan die zij aan de man heeft afgegeven en de vermaakte set) en de, door de man onweersproken, stelling dat een deel van de sieraden is gebruikt voor het vermaken van de ketting tot een set met armband en oorbellen, had het op de weg van de man gelegen om onderbouwd te stellen welke sieraden de vrouw thans nog aan hem zou moeten afgeven. De man heeft dit nagelaten. Nu de man op dit punt niet aan zijn stelplicht heeft voldaan en zijn vordering om die reden moet worden afgewezen, faalt grief VII.

3.11.

De teruggave IB 2014 (grief VIII van de man)

Het hof zal het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw hem terzake de teruggave IB 2014 een bedrag ad € 848,-- dient te voldoen, afwijzen bij gebrek aan belang. Ter zitting is immers gebleken dat de man het bedrag van € 848,--, dat de vrouw aan hem verschuldigd was, heeft verrekend met de door hem aan de vrouw verschuldigde onderhoudsbijdrage van februari 2017.

3.12.

De spaarrekening van de vrouw en de spaarrekening van de man (grief 1 van de vrouw)

3.12.1.

De vrouw stelt dat de rechtbank de saldi op de spaarrekeningen van partijen ten onrechte niet in de finale verrekening heeft betrokken. De vrouw verzoekt het hof te bepalen dat partijen het verschil in ieders spaarsaldo op de privé spaarrekening met elkaar dienen te verrekenen, met uitzondering van dat deel van het spaarsaldo van de man dat ziet op zijn spaarloon (ad € 2.712,79). De man voert verweer.

3.12.2.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van art. 11 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden blijft hetgeen onverteerd is gebleven van hetgeen op grond van de jaarlijkse verrekening werd verkregen

buiten de finale afrekening bij scheiding. De man stelt weliswaar dat partijen hebben verrekend door “fifty/fifty over de spaarrekeningen te sparen”, hetgeen door de vrouw wordt erkend, maar dat wil nog niet zeggen dat partijen hiermee uitvoering gaven aan het door hen in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenbeding. Immers niet is gebleken wat de omvang van de overgespaarde inkomsten was en welk bedrag partijen dan met elkaar zouden hebben moeten verrekenen en hebben verrekend. Dit maakt dat de saldi van de spaarrekeningen van partijen (met uitzondering van het spaarloon van de man) onder de reikwijdte van het finale verrekenbeding van partijen vallen.

Voor zover de man bedoelt te stellen dat de saldi op de spaarrekeningen op grond van een tussen partijen geldende afspraak buiten de verrekening dienen te blijven, verwijst het hof naar hetgeen in ro. 3.13.2 van deze beschikking wordt overwogen.

Het voorgaande leidt er toe dat de saldi op de spaarrekeningen van partijen (met uitzondering van het spaarloon van de man) alsnog tussen partijen dienen te worden verrekend. In zoverre zal het verzoek van de vrouw zal dan ook worden toegewezen en slaagt grief 1 van de vrouw.

Het hof kan de omvang van de te verrekenen spaarsaldi niet vaststellen, nu het niet beschikt over bewijsstukken waaruit de spaarsaldi van de spaarrekeningen van partijen per peildatum (26 maart 2015) blijken. Het hof zal daarom beslissen dat partijen de saldi van de spaarrekeningen per 26 maart 2015 met elkaar dienen te verrekenen, met uitzondering van het spaarloon van de man. Het spaarloon bedraagt, volgens de vrouw en hetgeen door de man niet is betwist, € 2.712,79.

3.13.

De verkoopopbrengst van de bij huwelijk aangebrachte motor (grief V van de man)

3.13.1.

De man heeft bij huwelijk een motor aangebracht. De man is er van overtuigd dat de verkoopopbrengst van die motor van f. 10.445,-- (omgerekend € 4.538,--) is aangewend voor de aanschaf van de motor Honda ST1100. Als dit uit de bankafschriften, die de vrouw dient te verstrekken blijkt, dan is de vrouw hem ter zake – naar het hof begrijpt – een bedrag van € 2.269,-- verschuldigd. De vrouw voert verweer

3.13.2.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van art. 11 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden blijft hetgeen ten huwelijk werd aangebracht, de opbrengst daarvan en wat daarvoor in de plaats is gekomen, buiten de finale verrekening bij scheiding. Tussen partijen is niet in geschil dat de man bij huwelijk een motor heeft aangebracht en dat de verkoopopbrengst van deze motor van € 4.538,-- op de spaarrekening van de man is bijgeschreven. De man stelt – naar het hof begrijpt – dat de verkoopopbrengst van de motor is geherinvesteerd.

Op basis van de in het geding gebrachte stukken is het hof echter niet gebleken dat de verkoopopbrengst van de motor van de man is aangewend voor de aanschaf van een motor Honda ST1100 Pan European. De enkele overtuiging van de man is onvoldoende om dat te kunnen aannemen. Het had op de weg van de man, als rekeninghouder van de bankrekening waarop de verkoopopbrengst is gestort, gelegen om bewijsstukken uit zijn administratie over te leggen. Nu de man op dit punt niet aan zijn stelplicht heeft voldaan en zijn vordering om die reden moet worden afgewezen, faalt grief V van de man.

3.14.

Een vergoedingsrecht op basis van een door partijen gemaakte afspraak (grief IX van de man)

3.14.1.

De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw te weinig heeft bijgedragen in de kosten van de aanschaf van de S-Max (ad. € 20.000,--) en van de vakantie naar Turkije (ad. € 1.500,--). Partijen hadden de afspraak dat zij gedurende het huwelijk alle aankopen, waarvoor het saldo op de gezamenlijke rekening niet toereikend was, ieder voor de helft vanuit ieders spaarrekening zouden financieren. De vrouw heeft deze afspraak erkend en is de man ter zake een bedrag van € 10.000,-- (S-Max) en € 750,-- (vakantie) verschuldigd. De vrouw weer.

3.14.2.

Het hof overweegt als volgt.

Daargelaten of partijen overeenstemming over de door de man gestelde afspraak hadden, lost de door de man gestelde vordering aan het einde bij het huwelijk op in de finale verrekening op grond van art. 11 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden. Voor zover de man bedoelt te stellen dat partijen met de gestelde afspraak hebben willen afwijken van de huwelijkse voorwaarden, overweegt het hof dat een dergelijke afspraak nietig zou zijn geweest, nu dit een huwelijkse voorwaarde zou zijn die op straffe van nietigheid bij notariële akte dient te worden overeengekomen. Voor zover de man bedoelt te stellen dat de vrouw een te geringe bijdrage heeft geleverd aan de kosten van de huishouding, overweegt het hof, met de rechtbank, dat op grond van art. 11 lid 4 van de huwelijkse voorwaarden geen verrekening meer kan worden gevorderd van de kosten van de huishouding. Het voorgaande maakt dat het hof dit verzoek van de man zal afwijzen.

Grief IX van de man faalt.

3.15.

De vordering ex art. 1:135 lid 3 BW (grief X van de man)

3.15.1.

De man stelt dat de vrouw in de periode van september 2004 tot december 2014 maandelijks ten onrechte gelden van de bankrekening heeft opgenomen. Het gaat om een bedrag van per saldo ongeveer € 375,-- per maand. Dit bedrag is niet aangewend ter bestrijding van de kosten van de huishouding, omdat partijen de kosten van de huishouding vrijwel altijd met een pinpas betaalden. Alle overige (significante) betalingen deden partijen in overleg. De vrouw heeft een ‘potje gekweekt’ en daarmee bedragen aan de verrekening onttrokken.. De vrouw dient de man (primair) op grond van art. 1:135 lid 3 BW een bedrag van € 45.815,-- te voldoen, althans (subsidiair) rekening en verantwoording af te leggen over de door haar gedane opnames. De vrouw voert verweer. Zij heeft gesteld dat zij contante uitgaven pinde om daarmee kosten van de huishouding, zoals kapper aan huis, de glazenwasser, de poetshulp, cadeautjes, marktaankopen, 2e hands aankopen, zakgeld, collectes etc. te voldoen.

3.15.2.

Het hof overweegt als volgt.

De man heeft, naar het oordeel van het hof, volstrekt onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld voor een geslaagd beroep op art. 1:135 lid 3 BW. Het enkele feit dat de vrouw gedurende een periode van tien jaren een bedrag van gemiddeld € 375,-- per maand aan cash heeft opgenomen, kan zonder nadere toelichting van de in art. 1:135 lid 3 BW gestelde vereisten niet leiden tot een verdenking dat de vrouw de (finale) verrekening willens en wetens heeft willen benadelen.

Ook het subsidiaire verzoek van de man zal het hof afwijzen. Nog daargelaten dat de man niet heeft aangevoerd op welke juridische grondslag dit verzoek is gebaseerd en het hof daarover ook in het duister tast, heeft de man geen feiten en omstandigheden gesteld die tot een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording, als door de man bepleit, kunnen leiden. Het enkele feit van de cashopnamen, die het hof, mede gelet op de door de vrouw ter zitting gegeven toelichting, niet buitensporig acht is daartoe volstrekt onvoldoende.

Nu de man niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, zal het hof de verzoeken afwijzen. Grief X faalt.

3.16.

Het bewijsaanbod van de man

Het door de man gedane bewijsaanbod is niet voldoende specifiek en/of niet ter zake dienend, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

3.17.

Proceskosten

Het hof zal de proceskosten, ondanks het verzoek van de man, in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partijen de eigen kosten draagt, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 7 juli 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend voor zover de rechtbank een beslissing heeft gegeven over de omvang en de ingangsdatum van de gebruiksvergoeding ten behoeve van de voormalig echtelijke woning van partijen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de vrouw met ingang van 30 maart 2016 tot de datum van levering van de woning aan een derde op 29 september 2017 een gebruiksvergoeding van € 291,67 per maand verschuldigd is aan de man;

bepaalt dat partijen de saldi van de spaarrekening van de man ( [spaarrekening van de man] ), met uitzondering van het spaarloon van de man van € 2.712,79, en de spaarrekening van de vrouw ( [spaarrekening van de vrouw] ) per 26 maart 2015 dienen te verrekenen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek ten aanzien van de echtelijke woning zoals weergegeven onder ro. 2.1, eerste opsommingsteken;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, G.J. Vossestein en P.P.M. van Reijsen en is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2018 in tegenwoordigheid an de griffier.