Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2466

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-06-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
17/00173
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingevolge artikel 8:75, lid 1, van de Awb is de bestuursrechter enkel bevoegd om de andere partij te veroordelen in de kosten die een partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter redelijkerwijs heeft moeten maken. Naar het oordeel van het Hof zijn de kosten voor de verklaring van erfrecht niet gemaakt in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter. Het is immers in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk om, nadat iemand door het wettelijk versterferfrecht of door een uiterste wilsbeschikking rechthebbende is geworden van (een deel van) een nalatenschap van een erflater, een verklaring van erfrecht op te laten stellen, ongeacht of hiernaar is gevraagd. Het enkele feit dat belanghebbende (nog) geen verklaring van erfrecht op had laten stellen en hij dit op verzoek van de Rechtbank heeft laten doen, brengt niet met zich mee dat de daarmee gemoeide kosten zijn gemaakt met betrekking tot de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter. Op grond van bovenstaande is het Hof van oordeel dat de kosten ten bedrage van € 605 inclusief 21% btw voor het opstellen van de verklaring van erfrecht door de notaris niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-11-2018
V-N Vandaag 2018/2643
FutD 2018-3171
V-N 2019/2.18.26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 17/00173

Uitspraak op het hoger beroep van

de erven van [belanghebbende] ,

wonende te [plaats 1] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 30 januari 2017, met nummer AWB 16/1102, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg, hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te melden aanslag en daarbij gegeven beschikking Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is in het kader van de Wet WOZ een tweetal beschikkingen gegeven (hierna: de WOZ-beschikkingen), waarbij de waarde van de onroerende zaken [adres] 101 en Tuin achter nummers 99 en 101 te [plaats 2] naar de waardepeildatum 1 januari 2014 en per toestandsdatum 1 januari 2015 voor het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 zijn bepaald op de volgende bedragen:

  • -

    [adres] 101 te [plaats 2] € 164.000

  • -

    Tuin achter nummers 99 en 101 te [plaats 2] € 2.000

Tegelijkertijd is aan belanghebbende voor het jaar 2015 een tweetal aanslagen in de onroerendezaakbelasting (hierna: de aanslagen OZB) opgelegd naar een totaalbedrag van € 206,92, welke aanslagen in één geschrift zijn verenigd met de WOZ-beschikkingen. De Heffingsambtenaar heeft de aanslagen OZB en de WOZ-beschikkingen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij zijn uitspraak gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende geen griffierecht geheven in verband met samenhangende zaken. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 24 april 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, de heer [A] , belastingadviseur te [plaats 3] . De Heffingsambtenaar is met telefonische kennisgeving van verhindering niet verschenen.

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Aan belanghebbende is in het kader van de Wet WOZ een tweetal WOZ-beschikkingen gegeven, waarbij de waarde van de onroerende zaken [adres] 101 en Tuin achter nummers 99 en 101 te [plaats 2] per toestandsdatum 1 januari 2015 (hierna: de peildatum) voor het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 zijn bepaald op de volgende bedragen:

  • -

    [adres] 101 te [plaats 2] € 164.000

  • -

    Tuin achter nummers 99 en 101 te [plaats 2] € 2.000

Tegelijkertijd zijn aan belanghebbende voor het jaar 2015 de aanslagen OZB opgelegd naar een totaalbedrag van € 206,92, welke aanslagen in één geschrift zijn verenigd met de WOZ-beschikkingen. De Heffingsambtenaar heeft in zijn uitspraak van 24 maart 2016 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de aanslagen OZB en de WOZ-beschikkingen gehandhaafd.

2.2.

De onroerende zaak [adres] 99 te [plaats 2] , waar de tuin uit de WOZ-beschikking ten name van belanghebbende achter ligt, is eigendom van de erven van de heer [B] . De heer [B] heeft met betrekking tot deze onroerende zaak voor het jaar 2015 een aanslag OZB en een WOZ-beschikking ontvangen.

2.3.

Belanghebbende heeft aan de Rechtbank een ‘Vrijwaringsverklaring inzake gebruik bankrekeningen zonder overlegging van Verklaring van erfrecht (particulieren)’ (hierna: de vrijwaringsverklaring) overgelegd. Hierin is, voor zover voor de behandeling van de onderhavige zaak relevant, het volgende vermeld:

“Ondergetekende(n) [BB] , geboren op: [geboortedatum 1] -1972, wonende te: [plaats 1] , verklaart jegens de bank: Rabobank [plaats 1] , in aanmerking nemende dat

hij in een familierechtelijke relatie stond met: [belanghebbende] , geboren op: [geboortedatum 2] -1937, overleden op: [geboortedatum 3] 2014 te [plaats 1] ;

hij op grond van zijn of haar erfrechtelijke positie recht heeft op de bankrekeningen van de overledene;

hij de bank verzocht heeft om de rekeningen van de overledene te gebruiken zonder overlegging van een verklaring van erfrecht;

de bank niet adviseert over de juridische en fiscale gevolgen van het gebruik van deze bankrekeningen.

(…)

Ondergetekende verklaart:

1. Aan de bank te hebben overgelegd de volgende originele documenten:

akte van overlijden van de overledene;

zijn geldig legitimatiebewijs.

2. De bank te vrijwaren voor welke gevolgen dan ook van het gebruik van de rekeningen van de overledene.

3. Op eerste verzoek van de bank het bedrag te betalen dat de bank opgeeft en waarvan de bank verklaart te zijn aangesproken door personen die aangeven rechthebbende van de nalatenschap van de overledene te zijn.

(…)”

2.4.

Op 2 augustus 2016 heeft de griffier van de Rechtbank belanghebbende verzocht om ter zake van de zaak met nummer AWB 16/1102 een verklaring van erfrecht over te leggen. Belanghebbende heeft deze verklaring op 29 augustus 2016 aan de Rechtbank overgelegd. Daarin staat onder meer dat de heer [BB] met uitsluiting van ieder ander bevoegd en gerechtigd is om alle waarden en zaken behorende tot de door het overlijden van zijn vader, de heer [BBB] , ontbonden huwelijksgoederengemeenschap en de beide gemelde nalatenschappen van zijn vader en zijn moeder, [belanghebbende] , te vorderen, in ontvangst te nemen en daarvoor rechtsgeldig kwijting te verlenen.

2.5.

Op 5 januari 2017 heeft de Heffingsambtenaar aan belanghebbende bij e-mailbericht te kennen gegeven dat de objectafbakening van [adres] 99 (eigendom van de erven van de heer [B] ), [adres] 101 en de tuin achter nummers 99 en 101 (eigendom van belanghebbende) niet correct is. De heer [C] , taxateur bij Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg, stelt in zijn mail van 9 januari 2017 het volgende:

“Het object tuin achter 99 en 101 dient toegevoegd te worden aan nummer 99 en 101. Dit object bestaat uit perceel [nummer 1] en [nummer 2] . Perceel [nummer 1] is in eigendom bij [B] (1/2) en [BBB] (1/2).

Dit dient dus samengevoegd te worden bij nr 99 (eigendom van [B] )

Perceel [nummer 2] is in eigendom bij [BBB] (1/2) en [B] (1/2) en kan dus samengevoegd worden bij nr [nummer 3] (eigendom van [BBB] )

Overigens is [BBB] overleden en is [BB] erfgenaam , Daarom kan perceel [nummer 4] ook samengevoegd worden bij 101 (perceel [nummer 5] ) en deel tuin (perceel [nummer 2] )

Conclusie; tuin achter 99 en 101 (waarde 2000) komt te vervallen en de afbakening van zowel 99 als 101 is te klein afgebakend.”

2.6.

Op 16 januari 2017 verzoekt belanghebbende de heer [C] het volgende:

“(…) Graag vernemen wij of u, na opnieuw afbakenen, tevens rekening wenst te houden met de waardedrukkende factoren, namelijk met achterstallig onderhoud en ongunstige ligging. (…)”

2.7.

Op 18 januari 2017 heeft de heer [C] aan belanghebbende het volgende bericht:

“Door het opnieuw afbakenen komen de bestaande beschikkingen te vervallen. Bij de nieuwe afbakening en waardebepaling zal ik een inpandige opname inplannen om een juist beeld te kunnen vormen van de kwaliteit en onderhoudstoestand van het object. Het compromis voorstel wordt u op korte termijn per post toegezonden.”

2.8.

Op 18 januari 2017 heeft de Heffingsambtenaar aan belanghebbende een compromisvoorstel doen toekomen inzake de aanslagen OZB en de WOZ-beschikkingen ten name van belanghebbende. Dit voorstel luidt als volgt:

“Naar aanleiding van het beroep dat u heeft ingesteld tegen de WOZ-waarde voor 2015 van de objecten [adres] 99 (TUIN achter nr. 99+101) en [adres] 101 te [plaats 2] kan ik hu het volgende meedelen.

Na inhoudelijke beoordeling door onze WOZ-taxateur is gebleken dat de objectafbakening van voornoemde objecten naar toestandsdatum 1 januari 2015 niet correct is. De situatie is u per email toegelicht waarbij u akkoord bent gegaan met vernietiging van de gecombineerde aanslagen 2015 met aanslagnummer [aanslagnummer] . Naar aanleiding van het voorgaande treft verdere voortzetting van de beroepsprocedure geen doel.

Ten aanzien van de proceskostenvergoeding wordt deze vastgesteld, gelijk aan het door u gestelde:

Bezwaarfase : € 246,- (bezwaarschrift);

Beroepsfase : € 496,- (beroepschrift).

Ik wil u derhalve verzoeken om uw beroepschrift bij Rechtbank Limburg in te trekken, waarna uitbetaling van de kostenvergoeding (€ 742,-), terugbetaling van het griffierecht (€ 46,-) en vernietiging van aanslagen 2015 en WOZ-beschikking 2015 ten aanzien van voornoemde objecten zal plaatsvinden.”

2.9.

Met schrijven van 23 januari 2017 verzoekt belanghebbende om vergoeding van de kosten voor het opstellen van de onder 2.4 bedoelde verklaring van erfrecht door de notaris. Belanghebbende heeft een factuur van de notaris overgelegd, waarin, voor zover relevant, het volgende is vermeld:

“Kosten voor het voeren van diverse malen overleg per email/telefoon, het opmaken van drie onderhandse verklaringen, het opmaken en passeren van de verklaring van erfrecht, inclusief de benodigde onderzoeken bij het Centraal Testamenten Register en de Burger Registratie Personen, het afgeven van de afschriften, de verzorging van de aanpassing van de tenaamstelling van de woning bij het Kadaster, het opmaken en afgeven van het nieuwe eigendomsbewijs en de

gevoerde correspondentie: € 500,00

Belaste voorschotten:

Recherchekosten Kadaster (belast) € 50,00

Omzetbelasting (21%) over € 550,00 € 115,50

PER SALDO TE VOLDOEN € 665,50”

2.10.

In zijn reactie op de onder 2.9 vermelde brief van belanghebbende schrijft de Heffingsambtenaar dat hij niet akkoord gaat met het vergoeden van de onder 2.9 vermelde kosten van de verklaring van erfrecht die door belanghebbende zijn gemaakt.

2.11.

Op 13 juni 2017 heeft de heer [C] belanghebbende bij e-mail het volgende verzocht:

“(…) Graag wil ik een opname ter plaatse inplannen om een nieuwe afbakening en waardering uit te voeren. Graag verneem ik van u op welke termijn het schikt om een opname ter plaatse te kunnen uitvoeren. (…)”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Hebben partijen een compromis bereikt?

II. Is het Hof bevoegd een termijn te stellen aan de periode waarbinnen de inpandige opname van de onroerende zaken dient plaats te vinden?

III. Komen de kosten voor het opstellen van de onder 2.4 bedoelde verklaring van erfrecht door de notaris voor vergoeding in aanmerking?

Belanghebbende is van mening dat de vraag I ontkennend en de vragen II en III bevestigend moeten worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB en tot veroordeling van de Heffingsambtenaar in de kosten van bezwaar en de proceskosten. De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1.

De Heffingsambtenaar heeft in eerste aanleg het standpunt ingenomen dat ten gevolge van een onjuiste objectafbakening de aanslagen OZB en WOZ-beschikkingen dienen te worden vernietigd. Daarmee bestaat er over de aanslagen OZB en WOZ-beschikkingen geen geschil meer waarover de Rechtbank nog had te beslissen, zoals de Rechtbank onder 2 ook heeft overwogen. Anders dan belanghebbende stelt, is voor de vergoeding van kosten van bezwaar en proceskosten niet relevant of over de aanslagen OZB en WOZ-beschikkingen een compromis is bereikt.

4.2.

Tussen partijen is enkel nog in geschil of door het Hof een termijn kan worden gesteld waarbinnen de inpandige opname dient plaats te vinden en of de kosten voor het opstellen van de onder 2.4 bedoelde verklaring van erfrecht door de notaris voor vergoeding in aanmerking komen.

Vraag II

4.3.

Belanghebbende heeft het Hof verzocht een termijn van acht weken te stellen waarbinnen de inpandige opname van [adres] 101 dient plaats te vinden door de Heffingsambtenaar.

4.4.

Het Hof overweegt dat de Heffingsambtenaar ter voldoening aan de op hem rustende bewijslast niet gehouden is de woning in het kader van de waardering volgens de Wet WOZ inpandig te doen opnemen. Er is immers geen enkele wettelijke bepaling die de Heffingsambtenaar hiertoe verplicht. In het belastingrecht is – zoals belanghebbende zelf ook bepleit – sprake van een vrije bewijsleer. Daarnaast heeft de heer [C] reeds op 18 januari 2017 per e-mail aan belanghebbende laten weten dat er een inpandige opname zal worden ingepland, zoals vermeld onder 2.7. Vervolgens heeft de heer [C] op 13 juni 2017 aan belanghebbende verzocht om een termijn te geven waarbinnen het schikt om een opname ter plaatse te kunnen uitvoeren, zoals vermeld onder 2.11. Indien belanghebbende wenst dat de inpandige opname op korte termijn geschiedt, dienen belanghebbende en de Heffingsambtenaar daarover onderling afspraken te maken. Indien de Heffingsambtenaar niet tegemoet kan komen aan het voorstel van belanghebbende (inpandige opname binnen acht weken na verzending van deze uitspraak), wijst het Hof belanghebbende op de mogelijkheid dat belanghebbende ook zelf de onroerende zaken inpandig kan laten opnemen door een onafhankelijke taxateur.

Vraag III

4.5.

Het Hof stelt voorop, dat hetgeen de Rechtbank onder 1 heeft overwogen, namelijk dat belanghebbende akkoord zou zijn gegaan met de door de Heffingsambtenaar voorgestelde vergoeding van kosten van bezwaar en proceskosten, geen bevestiging vindt in de stukken in eerste aanleg en/of de ongecorrigeerde zittingsaantekeningen. Indien belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting wel akkoord is gegaan met de door de Rechtbank genoemde bedragen had het voor de hand gelegen dat de Rechtbank een proces-verbaal van de zitting had opgemaakt, zoals ook door het Hof is verzocht.

4.6.

Belanghebbende heeft op verzoek van de Rechtbank een verklaring van erfrecht overgelegd. De Rechtbank achtte deze verklaring van erfrecht van belang om te kunnen beoordelen of belanghebbende erfgenaam is van [belanghebbende] en derhalve op grond van artikel 26a van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: de AWR) bevoegd was om beroep in te stellen. De Rechtbank dient voor iedere zaak de vraag te beantwoorden of de belanghebbende ontvankelijk is in zijn of haar beroep, daar de regels voor de ontvankelijkheid van openbare orde zijn. Belanghebbende betwist echter dat de Rechtbank een verklaring van erfrecht nodig had voor de ontvankelijkheidstoets. Belanghebbende had immers, alvorens het verzoek van de Rechtbank om een verklaring van erfrecht over te leggen, de onder 2.2 genoemde vrijwaringsverklaring aan de Rechtbank overgelegd.

4.7.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank terecht verzocht om een verklaring van erfrecht van belanghebbende. De onder 2.2 vermelde vrijwaringsverklaring betreft een eenzijdige verklaring van belanghebbende zelf dat belanghebbende de erfgenaam is van [belanghebbende] . Daaraan komt een zeer beperkte bewijskracht toe. Het stond Rechtbank dan ook vrij te verzoeken om een verklaring van erfrecht.

4.8.

Artikel 8:75, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt, voor zover te dezen van belang:

“De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing. (…) Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.”

4.9.

Op grond van artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking hebben op de kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel e, van het Bpb kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking hebben op de kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken.

4.10.

In artikel 2, lid 1, van het Bpb is vermeld tot welk bedrag de in 4.8 genoemde kosten dienen te worden vastgesteld.

4.11.

Ingevolge artikel 8:75, lid 1, van de Awb is de bestuursrechter enkel bevoegd om de andere partij te veroordelen in de kosten die een partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter redelijkerwijs heeft moeten maken. Naar het oordeel van het Hof zijn de kosten voor de verklaring van erfrecht niet gemaakt in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter. Het is immers in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk om, nadat iemand door het wettelijk versterferfrecht of door een uiterste wilsbeschikking rechthebbende is geworden van (een deel van) een nalatenschap van een erflater, een verklaring van erfrecht op te laten stellen, ongeacht of hiernaar is gevraagd. Het enkele feit dat belanghebbende (nog) geen verklaring van erfrecht op had laten stellen en hij dit op verzoek van de Rechtbank heeft laten doen, brengt niet met zich mee dat de daarmee gemoeide kosten zijn gemaakt met betrekking tot de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter. Op grond van bovenstaande is het Hof van oordeel dat de kosten ten bedrage van € 605 inclusief 21% btw voor het opstellen van de onder 2.4 bedoelde verklaring van erfrecht door de notaris niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.12.

Ten aanzien van de recherchekosten ten bedrage van € 60,50 inclusief 21% btw, zoals vermeld onder 2.9, acht het Hof dat deze wel gemaakt zijn met betrekking tot de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter. De kosten voor de raadpleging van de registers bij het Kadaster zijn voldoende gespecificeerd en worden aangemerkt als kosten van uittreksels uit de openbare registers als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel e, van het Bpb. Naar het oordeel van het Hof dienen de recherchekosten Kadaster derhalve aan belanghebbende te worden vergoed.

Slotsom

4.13.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar, de aanslagen OZB en de WOZ-beschikkingen vernietigen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.14.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 te vergoeden.

Ten aanzien van de kosten van bezwaar en de proceskosten

4.15.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar door de Heffingsambtenaar, de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.16.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in de kosten in bezwaar, mede gelet op het bepaalde in het Bpb, op 1 (punt) × € 249 (waarde per punt) × 1 (factor gewicht van de zaak) is € 249.

4.17.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in de proceskosten in beroep bij de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Bpb, op 2 (punten) × € 501 (waarde per punt) × 1 (factor gewicht van de zaak), is € 1.002, vermeerderd met de werkelijke recherchekosten voor de raadpleging van de registers bij het Kadaster ten bedrage van € 60,50; en voor de behandeling van het hoger beroep bij het Hof op 2 (punten) × € 501 (waarde per punt) × 0,5 (factor gewicht van de zaak), is € 501; in totaal op € 1.563,50.

4.18.

Niet gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Bpb heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de WOZ-beschikkingen en de aanslagen OZB;

  • -

    gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 vergoedt;

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 249; en

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 1.563,50.

Aldus gedaan op 8 juni 2018 door P. Fortuin, voorzitter, A.J. Kromhout en M.H.P. Groenland, leden, in tegenwoordigheid van P. do Livramento, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.