Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2463

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-06-2018
Datum publicatie
06-09-2018
Zaaknummer
16/03859 tot en met 16/03863
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:5953, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:629
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het jaar 2007 zijn belanghebbenden (man en vrouw ) een extra hypothecaire lening aangegaan voor een bedrag van € 93.500. Belanghebbenden hebben deze extra lening in hun aangiften (deels) als eigenwoningschuld aangemerkt.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbenden met hetgeen zij daartoe hebben aangevoerd, niet hebben voldaan aan de eis van staving met schriftelijke bescheiden a.b.i. artikel 3.123 van de Wet IB 2001.

Het Hof volgt belanghebbenden niet in hun stelling dat als “schriftelijke bescheiden” ook foto’s en eigen verklaringen van belanghebbenden hebben te gelden.

Belanghebbenden stellen verder, dat nu de Inspecteur pas in 2013 om schriftelijke bescheiden betreffende de kosten van verbouwing vroeg, hij het recht om zulks te doen heeft verwerkt.

Zoals de Rechtbank terecht heeft geoordeeld, brengt het enkele volgen van de aangiften in eerdere jaren op zich niet mee dat belanghebbenden ontslagen zijn van de last te voldoen aan de wettelijke eis van staving met schriftelijke bescheiden en dat zij er niet meer op bedacht hoefden te zijnde stukken te bewaren. Denkbaar is echter dat de Inspecteur na ommekomst van een zekere periode zijn recht heeft verwerkt om bewijs - de schriftelijke bescheiden - te vragen. Het Hof verwijst in dit verband naar hetgeen A-G Overgaauw in onderdeel 5.6 e.v. van de bijlage van zijn conclusie voor onder meer HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY8992, BNB 2008/90, daarover vermeldt.

Gelet op de geschetste gang van zaken, is van een ommekomst van een dergelijke periode hier sprake. Vaststaat dat voor het indienen van de aangiften 2007, het jaar van de in geschil zijnde verhoging, de navorderingstermijn in 2013 was verstreken. De Inspecteur heeft pas bij de behandeling van de aangiften 2010 e.v. in 2013, derhalve zes jaren na de verhoging van de hypotheek, om de schriftelijke bescheiden gevraagd, nadat hij eerst de aangiften van voorgaande jaren ter zake heeft gevolgd. Gelet op hetgeen de A-G Overgaauw heeft geschreven in zijn hierboven aangehaalde conclusie, heeft de Inspecteur zijn recht de schriftelijke bescheiden te vragen verwerkt. Daarbij komt dat ook in de jaren daarna, in 2013 tot en met 2015, de aangiften steeds zijn gevolgd. Het hoger beroep van belanghebbenden is daarom gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.123
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-09-2018
FutD 2018-2378
V-N Vandaag 2018/1869
NTFR 2018/2415 met annotatie van Mr. A.J.M. Arends
V-N 2018/59.1.3
Vp-bulletin 2018/61
Viditax (FutD), 19-04-2019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03859 tot en met 16/03863

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende 1] ,
wonende te [plaats 1] ,

belanghebbende 1,

en

[belanghebbende 2] ,

wonende te [plaats 1] ,

belanghebbende 2,

hierna samen: belanghebbenden,

tegen de in één geschrift verenigde mondelinge uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 27 september 2016, nummers BRE 15/3205 tot en met 15/3209, in het geding tussen

belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te melden aanslagen en de daarbij gegeven beschikkingen heffings- of belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende 1 respectievelijk belanghebbende 2 zijn voor de jaren 2011 en 2012, respectievelijk 2010, 2011 en 2012 de volgende aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd en zijn daarbij de volgende bedragen aan heffings- of belastingrente in rekening gebracht (alles in €):

Belanghebbende 1:

Zaaknummer jaar Aanslagnummer b.i. uit w en w heffings-/belastingrente

16/03859 (Rechtbank 15/3205) 2011 [aanslagnummer 1] .H.16 15.241 339

16/03860 (Rechtbank 15/3206 2012 [aanslagnummer 1] .H.26 27.365 340

Belanghebbende 2:

Zaaknummer jaar Aanslagnummer b.i. uit w en w heffings-/belastingrente

16/03861 (Rechtbank 15/3207) 2010 [aanslagnummer 2] .H.06 16.749 294

16/03862 (Rechtbank 15/3208) 2011 [aanslagnummer 2] .H.16 11.684 74

16/03863 (Rechtbank 15/3209) 2012 [aanslagnummer 2] .H.26 7.187 60.

1.2.

Bij uitspraken op tegen deze (vijf) aanslagen en beschikkingen ingediende bezwaarschriften heeft de Inspecteur de aanslagen en de daarbij gegeven beschikkingen heffings- of belastingrente gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbenden zijn van deze (vijf) uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank alleen in de zaak met het kenmerknummer BRE 15/3205 van belanghebbende 1 een griffierecht geheven van € 45 en alleen in de zaak met het kenmerknummer BRE 15/3207 van belanghebbende 2 een griffierecht geheven van € 45.
De Rechtbank heeft bij in één geschrift verenigde mondelinge uitspraken van 27 september 2016 de beroepen met kenmerk BRE 15/3205, 15/3207 en 15/3208 ongegrond verklaard, de beroepen met kenmerk BRE 15/3206 en 15/3209 gegrond verklaard, de daarop betrekking hebbende uitspraken op bezwaar vernietigd, de daarop betrekking hebbende aanslagen verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.399 (belanghebbende 1), respectievelijk € 4.542 (belanghebbende 2), de hierbij behorende beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende 1 en 2 ten bedrage van telkens € 744 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende 1 respectievelijk belanghebbende 2 betaalde griffierecht van telkens € 45 aan hem respectievelijk haar vergoedt.

1.4.

Tegen deze in één proces-verbaal verenigde uitspraken hebben belanghebbenden hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van het Hof alleen in de zaak met het kenmerknummer 16/3859 van belanghebbende 1 een griffierecht geheven van € 124, en alleen in de zaak met het kenmerknummer 16/3861 van belanghebbende 2 een griffierecht geheven van € 124.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De Rechtbank heeft vervolgens, met voorafgaande berichtgeving daarvan aan partijen, op 30 november 2016 in de hiervoor bedoelde vijf uitspraken een hersteluitspraak gedaan, waarbij het dictum niet wijzigde, en de hersteluitspraak op 1 december 2016 aangetekend in afschrift aan partijen verzonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 april 2018 te ’s-Hertogenbosch.
Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, belanghebbende 1, vergezeld van de gemachtigde van belanghebbenden, de heer [A] , advocaat te [plaats 2] , alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw [B] en de heer [C] .

1.7.

Namens belanghebbenden heeft de gemachtigde te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.
De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van debij deze pleitnota behorende bijlagen.

1.8.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbenden zijn gehuwd en zijn eigenaar van de woning aan de [adres] 9 te [plaats 1] (hierna: de woning). De woning is een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (gelezen in de hier van toepassing zijnde jaren; hierna: de Wet IB 2001).

2.2.

Belanghebbenden hebben de hypothecaire lening (hierna ook: de hypotheek) op de eigen woning in 2002 verhoogd met € 17.944 van € 356.556 naar € 374.500. De Inspecteur heeft over de hypotheekverhoging in 2002 vragen gesteld aan belanghebbenden, die middels een antwoordformulier zijn beantwoord. De Inspecteur heeft deze hypotheekverhoging na raadpleging van de stukken geaccepteerd. De eigenwoningschuld in verband met door belanghebbenden afgesloten hypothecaire geldlening(en) bedroeg tot en met 31 december 2006 € 374.500.

2.3.

In het jaar 2007 zijn belanghebbenden een extra lening aangegaan voor een bedrag van
€ 93.500. De totale hypotheek kwam daarmee op € 468.000. Belanghebbenden hebben deze extra lening in hun aangiften (deels) als eigenwoningschuld aangemerkt; in de aangifte IB/PVV 2007 van belanghebbende 1 staat een bedrag van € 463.320 als eigenwoningschuld vermeld.

2.4.

In het jaar 2008 hebben belanghebbenden opnieuw de hypotheek verhoogd, nu met
€ 72.000, en tevens overgesloten. Per 31 december 2008 is de totale hypotheek groot
€ 540.000. Belanghebbenden hebben het volledige hypotheekbedrag aangemerkt als eigenwoningschuld in de aangiften IB/PVV 2008 en latere jaren. De verhoging van € 72.000 is niet aangewend voor de verbetering of onderhoud van de woning.

2.5.

In de brief van 9 oktober 2012 heeft de Inspecteur naar aanleiding van de aangifte 2010 aan belanghebbende 2 de volgende informatie gevraagd:

“(…)
Eigen woning: rente en kosten van geldleningen
In uw aangifte is een bedrag van € 56.291 aangegeven voor betaalde rente en kosten van (hypothecaire) geldleningen voor de eigen woning. Om te kunnen beoordelen of dit juist is, verzoek ik u mij de volgende informatie te sturen:
-de hypotheekakte(n);
-betalingsbewijzen van deze rente en kosten van geldlening (afrekening(en) notaris, jaaroverzicht(en) van de hypotheekverstrekker(s), etc.).
(…)”

2.6.

In de brief van 3 januari 2013 schreef de Inspecteur aan belanghebbenden:

“(…)

Ultimo 2006 bedroeg de hypotheekschuld volgens mijn gegevens € 374.500 en ultimo 2007
€ 463.320. De huidige hypotheekschuld bedraagt € 540.000. Waaraan zijn de hypotheekverhogingen besteed?
2) De afgesloten hypotheekrente bedraagt 9,05% hetgeen objectief bezien zeer hoog is. Wat is de verklaring hiervoor?
3) (…)”

2.7.

Op 24 januari 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen belanghebbende 1 en de Inspecteur. Volgens het verslag dat de Inspecteur van dit gesprek heeft gemaakt, is toen besproken dat belanghebbenden de hypothecaire lening hebben verhoogd in verband met een gepleegde verbouwing en heeft belanghebbende 1 toen aangegeven geen bewijsstukken meer te hebben van de verbouwing.

2.8.

De definitieve aanslagen IB/PVV van belanghebbenden over de jaren 2006 tot en met 2009 zijn zonder verdere controle door de Inspecteur conform de ingediende aangiften vastgesteld en over die jaren zijn geen navorderingsaanslagen opgelegd.

Blijkens door beide partijen overgelegde zogeheten IKB-uitdraaien van de Belastingdienst en de ter zitting daarop gegeven toelichting, is de afhandeling van deze aangiften van belanghebbenden als volgt verlopen:

Jaar 2006

afhandeling aangifte van de vrouw: “auto-plop”; conform de aangifte (met aftrek rente);

afhandeling aangifte van de man: “intensief toezicht”; conform de aangifte (met aftrek rente);

Jaar 2007

afhandeling aangifte van de vrouw: “auto-plop”; conform de aangifte (met aftrek rente);

afhandeling aangifte van de man: “auto-plop”; conform de aangifte (met aftrek rente);

Jaar 2008

afhandeling aangifte van de vrouw: “auto-plop”; conform de aangifte (met aftrek rente);

afhandeling aangifte van de man: “automatisch”; conform de aangifte (met aftrek rente);

Jaar 2009

afhandeling aangifte van de vrouw: “auto-plop”; conform de aangifte (met aftrek rente);

afhandeling aangifte van de man: “intensief toezicht”; conform de aangifte (met aftrek rente);

Jaar 2010

afhandeling aangifte van de vrouw: “intensief toezicht”; aftrek rente gecorrigeerd;

het jaar 2010 betreffende de man ontbreekt in het overzicht; de Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat sprake was van “intensief toezicht” doch dat de aanslag conform de aangifte is opgelegd uit “doelmatigheidsoverwegingen”;
Jaren 2011 en 2012
afhandeling aangiften van de vrouw en de man : “intensief toezicht”; aftrek rente gecorrigeerd;

Jaar 2013

afhandeling aangifte van de vrouw: “traditioneel”; conform de aangifte (met aftrek rente over € 468.000);

afhandeling aangifte van de man: “intensief toezicht”; conform de aangifte (met aftrek rente over € 468.000).
Ook over de jaren 2014 en 2015 zijn de aangiften met renteaftrek over een schuld van
€ 468.000 gevolgd.

2.9.

Bij de aanslagregeling 2010 van belanghebbende 2 en 2011 en 2012 van beide belanghebbenden is de Inspecteur afgeweken van de ingediende aangiften, omdat belanghebbenden volgens de Inspecteur de door hen gestelde verbetering of onderhoud van de woning ter grootte van € 93.500 niet met schriftelijke bescheiden hebben gestaafd. Als gevolg daarvan heeft de Inspecteur een deel van de aftrek van de rente en kosten ter zake van de hypothecaire lening(en) geweigerd. De door belanghebbende 1 tegen de hem opgelegde aanslagen IB/PVV 2011 en 2012 en de door belanghebbende 2 tegen de haar opgelegde aanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2012 gerichte bezwaren heeft de Inspecteur ongegrond verklaard.

2.10.

In het schrijven van de Inspecteur van 6 december 2013 (als bijlage 3 respectievelijk 10 gevoegd bij de respectievelijke verweerschriften bij de Rechtbank), staat onder meer het volgende:

“(…)
1) Navorderingstermijn
(…)
In uw geval is geen uitstel verleend voor de aangifte 2007 (…).

4) Aanslagen

De termijn voor het opleggen van navorderingsaanslagen IB 2008, alsmede van de aanslag IB 2010 tnv uw echtgenote verloopt op 31 december 2013. Vandaar dat ik deze aanslagen inmiddels heb opgelegd.

NB de navorderingsaanslagen 2009 tnv u beiden en de navorderingsaanslag 2010 tnv uzelf zullen in een later stadium worden beoordeeld/opgelegd.

Voor de navorderingen 2008 heb ik om pragmatische redenen – mede gezien het belang en het feit dat ik niet over de exacte cijfers beschik – de door u aangeleverde cijfers van de herziene aangifte gevolgd, hoewel ik zoals hierboven uiteengezet van mening ben dat een te hoog bedrag is aangemerkt als eigen woningschuld.”

2.11.

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de rente die betrekking heeft op de verhoging van de hypothecaire lening in 2008 met € 72.000 niet in aftrek kan worden gebracht.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.1.

In geschil is het antwoord op de (hoofd)vraag of de Inspecteur terecht de eigenwoningschuld van belanghebbenden voor wat betreft de onderhavige jaren op
€ 374.500 heeft vastgesteld en dientengevolge een deel van de aftrek van de rente heeft geweigerd.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.1.2.

Dit geschilpunt spitst zich toe op het antwoord op de volgende vragen:

a. Hebben belanghebbenden in dit kader voldaan aan de wettelijke eis van artikel 3.123 van de Wet IB 2001, dat de verbetering of onderhoud van de woning met schriftelijke bescheiden moet worden gestaafd?

b. Hoe verhoudt deze wettelijke eis zich met de afwezigheid van een wettelijke bewaartermijn van gegevens voor particulieren?

c. Heeft de Inspecteur door het tijdsverloop zijn recht verwerkt om bewijs – de schriftelijke bescheiden – te vragen?

d. Is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel?

e. Hoeveel bedraagt de aftrekbare rente voor de eigenwoningschuld in de onderhavige jaren?

3.2.

Belanghebbenden zijn - samenvattend - van mening dat de aftrekbare rente het bedrag aan betaalde rente bedraagt dat samenhangt met een eigenwoningschuld van, primair,
€ 468.000, en, subsidiair € 449.794.

De Inspecteur is van mening dat de hoger beroepen ongegrond dienen te worden verklaard.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van de zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Voor het geval belanghebbenden (deels) in het gelijk worden gesteld, is niet in geschil dat het inkomen uit eigen woning als volgt dient te worden verdeeld:

2010: € 40.000 voor belanghebbende 1; de rest aan belanghebbende 2;

2011: naar evenredigheid op basis van de verhouding in de aangifte;

2012: verhouding 60 (man)/40 (vrouw);
en dat de over het bedrag van € 468.000 betaalde rente € 50.166 bedraagt.

3.3.

Belanghebbenden concluderen tot gegrondverklaring van de hoger beroepen, vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de aanslagen rekening houdend met een aftrek aan rente over, primair, € 468.000 en, subsidiair, € 449.794, onder dienovereenkomstige aanpassing van de beschikkingen heffings- en belastingrente, met toekenning van de verzochte vergoeding van proceskosten.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de hoger beroepen.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Wettelijk kader

4.1.

Op grond van artikel 3.120 van de Wet IB 2001 behoren tot de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning onder meer de renten van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld. Ingevolge artikel 3.119a, lid 1, van de Wet IB 2001, bestaat de eigenwoningschuld uit de gezamenlijke schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning verminderd met het bedrag van de eigenwoningreserve. Lid 3 van voornoemd artikel 119a bepaalt, dat de eigenwoningschuld wordt verhoogd met onder meer het gezamenlijke bedrag van de schulden die zijn aangegaan voor verbetering of onderhoud van de woning. Op grond van artikel 3.123 van de Wet IB 2001 worden kosten voor verbetering en onderhoud van de woning in aanmerking genomen voor zover de verbetering en het onderhoud met schriftelijke bescheiden zijn te staven. Vanaf 1997 tot 2001 was deze voorwaarde opgenomen in artikel 42b, lid 5, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

4.2.

Belanghebbenden dienen derhalve aannemelijk te maken dat de verhoging van de hypothecaire geldlening in 2007 met een bedrag van € 93.500 op het moment van aangaan in direct verband staat met het onderhoud en/of de verbetering van de eigen woning. Dit vereiste causale verband gold reeds onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Ten bewijze hiervan hebben belanghebbenden Excel-overzichten met daarin onder meer een opsomming van de verbouwingskosten in de jaren 2006 en 2007, fotomateriaal waarop te zien is dat er wordt verbouwd (met relevante datering), de verkoopbrochure van de makelaar, waarin gerefereerd wordt aan een recente verbouwing, en schriftelijke verklaringen van beide belanghebbenden overgelegd en verwezen naar het door de Inspecteur wel accepteren van fotomateriaal betreffende de fiscale afwikkeling van de aangifte voor het jaar 2002. Belanghebbenden zijn niet meer in het bezit van relevante bankafschriften en facturen ter zake van de verbouwing, omdat de doos met administratie is kwijtgeraakt, doordat deze met andere dozen oud papier is weggedaan bij het opruimen van de zolder. Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat de Inspecteur, en vervolgens ook de Rechtbank, zich ter zake (veel) te kortzichtig hebben opgesteld. Door geen rekening te houden met de door belanghebbende wel geproduceerde bewijsstukken, miskent de Rechtbank doel en strekking van artikel 3.123 van de Wet IB 2001, aldus nog steeds belanghebbenden.

4.3.

De Rechtbank heeft geoordeeld - kort samengevat - dat belanghebbenden met hetgeen zij daartoe hebben aangevoerd, niet hebben voldaan aan even vermelde eis van staving met schriftelijke bescheiden en heeft ook de overigens door belanghebbenden aangedragen grieven verworpen.

4.4.

De Inspecteur bestrijdt in hoger beroep op zich niet dat er is verbouwd maar stelt dat belanghebbenden niet voldaan hebben aan de eis van “schriftelijke bescheiden”. De Inspecteur beroept zich voor wat betreft de invulling van het begrip “schriftelijke bescheiden” op hetgeen daaromtrent is vermeld in de parlementaire behandeling die heeft geleid tot het daarop betrekking hebbende, hiervoor aangehaalde, wetsartikel, aangehaald in r.o. 2.7.2 van de uitspraak van de Rechtbank (belastingplichtige moet rekeningen kunnen overleggen).

4.5.

Met betrekking tot het stellen van het vereiste van staving met “schriftelijke bescheiden” als hier bedoeld, heeft de Hoge Raad bij arrest van 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR::2004:AH9003 het volgende geoordeeld:

“3.5. Het stellen van het tweede vereiste, te weten dat de verbetering of het onderhoud met schriftelijke bescheiden is te staven, is, naar mag worden aangenomen, ingegeven door de wens om – nu bij geldleningen voor dit doel de omvang en het tijdstip van de uitgaven waarvoor de geldlening is aangegaan veelal minder eenvoudig zijn vast te stellen dan bij aankoop van een eigen woning – discussies daarover zoveel mogelijk te voorkomen.

(…..)”.

Dit arrest heeft weliswaar betrekking op een nog door de Wet op de inkomstenbelasting 1964 beheerste situatie maar geldt, zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is opgemerkt, onverminderd ook voor de onderwerpelijke casus.

4.6.

Het Hof volgt belanghebbenden niet in hun stelling dat als “schriftelijke bescheiden” ook foto’s en eigen verklaringen van belanghebbenden hebben te gelden. Die grief faalt.

4.7.

Belanghebbenden komen in hoger beroep voorts tegen het oordeel van de Rechtbank, gegeven in 2.9 van haar uitspraak:

“2.9.

De rechtbank stelt voorop dat uit hetgeen in 2.7 is overwogen voortvloeit dat een wettelijke eis voor aftrek van rentekosten ter zake van een (verhoging van een) lening ter financiering van de verbetering of onderhoud van een woning is dat de verbetering of onderhoud met schriftelijk bescheiden kan worden gestaafd. De rechtbank is van oordeel dat een opsomming van verbouwingskosten, de foto’s van de gestelde verbouwing, de verkoopbrochure en de schriftelijke verklaringen van belanghebbenden onvoldoende zijn om te voldoen aan de eis van staving met schriftelijke bescheiden. Voor deze eis moet gedacht worden aan (kopieën van) facturen met betrekking tot de verbetering of onderhoud van de woning en/of bankbescheiden waaruit voldoende duidelijk kan worden opgemaakt dat kosten voor verbetering of onderhoud zijn voldaan. Dergelijke bescheiden zijn niet ingebracht. Bij een en ander verdient opmerking dat de eis van schriftelijke bescheiden juist wordt gesteld om discussies zoals hier op basis van foto’s en verklaringen te voorkomen.

Dat de gehele administratie met betrekking tot de verbouwing of onderhoud van de woning kwijt is, komt voor rekening en risico van belanghebbenden omdat op hen de bewijslast rust. Belanghebbenden hebben aangevoerd dat het thans – gelet op de wettelijke bewaartermijn voor ondernemers – niet meer mogelijk is facturen en dergelijke op te vragen bij ondernemers. Belanghebbenden hadden dit evenwel in 2013 – toen daar om werd gevraagd door de inspecteur – nog wel kunnen doen.”

Belanghebbenden stellen, dat nu de Inspecteur pas in 2013 om schriftelijke bescheiden betreffende de kosten van verbouwing vroeg (in oktober 2012 vroeg hij slechts om hypotheekakten e.d. - zie 2.5), hij het recht om zulks te doen heeft verwerkt.

4.8.

Vaststaat dat de Inspecteur de aangiften van de jaren 2007 tot en met 2009, derhalve ná de in geschil zijnde verhoging van de hypothecaire schuld, zonder correctie heeft gevolgd. Ook de jaren 2013, 2014 en 2015 zijn conform de aangiften op basis van een hypotheekschuld van € 468.000 afgehandeld, dus inclusief de verhoging in 2007.

4.9.

Zoals de Rechtbank terecht heeft geoordeeld, brengt het enkele volgen van de aangiften in eerdere jaren op zich niet mee dat belanghebbenden ontslagen zijn van de last te voldoen aan de wettelijke eis van staving met schriftelijke bescheiden en dat zij er niet meer op bedacht hoefden te zijnde stukken te bewaren. Denkbaar is echter dat de Inspecteur na ommekomst van een zekere periode zijn recht heeft verwerkt om bewijs - de schriftelijke bescheiden - te vragen. Het Hof verwijst in dit verband naar hetgeen A-G Overgaauw in onderdeel 5.6 e.v. van de bijlage van zijn conclusie voor onder meer HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY8992, BNB 2008/90, vermeldt:

“5.6. In de in onderdeel 5.5 besproken jurisprudentie gaat het in het algemeen over posten waarbij de omstandigheden die het recht op aftrek of de omvang daarvan bepalen, zich ieder jaar in enige mate opnieuw voordoen. In deze gevallen kan de inspecteur steeds om bewijs van deze omstandigheden vragen. De vraag rijst of dat ook steeds geldt bij posten waarbij zich bepaalde omstandigheden éénmalig voordoen, die vervolgens een doorlopend gevolg hebben. Zo zijn de kosten van verbetering of onderhoud éénmalig, maar vloeien uit de daarvoor aangegane geldlening jaarlijks rentebetalingen voort. Ook kan worden gedacht aan een verzekeringspolis, waaruit jaarlijks premiebetalingen voortvloeien. In het laatste geval lijkt voor het na verloop van tijd vragen van bewijs geen enkel beletsel te bestaan. De belastingplichtige heeft immers een duidelijk buiten de fiscaliteit gelegen belang om de polis te bewaren. In het eerste geval ligt dat op zijn minst genuanceerder.

5.7.

De rechtszekerheid heeft verschillende gedaanten. Hiervóór ging het om het in rechte honoreren van opgewekt vertrouwen. Het rechtszekerheidsbeginsel kan zich echter ook uiten in de vorm van verjaring dan wel rechtsverwerking. Verjaring en rechtsverwerking zijn veelal geregeld in de wetgeving. Zo geldt bij aanslagbelastingen voor de inspecteur een aanslagtermijn van drie jaar en een navorderingstermijn van in de meeste gevallen vijf jaar. Belastingplichtigen moeten voor een teruggaaf binnen drie jaren aangifte doen en zich houden aan termijnen voor bezwaar en beroep. Naast de rechtszekerheid spelen daarbij ook administratieve overwegingen een rol.

5.8.

Die zelfde overwegingen vanuit rechtszekerheid en rechtsverwerking brengen naar mijn mening mee dat de inspecteur na verloop van tijd zijn recht heeft verwerkt om het bewijs, dat in het verleden aangegane geldleningen dienden ter bekostiging van verbetering of onderhoud van de eigen woning, van een belastingplichtige te vragen.

Daarmee is echter het antwoord op de vraag hoe lang de inspecteur dan nog wel om dat bewijs mag vragen, niet gegeven. Voorop staat dat de bewijslast van aftrekposten rust op de belastingplichtige. Van hem mag zorgvuldigheid worden gevraagd bij het bewaren van bewijsmiddelen ter adstruering van de door hem geclaimde aftrekposten. Anderzijds bestaat er in de privé-sfeer geen (algemene) bewaarplicht, zoals voor ondernemers e.d. geldt.

Het voorgaande afwegende meen ik dat kan worden aangesloten bij de navorderingstermijn; de inspecteur heeft na ommekomst van de navorderingstermijn over het jaar of de jaren waarin de verbetering of het onderhoud van de eigen woning, waarvoor de geldlening is aangegaan, heeft plaatsgevonden, zijn recht om bewijs te vragen verwerkt. In situaties waarin de kosten van verbetering of onderhoud uit eigen middelen worden voorgefinancierd en later een geldlening wordt afgesloten, dient in afwijking hiervan naar mijn mening te worden aangesloten bij de navorderingstermijn over het jaar waarin de geldlening wordt afgesloten.


6. Samenvatting en conclusie

De in onderdeel 1.2 vermelde uitlating van de Staatssecretaris van Financiën tijdens de parlementaire behandeling van artikel 3.123 Wet IB 2001 heeft hij gedaan als medewetgever en niet als uitvoerder van de belastingwet, zodat een belastingplichtige daaraan niet (rechtstreeks) in rechte te honoreren vertrouwen kan ontlenen. Wel kan hieruit de bedoeling van de wetgever worden afgeleid, dat - voor wat betreft de aard van het bewijs - de met ingang van 2001 gestelde voorwaarde van de staving van verbetering en onderhoud van de eigen woning met schriftelijke bescheiden niet geldt voor leningen die zijn aangegaan vóór 2001. Dat betekent niet, dat de rente op de laatstgenoemde leningen vanaf 2001 zonder meer in aftrek wordt geaccepteerd. Dat is alleen het geval als ten aanzien van de renteaftrek sprake is van opgewekt vertrouwen. Daarvoor is onvoldoende dat de aangifte op dat punt gedurende een aantal jaren is gevolgd, maar moet de belastingplichtige bijvoorbeeld de renteaftrek uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde hebben gesteld. Als dat niet is gebeurd, maar de inspecteur bij het opleggen van de aanslag toch al jaren de ingediende aangifte heeft gevolgd, kan de inspecteur naar mijn mening echter niet onbeperkt in de tijd vragen naar bewijs dat de lening is aangegaan voor verbetering en onderhoud. Voor de begrenzing in de tijd kan worden aangesloten bij de navorderingstermijn over het jaar of de jaren waarin verbetering en onderhoud hebben plaatsgevonden dan wel, bij postfinanciering, over het jaar waarin de geldlening voor verbetering of onderhoud is afgesloten.

4.10.

Gelet op de geschetste gang van zaken, is van een ommekomst van een dergelijke periode hier sprake. Vaststaat dat voor het indienen van de aangiften 2007, het jaar van de in geschil zijnde verhoging, geen uitstel voor de indiening van die aangiften is verleend (zie 2.10), zodat de navorderingstermijn in 2013 was verstreken. De Inspecteur heeft pas bij de behandeling van de aangiften 2010 e.v. in 2013, derhalve zes jaren na de verhoging van de hypotheek, om de schriftelijke bescheiden gevraagd, nadat hij eerst de aangiften van voorgaande jaren ter zake heeft gevolgd. Gelet op hetgeen de A-G Overgaauw heeft geschreven in zijn hierboven aangehaalde conclusie, heeft de Inspecteur zijn recht de schriftelijke bescheiden te vragen verwerkt. Daarbij komt dat ook in de jaren daarna, in 2013 tot en met 2015 de aangiften steeds zijn gevolgd. Het hoger beroep van belanghebbenden is daarom gegrond. Het primaire standpunt van belanghebbende wordt gevolgd en behoeven overige grieven geen behandeling meer.

4.11.

Gelet op hetgeen is vermeld onder 3.3, bedraagt de aftrekbare rente (in €)
2010: 468/540 x € 56.291 = € 48.786
2011: 468/540 x € 50.870 = € 44.088
2012: 468/540 x € 50.166 = € 43.478;

En dienen de belastbare inkomens te worden vastgesteld als volgt:
Belanghebbende 1: 2011: € 8.045

2012: € 18.187

belanghebbende 2: 2010: € 10.949

2011: € 10.072

2012: € 3.713

Slotsom

4.12.

Gelet op al het vorenstaande dient als volgt te worden beslist .

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

Nu de uitspraken van de Rechtbank worden vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbenden, naast het voor het instellen van het beroep betaalde griffierecht, het door hen ter zake van de behandeling van de hoger beroepen bij het Hof betaalde griffierecht van (twee maal) € 124 oftewel in totaal € 248 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Nu het door belanghebbenden ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbenden in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs hebben moeten maken. Het Hof gaat er daarbij, net als de Rechtbank heeft gedaan, van uit dat sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), nu de vijf hoger beroepen gezamenlijk zijn behandeld en gelet op de inhoud van de geschriften van de gemachtigde van belanghebbenden.

Voor de behandeling van het beroep bij de Rechtbank heeft de Rechtbank bij de bestreden uitspraken, voor elk van de (twee) gegrond bevonden beroepen van belanghebbenden, een proceskostenvergoeding vastgesteld van € 744, oftewel in totaal € 1.488, waarbij rekening is gehouden met 3 procespunten, een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor van 1.

Aangezien in hoger beroep alle beroepen alsnog gegrond worden bevonden, dient de door de Rechtbank gehanteerde wegingsfactor alsnog op 1,5 te worden gesteld en de waarde per punt op € 501, zodat de proceskostenvergoeding bij de Rechtbank nader dient te worden gesteld op € 2.254,50.

Met betrekking tot de behandeling van de zaken in hoger beroep stelt het Hof deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Bpb, op 2 punten (1 punt voor indienen beroepschrift en 1 punt voor verschijnen ter zitting) met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor van 1,5 (factor samenhangende zaken), dat is in totaal op € 1.503. De totale proceskostenvergoeding bedraagt aldus € 3.757,50.

4.15.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbenden overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Bpb hebben gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Rechtbank;

  • -

    verklaart de tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroepen, voor zover nog niet gebeurd, gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Inspecteur, voor zover nog niet vernietigd;

  • -

    vermindert de aan belanghebbende 1 opgelegde aanslagen tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.045 (jaar 2011) respectievelijk € 18.187 (jaar 2012);

  • -

    vermindert de aan belanghebbende 2 opgelegde aanslagen tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.949 (jaar 2010), € 10.072 (jaar 2011) respectievelijk € 3.713 (jaar 2012);

  • -

    vermindert de afgegeven beschikkingen inzake belasting- of heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden ten bedrage van in totaal € 3.757,50; en

  • -

    gelast dat de Inspecteur het door belanghebbenden betaalde griffierecht van in totaal € 338 aan hen vergoedt.

Aldus gedaan op 8 juni 2018 door J. Swinkels, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.