Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:244

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
200.177.895_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:4842
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over beëindiging duurovereenkomst tussen meldpost ziekenvervoer en taxibedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.177.895/01

arrest van 23 januari 2018

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [de vennootschap 1] ,

advocaat: mr. M.M.M. Rooijen te Weert,

tegen

1 Meldpost [vestigingsnaam] en Omgeving B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [de vennootschap 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. [de VOF 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. [geïntimeerde 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

5. [geïntimeerde 5] ,

wonende te [woonplaats] ,

6. [de VOF 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

7. [geïntimeerde 7] ,

wonende te [woonplaats] ,

8. [geïntimeerde 8] ,

wonende te [woonplaats] ,

9. [de vennootschap 3]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

10. de vennootschap onder firma [de VOF 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

11. [geïntimeerde 11] ,

wonende te [woonplaats] ,

12. [geïntimeerde 12] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als De Meldpost (geïntimeerde onder 1), [de vennootschap 2] (geïntimeerde onder 2) en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] (geïntimeerden onder 2 t/m 12),

advocaat: mr. B.T.G.M. Lamers te Weert,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 september 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 juni 2015, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [de vennootschap 1] als eiseres en De Meldpost c.s. als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/194320/HAZA 14-444)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties 1 t/m 19;

  • -

    de memorie van antwoord met producties 1 t/m 17;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij brief van 30 juni 2017 (ingekomen bij het hof op 3 juli 2017) door mr. Rooijen toegezonden producties 20 t/m 35, die hij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [de vennootschap 1] voert een onderneming op het gebied van taxi- en personenvervoer.

  2. Bij notariële akte van 25 januari 1996 is De Meldpost opgericht door een aantal vervoerders uit [vestigingsplaats] en omgeving, waaronder een rechtsvoorganger van [de vennootschap 1] , teneinde in de regio [regio] te komen tot een evenwichtige verdeling en uitvoering van de door CZ te verstrekken althans te bekostigen opdrachten voor zittend ziekenvervoer.

  3. De statutaire doelomschrijving van De Meldpost luidt als volgt: “de exploitatie van een meldpost, inhoudende het aannemen en doen uitvoeren van opdrachten tot ziekenvervoer.”

  4. Bij de oprichting van De Meldpost hebben de oprichters/vervoerders aandelen in De Meldpost verkregen naar rato van hun aandeel in de omzet die in totaal door de oprichters/vervoerders werd behaald met ziekenvervoer voor CZ. Aldus verkreeg een rechtsvoorganger van [de vennootschap 1] 21,7% van de aandelen in De Meldpost en een rechtsvoorganger van [de vennootschap 2] verkreeg 30% van de aandelen.

  5. [de vennootschap 1] en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] zijn de huidige aandeelhouders van De Meldpost. [de vennootschap 1] houdt 21,7% van de aandelen.

  6. [de vennootschap 1] en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] sluiten jaarlijks individueel overeenkomsten met CZ, die – wat betreft [de vennootschap 1] : tot eind 2013 – zijn uitgevoerd via De Meldpost.

  7. In de tijd dat [de vennootschap 1] ritten via De Meldpost uitvoerde, was de werkwijze als volgt. Opdrachten tot zittend ziekenvervoer voor verzekerden van CZ kwamen binnen bij De Meldpost en werden door De Meldpost verdeeld over haar aandeelhouders in verhouding tot hun aandeelhoudersbelang. Nadat de ritten waren uitgevoerd, werd dit door de betreffende vervoerder/aandeelhouder gemeld bij De Meldpost. De Meldpost declareerde de ritten dan bij CZ op basis van de individuele overeenkomsten van de vervoerders/aandeelhouders met CZ. Vervolgens betaalde CZ de overeengekomen vergoeding uit aan De Meldpost en De Meldpost betaalde de vervoerder/aandeelhouder die de rit heeft uitgevoerd.

  8. Sinds 11 november 2011 is de heer [bestuurder van de meldpost] (hierna: [bestuurder van de meldpost] ) bestuurder van De Meldpost. [bestuurder van de meldpost] is tevens enig bestuurder en indirect enig aandeelhouder van [de vennootschap 2] .

  9. Bij brief van 26 september 2013 heeft De Meldpost de mondelinge overeenkomst tussen [de vennootschap 1] en De Meldpost opgezegd per 31 december 2013. De brief is ondertekend door [bestuurder van de meldpost] als bestuurder van De Meldpost.

3.2.1.

[de vennootschap 1] heeft De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] in rechte betrokken en gevorderd, samengevat, (i) een verklaring voor recht dat de samenwerkingsovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd en nog steeds geldt en (ii) veroordeling van De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] tot vergoeding van de door [de vennootschap 1] gederfde omzet van € 84.000,- t/m juni 2014 en € 14.000,- per (deel van een) maand vanaf 1 juli 2014 totdat de overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd, met veroordeling van De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] in de proceskosten.

3.2.2.

Nadat De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] verweer hadden gevoerd, heeft de rechtbank in het bestreden vonnis de vorderingen van [de vennootschap 1] als ongegrond afgewezen.

3.3.

[de vennootschap 1] heeft in hoger beroep 6 grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar gewijzigde vorderingen.

In hoger beroep heeft [de vennootschap 1] haar vordering gewijzigd. Zij vordert thans, samengevat:

primair:

I. te verklaren voor recht dat de overeenkomst tussen [de vennootschap 1] en De Meldpost niet opzegbaar is door De Meldpost;

II. te verklaren voor recht dat het door [bestuurder van de meldpost] genomen (bestuurs)besluit tot opzegging van de overeenkomst tussen [de vennootschap 1] en De Meldpost nietig is, althans dit besluit te vernietigen;

III. te verklaren voor recht dat de overeenkomst tussen De Meldpost en [de vennootschap 1] niet opzegbaar is en niet is opgezegd door of namens [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] ;

IV. te verklaren voor recht dat De Melpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomsten met [de vennootschap 1] en daarom verplicht zijn de door [de vennootschap 1] geleden en te lijden schade te vergoeden;

V. De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van schadevergoeding ter zake van:

- gederfde winst ad € 59.509,20 over de periode januari 2014 t/m december 2015, en

€ 2.479,55 per maand vanaf januari 2016;

  • -

    vaste kosten transportmiddelen ad € 3.275,30;

  • -

    loonkosten ad € 20.373.12;

VI. De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 10.000,- op de te vergoeden schade wegens reputatie- en imagoschade;

VII. De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot het staken van onrechtmatige concurrentie en het maken van misleidende reclame, op straffe van een dwangsom;

VIII. De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van schade, op te maken bij staat;

subsidiair:

IX. te verklaren voor recht dat De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomsten met [de vennootschap 1] door deze op te zeggen met inachtneming van een te korte opzegtermijn en daarom verplicht zijn de door [de vennootschap 1] geleden schade te vergoeden;

X. te verklaren voor recht dat De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] een minimale opzegtermijn van 2 jaar in acht hadden moeten nemen;

XI. De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de hierboven onder V en VI vermelde bedragen aan schadevergoeding en voorschot daarop, met uitzondering van het bedrag van € 2.479,55 ter zake gederfde winst vanaf januari 2016;

XII. De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot hetgeen hierboven onder VII en VIII staat vermeld,

een en ander met hoofdelijke veroordeling van De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] in de proceskosten.

3.4.

Bij memorie van antwoord hebben De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging voor zover deze betreft de gevorderde schadevergoeding op grond van onrechtmatige concurrentie en misleidende reclame (zie hierboven onder VIII en XII). Het hof gaat ervan uit dat De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] bedoeld hebben om hun bezwaar ook te richten tegen de hiermee samenhangende vordering tot het staken van onrechtmatige concurrentie en misleidende reclame (zie hierboven onder VII en XII). De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] voeren aan dat hen door de wijziging van eis in het debat over de onrechtmatige concurrentie en misleidende reclame een rechterlijke instantie wordt onthouden.

Het verlies van een instantie is echter inherent aan het feit dat de wet toestaat dat een eis ook in hoger beroep kan worden gewijzigd. Slechts onder bijkomende omstandigheden kan dit feit het oordeel rechtvaardigen dat sprake is van strijd met de eisen van een goede procesorde. Dergelijke omstandigheden zijn echter niet gesteld of gebleken. Het hof verwerpt daarom het bezwaar van De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.]

Voor het overige zijn geen bezwaren aangevoerd tegen de eiswijziging in hoger beroep; het hof zal de zaak op de gewijzigde eis beoordelen.

3.5.1.

[de vennootschap 1] stelt zich op het standpunt dat tussen haar en de overige aandeelhouders van De Meldpost een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd bestaat zonder contractuele opzegregeling. Volgens [de vennootschap 1] gaat het hierbij om een samenwerkingsovereenkomst met als doel: de oprichting van [de vennootschap 1] alsmede de inbreng van de vervoersafspraken met CZ ter zake van het ziekenvervoer voor verzekerden van CZ.

Een deel van de vorderingen van [de vennootschap 1] is gebaseerd op dit standpunt.

3.5.2.

De rechtbank heeft het voormelde standpunt van [de vennootschap 1] verworpen. De rechtbank heeft in dit verband (onder meer) overwogen dat de aandeelhouders slechts een vennootschapsrechtelijke positie ten opzichte van elkaar hebben en dat door [de vennootschap 1] niet is onderbouwd dat [de vennootschap 1] en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] in een andere hoedanigheid dan aandeelhouder onderling afspraken hebben gemaakt.

De rechtbank heeft verder overwogen dat de vervoerders die De Meldpost hebben opgericht, hebben gekozen voor de oprichting van een zelfstandige rechtspersoon met een eigen afgescheiden vermogen die tot taak heeft aan het rechtsverkeer deel te nemen en de opgerichte meldpost te exploiteren.

3.5.3.

[de vennootschap 1] kan zich met het voormelde oordeel van de rechtbank niet verenigen; haar grieven 1 en 2 zijn tegen dit oordeel gericht.

3.5.4.

Het hof is – net als de rechtbank – van oordeel dat van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [de vennootschap 1] en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] geen sprake is. Weliswaar zijn in 1996 door een aantal vervoerders afspraken gemaakt, inhoudende de oprichting van De Meldpost en de inbreng van vervoersafspraken met CZ, maar nadat deze afspraken waren nagekomen, kwam aan de contractuele band tussen de oprichtende vervoerders een einde. Immers: de feitelijke verdeling van het ziekenvervoer en de financiële afwikkeling daarvan was opgedragen aan De Meldpost. Wat resteerde was een vennootschapsrechtelijke positie ten opzichte van elkaar als aandeelhouders.

Het hof merkt hierbij op dat vergelijking van de oprichters van De Meldpost, genoemd in artikel 26 lid 3 van de oprichtingsakte (productie 1 bij inleidende dagvaarding) met de partijen die thans in de onderhavige procedure zijn betrokken, oplevert dat nog slechts enkele van de oprichtende vervoerders thans nog aandeelhouder zijn. Dit sluit aan bij de stelling van De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] dat in de loop van de jaren de oorspronkelijke vervoerders/oprichters de overeenkomst met De Meldpost hebben opgezegd en/of hun aandelen in De Meldpost hebben overgedragen. Door [de vennootschap 1] is niet onderbouwd dat tussen de nieuwe aandeelhouders (steeds) overeenkomsten tot stand zijn gekomen (door overdracht of anderszins) met een inhoud zoals door [de vennootschap 1] is gesteld.

3.5.5.

Het voorgaande betekent dat de grieven 1 en 2 van [de vennootschap 1] falen.

3.6.

Niet in geschil is dat er – ten tijde van de opzeggingsbrief d.d. 26 september 2013 – sprake was van een contractuele relatie tussen De Meldpost enerzijds en de deelnemende vervoerders waaronder [de vennootschap 1] anderzijds. Die contractuele relatie hield in enerzijds dat de vervoerders zich verbonden hadden om i) de verdeling van het ziekenvervoer voor verzekerden van CZ over te laten aan De Meldpost, ii) dit ziekenvervoer feitelijk uit te voeren en iii) naar evenredigheid bij te dragen in de kosten van De Meldpost en anderzijds dat De Meldpost zich had verbonden om het ziekenvervoer voor verzekerden van CZ naar evenredigheid te verdelen onder de aangesloten vervoerders, en om zorg te dragen voor de financiële afwikkeling van de door uitgevoerde ritten (kort gezegd doordat De Meldpost enerzijds declareerde bij CZ en anderzijds aan de vervoerders de vergoeding betaalde voor de door hen uitgevoerde ritten, dit na aftrek van de kosten van De Meldpost, waarbij De Meldpost het incassorisico droeg).

Partijen in de onderhavige procedure zijn het erover eens dat deze contractuele relatie moet worden gekwalificeerd als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd.

3.7.

De Meldpost heeft de overeenkomst met [de vennootschap 1] opgezegd per 31 december 2013.

In de opzeggingsbrief d.d. 26 september 2013 is onder meer het volgende vermeld:

Geachte heer [medewerker van de vennootschap 1] ,

Zoals u bekend is er tijdens de laatste aandeelhoudersvergaderingen van de Meldpost [regio] e.o. regelmatig onenigheid geweest tussen u en andere aandeelhouders. Feiten en omstandigheden zijn u bekend.

Een en ander heeft er toe geleid dat de overige aandeelhouders unaniem besloten hebben dat zij niet met u verder willen.

Na ampel beraad heeft de directie besloten om de mondelinge vervoersovereenkomst zoals die bestaat tussen uw bedrijf en de meldpost op te zeggen.

(…)

Wij hebben geconstateerd dat u nog steeds zelfstandig blijft werven en toerekenbaar tekort schiet in de nakoming van de gemaakte afspraken. Bovendien heeft u aangegeven dat u met uw zusterbedrijf niet gehouden zou zijn aan de gemaakte afspraken en ons onrechtmatige concurrentie aan zult blijven doen.

(…)

De opzeggingsbrief is namens De Meldpost ondertekend door haar bestuurder, de heer [bestuurder van de meldpost] .

3.8.1.

[de vennootschap 1] stelt zich op het standpunt dat het besluit tot opzegging van de overeenkomst tussen haar en De Meldpost ten onrechte is genomen door de heer [bestuurder van de meldpost] als bestuurder aangezien er sprake was van een tegenstrijdig belang als bedoeld in artikel 2:239 leden 5 en 6 BW. Volgens [de vennootschap 1] had de heer [bestuurder van de meldpost] een persoonlijk belang bij de opzegging omdat hij tevens eigenaar was van medeaandeelhouder [de vennootschap 2] Deze vennootschap kreeg, door het “wegvallen” van [de vennootschap 1] , de beschikking over een groter aandeel in het ziekenvervoer voor verzekerden van CZ. Dit belang van de heer [bestuurder van de meldpost] is volgens [de vennootschap 1] strijdig met het belang van De Meldpost, welk belang onder meer is gelegen in een evenredige verdeling tussen de aandeelhouders van het ziekenvervoer voor verzekerden van CZ. Volgens [de vennootschap 1] had, gelet op dit tegenstrijdige belang, het besluit tot opzegging genomen moeten worden door de Raad van Commissarissen van De Meldpost. Nu dit niet is gebeurd, is het opzeggingsbesluit nietig (artikel 2:14 BW) dan wel vernietigbaar (artikel 2:15 BW).

3.8.2.

Naar het oordeel van het hof heeft [de vennootschap 1] haar stelling dat er bij het besluit tot opzegging sprake is geweest van een tegenstrijdigheid in het belang van de heer [bestuurder van de meldpost] enerzijds en van De Meldpost anderzijds, onvoldoende onderbouwd. In het bijzonder is onvoldoende onderbouwd dat het opzeggingsbesluit zou zijn ingeven door de wens van de heer [bestuurder van de meldpost] om het vervoersaandeel van [de vennootschap 1] over te nemen. Door De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] is niet, dan wel onvoldoende weersproken gesteld dat het [de vennootschap 1] vrijstond om, na het einde van de overeenkomst met De Meldpost, rechtstreeks afspraken met CZ te maken over het ziekenvervoer. Voor zover [de vennootschap 1] bedoeld heeft te stellen dat dit niet mogelijk was voor haar, heeft zij die stelling onvoldoende onderbouwd.

Hier komt bij dat De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] gemotiveerd hebben betwist dat het opzeggingsbesluit was bedoeld om het vervoersaandeel van [de vennootschap 1] over te nemen. Zij stellen dat het besluit juist is genomen in het belang van De Meldpost, aangezien de relatie tussen [de vennootschap 1] en de andere deelnemende vervoerders ernstig was verstoord doordat [de vennootschap 1] de verdeling via de meldpost doorkruiste door zelf ziekenvervoer te werven en uit te voeren, door zijn slechtste chauffeurs in te zetten voor het vervoer via De Meldpost en door meer in het algemeen aan te sturen op de teloorgang van De Meldpost, die door [de vennootschap 1] “een dood paard” werd genoemd. Ter onderbouwing hiervan hebben De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] verwezen naar de notulen van de aandeelhoudersvergaderingen van 23 april 2013 en 17 september 2013 (producties 4 en 5 bij memorie van antwoord).

In dit licht bezien heeft [de vennootschap 1] onvoldoende aangevoerd om haar stelling dat bij de opzegging van de overeenkomst sprake is geweest van een tegenstrijdig belang, te kunnen aanvaarden.

3.8.3.

Het voorgaande betekent dat van een nietig besluit in de zin van artikel 2:14 BW geen sprake is.

3.8.4.

De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] hebben terecht aangevoerd dat een eventuele bevoegdheid van [de vennootschap 1] om op basis van artikel 2:15 BW het opzeggingsbesluit te vernietigen is vervallen, dit gelet op de vervaltermijn van één jaar in het vijfde lid van artikel 2:15 BW. Immers: de opzegging is op 26 september 2013 aan [de vennootschap 1] meegedeeld terwijl het beroep op vernietiging eerst is gedaan bij conclusie van repliek d.d. 7 januari 2015. Reeds om die reden kan ook dit onderdeel van de stellingen van [de vennootschap 1] niet worden aanvaard.

3.9.1.

[de vennootschap 1] stelt zich – onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Hoge Raad – op het standpunt dat de duurovereenkomst zoals deze tussen [de vennootschap 1] en De Meldpost bestond, niet opzegbaar was. Zij baseert dit standpunt op de aard van de overeenkomst en de bedoeling van de vervoerders die De Meldpost in 1996 hebben opgericht.

3.9.2.

Hieromtrent overweegt het hof dat, ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer, recent, HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1270) een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst in beginsel opzegbaar is, ook indien – zoals in dit geval – de wet en die overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging. Wel kan een zodanige overeenkomst naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar zijn. Op degene die zich daarop beroept rust stelplicht en bewijslast ter zake.

3.9.3.

Ter onderbouwing van haar stelling dat de overeenkomst tussen De Meldpost en de betrokken vervoerders niet opzegbaar was voert [de vennootschap 1] aan dat de vervoerders, waaronder [de vennootschap 1] , hun aandeel in het ziekenvervoer voor verzekerden van CZ onherroepelijk hebben overgedragen aan De Meldpost. Opzegging door De Meldpost betekent volgens [de vennootschap 1] dat de desbetreffende vervoerder niet meer kan beschikken over zijn aandeel in het ziekenvervoer voor verzekerden van CZ.

3.9.4.

De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] hebben dit standpunt bestreden. Zij hebben erop gewezen dat het [de vennootschap 1] vrij stond om na het einde van de overeenkomst met De Meldpost zelfstandig afspraken met CZ te maken. Tevens hebben zij erop gewezen dat [de vennootschap 1] dergelijke afspraken ook daadwerkelijk heeft gemaakt; immers: uit haar website (productie 15 bij memorie van antwoord) blijkt dat [de vennootschap 1] óók voor verzekerden van CZ het ziekenvervoer verzorgt. Dit laatste is door [de vennootschap 1] niet weersproken.

Het hof acht verder van belang dat door De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] onweersproken is gesteld dat in de loop van de jaren meerdere vervoerders de overeenkomst met De Meldpost hebben beëindigd.

In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat de stelling van [de vennootschap 1] dat de overeenkomst met De Meldpost niet opzegbaar zou zijn, onvoldoende is onderbouwd en om die reden niet kan worden aanvaard.

3.10.1.

Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (onder meer weergegeven in het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2017) kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat.

[de vennootschap 1] stelt zich op het standpunt dat in het onderhavige geval voor de opzegging een zwaarwegende grond was vereist; De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] hebben dit bestreden.

3.10.2.

Bij de beoordeling van dit geschilpunt stelt het hof voorop dat stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die de eis van een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging rechtvaardigen, bij [de vennootschap 1] ligt.

Het hof acht voor de beoordeling van belang dat de overeenkomst zoals die bestond tussen [de vennootschap 1] en De Meldpost slechts betrekking had op een naar verhouding gering deel van de vervoersactiviteiten van [de vennootschap 1] , namelijk op het ziekenververvoer voor verzekerden van CZ. Zelf stelt [de vennootschap 1] dat zij voor dat vervoer gemiddeld drie auto’s met chauffeur beschikbaar hield. Uit het uittrekstel van de Kamer van Koophandel met betrekking tot [de vennootschap 1] (productie 1 memorie van grieven) en uit haar website (producties 15 en 16 bij memorie van antwoord) blijkt dat de activiteiten van [de vennootschap 1] niet alleen liggen op het terrein van het ziekenvervoer (voor verzekerden van een groot aantal verzekeraars), maar mede op het terrein van regulier taxivervoer, schoolvervoer, directievervoer, touringcars en verhuur. Uit de informatie op haar website blijkt dat zij de beschikking heeft over 80 tot 85 voertuigen. Verder blijkt uit een overzicht van de concernrelaties van [de vennootschap 1] (door haar als productie 24 overgelegd bij pleidooi) dat [de vennootschap 1] onderdeel is van een 12-tal vennootschappen die direct of indirect betrokken zijn bij personenvervoer.

Onder deze omstandigheden heeft [de vennootschap 1] onvoldoende onderbouwd dat de beëindiging van de overeenkomst met De Meldpost ernstige gevolgen heeft gehad voor haar bedrijfsvoering. Jaarstukken of andere financiële gegevens waaruit die gevolgen zouden kunnen blijken zijn niet overgelegd. Van belang in dit verband is dat De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] onweersproken hebben gesteld dat uit de gepubliceerde jaarcijfers van [de vennootschap 1] blijkt dat haar eigen vermogen na de beëindiging van de overeenkomst met De Meldpost niet is afgenomen maar juist toegenomen.

3.10.3.

[de vennootschap 1] stelt wel dat zij als gevolg van de opzegging door De Meldpost personeel heeft moeten ontslaan en dat zij dit niet direct heeft kunnen realiseren waardoor zij loonkosten voor chauffeurs heeft gehad waar geen inkomsten tegenover stonden doordat [de vennootschap 1] aan hen geen ritten kon toedelen, maar ook die stelling acht het hof, gelet op hetgeen in de vorige rechtsoverweging is overwogen en in het licht van het door De Meldpost op dit punt gevoerde verweer (zie onder andere punt 104 van de memorie van antwoord), onvoldoende onderbouwd. De brieven die [de vennootschap 1] als productie 33 bij gelegenheid van het pleidooi in het geding heeft gebracht acht het hof als onderbouwing ontoereikend, aangezien die brieven voor het merendeel zien op de beëindiging van arbeidsovereenkomsten op eigen verzoek van werknemers en voor het overige op het aflopen van tijdelijke contracten. Dat [de vennootschap 1] haar personeelsbestand heeft moeten inkrimpen en loonkosten heeft gehad voor overtollige chauffeurs die zij geen ritten meer heeft kunnen toedelen als gevolg van de opzegging door De Meldpost, kan hieruit niet worden afgeleid.

3.10.4.

Voor zover door [de vennootschap 1] in 1996 investeringen zijn gedaan met het oog op de oprichting van De Meldpost moeten deze geacht worden te zijn terugverdiend na 17 jaar. Het tegendeel is in elk geval niet gesteld door [de vennootschap 1] .

3.10.5.

Het hof acht verder nog van belang dat de stelling van De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] dat het [de vennootschap 1] vrijstond na de opzegging zelfstandig afspraken over ziekenvervoer te maken met CZ, onvoldoende door [de vennootschap 1] is weersproken. Zij heeft weliswaar (als productie 14 bij memorie van grieven) een e-mail van CZ d.d. 7 december 2015 in het geding gebracht inhoudende dat vanaf januari 2014 tot en met de datum van de e-mail geen ritten zijn gedeclareerd en door CZ zijn vergoed onder AGB-code [AGB-code] (de AGB-code van [de vennootschap 1] ), maar gelet op het reeds vermelde feit dat [de vennootschap 1] onderdeel uitmaakt van een conglomeraat van vennootschappen en het als onbetwist vaststaande feit dat [de vennootschap 1] ook over andere AGB-codes bij CZ beschikte, betekent dit geenszins dat [de vennootschap 1] , of een aan haar gelieerde vennootschap, geen ritten meer voor verzekerden van CZ heeft uitgevoerd na de opzegging door De Meldpost (in de regio [regio] ). Dit geldt temeer nu, zoals vermeld, uit de website van [de vennootschap 1] blijkt dat zij in ieder geval op 22 februari 2016 (datum print website) ziekenvervoer voor verzekerden van CZ verzorgde.

3.10.6.

Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging van de overeenkomst tussen [de vennootschap 1] en De Meldpost, niet was vereist.

3.11.

Op basis van hetgeen hiervoor onder 3.10.2 tot en met 3.10.5 is overwogen concludeert het hof tevens dat er onvoldoende grond is om te concluderen dat een langere opzegtermijn in acht had moeten worden genomen dan de drie maanden die De Meldpost heeft gehanteerd of dat de opzegging gepaard had moeten gaan met een aanbod tot betaling van schadevergoeding.

3.12.1.

[de vennootschap 1] heeft ook nog aangevoerd dat De Meldpost met de opzegging van de overeenkomst in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 2:8 BW, inhoudende dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en de billijkheid wordt gevorderd.

3.12.2.

Het hof overweegt hieromtrent allereerst dat de opzegging van de overeenkomst niet was gericht tegen [de vennootschap 1] als aandeelhouder maar als (contractueel) deelnemende vervoerder in De Meldpost. Artikel 2:8 BW mist in zoverre toepassing.

Hierbij komt dat [de vennootschap 1] de strijdigheid met artikel 2:8 BW baseert op haar stelling dat de opzegging van de overeenkomst met De Meldpost was ingegeven door de wens van de heer [bestuurder van de meldpost] (en de andere aandeelhouders) om het aandeel van [de vennootschap 1] in het ziekenvervoer over te nemen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 3.8.2 volgt, dat deze stelling van [de vennootschap 1] , die door De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] gemotiveerd is weersproken, onvoldoende is onderbouwd en daarom niet kan worden aanvaard.

3.12.3.

De conclusie is dat de stelling van [de vennootschap 1] dat de opzegging van de overeenkomst door De Meldpost strijdig is met artikel 2:8 BW, moet worden verworpen.

3.13.

[de vennootschap 1] stelt dat zowel De Meldpost als [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] zich schuldig hebben gemaakt aan een onrechtmatige daad jegens haar, aangezien de beëindiging van de relatie tussen De Meldpost en [de vennootschap 1] erop was gericht het aandeel van [de vennootschap 1] in het ziekenvervoer voor verzekerden van CZ over te hevelen naar [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.]

Uit hetgeen in het voorgaande is overwogen volgt dat deze stelling van [de vennootschap 1] - als onvoldoende onderbouwd – niet kan worden aanvaard. Hierbij komt dat door [de vennootschap 1] eveneens onvoldoende is onderbouwd dat zij door de beweerdelijke onrechtmatige gedraging van De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] schade zou hebben geleden.

Dit betekent dat de stelling van [de vennootschap 1] dat De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] zich schuldig hebben gemaakt aan een onrechtmatige daad zoals hiervoor bedoeld, moet worden verworpen.

3.14.1.

[de vennootschap 1] heeft verder nog aangevoerd dat [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld wegens het voeren van misleidende reclame (artikel 6:194 BW) waartoe zij aanvoert dat [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] zich, na de opzegging van de overeenkomst tussen De Meldpost en [de vennootschap 1] , naar buiten toe hebben gepresenteerd als De Meldpost. Volgens [de vennootschap 1] is hierbij sprake geweest van ondergraving van haar concurrentiepositie.

3.14.2.

Hieromtrent overweegt het hof dat – nog afgezien van het feit dat niet valt in te zien dat de presentatie van [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] naar buiten toe als Meldpunt als onrechtmatig moet worden aangemerkt – door [de vennootschap 1] op geen enkele wijze is onderbouwd dat zij door deze handelwijze van [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] schade zou hebben geleden, zodat reeds om die reden de hier bedoelde stelling van [de vennootschap 1] niet kan worden aanvaard.

3.15.

De conclusie is dat de grieven 3, 4 en 5 van [de vennootschap 1] falen.

Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. [de vennootschap 1] is door de rechtbank terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat ook de zesde grief van [de vennootschap 1] faalt.

De in hoger beroep geformuleerde vorderingen van [de vennootschap 1] komen niet voor toewijzing in aanmerking.

3.16.

[de vennootschap 1] heeft in hoger beroep een bewijsaanbod gedaan. Er zijn door haar echter geen concrete feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die – mits bewezen – tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Om die reden wordt het bewijsaanbod van [de vennootschap 1] door het hof gepasseerd.

3.17.

[de vennootschap 1] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 10 juni 2015;

wijst af hetgeen door [de vennootschap 1] in hoger beroep is gevorderd;

veroordeelt [de vennootschap 1] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van De Meldpost en [geintimeerden onder 2 t/m 12 c.s.] op € 1.937,- aan griffierecht en op € 4.893,- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, D.A.E.M. Hulskes en A.C. Metzelaar en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 januari 2018.

griffier rolraadsheer