Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2364

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-06-2018
Datum publicatie
06-06-2018
Zaaknummer
200.201.815_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag. Opzegging na drie jaar (in verband met een loonsanctie van het UWV) arbeidsongeschiktheid. Geen causaal verband tussen het nalaten om re integratieverplichtingen voldoende voortvarend uit te voeren en de gestelde inkomensschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0636
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.201.815/01

arrest van 5 juni 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. G.H. Teiken te Sittard,

tegen

[Group] Group B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mw. mr. M.E.B.C. Daudt te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 30 juni 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 6 april 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4460291 \ CV EXPL 15-9267)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven d.d. 17 januari 2017;

  • -

    de memorie van antwoord d.d. 28 maart 2017 met drie producties;

  • -

    de akte zijdens [appellant] van 9 mei 2017 met twee producties;

  • -

    de akte van [geïntimeerde] van 6 juni 2017 met twee producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Het hof gaat bij de beoordeling uit van de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feitenvaststelling in eerste aanleg.

  1. [appellant] is op 10 oktober 1994 in de functie van productiemedewerker bij [geïntimeerde] in dienst getreden en is laatstelijk werkzaam geweest in de functie van productiemedewerker B tegen een salaris van € 2.819,24 bruto per maand.

  2. Op 26 augustus 2011 heeft zich op de werkplek een voorval voorgedaan, waarbij eiser de macht over zijn benen kwijt is geraakt en waardoor hij arbeidsongeschikt is geraakt.

  3. Bij beslissing van het UWV is de loondoorbetalingsverplichting voor [geïntimeerde] verlengd tot 12 augustus 2014, waarna aan [appellant] bij beslissing van het UWV d.d. 26 september 2014 een WIA-uitkering is toegekend.

  4. Bij beslissing van het UWV van 27 november 2014 heeft [geïntimeerde] toestemming gekregen om de arbeidsovereenkomst met [appellant] op te zeggen, waarna [geïntimeerde] deze heeft opgezegd met ingang van 1 maart 2015.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] een verklaring voor recht dat het hem gegeven ontslag kennelijk onredelijk is in de zin van artikel 7:681, lid 2 onder b BW(oud), met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van primair € 340.656,63, subsidiair € 154.139,99, meer subsidiair een in redelijke justitie vast te stellen schadevergoeding, alles vermeerderd met rente en kosten als vermeld in het petitum onder de dagvaarding in eerste aanleg en voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is, omdat onder de door hem aangevoerde omstandigheden een te grote discrepantie bestaat tussen het met het ontslag gediende belang van [geïntimeerde] en de gevolgen die het ontslag voor hem hebben (gevolgencriterium).

3.2.2.

[geïntimeerde] heeft – samengevat – tot verweer aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst onder de gegeven omstandigheden niet kennelijk onredelijk is opgezegd. Van een verplichting om op die grond schade te vergoeden is volgens [geïntimeerde] geen sprake.

3.2.3.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter [geïntimeerde] in haar verweer gevolgd, de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

3.3.

[appellant] heeft in hoger beroep één grief aangevoerd en heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen. [appellant] zegt het bestreden vonnis ten volle aan de beoordeling van het hof te willen voorleggen, maar dit is niet voldoende om een niet of onvoldoende gepreciseerd geschilpunt in hoger beroep (opnieuw) te laten beoordelen. [appellant] hoeft geen grieven te benoemen, maar moet wel duidelijk maken tegen welke rechterlijke beslissingen hij opkomt, welke bezwaren hij daarvoor aanvoert en op welke gronden hij die bezwaren baseert. Dat moet ook voor [geïntimeerde] kenbaar zijn. Het hof gaat om die reden voorbij aan de opmerking van [appellant] dat hij het geschil in volle omvang aan het hof voor wenst te leggen.

3.4.

In de memorie van grieven voert [appellant] aan dat hem op 16 augustus 2011 een bedrijfsongeval is overkomen, als gevolg waarvan hij arbeidsongeschikt is geworden. [geïntimeerde] heeft vervolgens verzuimd om haar reïntegratieverplichtingen na te komen, waarvoor het UWV haar een loonsanctie heeft opgelegd. Bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft [geïntimeerde] geen enkele voorziening voor hem getroffen, hoewel hij op dat moment al 20 jaar bij [geïntimeerde] in dienst was en volledig arbeidsongeschikt. Daardoor is volgens [appellant] onvoldoende compensatie, laat staan genoegdoening, verstrekt.

3.5.

Het hof is van oordeel dat de enkele blote kwalificatie als “bedrijfsongeval” van het voorval van 26 augustus 2011 onder nummer 7 op pagina 3 van de memorie van grieven niet kan worden beschouwd als een voor [geïntimeerde] duidelijk kenbare grief tegen het oordeel van de kantonrechter (pagina 4, tweede alinea) dat het voorval geen arbeidsongeval is geweest, dat er achteraf sprake blijkt te zijn van een acute hernia en dat die hernia niet valt terug te leiden tot de werkzaamheden of werkomstandigheden zoals die voor [appellant] hebben bestaan, zodat die hernia niet aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend. Dit geldt temeer, nu [appellant] bij het formuleren van zijn expliciete grief vermeldt dat deze zich richt tegen de laatste alinea van pagina 3 van het bestreden vonnis en de eerste en derde alinea van pagina 4 van dat vonnis. Deze grief is dus expliciet niet gericht tegen hetgeen de kantonrechter heeft overwogen in de tweede alinea van pagina 4 van het bestreden vonnis.

Voor zover uit de betwisting van deze kwalificatie door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord toch zou mogen worden afgeleid dat [geïntimeerde] deze blote kwalificatie als een grief heeft opgevat, merkt het hof op dat [appellant] in hoger beroep op geen enkele wijze onderbouwt waarom, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, het voorval op 26 augustus 2011 wel een bedrijfsongeval is geweest en/of in verband heeft gestaan met zijn werkzaamheden of de omstandigheden waaronder deze moesten worden uitgevoerd. Als de kwalificatie van het voorval in nr. 7 van de memorie van grieven al als een grief zou moeten worden beschouwd, faalt de grief bij gebrek aan enige (feitelijke) onderbouwing. Het hof gaat er daarom in het vervolg met de kantonrechter van uit dat geen causaal verband bestaat tussen de arbeidsongeschiktheid van [appellant] en de werkzaamheden die hij moest uitvoeren of de omstandigheden waaronder dat gebeurde.

3.6.

In de toelichting op de geformuleerde grief voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte meegaat in het door [geïntimeerde] gevoerde verweer dat er geen relatie bestaat tussen het niet nakomen van de reïntegratieverplichtingen door [geïntimeerde] en de financiële situatie waarin [appellant] nu is komen te verkeren. Het hof merkt op dat de kantonrechter als uitgangspunt bij de beoordeling van het gevolgencriterium neemt dat [appellant] , ook als de arbeidsovereenkomst niet zou zijn opgezegd, vanaf augustus 2014 geen aanspraak meer zou hebben kunnen maken op loonbetalingen door [geïntimeerde] en dat in zoverre de wijziging in zijn financiële situatie geen gevolg is van de opzegging van de arbeidsovereenkomst, maar van zijn arbeidsongeschiktheid, die is ontstaan door een voorval waarvan de oorzaak niet als bedrijfsongeval of anderszins aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend

3.7.

[appellant] wijst erop dat [geïntimeerde] een loonsanctie is opgelegd wegens het niet nakomen van haar reïntegratieverplichtingen. [appellant] stelt echter niet dat zijn gezondheidstoestand bij het wel nakomen van haar reïntegratieverplichtingen door [geïntimeerde] zodanig zou zijn verbeterd dat hij zijn werkzaamheden of andere passende arbeid bij [geïntimeerde] of mogelijk bij een andere werkgever zou hebben kunnen hervatten. Het hof merkt in dit verband op dat [appellant] in eerste aanleg bij repliek niet heeft weersproken dat, zoals [geïntimeerde] bij conclusie van antwoord heeft aangevoerd, [geïntimeerde] in samenspraak met de bedrijfsarts voor hem een uitvoerig re-integratietraject in haar eigen onderneming heeft opgezet, maar dat uiteindelijk de conclusie van een arbeidsdeskundige is geweest dat hervatting in het eigen of ander passend werk bij [geïntimeerde] niet meer mogelijk was en dat spoor twee ingezet diende te worden.

3.8.

Met andere woorden: niet gesteld is dat de (thans nog bestaande) mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald door het uitblijven van re-integratieinspanningen van [geïntimeerde] . Evemin heeft [appellant] gesteld dat een deugdelijke nakoming van de voor [geïntimeerde] geldende verplichting om tot re-integratie via het 2e spoor te komen ertoe zou hebben geleid dat hij in een financieel betere situatie terecht zou zijn gekomen. Blijkens de beslissing van het UWV van 23 december 2016 was [appellant] eind 2016 nog altijd voor 100% arbeidsongeschikt. Dat dat op dit moment anders zou zijn, is niet gebleken. Zonder nadere motivering waarom dat anders zou zijn, welke motivering ontbreekt, maakt dat voorshands aannemelijk dat ook een naar het inzicht van [appellant] deugdelijke nakoming van de re-integratieverplichtingen door [geïntimeerde] via het zogenaamde “2e spoor” niet tot een andere situatie zou hebben geleid dan die waarin [appellant] zich nu bevindt.

3.9.

Met de kantonrechter constateert het hof dat de gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst hun oorzaak niet vinden in de opzegging van die overeenkomst, maar in de daaraan ten grondslag liggende arbeidsongeschiktheid van [appellant] , waarvan niet is gebleken dat die is ontstaan als gevolg van een oorzaak die aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend. Ook indien de arbeidsovereenkomst niet zou zijn opgezegd, zou [appellant] na 26 augustus 2014 geen aanspraak meer hebben gehad op loon en aangewezen zijn op een sociale uitkering. Dat dit anders zou zijn geweest wanneer [geïntimeerde] haar verplichtingen om re-integratie via het tweede spoor voortvarender zou hebben nageleefd, is niet aannemelijk, mede gelet op de omstandigheid dat [appellant] nu nog steeds voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Feiten of omstandigheden op grond waarvan anders moet of kan worden geoordeeld zijn door [appellant] niet gesteld. Het hof kan niet vaststellen dat de omstandigheid die heeft geleid tot het opleggen van een loonsanctie van invloed is geweest op (de mate van) het inkomensverlies van [appellant] . De grief die – volgens het hof – de strekking heeft om dit te betogen, faalt.

3.10.

Het voorgaande brengt met zich mee dat het hoger beroep niet kan slagen. Het hof zal de bestreden beslissing bekrachtigen. [appellant] heeft ook in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij te gelden en zal om die reden worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep, waarbij het hof de ingangstermijn voor de gevorderde wettelijke rente over die kosten zal bepalen op 14 dagen na de uitspraak van dit arrest.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 5.213,= aan griffierecht en op € 5.878,50 aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, R.J.M. Cremers en H.AE. Uniken Venema en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 juni 2018.

griffier rolraadsheer