Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2308

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-05-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
200.202.645_01 en 200.202.652_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; afwikkeling huwelijkse voorwaarden; vergoedingsrecht; kinder- en partneralimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 31 mei 2018

Zaaknummers: 200.202.645/01 en 200.202.652/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/287490 FA RK 14-6678_2

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. K.E. Centen-Mölgaard,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: [verweerster] ,

advocaat: mr. M.P.L.M. Buijsrogge.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 29 juli 2016, alsmede naar de tussenbeschikking van de rechtbank van 11 december 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 oktober 2016, heeft [appellante] verzocht voormelde beschikking van 29 juli 2016 te vernietigen (voor zover het betreft de kinder- en partneralimentatie, alsmede de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden) en opnieuw rechtdoende:

- te bepalen dat [verweerster] dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] met een bedrag van € 402,-- per maand, althans met een bedrag per maand dat het hof juist acht, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, dan wel met ingang van een datum die het hof juist acht, bij vooruitbetaling te voldoen en voor het eerst te indexeren per 1 januari 2017;

- te bepalen dat [verweerster] dient bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van [appellante] met een bedrag van € 371,-- per maand, althans met een bedrag per maand dat het hof juist acht, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, dan wel met ingang van een datum die het hof juist acht, bij vooruitbetaling te voldoen en voor het eerst te indexeren per 1 januari 2017;

- de verdeling van de eenvoudige gemeenschap met betrekking tot de eenmanszaak van [appellante] en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te bepalen zoals in punt 29 van het beroepschrift beschreven.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 13 januari 2017, gewijzigd bij brief van 11 januari 2017, heeft [verweerster] verzocht het hoger beroep van [appellante] af te wijzen.

Tevens heeft [verweerster] incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de partneralimentatie en opnieuw rechtdoende:

  • -

    primair het inleidend verzoek tot partneralimentatie van [appellante] af te wijzen;

  • -

    subsidiair de duur van de onderhoudsverplichting van [verweerster] jegens [appellante] te bepalen op twee jaar, zodat deze eindigt twee jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de burgerlijke stand.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 28 maart 2017, heeft [appellante] verzocht om [verweerster] in haar incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het incidenteel appel van [verweerster] ongegrond te verklaren.

2.2.2.

Voorts heeft [appellante] haar verzoek in principaal appel gewijzigd waar het betreft haar verzoek aangaande de verdeling van de eenvoudige gemeenschap, met dien verstande dat zij thans verzoekt de verdeling van de eenvoudige gemeenschap en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te bepalen zoals in punt 22 van het verweerschrift in incidenteel appel beschreven.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 november 2017.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellante] , bijgestaan door mr. Centen-Mölgaard;

  • -

    [verweerster] , bijgestaan door mr. Buijsrogge.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 4 augustus 2015;

  • -

    de brief van de advocaat van [verweerster] d.d. 11 januari 2017;

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van [appellante] d.d. 26 oktober 2017 met als bijlage de (tussen)beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 december 2015;

  • -

    de ter zitting in hoger beroep door de advocaat van [appellante] overgelegde draagkrachtberekening.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.1.

Partijen zijn op 23 april 2012 te Westervoort na het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

3.1.2.

De huwelijkse voorwaarden houden onder meer het volgende in:

Algehele uitsluiting

Artikel 1

De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

(…)

Vergoedingen

Artikel 4

De echtgenoten zijn, voor zover zij niet anders overeenkomen, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het

vermogen van de ene echtgenote is onttrokken ten bate van de andere echtgenote, naar de waarde op de dag van

de onttrekking. Deze vergoeding is terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen

verzetten.

(…)

Afrekening aan het einde van het huwelijk

Artikel 9

  1. Ingeval het huwelijk wordt ontbonden of tussen de echtgenoten scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, vindt er verrekening van hun vermogens plaats zo, dat ieder van de partijen gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe zij gerechtigd zou zijn indien tussen de echtgenoten de wettelijk gemeenschap van goederen had bestaan.

  2. De verrekening heeft plaats naar de toestand ten tijde van de ontbinding van het huwelijk door de dood of ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, naar de toestand per de aanvang van de dag van het instellen van een verzoekschrift daartoe. (…)

  3. Het vermogen van ieder van de echtgenoten bestaat uit het saldo van haar bezittingen en schulden. (…)

(…)

5. Geen verrekening vindt plaats indien op het tijdstip van de ontbinding van het huwelijk (…) het vermogen van een van de echtgenoten negatief is, (…)

(…)”

3.1.3.

Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] . [verweerster] is de biologische moeder van [minderjarige] . Bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 5 november 2012 is de adoptie uitgesproken van [minderjarige] door [appellante] .

3.2.1.

Op 11 december 2014 is door [appellante] een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant.

3.2.2.

Bij beschikking van 11 december 2015 is daarop onder meer de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 6 juni 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij de bestreden beschikking van 29 juli 2016 heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang:

  • -

    bepaald dat [verweerster] € 134,23 per maand dient te betalen aan [appellante] als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

  • -

    bepaald dat [verweerster] € 187,-- per maand dient te betalen aan [appellante] als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

  • -

    de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap en de wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden gelast als bepaald in rov. 2.5.5 ‘Eenvoudige gemeenschap en afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden’ in de beschikking van 11 december 2015 en in ‘Verdeling van de eenvoudige gemeenschap en afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden’ in de bestreden beschikking van 29 juli 2016;

  • -

    het meer of anders verzochte afgewezen.

De bijdrage voor [minderjarige] en [appellante] belopen ingevolge de wettelijke indexering op dit moment € 139,11 per maand, respectievelijk € 193,79 per maand.

3.4.

Partijen kunnen zich (op onderdelen) met deze beslissingen niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

[appellante] heeft in haar principaal appel vier grieven gericht tegen de bestreden beschikking. [verweerster] heeft in haar incidenteel appel eveneens appel vier grieven gericht tegen de beschikking waarvan beroep. De grieven zien op de volgende onderwerpen:

  • -

    kinder- en partneralimentatie (grieven 1 tot en met 3 principaal appel, grieven 1 tot en met 4 incidenteel appel);

  • -

    afwikkeling huwelijkse voorwaarden: vergoedingsrecht (grief 4 principaal appel).

3.6.

Het hof zal deze onderwerpen hierna bespreken.

Kinder- en partneralimentatie

(grieven 1 tot en met 3 principaal appel, grieven 1 tot en met 4 incidenteel appel)

Ingangsdatum

3.7.1.

De ingangsdatum van de door de rechtbank vastgestelde onderhoudsbijdragen, zijnde de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, te weten 6 juni 2016, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

Kinderalimentatie

Behoefte [minderjarige]

3.7.2.

Ter zitting in hoger beroep hebben partijen onderling de behoefte van [minderjarige] vastgesteld op € 509,-- per maand. Mitsdien gaat het hof daar van uit.

Draagkracht

3.7.3.

Bij het bepalen van het aandeel van partijen in de kosten van [minderjarige] dient de draagkracht van zowel [verweerster] als [appellante] in de beoordeling te worden betrokken.

Het hof zal, met inachtneming van de door [appellante] en [verweerster] geformuleerde grieven, deze draagkracht beoordelen.

Draagkracht [verweerster]

3.7.4.

Partijen zijn het erover eens dat ter bepaling van het netto besteedbaar inkomen van [verweerster] uitgegaan kan worden van een inkomen van € 3.202,-- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Rekening houdende met de op het salaris ingehouden (pensioen)premies (€ 256,48, € 10,91 en € 2,84), alsmede met de algemene heffingskorting en arbeidskorting, stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van [verweerster] vast op een bedrag van € 2.322,-- per maand. Uitgaande van dit netto besteedbaar inkomen becijfert het hof aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 890)] de draagkracht van [verweerster] op afgerond € 515,-- per maand.

Draagkracht [appellante]

3.7.5.

[appellante] heeft een eenmanszaak. Gedurende 24 uur per week werkt zij in de schoonmaakbranche en geeft zij kralenworkshops. Nu [verweerster] het inkomen van [appellante] , zoals dit blijkt uit de door [appellante] ter zitting in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening, niet heeft betwist, gaat het hof daar van uit.

Het gaat om het volgende inkomen:

  • -

    € 2.476,-- aan (te verwachten beschikbare) winst uit onderneming;

  • -

    € 14.587,-- aan netto inkomsten.

[appellante] heeft in ieder geval recht op de volgende heffingskortingen:

  • -

    de algemene heffingskorting;

  • -

    de arbeidskorting.

Het hof is van oordeel dat, voor zover dat nog niet het geval is, van [appellante] verwacht mag worden dat zij tenminste 1225 uur per jaar besteedt aan haar onderneming, zodat zij daarnaast recht heeft op:

  • -

    de zelfstandigenaftrek;

  • -

    MKB-winstvrijstelling.

Het vorenstaande levert een netto besteedbaar inkomen van [appellante] op van € 17.063,-- per jaar oftewel € 1.422,-- per maand.

Met dit inkomen komt [appellante] in aanmerking voor een kindgebonden budget van

€ 4.104,-- op jaarbasis, ofwel omgerekend € 342,-- per maand. Het netto besteedbaar inkomen dient te worden verhoogd met het te ontvangen kindgebonden budget, zodat het netto besteedbaar inkomen van [appellante] kan worden vastgesteld op € 1.764,-- netto per maand.

Uitgaande van dit netto besteedbaar inkomen becijfert het hof aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 890)] de draagkracht van [appellante] op afgerond € 241,-- per maand.

3.7.6.

Op basis van het vorenstaande komt het hof tot de volgende verdeling van de kosten voor de kinderen over beide ouders:

het eigen aandeel van [verweerster] bedraagt:

€ 515 / € 756 x € 509 = € 347,--

het eigen aandeel van [appellante] bedraagt:

€ 241 / € 756 x € 509 = € 162,--

samen € 509,--

Derhalve komt van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige] een gedeelte van € 347,-- per maand voor rekening van [verweerster] en een gedeelte van € 162,-- per maand voor rekening van [appellante] .

Zorgkorting

3.7.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerster] aanspraak heeft op zorgkorting.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat partijen het eens zijn over een percentage van 25%. Nu de behoefte van [minderjarige] € 509,-- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting afgerond € 127,-- per maand.

Het hiervóór berekende eigen aandeel van [verweerster] van € 347,-- wordt verminderd met voormeld bedrag van € 127,--. Het hof stelt de door [verweerster] te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] derhalve vast op € 220,-- per maand.

Partneralimentatie

Behoefte [appellante]

3.7.8.

De door de rechtbank becijferde huwelijksgerelateerde behoefte van [appellante] van € 1.642,55 netto per maand is in hoger beroep niet in geschil.

Behoeftigheid [appellante]

3.7.9.

De aanvullende behoefte van [appellante] , door de rechtbank becijferd op € 211,-- bruto per maand, is in geschil. Onder verwijzing naar hetgeen het hof hiervóór heeft overwogen in rov. 3.7.5, gaat het hof aan de zijde van [appellante] uit van een netto besteedbaar inkomen van € 1.422,-- per maand. Aldus becijfert het hof de aanvullende behoefte van [appellante] op een bedrag van € 220,55 netto per maand.

Draagkracht [verweerster]

3.7.10.

De draagkracht van [verweerster] is in geschil. Met betrekking tot de financiële situatie van [verweerster] gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

A. Inkomen van [verweerster]

Onder verwijzing naar rov. 3.7.4 hiervóór, gaat het hof uit van een inkomen van € 3.202,-- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

[verweerster] heeft recht op de volgende heffingskortingen:

  • -

    de algemene heffingskorting;

  • -

    de arbeidskorting,

maar niet meer dan de ingehouden loonheffing.

Het hof houdt eveneens rekening met de maandelijks op het salaris ingehouden (pensioen)premies van € 256,48, € 10,91 en € 2,84. Voorts houdt het hof rekening met het eigenwoningforfait van € 1.015,-- en de hypotheekrente betreffende de woning van [verweerster] .

B. Lasten van [verweerster]

Normbedrag Participatiewet

Het hof houdt rekening met het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Woonlasten

Nu partijen daar geen grieven tegen hebben gericht, gaat het hof uit van de navolgende maandelijkse lasten:

€ 711,83 aan hypotheekrente;

€ 95,-- aan (forfaitaire) overige eigenaarslasten.

Voorts houdt het hof rekening met een bedrag van € 116,-- per maand aan premie levensverzekering, nu uit de door [verweerster] als productie 14 bij haar verweerschrift in eerste aanleg overgelegde polis van Reaal Verzekeringen, blijkt dat de levensverzekering onverbrekelijk is verbonden met de hypothecaire geldlening.

Ziektekosten

Nu partijen daar geen grieven tegen hebben gericht, gaat het hof uit van de navolgende maandelijkse lasten:

€ 89,-- aan basispremie ZVW en € 39,-- aan aanvullende premie;

€ 30,-- aan verplicht eigen risico;

minus € 39,-- zijnde het in het normbedrag Participatiewet begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

Kosten kinderopvang

Het hof houdt voorts rekening met de niet met een grief bestreden kosten kinderopvang van € 350,-- per maand.

Vaststelling van de partneralimentatie

3.7.11.

Bovengenoemd inkomen van [verweerster] resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 2.605,-- per maand, waarbij rekening is gehouden met alle relevante fiscale aspecten.

3.7.12.

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft [verweerster] een draagkrachtruimte van € 465,-- per maand. Daarvan is 60% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage. Rekening houdende met de bijdrage die [verweerster] aan [appellante] moet betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 220,-- per maand, alsmede met het fiscale voordeel dat [verweerster] geniet doordat betaalde partneralimentatie geheel aftrekbaar is voor de inkomstenbelasting, hetgeen geheel ten goede dient te komen aan [appellante] , heeft [verweerster] de draagkracht om € 99,-- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van [appellante] . Met het betalen van deze onderhoudsbijdrage is de grens van de draagkracht van [verweerster] bereikt.

Limitering van de partneralimentatie

3.7.13.

[verweerster] voert aan dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek tot limitering van de partneralimentatie heeft afgewezen. [appellante] heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.7.14.

Het hof overweegt dat de onderhoudsverplichting van [verweerster] op grond van de Wet Limitering Alimentatie in beginsel twaalf jaar duurt. In verband met de ingrijpende gevolgen van limitering van deze termijn dienen hoge eisen te worden gesteld aan de te stellen en zo nodig te bewijzen bijzondere omstandigheden die limitering rechtvaardigen.

3.7.15.

Het hof is van oordeel dat de door [verweerster] gestelde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn, dat limitering gerechtvaardigd is. Wel kan, gelet op haar leeftijd, opleidingsniveau en werkervaring, van [appellante] worden verwacht dat zij met ingang van 1 juni 2019 volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [appellante] desgevraagd heeft verklaard dat zij verwacht binnen afzienbare tijd de omzet van haar eenmanszaak te kunnen verhogen. Het hof zal de alimentatieverplichting van [verweerster] jegens [appellante] dan ook met ingang van 1 juni 2019 op nihil stellen.

Terugbetaling partneralimentatie

3.7.16.

Nu het hof de onderhoudsverplichting met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum heeft verlaagd, dient het hof aan de hand van de ten processe gebleken feiten en omstandigheden te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Daarbij is het hof niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.

Bij de beoordeling in hoeverre van de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid terugbetaling van het te veel ontvangene kan worden verlangd, dient de rechter ook het belang van de onderhoudsplichtige om het teveel betaalde terug te krijgen in aanmerking te nemen.

3.7.17.

Daartoe overweegt het hof het navolgende. Voor zover [verweerster] vanaf 6 juni 2016 tot heden meer heeft betaald en/of er meer op haar is verhaald dan de onder 3.7.12 vermelde bijdrage, kan van [appellante] in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt. Daartoe is van belang dat de onderhoudsbijdragen geacht kunnen worden te zijn verbruikt overeenkomstig de behoefte van [appellante] .

Aanhechten berekeningen

3.7.18.

Het hof heeft financiële berekeningen gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden: vergoedingsrecht (grief 4 principaal appel)

3.8.1.

Grief 4 van [appellante] houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [verweerster] op grond van art. 4 van de huwelijkse voorwaarden een vergoedingsrecht heeft jegens [appellante] van € 16.258,80. Ter toelichting op haar grief voert [appellante] het volgende aan.

In de huwelijkse voorwaarden hebben partijen een finaal verrekenbeding opgenomen (art. 9).

Mits het vermogen van beide partijen positief is op het tijdstip van ontbinding van het huwelijk, houdt dit verrekenbeding in dat bij echtscheiding verrekening plaatsvindt van ieders vermogen, zodanig dat ieder van partijen gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die waartoe zij gerechtigd zou zijn indien tussen partijen de wettelijk gemeenschap van goederen had bestaan. Aangezien de vermogens van partijen positief zijn, moet op grond van het finaal verrekenbeding tussen partijen worden afgerekend. Voor een vergoedingsrecht is dan geen plaats meer.

3.8.2.

[verweerster] heeft het volgende verweer gevoerd.

Anders dan [appellante] betoogt, is het vermogen aan de zijde van [appellante] negatief, zodat op grond van art. 9 lid 5 van de huwelijkse voorwaarden geen verrekening plaatsvindt van ieders vermogen. Mitsdien dient [appellante] het aan [verweerster] toekomende vergoedingsrecht van € 16.258,80 te voldoen.

3.8.3.

Het hof oordeelt als volgt.

Als niet weersproken staat tussen partijen vast dat [verweerster] in totaal een bedrag van € 16.258,80 heeft geïnvesteerd in de onderneming van [appellante] . Mitsdien bestaat op grond van art. 4 van de huwelijkse voorwaarden voor [verweerster] recht op vergoeding van deze gelden. Dit vergoedingsrecht behoort in de vermogensopstelling van [verweerster] tot de actiefzijde en in de vermogensopstelling van [appellante] tot de passiefzijde.

Partijen zijn in de huwelijkse voorwaarden een finaal verrekenbeding overeengekomen (art. 9). Een vergoedingsrecht dient in zijn algemeenheid in de finale verrekening ex art. 9 te worden betrokken in die zin dat tot het vermogen van [verweerster] een vorderingsrecht van € 16.258,80 behoort en tot het vermogen van [appellante] een schuld van € 16.258,80, zodat partijen per saldo niets meer van elkaar te vorderen hebben. Voor finale verrekening is op grond van art. 9 lid 5 van de huwelijkse voorwaarden echter geen plaats indien op het tijdstip van ontbinding van het huwelijk het vermogen van een van de echtgenoten negatief is. Zoals hiervóór overwogen behoort het vergoedingsrecht van [verweerster] van € 16.258,80 in de vermogensopstelling van [appellante] tot de passiefzijde. [appellante] heeft geen c.q. onvoldoende stukken overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat op de datum van ontbinding van het huwelijk, [appellante] aan de actiefzijde van haar vermogensopstelling voldoende activa tegenover de schuld aan [verweerster] heeft staan. Het hof neemt dan ook als vaststaand aan dat het vermogen van [appellante] op het tijdstip van ontbinding van het huwelijk negatief is. Dit betekent dat tussen partijen geen verrekening op grond van het finaal verrekenbeding plaatsvindt. Mitsdien blijft [appellante] verplicht tot het vergoeden aan [verweerster] van de door [verweerster] in de onderneming van [appellante] geïnvesteerde gelden van in totaal € 16.258,80. Voor zover [appellante] heeft aangevoerd dat het beroep van [verweerster] op vergoeding van de door haar in de onderneming van [appellante] geïnvesteerde gelden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, heeft zij daarvoor onvoldoende gesteld, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Mitsdien faalt de grief.

Proceskosten

3.9.

De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 29 juli 2016, voor zover het de kinder- en partneralimentatie betreft,

en (in zoverre) opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat [verweerster] aan [appellante] als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , zal voldoen een bedrag van € 220,-- per maand met ingang van 6 juni 2016 (de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand), voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt dat [verweerster] aan [appellante] voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van € 99,-- per maand met ingang van 6 juni 2016 (de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand), voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt de door [verweerster] aan [appellante] te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 juni 2019 op nihil;

bepaalt dat [appellante] hetgeen zij ten titel van partneralimentatie teveel heeft ontvangen, niet aan [verweerster] hoeft terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, P.P.M. van Reijsen en M.A. Ossentjuk, bijgestaan door mr. A.C. Kaemingk als griffier, en is op 31 mei 2018 uitgesproken in het openbaar.