Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2300

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-05-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
200.216.895_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.216.895/01

zaaknummer rechtbank : C/01/316308/ FA RK 16-6720

beschikking van de meervoudige kamer van 31 mei 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: voorheen mr. Yilmaz-Altindag te Rotterdam, thans zonder proces-vertegenwoordiging,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A. Elias te Oisterwijk.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 maart 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen op 2 juni 2017, is de man in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen op 8 augustus 2017, heeft de vrouw verweer gevoerd.

2.3.

De minderjarige heeft bij brief, ingekomen ter griffie van het hof op 28 februari 2018, aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 17 april 2018 plaatsgevonden.

De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001 (hierna: [minderjarige 1] ),

- [minderjarige 2] , geboren te ’ [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003 (hierna: [minderjarige 2] ),

hierna ook: de kinderen.

3.3.

Bij beschikking van 19 januari 2007 heeft de rechtbank te ’s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk van partijen is op 8 maart 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 1 november 2016 bepaald op € 217,50 per kind per maand.

4.2.

De grieven van de man zien op zijn draagkracht.

De man verzoekt voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de bestreden beschikking wordt gewijzigd, in die zin dat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen, althans wordt toegewezen tot een door de man te leveren bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 45,- per kind per maand.

4.3.

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel zijn verzoeken af te wijzen als onvoldoende onderbouwd dan wel ongegrond.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

Ingangsdatum

5.2.

De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum is niet in geschil zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt, zijnde 1 november 2016.

Behoefte kinderen

5.3.

De door de vrouw in eerste aanleg gestelde behoefte van de kinderen in 2016 van € 1.087,- per maand, ofwel € 543,60 per kind per maand, is niet in geschil en staat daarmee vast.

Draagkracht

5.4.

De draagkracht van de vrouw, zoals door haarzelf in eerste aanleg is gesteld op € 518,- is niet in geschil en staat daarmee vast.

5.5.

Het hof overweegt omtrent de draagkracht van de man als volgt.

5.5.1.

De man heeft blijkens de door hem overgelegde stukken een inkomen uit dienstbetrekking van € 1.371,65 netto per maand, te vermeerderen met vakantiegeld. De man is blijkens de salarisspecificaties sinds 1 januari 2016 in dienst van [reclame] Reclame B.V.

Blijkens de door partijen overgelegde uittreksels uit het register van de Kamer van Koophandel:

  • -

    is de man bestuurder van de besloten vennootschap [reclame] Reclame B.V. (verder te noemen [reclame] B.V.) en draagt hij in die hoedanigheid de titel Algemeen directeur;

  • -

    is de besloten vennootschap [holding] Holding B.V.(verder te noemen [holding] Holding B.V.) enig aandeelhouder van [reclame] B.V.;

  • -

    is mevrouw [enig aandeelhouder en bestuurder van Holding B.V.] enig aandeelhouder en bestuurder van [holding] Holding B.V. en draagt zij in die hoedanigheid de titel Algemeen directeur;

  • -

    Is aan de heer [gevolmachtigde] ten aanzien van beide b.v.’s een algemene volmacht verleend.

Beide vennootschappen zijn statutair gevestigd te [statutaire vestigingsplaats] en opgericht op 27 oktober 2015.

5.5.2.

De man stelt in hoger beroep dat hij niet de draagkracht heeft om enige, althans de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie te voldoen.

5.5.3.

De vrouw betwist dat de man in loondienst werkt en stelt dat [reclame] Reclame B.V. de eigen onderneming is van de man en (derhalve) dat de man in werkelijkheid een hoger inkomen geniet dan hij doet voorkomen.

5.5.4.

De man heeft in dit kader in hoger beroep het volgende aangevoerd.

De man heeft enkel de salarisspecificaties tot en met december 2016 kunnen overleggen, omdat – vanwege een conflict tussen de werkgever van de man en diens boekhouder – sinds januari 2017 geen loonstroken meer worden opgesteld. Ook de jaaropgave 2016 heeft de man om die reden nog niet ontvangen.

De man betwist dat hij DGA van [reclame] B.V. is. Hij is dus niet gebonden aan de inkomensregels die gelden voor een DGA.

Hij betwist verder dat hij bestuurder en algemeen directeur is van [holding] Holding B.V. De man is evenmin DGA van [holding] Holding B.V. De man heeft bij die B.V. geen betrokkenheid.

5.5.5.

De vrouw heeft in dit kader in eerste aanleg en in hoger beroep, voor zover thans van belang, het volgende aangevoerd.

De vrouw heeft van de kinderen begrepen dat de man in oktober 2015 een B.V. is gestart genaamd [reclame] Reclame B.V. Het betreft de B.V. waar hij sinds 2013/2014 werkzaam was en die hij heeft overgenomen van de vorige eigenaar. De man heeft tegen de kinderen verklaard dat zijn eigen naam in de bedrijfsnaam is verwerkt (‘ [deel van achternaam] en [deel van roepnaam] ).

Op Facebook plaatst de man regelmatig foto’s van zijn werkzaamheden binnen het bedrijf (het plaatsen van reclameborden en het stickeren van panden), op welke foto’s steeds enkel de man zichtbaar is. Op Facebook is een filmpje te zien waarin bewoners en eigenaren van bedrijven aan de [straat 1] , de straat waar [reclame] Reclame B.V. gevestigd is, aan het woord komen. Wanneer de man in beeld komt staat er letterlijk onder: “ondernemer sinds 2015”.

De vrouw is ervan overtuigd dat de man een stroman gebruikt voor [reclame] B.V., dat hij dit bedrijf zelf leidt en derhalve in staat is zelf zijn salaris te bepalen. De salarisstroken zijn opgesteld door een Turkse boekhouder. De vrouw vermoedt dat sprake is van fraude.

De man stelt dat hij enkel 40 uur per week werkt en daarmee slechts € 1.376,39 netto per maand verdient en dat hij de dupe is van conflict tussen zijn werkgever en diens boekhouder, maar de vrouw gelooft daar helemaal niets van. De man heeft de kinderen regelmatig te kennen gegeven dat hij het te druk heeft met zijn bedrijf om hen in de omgangsweekenden te ontvangen. De man had bewijs van zijn salarisstortingen kunnen overleggen, hetgeen hij heeft nagelaten.

De vrouw handhaaft haar stelling dat bij de vaststelling van de hoogte van het inkomen van de man aansluiting dient te worden gezocht bij het inkomen van een DGA, zijnde € 44.000,- bruto per jaar en dat hij hierdoor in staat moet zijn de door de rechtbank opgelegde bijdrage te voldoen.

Ter zitting van het hof heeft de vrouw verzocht de man te veroordelen in de door haar in deze procedure gemaakte proceskosten. Zij heeft in dit kader aangevoerd dat de man haar steeds weer in procedures betrekt, waarbij de vrouw kosten maakt en de advocaat van de man zich vervolgens onttrekt en de man ook niet ter zitting verschijnt. Het heeft de vrouw veel tijd, moeite en geld gekost om haar stelling dat de man een eigen onderneming heeft met bewijs te kunnen onderbouwen. Nu de man echter een grote schuld heeft bij de belastingdienst, heeft het LBIO tot op heden geen enkel bedrag op de man kunnen verhalen. Zodoende draagt de vrouw al jaren zelfstandig de volledige kosten van de kinderen.

5.5.6.

Het hof is van oordeel dat de man zijn stellingen omtrent zijn inkomenspositie onvoldoende (met stukken) heeft onderbouwd, mede gezien het door de vrouw in eerste aanleg en in hoger beroep ingenomen standpunt daaromtrent.

De man heeft enkel salarisstroken over het jaar 2016 betreffende zijn loondienst bij [reclame] B.V. overgelegd. Salarisstroken over 2017 en 2018 ontbreken. De man heeft in het geheel geen jaaropgave over 2016 en 2017 overgelegd en fiscale stukken, zoals de aangiftes en aanslagen IB ontbreken eveneens. Het door de man gestelde conflict tussen zijn werkgever en diens boekhouder, waardoor de man niet kan beschikken over salarisspecificaties behoudens de specificaties die hij reeds heeft overgelegd, wordt door de man op geen enkele wijze onderbouwd. De man is bovendien in eerste aanleg noch in hoger beroep ter zitting verschenen om zijn standpunt nader toe te lichten.

De man heeft het hof zodoende niet in staat gesteld zijn draagkracht te beoordelen en te bepalen welk aandeel van de kosten van de kinderen voor zijn rekening komt, hetgeen naar het oordeel van het hof voor rekening en risico van de man dient te komen.

Op grond van het voorgaande houdt het hof het er voor dat de man in staat is de door de vrouw verzochte onderhoudsbijdrage voor de kinderen te betalen.

5.6.

Het hof zal de bestreden beschikking op grond van hetgeen hiervoor is overwogen bekrachtigen.

5.7.

Ter zake het verzoek van de vrouw om de man in de proceskosten te veroordelen overweegt het hof dat, nog afgezien van de vraag of zij dit verzoek eerst ter zitting van het hof, waarbij de man niet is verschenen, had kunnen doen, de familierechtelijke aard van de zaak met zich brengt dat de proceskosten dienen te worden gecompenseerd. Het hof ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen aanleiding om van deze in zaken als de onderhavige gehanteerde hoofdregel af te wijken.

7 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 maart 2017:

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, L.Th.L.G. Pellis en H.J.M. van Arkel-van Gasselt, bijgestaan door de als griffier, en is op 31 mei 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.