Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2295

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
200.229.332_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:10936
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Een in Duitsland opgelegde gevangenisstraf wordt deels in Nederland ten uitvoer gelegd. Uitleg artikel 2:11 lid 6 WETS. Verhouding minister hof. Weigeringsgronden. Beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.229.332/01

arrest in kort geding van 29 mei 2018

in de zaak van

[appellant] ,

verblijvende te [verblijfplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. H.P. Ruysink te Bunde, gemeente Meerssen,

tegen

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de Staat,

advocaat: mr. C.M. Bitter te 's-Gravenhage,

op het bij exploot van dagvaarding van 5 december 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 10 november 2017, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en de Staat als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/241203/KG ZA 17-525)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter in rov. 2.1 tot en met 2.11 feiten weergegeven. De grieven van [appellant] zijn niet gericht tegen deze feitenweergave. De Staat heeft aangegeven zich te kunnen verenigen met de door de voorzieningenrechter weergegeven feiten. Deze feiten vormen daarom ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal die feiten hierna vernummerd tot rov. 3.1.1 tot en met 3.1.11 opnemen.

3.1.1.

Bij vonnis van 20 november 2015 is [appellant] door de Duitse strafrechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8½ jaar voor - kortweg - het medeplegen van de invoer van 3.000 kilo marihuana en twee gevallen van het invoeren van sassafrasolie. Behalve [appellant] zijn in dat strafvonnis nog twee personen veroordeeld, waaronder een Nederlander (hierna aan te duiden met “C”), die een straf van 9½ jaar opgelegd kreeg.

3.1.2.

C is destijds in Nederland gearresteerd ter overlevering aan Duitsland onder een terugkeergarantie. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft ten aanzien van hem op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) gronden aanwezig geoordeeld voor het aanpassen van de strafhoogte – van 9½ jaar naar 5 jaar – bij de tenuitvoerlegging van het Duitse veroordelend vonnis in Nederland.

3.1.3.

[appellant] is destijds in Duitsland gearresteerd en is na zijn veroordeling aanvankelijk ook in Duitsland gedetineerd.

3.1.4.

[appellant] is op 12 juli 2016 door de aangewezen Duitse rechter van het Ambtsgericht Bochum conform § 85 lid 2 Gesetz über die internationale Rechtshilfe in Strafsachen (hierna: IRG) gehoord inzake de overdracht aan Nederland van de tenuitvoerlegging van zijn straf. [appellant] heeft ingestemd met de overdracht van de tenuitvoerlegging.

3.1.5. § 85

lid 2 IRG luidt:

Hält sich die verurteilte Person in der Bundesrepublik Deutschland auf, darf die Vollstreckungsbehörde die Vollstreckung einer freiheitsentziehenden Sanktion in einem anderen Mitgliedstaat nur bewilligen, wenn

1. sich die verurteilte Person mit der Vollstreckung der freiheitsentziehenden Sanktion in dem anderen Mitgliedstaat einverstanden erklärt hat oder

2. das Gericht die Vollstreckung der freiheitsentziehenden Sanktion in dem anderen Mitgliedstaat auf Antrag der Vollstreckungsbehörde gemäß § 85c für zulässig erklärt hat.

Das Einverständnis der verurteilten Person nach Satz 1 Nummer 1 ist zu Protokoll eines Richters zu erklären. Das Einverständnis kann nicht widerrufen werden. Die verurteilte Person ist über die Rechtsfolgen ihres Einverständnisses und dessen Unwiderruflichkeit zu belehren.

3.1.6.

Bij brief van 3 augustus 2016 hebben de Duitse autoriteiten, belast met de uitvoering van het strafvonnis, onder verwijzing naar het Kaderbesluit 2008/909/JI – dat handelt over de toepassing door EU-lidstaten van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbenemende maatregelen zijn opgelegd (hierna: het Kaderbesluit) – verzocht om verdere tenuitvoerlegging van de aan [appellant] opgelegde straf, onder de voorwaarde dat de Duitse autoriteit eerst wordt geïnformeerd over de regeling inzake vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: VI).

3.1.7.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 3 november 2016 geoordeeld dat er geen gronden zijn om de erkenning van het Duitse vonnis te weigeren en dat er geen wettelijke gronden zijn tot aanpassing van de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie.

3.1.8.

Bij brief van 9 november 2016 heeft het Ministerie van (thans) Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) de Duitse autoriteit ingelicht over de VI-regeling en aangegeven akkoord te zijn met de overdracht van de tenuitvoerlegging. Aangehecht is een informatieve brief ter overhandiging aan [appellant] waarin hem wordt meegedeeld dat zijn straf een-op-een wordt overgenomen en dat de VI op 2/3e van de straf ligt, omdat de Duitse autoriteit (nog) geen VI-datum heeft vastgesteld.

3.1.9.

De Duitse autoriteit heeft bij brief van 17 november 2016 de overdracht van de tenuitvoerlegging van de straf bevestigd en de datum voor overdracht bepaald.

3.1.10.

De minister heeft bij besluit van 18 november 2016 overeenkomstig artikel 2:12 WETS de Duitse straf erkend en bepaald dat de Nederlandse VI-regeling wordt toegepast.

3.1.11.

[appellant] is op 9 december 2016 overgedragen aan Nederland en naar een penitentiaire inrichting overgebracht om het vervolg van zijn straf te ondergaan.

3.2.1.

In eerste aanleg vorderde [appellant] dat de Staat wordt veroordeeld de executie van zijn Duitse straf te beperken tot een Nederlandse gevangenisstraf van 5 jaar, althans die maatregelen te nemen zodat hij in de dezelfde strafrechtelijke positie komt terzake de executie van de straf als C.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat sprake is van rechtsongelijkheid tussen hem en C, nu zijn straf wel een-op-een is overgenomen en die van C niet. Hij stelt dat de Staat onder verwijzing naar artikel 2:11 lid 6 WETS de Duitse autoriteit had moeten uitleggen dat sprake is van een discrepantie in de executie van straffen tussen onderdanen alleen vanwege het feit dat de een ( [appellant] ) in Duitsland is opgepakt en de ander (C) in Nederland. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de WETS de minister de ruimte geeft om de ongelijkheid op te heffen.

3.2.3.

De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter de vordering van [appellant] afgewezen en hem, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten veroordeeld.

Hiertoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat, anders dan [appellant] veronderstelt, de minister niet de ruimte had om af te wijken van de beoordeling door het gerechtshof waar het betreft de verplichte weigeringsgronden. Voorts oordeelde de voorzieningenrechter dat de gevallen van [appellant] en C niet gelijk zijn.

3.3.1.

[appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. Het hoger beroep strekt ertoe dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en, opnieuw recht doende, zijn vordering wordt toegewezen, met veroordeling van de Staat in de kosten van beide instanties.

3.3.2.

De Staat heeft de grieven bestreden. Zij heeft geconcludeerd dat het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

3.4.

De voorzieningenrechter heeft overwogen dat omdat [appellant] de vrijheid is ontnomen, hij een spoedeisend belang heeft bij een uitspraak in kort geding over zijn vordering de Staat te veroordelen de aan hem opgelegde vrijheidsbenemende straf te bekorten. Het hof gaat ervan uit dat [appellant] nog steeds is gedetineerd en dus ook in hoger beroep het vereiste spoedeisend belang aanwezig is.

3.5.

Volgens grief 1 heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat de minister geen mogelijkheid had om af te wijken van het oordeel van het gerechtshof. Nu er sprake is van rechtsongelijkheid en dus strijd met ons rechtsstelsel, kan de minister op grond van artikel 2:11 lid 6 WETS stellen dat de straf onverenigbaar is met ons rechtsstelsel, aldus deze grief. Bij grief 2 betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat zijn zaak een andere was dan van de medeverdachte. De rechtsongelijkheid is in casu zo groot dat dit rechtgezet dient te worden, zo stelt [appellant] bij deze grief.

3.6.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling, als volgt.

3.7.

Het hof volgt [appellant] niet in zijn uitleg van artikel 2:11 lid 6 WETS. Het gaat daar om de aard van de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie.

Uit de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2010/11, 32885, nr. 3, p. 34) blijkt dat bedoeld is een voorziening te treffen om de vrijheidsbenemende sanctie aan te passen zodat tenuitvoerlegging in Nederland mogelijk is. Dit in verband met de verschillen in de wijze waarop andersoortige vrijheidsbenemende sancties dan de gevangenisstraf in de verschillende lidstaten van de EU juridisch zijn vormgegeven.

In de parlementaire geschiedenis is daarbij expliciet opgemerkt dat bij de gevangenisstraf dit zich niet zal voordoen.

De in artikel 2:11 lid 6 WETS geschapen mogelijkheid tot wijziging van de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie ziet derhalve niet op situatie dat er sprake is van rechtsongelijkheid als door [appellant] gesteld.

3.8.

Verder is volgens de WETS de minister gebonden aan de beoordeling ex artikel 2:11 lid 3 WETS door de bijzondere kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze beoordeling door het gerechtshof houdt onder meer een oordeel over de verplichte weigeringsgronden (artikel 2:13 WETS) in.

De minister dient immers op grond van artikel 2:12 WETS met inachtneming van het oordeel van het gerechtshof te beslissen over de erkenning van de rechterlijke uitspraak. Dat dit zo bedoeld is, blijkt ook uit de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken I 2011/12, 32885, C, p. 5-6 en 10-11).

Anders dan [appellant] ingang wil doen vinden, gaat het dus niet om een advies van het gerechtshof aan de minister.

3.9.

De minister dient volgens de parlementaire geschiedenis in voorkomend geval tevens de toepassing van facultatieve weigeringsgronden, die niet aan het oordeel van de bijzondere kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zijn onderworpen, te betrekken in zijn beslissing (Kamerstukken I 2011/12, 32885, C, p. 6). Gesteld noch gebleken is evenwel dat een facultatieve weigeringsgrond (artikel 2:14 WETS) in casu aan de orde is.

3.10.

In de parlementaire geschiedenis is ten slotte onder ogen gezien dat de minister een eigen verantwoordelijkheid heeft om bij de te nemen beslissing te toetsen aan de mensenrechten (Kamerstukken I 2011/12, 32885, C, p. 9-10). Dan gaat om de vraag of het buitenlandse vonnis met flagrante schending van fundamentele rechtsbeginselen tot stand is gekomen. Dit betreft het in de parlementaire stukken zogenoemde muizengaatje. Er zijn evenwel geen aanwijzingen dat van een dergelijke schending in casu sprake is. Hierop doet [appellant] overigens ook geen beroep.

3.11.

Ten slotte is het hof voorshands van oordeel dat er geen sprake is van gelijke gevallen.

Voor de toepassing van de WETS is immers een relevant verschil dat C, anders dan [appellant] , destijds door de Duitse autoriteiten is overgeleverd onder garantie van teruglevering als bedoeld in artikel 6 lid 1 Overleveringswet. Het is vanwege die overlevering dat het gerechtshof op grond van artikel 2:11 lid 5 WETS heeft geoordeeld dat de aan C opgelegde gevangenisstraf dient te worden aangepast.

Bij C gaat het daarmee om omzetting van zijn buitenlandse straf in een in Nederland voor een soortgelijk feit gebruikelijke straf. Dit terwijl het bij [appellant] gaat om overdracht van de tenuitvoerlegging van zijn straf, waarmee hij zelf heeft ingestemd (zie hiervoor rov. 3.1.4). Er moeten aldus verschillende regimes op [appellant] en C worden toegepast zoals ook is gebeurd.

Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de gelijkenis tussen zijn zaak en die van C kan dit niet anders maken. Hetzelfde geldt voor het feit dat zulks leidt tot een aanzienlijk verschil in duur van de vrijheidsbenemende straf van [appellant] ten opzichte van die van C, die erop neerkomt dat hoewel aan [appellant] een lagere gevangenisstraf is opgelegd, hij uiteindelijk langer gedetineerd zal zijn.

3.12.

Op grond van hetgeen hiervoor in rov. 3.7 tot en met 3.11 is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, falen de grieven.

3.13.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] met toepassing van het vanaf 1 mei 2018 geldende liquidatietarief worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep, zoals gevorderd vermeerderd met wettelijke rente en nakosten, en wel uitvoerbaar bij voorraad.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de Staat op € 716,-- aan griffierecht en op € 1.074,-- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart voormelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, M.E. Smorenburg en A.J. van de Rakt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 mei 2018.

griffier rolraadsheer