Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2250

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-05-2018
Datum publicatie
28-05-2018
Zaaknummer
200.233.158_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gezag;

bekrachtiging gezagsbeëindigende maatregel. De moeder is niet in staat om binnen de voor de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor diens verzorging en opvoeding te dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 24 mei 2018

Zaaknummer : 200.233.158/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/237121 / FA RK 17-2384

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B.M.A. Jegers,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader);

- de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de GI);

- [de pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegmoeder) en [de pleegvader] (hierna te noemen: de pleegvader), (hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 november 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 februari 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de gezags-beëindigende maatregel (zoals ter zitting in hoger beroep gebleken) alleen ten aanzien van de moeder alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 maart 2018, heeft de GI verzocht (naar het hof begrijpt:) de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 april 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. W.W.J. Houben, waarnemend voor mr. Jegers;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

- de pleegouders.

2.3.1.

De voormalige advocaat van de vader, mr. A.J. Crombag, heeft bij faxbericht d.d. 19 maart 2018 het hof bericht dat de vader niet als procespartij zal verschijnen. Uiteindelijk is de vader ook in een andere hoedanigheid niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 19 februari 2018;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 5 april 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder met de vader is, op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ) geboren.

De vader heeft [de minderjarige] erkend.

De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit.

3.2.

[de minderjarige] staat sinds 21 oktober 2014 onder toezicht van de GI.

[de minderjarige] verblijft sinds 1 mei 2014 bij de pleegouders (grootouders vaderszijde). [de minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 21 oktober 2014 uit huis geplaatst bij de pleegouders. De ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [de minderjarige] zijn sindsdien telkens verlengd, laatstelijk tot 21 december 2017.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder en de vader beëindigd en de GI tot voogdes over [de minderjarige] benoemd.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing – voor zover deze ziet op de beëindiging van haar ouderlijk gezag – niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – samengevat – aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen binnen de voor de persoon en ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn. De moeder stelt dat dit onvoldoende vast is komen te staan omdat de mogelijkheden aan de zijde van de moeder onvoldoende zijn onderzocht. Aangezien [de minderjarige] reeds vanaf dat zij een half jaar oud was bij de pleegouders verblijft, heeft de moeder op geen enkele wijze kunnen laten zien over welke opvoed-kwaliteiten zij beschikt. De GI heeft enkel aangegeven dat de moeder geen medewerking wenste te verlenen aan een tijdelijke opname in het kader van haar persoonlijkheids-problematiek, zodat het perspectief van [de minderjarige] bij de moeder niet onderzocht kon worden. De moeder heeft één keer per maand omgang met [de minderjarige] op zondag van 10.00 tot 17.00 uur. De moeder heeft de GI meerdere malen verzocht om een onderzoek (door AnnaCare en/of Care4Kidz), zodat men tijdens de omgang haar opvoedkwaliteiten kon beoordelen en het perspectief van [de minderjarige] onderzocht kon worden. De GI is hier echter ten onrechte aan voorbij gegaan. De moeder heeft ter zitting van het hof – desgevraagd verklaard – dat haar nimmer is medegedeeld dat het perspectief van [de minderjarige] niet langer meer bij haar ligt; door de vele wisselingen van gezinsvoogden is hierover veel onduidelijkheid bij de moeder ontstaan.

De moeder voert verder aan dat sprake is van een positieve ontwikkeling aan haar zijde, waarmee door de GI en de raad onvoldoende rekening wordt gehouden. De moeder leest al jaren in de rapporten dezelfde feiten uit het verleden. De moeder woont sedert ruim een jaar in een éénkamerappartement. Dit appartement is geschikt om de omgang met [de minderjarige] vorm te kunnen geven en het biedt voldoende ruimte om de moeder en [de minderjarige] te huisvesten. Er is derhalve thans sprake van continuïteit en stabiliteit in de woonsituatie van de moeder. De moeder heeft hieraan ter zitting van het hof verder nog toegevoegd dat als [de minderjarige] bij haar zou komen wonen, zij via twee vrienden op korte termijn grotere huisvesting kan verkrijgen. Voorts heeft de moeder de nodige hulp ingeschakeld voor haar psychische problematiek. Zij staat sedert augustus 2017 onder behandeling van een psycholoog en een psychiater voor haar Borderline persoonlijkheidsstoornis. Deze behandeling bestaat uit gesprekken en gedragstrainingen. Voorts gebruikt de moeder medicatie.

De moeder is van mening dat het belang van [de minderjarige] niet wordt geschaad door de uithuisplaatsing te verlengen om, gelet op voornoemde positieve ontwikkelingen, te bezien of een terugplaatsing tot de mogelijkheden behoort.

De moeder heeft ter zitting van het hof verder nog naar voren gebracht dat uit het evaluatie-verslag van Xonar d.d. 11 april 2018 volgt dat de angsten van [de minderjarige] minder vaak voorkomen en van kortere duur zijn. Voorts volgt hieruit dat het ’s nachts angstig wakker worden van [de minderjarige] niet meer aan de orde is. Virenze heeft geconstateerd dat het goed gaat met [de minderjarige] en heeft daarom besloten de hulpverlening aan [de minderjarige] te stoppen, nu verdere behandeling van [de minderjarige] binnen een GGZ-setting niet noodzakelijk (meer) is.

3.6.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd en gepersisteerd bij het eerder gedane verzoek. Het verzoek van de raad om een gezagsbeëindigende maatregel is ingegeven door een drietal factoren, te weten de problematiek van [de minderjarige] ten gevolge van de gebeurtenissen in het verleden, de problematiek van de moeder en de hechting van [de minderjarige] aan de pleegouders. Virenze heeft geconstateerd dat bij [de minderjarige] sprake is van een chronische posttraumatische-stressstoornis, hetgeen veel voor het dagelijks functioneren van [de minderjarige] betekent en veel van de opvoeder(s) van [de minderjarige] vraagt. [de minderjarige] is inmiddels goed gehecht aan de pleegouders. De raad acht het niet in het belang van [de minderjarige] om de verblijfplaats van [de minderjarige] te wijzigen en de hechting met de pleegouders te doorbreken, nu minder ingrijpende zaken (zoals school) een enorme impact hebben op haar gevoel van welzijn en veiligheid. De raad erkent dat de moeder belangrijk is voor [de minderjarige] . De ontwikkeling en het belang van [de minderjarige] dienen echter te prevaleren boven de praktische en feitelijke situatie van de moeder. De raad acht een gezagsbeëindigende maatregel de meest geëigende maatregel, nu de aanvaardbare termijn is verstreken. Uit het rapport van de raad volgt welke hulpverlening bij de moeder in het verleden (tevergeefs) is ingezet.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – samengevat – aan dat [de minderjarige] een kwetsbaar kind is dat in haar jonge leven veel heeft meegemaakt. Er bestaan nog steeds zorgen over haar eet- en drinkpatroon. [de minderjarige] schrikt nog steeds van harde geluiden. [de minderjarige] heeft verder last van obstipatie. Dit heeft zowel een lichamelijke als een psychische oorzaak. De GI heeft ter zitting van het hof verklaard dat de slaapproblemen van [de minderjarige] zijn verminderd. [de minderjarige] heeft behoefte aan rust, structuur, voorspelbaarheid en duidelijkheid, omdat anders haar angsten en slaapproblemen toenemen. De GI is van mening dat de moeder onvoldoende in staat is om zelfstandig de opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen, het gezag over [de minderjarige] uit te oefenen en daarbij het belang van [de minderjarige] voorop te stellen. De moeder heeft [de minderjarige] in het verleden niet de bestendige en basale opvoeding kunnen bieden die zij nodig had vanwege de vele wisselingen in woonruimten en relaties. De GI is van mening dat het perspectief van [de minderjarige] daarom bij de pleegouders ligt. De GI heeft ter zitting van het hof verklaard dat het goed gaat met [de minderjarige] bij de pleegouders, zij het goed doet op school en daar ook leuke activiteiten onderneemt. De ingezette stabiliteit en het gevoel van veiligheid van [de minderjarige] kan bij de pleegouders gecontinueerd worden, zodat [de minderjarige] een gezonde positieve identiteitsontwikkeling kan doormaken met als doel zich te ontwikkelen tot een evenwichtige volwassene. De pleegouders proberen de moeder zo veel mogelijk bij het leven van [de minderjarige] te betrekken. De wensen en verwachtingen van de moeder omtrent een eventuele thuisplaatsing van [de minderjarige] mogen niet de veilige hechting van [de minderjarige] aan de pleegouders en haar positieve ontwikkeling op school en in betekenisvolle relaties verstoren c.q. in gevaar brengen. De GI constateert dat de moeder goede intenties heeft. De GI heeft ter zitting – desgevraagd door het hof – verklaard dat de door de moeder gestelde recente positieve ontwikkelingen enkel iets kunnen betekenen voor de uitbreiding van de omgangsregeling. De pleegouders zijn de veilige hechtingsfiguren voor [de minderjarige] en dat mag niet worden doorbroken. De GI is van mening dat de aanvaardbare termijn is verstreken.

Ten aanzien van de omgangsregeling merkt de GI op dat de omgang met [de minderjarige] soms geen doorgang vindt, omdat de moeder geen vervoer heeft. De relatie tussen de moeder en de heer [nieuwe relatie van de moeder] , die ondersteunend was bij de omgangsregeling, is sedert september 2017 beëindigd. De contacten tussen de GI en de moeder alsmede de omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de moeder zijn wisselend verlopen. Voorts vindt de invulling van de omgang vaak plaats in de manege te Limbricht. [de minderjarige] heeft na de omgang met de moeder altijd even de tijd nodig om zich weer te voegen in het dagelijkse ritme bij de pleegouders. De GI heeft ter zitting van het hof verklaard dat de studentenkamer waarin de moeder thans woonachtig is niet geschikt is om de omgang met [de minderjarige] te laten plaatsvinden. Het betreft een kleine kamer van drie bij drie meter, waarin veel kooien met ratten staan die de moeder als huisdier houdt.

3.8.

De pleegouders voeren ter zitting – kort samengevat – aan dat [de minderjarige] nog dagelijks last heeft van haar problematiek (waaronder angsten en de daaraan gerelateerde slechte nachtrust) waarvoor zij ondersteuning van Virenze hebben gehad. De pleegouders weten door de therapie hoe zij hiermee om moeten gaan en hebben dit “een plekje” kunnen geven. De pleegouders stellen dat zij de veilige thuishaven voor [de minderjarige] vormen. De pleegouders hebben het advies van Virenze om Video Home Training in te zetten niet opgevolgd, nu deze Video Home Training op kantoor en niet in de thuissituatie bij de pleegouders zou plaatsvinden. De pleegouders zijn van mening dat altijd kan worden gekeken naar de uitbreiding van de omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige] , maar dat hierbij wel rekening moet worden gehouden met dat [de minderjarige] doordeweeks naar school gaat en in het weekend in de toekomst misschien op een club wil.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.9.2.

Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van misbruik van gezag. Beoordeeld dient in deze zaak dan ook enkel te worden of voldaan is aan het bepaalde in artikel 1:266 aanhef en sub a BW. Het hof is van oordeel dat hiervan sprake is en overweegt daartoe als volgt.

3.9.3.

Uit het rapport van de raad van 15 juni 2017 is het hof gebleken dat bij [de minderjarige] sprake is van ernstige kind eigen problematiek. [de minderjarige] is gediagnostiseerd met een chronische posttraumatische-stressstoornis als gevolg van gebeurtenissen in haar pre-verbale periode. [de minderjarige] kampt hierdoor onder meer met ernstige angstklachten, waarbij zij onder meer schrikt van harde geluiden. Daarnaast heeft [de minderjarige] slaap- en ontlastingsproblemen. Dit maakt dat [de minderjarige] een opvoedingsklimaat nodig heeft waarbij sprake is van voorspelbaarheid, stimulatie, structuur, rust, duidelijkheid en veiligheid. Daarnaast heeft [de minderjarige] opvoeders nodig die fysiek en emotioneel beschikbaar zijn en die kunnen inspelen op haar problematiek en die in staat zijn om haar angsten te reguleren.

3.9.4.

Het hof overweegt verder dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de moeder gediagnosticeerd is met een Borderline persoonlijkheidsstoornis, zij op veel verschillende plaatsen heeft gewoond en zij wisselende relaties heeft gehad. De moeder heeft hierdoor een onstabiel leven geleid. De moeder heeft in hoger beroep aangevoerd dat door de GI nimmer onderzoek is verricht naar haar opvoed-kwaliteiten en mogelijkheden. Wat daar ook van zij, de moeder heeft in de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 oktober 2014 waarbij [de minderjarige] onder toezicht is gesteld van de GI en aan de GI machtiging is verleend om [de minderjarige] voor de termijn van één jaar uit huis te plaatsen, verklaard dat zij in de nabije toekomst graag zelf voor [de minderjarige] wilde gaan zorgen en dat zij in de komende zes maanden wilde aantonen dat zij hiertoe in staat was. De rechtbank heeft in deze beschikking geoordeeld dat een periode van zes maanden te kort was om te kunnen vaststellen of het toekomstperspectief van [de minderjarige] bij de moeder lag en heeft de machtiging uithuisplaatsing daarom verleend voor de duur van één jaar. De moeder heeft hierdoor de gelegenheid gekregen om in een periode van één jaar aan te tonen dat zij in staat was zelf de verantwoording voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen. Het hof is naar aanleiding van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep van oordeel dat de moeder daartoe onvoldoende stappen heeft ondernomen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de moeder voor het eerst in augustus 2017 zich heeft gewend tot een psycholoog en een psychiater en medicatie gebruikt voor haar Borderline persoonlijkheidsstoornis. Voorts is ter zitting in hoger beroep gebleken dat de huidige woonruimte van de moeder niet geschikt is voor [de minderjarige] , nu het een kleine studentenkamer van drie bij drie meter betreft waarin kooien staan met ratten, terwijl de moeder – naar eigen zeggen – via twee vrienden op korte termijn grotere huisvesting kan verkrijgen, maar hiertoe vervolgens geen aantoonbare actie onderneemt. Tot slot is gebleken dat ook de relatie van de moeder met de heer [nieuwe relatie van de moeder] , die ondersteunend was in de omgangsregeling met [de minderjarige] , sinds september 2017 is beëindigd. Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat ook thans de vereiste stabiliteit in het leven van de moeder nog niet voldoende aanwezig is en zij derhalve niet in staat is om [de minderjarige] de benodigde opvoeding te bieden als hierboven, in rechtsoverweging 3.9.4., genoemd, temeer nu [de minderjarige] meer van een opvoeder vraagt dan gemiddeld.

3.9.5.

Het hof stelt voorts vast dat [de minderjarige] vanaf dat zij een half jaar oud was zich bij de pleegouders in een stabiel opvoedingsklimaat bevindt, waarin zij structureel kan rekenen op de pleegouders en aan de pleegouders gehecht is. Ter zitting van het hof is gebleken dat het op dit moment weliswaar beter gaat met [de minderjarige] , maar dat haar slaap- en ontlastingsproblemen nog steeds, zij het in mindere mate, aanwezig zijn. Het hof is van oordeel dat het belang van [de minderjarige] vergt dat zij recht heeft op zekerheid, continuïteit en een ongestoorde hechting in deze alternatieve opvoedsituatie. Het vorenstaande maakt dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet meer de geëigende maatregelen zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen, omdat dan de onduidelijkheid omtrent haar toekomstperspectief blijft voortduren. Hoewel het hof de wens van de moeder om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] uiteindelijk weer ter hand te nemen begrijpelijk acht, is het hof met de raad en de GI van oordeel dat het perspectief van [de minderjarige] niet meer bij de moeder ligt omdat de aanvaardbare termijn ruimschoots is verstreken. Het hof acht de gezagsbeëindigende maatregel in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk om haar huidige stabiele en veilige opvoedsituatie bij de pleegouders te continueren.

3.9.6.

Het hof merkt ten overvloede op dat de moeder – ondanks de beëindiging van het gezag – de (juridisch) ouder van [de minderjarige] blijft en dat zij een plaats in het leven van [de minderjarige] als “ouder op afstand” moet blijven behouden. Ter zitting van het hof is voorts gebleken dat de pleegouders de moeder zoveel mogelijk bij het leven van [de minderjarige] proberen te betrekken en het ernaar uitziet dat – gelet op de recente ontwikkelingen aan de zijde van de moeder – een uitbreiding van de omgangscontacten tussen de moeder en [de minderjarige] tot de mogelijkheden behoort.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 november 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, E.L. Schaafsma-Beversluis en H.J.M. van Arkel-van Gasselt en is op 24 mei 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. E. Hulzink-Mimpen, griffier.