Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2231

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-05-2018
Datum publicatie
25-05-2018
Zaaknummer
200.219.718_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind;

Mentorschap;

Opheffing meerderjarigenbewind en mentorschap omdat de gronden daarvoor niet langer meer aanwezig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

Uitspraak: 24 mei 2018

Zaaknummer: 200.219.718/01

Zaaknummers eerste aanleg: 5611499 OV VERZ 16-8494 en 5766264 OV VERZ 17-1545

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] , (uit: Basisregistratie Personen)

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. B.P.A. van Beers,

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

- [bewindvoerder ] (hierna te noemen: de bewindvoerder);

- [mentor] (hierna te noemen: de mentor).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Kanton Bergen op Zoom, van 15 juni 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 juli 2017, heeft [appellant] , naar het hof begrijpt, verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog het meerderjarigenbewind en het mentorschap op te heffen.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 maart 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellant] , bijgestaan door mr. Van Beers;

  • -

    de mentor.

[appellant] en de mentor zijn voorts bijgestaan door mevrouw R. Vogel, tolk in de Franse taal.

2.3.1.

De bewindvoerder is, met bericht van verhindering (vanwege familieomstandigheden), niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief van de mentor d.d. 23 augustus 2017;

  • -

    de ter zitting van het hof door mr. Van Beers overgelegde beschikking van de rechtbank Breda van 14 september 2009 op een verzoek tot instelling van een meerderjarigenbewind;

  • -

    de ter zitting van het hof door mr. Van Beers overgelegde beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Kanton Bergen op Zoom, van 28 september 2015 tot wijziging van een curatele in een beschermingsbewind en mentorschap.

2.5.

Na de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn op verzoek van het hof, op 19 april 2018, ingekomen het standpunt van de bewindvoerder omtrent de verzoeken van [appellant] in hoger beroep en de reactie hierop van de mentor, ingekomen op 1 mei 2018 en de reactie van [appellant] bij journaalbericht met bijlagen van 3 mei 2018 met bijlage, ingekomen op 4 mei 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Bij beschikking van 14 september 2009 heeft de kantonrechter in de rechtbank Breda, locatie Bergen op Zoom, over alle goederen die [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een meerderjarigenbewind ingesteld met benoeming van [bewindvoerder ] h.o.d.n. P.BHZ tot bewindvoerder.

3.2.

Bij beschikking van 24 februari 2012 heeft de kantonrechter in de rechtbank Breda, Kanton Bergen op Zoom, [provisioneel bewindvoerder] h.o.d.n. P’BHZ tot provisioneel bewindvoerder benoemd.

3.3.

Bij beschikking van 6 maart 2012 heeft de kantonrechter in de rechtbank Breda, Kanton Bergen op Zoom, het provisioneel meerderjarigenbewind omgezet in een ondercuratele-stelling van [appellant] met benoeming van [curator] h.o.d.n. P’BHZ tot curator.

3.4.

Bij beschikking van 11 maart 2015 heeft de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Kanton Bergen op Zoom, [tijdelijk curator] benoemd tot tijdelijke curator van [appellant] .

3.5.

Bij beschikking van 28 september 2015 heeft de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Kanton Bergen op Zoom, de ondercuratelestelling van [appellant] omgezet in een meerderjarigenbewind en een mentorschap met benoeming van [bewindvoerder ] tot bewindvoerder en [mentor] tot mentor.

3.6.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [appellant] tot opheffing van het meerderjarigenbewind en het mentorschap afgewezen.

3.7.

[appellant] kan zich met deze beslissingen niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.8.

[appellant] voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de noodzaak en daarmee de grond van de instelling van het meerderjarigenbewind en het mentorschap nog steeds bestaat. De rechtbank heeft ten onrechte het verzoek van [appellant] tot opheffing van het meerderjarigen-bewind en het mentorschap afgewezen. [appellant] stelt daartoe dat hij in staat is om voortaan zelf zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen. De positieve verandering die [sociaal psychiatrisch verpleegkundige] , sociaal psychiatrisch verpleegkundige, op 23 maart 2017 heeft benoemd, heeft zich doorgezet. [appellant] verwijst daartoe naar de overgelegde brief van [psychiater] , psychiater, van 30 juni 2017, waarin deze heeft verklaard dat [appellant] in staat moet worden geacht zijn financiën zelf te beheren. Zo nodig zal [appellant] hierin worden ondersteund door maatschappelijk werk. [appellant] heeft ter zitting van het hof verder aangevoerd dat er sinds de beëindiging van de schuldsaneringsregeling in 2012 geen nieuwe schulden meer zijn ontstaan en dat de eerdere problemen met de woningstichting en het veroorzaken van overlast thans niet meer aan de orde zijn. [appellant] heeft voorts verklaard dat hij – vanwege lichamelijke problemen – sinds kort huishoudelijke hulp krijgt. [appellant] bewoont zelfstandig een appartement. [appellant] heeft sedert de mondelinge behandeling in eerste aanleg geen contact meer met de bewindvoerder gehad noch een door de bewindvoerder opgestelde rekening en verantwoording gezien. Het meerderjarigenbewind loopt thans met de minimale inzet van de bewindvoerder door. [appellant] wenst graag zelf de regie over zijn vermogen terug te krijgen aangezien hij het leefgeld van € 70,- per week te beperkt vindt. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep – desgevraagd door het hof -verklaard dat hij in staat is om correspondentie in het Nederlands te lezen; hij heeft een inburgeringscursus gevolgd.

[appellant] voert tot slot aan dat ook de mentor instemt met de opheffing van het mentorschap.

3.9.

De mentor heeft in voornoemde brief d.d. 23 augustus 2017, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – aangevoerd dat (naar het hof begrijpt:) het meerderjarigenbewind dient te worden opgeheven. De mentor stelt daartoe dat [appellant] thans een zeer zelfstandig leven leidt en dat geen sprake meer is van schulden. Ter zitting van het hof heeft de mentor verklaard dat hij evenmin contact heeft met de bewindvoerder. De mentor heeft – desgevraagd door het hof verklaard – dat hij zijn werkzaamheden als mentor niet kan preciseren; hij helpt [appellant] wanneer het nodig is. De mentor is van mening dat het leefgeld van € 70,- per week te beperkt is; de mentor dient [appellant] op dit moment ook op financieel vlak en in andere materiële zaken te ondersteunen.

3.10.

De bewindvoerder heeft in de brief d.d. 18 april 2018 zijn standpunt omtrent de verzoeken van [appellant] aan het hof kenbaar gemaakt.

Ten aanzien van het verzoek tot opheffing van het meerderjarigenbewind voert de bewindvoerder aan dat hij sterke twijfels heeft over de zelfredzaamheid van [appellant] . De door [appellant] overgelegde verklaring van [psychiater] , psychiater, is summier. Na één gesprek is deze psychiater al tot de conclusie gekomen dat [appellant] in staat moet worden geacht om zelf zijn geld te beheren, hetgeen in contrast staat met de verklaring van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van slechts drie maanden eerder. Gedurende de periode dat de bewindvoerder werkzaam is geweest als curator en later als bewindvoerder wordt [appellant] voor diens psychische problemen begeleid door het FACT. Voornoemde hulpverlening is nog niet beëindigd; de bewindvoerder verwijst hiervoor naar het bijgevoegde e-mailbericht d.d. 15 februari 2018 van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige. De bewindvoerder is de afgelopen jaren door diverse instanties benaderd aangaande de gedragingen en overlast die [appellant] veroorzaakt. [appellant] gaat zelf naar instanties toe om “zaken te regelen”, hetgeen keer op keer tot onbegrip leidt vanwege zijn wijze van bejegening alsmede de taalbarrière. De bewindvoerder is van mening dat [appellant] de Nederlandse taal in woord en geschrift onvoldoende machtig is om zijn vermogensrechtelijke belangen voldoende te kunnen behartigen. Teneinde er zorg voor te dragen dat de betaling van de vaste lasten gegarandeerd blijft en dat er geen schulden ontstaan, dan wel dat vanwege een gebrek aan kennis geen voorliggende voorzieningen worden aangevraagd, acht de bewindvoerder de continuering van het meerderjarigenbewind in het belang van [appellant] .

Ten aanzien van het verzoek tot opheffing van het mentorschap voert de bewindvoerder aan dat de mentor, de broer van [appellant] , zijn taak als mentor niet naar behoren heeft uitgevoerd. De bewindvoerder acht het continueren van het mentorschap in de praktijk weinig zinvol, omdat de mentor op afstand woont en niet voldoende op de hoogte is van de actuele situatie van [appellant] . Zo had de mentor geen kennis van de overlast die [appellant] veroorzaakte alsmede van de voor [appellant] ingeschakelde (psychische) begeleiding.

3.11.

De mentor heeft in de brief ingekomen op 1 mei 2018 op de brief van de bewindvoerder van 18 april 2018 gereageerd. De mentor voert hierin – kort samengevat – aan dat de bewindvoerder de gemaakte afspraken en gedane beloften op geen enkele wijze nakomt. [appellant] wacht onder meer nog steeds op de noodzakelijke huishoudelijke apparatuur. Voorts onderbouwt de bewindvoerder zijn standpunt niet met concrete feiten, maar voert hij enkel vaag- en algemeenheden aan. De mentor heeft getracht om met de bewindvoerder tot samenwerking te komen, hetgeen niet gelukt is. Ondanks de moeilijke omstandigheden (waaronder het beperkte leefgeld van € 70,- per week) gaat het goed met [appellant] . De mentor heeft regelmatig contact met de sociaal psychiatrisch verpleegkundige. De begeleiding van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige wordt afgebouwd.

3.12.

[appellant] heeft in de brief d.d. 3 mei 2018 gereageerd op het standpunt van de bewindvoerder. [appellant] voert hierin – kort samengevat – aan dat de bewindvoerder met name omstandigheden aanvoert die in het verleden hebben gespeeld. Van overlastklachten of psychische problemen is al maanden geen sprake meer.

Uit het bijgevoegde e-mailbericht van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige d.d. 3 mei 2018 volgt dat de psychische toestand van [appellant] is verbeterd en dat hij trouw zijn medicatie inneemt. [appellant] moet aldus in staat worden geacht om zelf zijn geld te beheren. De contacten die [appellant] nog met de sociaal psychiatrisch verpleegkundige heeft, zien met name op zaken van praktisch van aard, zoals het inschakelen van woon ondersteunende zorg en thuiszorg en hebben niets te maken met psychische problemen. [appellant] heeft zijn inschrijving op zuidwestwonen.nl niet verlengd omdat hij niet (langer) wil verhuizen. [appellant] stelt dat het goed met hem gaat en dat hij in staat is om al zijn belangen zelf te behartigen. [appellant] is voorts in staat om de juiste hulpverlening in te schakelen indien dit nodig mocht zijn.

3.13.

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van het verzoek tot opheffing van het meerderjarigenbewind

3.13.1.

Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een meerderjarigenbewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.

3.13.2.

Ingevolge artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter het meerderjarigenbewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het meerderjarigenbewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het meerderjarigenbewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.

3.13.3.

Het hof stelt voorop dat de rechtbank Breda, Kanton Bergen op Zoom, bij beschikking van 14 september 2009 over de goederen die [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een meerderjarigenbewind heeft ingesteld, omdat bij [appellant] sprake was van een geestelijke toestand als gevolg waarvan hij niet in staat was ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Daarna heeft de rechtbank Breda, Kanton Bergen op Zoom, bij beschikking van 6 maart 2012 voornoemd meerderjarigenbewind omgezet in een ondercuratelestelling van [appellant] , waarna de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Kanton Bergen op Zoom, bij beschikking van 28 september 2015 deze ondercuratelestelling weer heeft omgezet in het huidige meerder-jarigenbewind en mentorschap. De kantonrechter heeft in voornoemde beschikking van 28 september 2015 geoordeeld dat het opheffen van iedere beschermingsmaatregel op dat moment niet in het belang van [appellant] was, maar dat er geen bezwaar bestond om een minder verstrekkende maatregel in te stellen.

3.13.4.

Het hof acht het op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep voldoende aannemelijk dat inmiddels voornoemde grond voor het meerderjarigenbewind is komen te vervallen waardoor de noodzaak voor het meerderjarigenbewind niet langer meer bestaat. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Uit de brief d.d. 24 maart 2017 van mr. B.P.A. van Beers blijkt dat door [sociaal psychiatrisch verpleegkundige] , sociaal psychiatrisch verpleegkundige, een lichte positieve verandering bij [appellant] is waargenomen, in verband met de medicatie die hij inneemt. Uit de stukken komt verder naar voren dat deze positieve ontwikkeling zich in de periode na de bestreden beschikking heeft doorgezet. Zo verklaart [psychiater] , psychiater, in zijn brief d.d. 30 juni 2017 dat [appellant] in staat moet worden geacht zijn financiën zelf te beheren. Voorts is door [appellant] in hoger beroep een e-mailbericht d.d. 3 mei 2018 van [sociaal psychiatrisch verpleegkundige] , sociaal psychiatrisch verpleegkundige, overgelegd waarin wordt verklaard dat de psychiatrische toestand van [appellant] dermate is verbeterd en hij zijn medicatie trouw inneemt, dat hij in staat moet worden geacht om zelf zijn geld te beheren.

3.13.5.

Dat de bewindvoerder, onder meer onder verwijzing naar de email van [sociaal psychiatrisch verpleegkundige] van 15 februari 2018, sterke twijfels heeft omtrent de zelfredzaamheid van [appellant] , lijkt niet te zijn gebaseerd op recente informatie over [appellant] , welke informatie het hof voor zijn oordeel van doorslaggevend belang acht. Voornoemde (recente) andersluidende verklaringen van [psychiater] en [sociaal psychiatrisch verpleegkundige] zijn daarin kennelijk niet meegenomen. Daarbij komt dat uit het e-mailbericht van [sociaal psychiatrisch verpleegkundige] d.d. 3 mei 2018 en ook ter zitting van het hof is gebleken dat [appellant] in de tussentijd een netwerk heeft opgebouwd waarop hij, indien het meerderjarigenbewind wordt opgeheven, een beroep kan doen. [sociaal psychiatrisch verpleegkundige] en maatschappelijk werk bieden [appellant] ondersteuning in praktische zaken waaronder het beheer van zijn geld. Verder biedt de Thuiszorg [appellant] sinds 22 februari 2018 iedere week ondersteuning en begeleiding bij het schoonhouden van zijn woning. Dat [appellant] de Nederlandse taal maar beperkt machtig is, vormt – naar het oordeel van het hof – geen reden om het meerderjarigenbewind te handhaven, nu voornoemd netwerk [appellant] ook hierin de noodzakelijke ondersteuning kan bieden. Voorts heeft [appellant] er ter zitting van het hof – naar het oordeel van het hof – blijk van gegeven zich voldoende bewust te zijn van de (beperkte) omvang van zijn inkomsten, te weten een bijstandsuitkering, en zijn vaste lasten. Tot slot acht het hof het van belang dat er sedert de beëindiging in 2012 van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen die ten tijde van de instelling van het meerderjarigenbewind ten aanzien van [appellant] van toepassing was, geen (noemenswaardige) schulden meer zijn ontstaan.

3.13.6.

Het hof is, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, anders dan de rechtbank, van oordeel dat [appellant] in staat moet worden geacht om – eventueel met behulp van zijn netwerk – ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Het hof zal derhalve het verzoek van [appellant] tot opheffing van het meerderjarigenbewind alsnog toewijzen.

3.13.7.

Het hof zal hierna voorts bepalen dat een kopie van deze beschikking wordt gezonden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, Kanton Bergen op Zoom, in verband met aantekening in het Curatele- en Bewindregister.

Ten aanzien van het verzoek tot opheffing van het mentorschap

3.13.8.

Ingevolge artikel 1:450 lid 1 BW kan de kantonrechter indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, een mentorschap instellen.

3.13.9.

Ingevolge artikel 1:462 lid 2 BW kan de kantonrechter het mentorschap opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het mentorschap niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de mentor of degene die gerechtigd is het mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 1:451 BW, alsmede ambtshalve.

3.13.10.

Het hof is naar aanleiding van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep, anders dan de rechtbank, van oordeel dat [appellant] ook in staat moet worden geacht om zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen. Het hof overweegt daartoe dat in hoger beroep voldoende aannemelijk is geworden dat inmiddels de noodzaak voor een mentorschap niet meer bestaat. Gelet op de hierboven onder rechtsoverweging 3.13.4. en 3.13.5. genoemde (verbeterde) situatie van [appellant] zelf en de daarnaast aan hem geboden maatschappelijke ondersteuning, is het hof van oordeel dat niet meer kan worden gesproken van een toestand zoals bedoeld in artikel 1:450 lid 1 BW. De grond voor het mentorschap is daarmee komen te vervallen. Het hof zal derhalve het verzoek van [appellant] tot opheffing van het mentorschap alsnog toewijzen.

3.14.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep in zijn vernietigen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Bergen op Zoom, van 15 juni 2017,

en opnieuw rechtdoende:

heft op, met ingang van 24 juni 2018, het meerderjarigenbewind over de goederen van [appellant], geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] (Kongo Kinshasa), wonende aan de [adres] , te ( [postcode] ) [woonplaats] ;

bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak de eindrekening en verantwoording aflegt aan de rechthebbende en een – zo mogelijk door hem voor akkoord ondertekend – exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Bergen op Zoom, overlegt;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze beschikking toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Bergen op Zoom, in verband met aantekening in het Curatele- en Bewindregister;

heft op, met ingang 24 juni 2018, het mentorschap van [appellant], geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] (Kongo Kinshasa), wonende aan de [adres] , te ( [postcode] ) [woonplaats] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, L.Th.L.G. Pellis en E.L. Schaafsma-Beversluis en is op 24 mei 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. E. Hulzink-Mimpen, griffier.