Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2223

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
200.215.680_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

samenwoners zonder samenlevingsovereenkomst / verjaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2018/128 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.215.680/01

arrest van 22 mei 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. H. Weinans te Roosendaal,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. T.H.J. van Beek te Zundert,

op het bij exploot van dagvaarding van 16 maart 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 21 december 2016, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/317064 / HA ZA 16-450)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties en wijziging van eis;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben vanaf eind 2002 tot begin 2010 samengewoond in een, bij aanvang van de samenwoning gehuurde, woning te [woonplaats] (hierna: de woning). De man had een eenmanszaak, een hoveniersbedrijf.

3.1.2.

Partijen hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten.

3.1.3.

Tijdens de samenwoning hebben partijen in de periode van 3 december 2002 tot 28 april 2010 een gezamenlijke bankrekening bij de Rabobank met bankrekeningnummer [gezamenlijke bankrekening] aangehouden. De bankrekening was een zogenaamde en/of-rekening. Deze bankrekening werd door beide partijen gevoed. Van deze rekening werden in ieder geval de huur en de kosten van gas, water en elektriciteit betaald.

3.1.4.

In een andere procedure heeft de kantonrechter bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zaaknummer 431797 CV EXPL 15-5764) de vordering van de man om de vrouw te veroordelen tot nakoming van haar terugbetalingsverplichtingen uit hoofde van een overeenkomst van geldlening toegewezen. De reconventionele vordering van de vrouw tot veroordeling van de man tot “betaling van een bedrag van € 30.858,24 (80% van huishoud en vaste lasten), plus € 3.209,-- (kwekerijkosten), plus € 8.750,-- (35% van € 25.000,-- boedelkosten), in totaal € 42.817,24 te vermeerderen met de wettelijke rente” is afgewezen.

3.1.5.

De vrouw heeft op 3 mei 2016 beslag doen leggen onder de Rabobank (met name op de saldi van de door de man bij de Rabobank aangehouden rekeningen [gezamenlijke bankrekening] en [privérekening man] ), zulks tot zekerheid van een op de man gepretendeerde vordering.

3.1.6.

Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zaaknummer C/02/316115 / KG ZA 16-335) is voormeld beslag door de voorzieningenrechter opgeheven.

3.2.1.

De vrouw heeft de man in de onderhavige procedure gedagvaard. Zij heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen tot:

  1. betaling van € 79.692,36 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;

  2. terhandstelling, binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, aan de vrouw van aansluitende dagafschriften van de bankrekeningen met nummers [gezamenlijke bankrekening] , [privérekening man] en [zakelijke rekening man] , dan wel digitale gegevensdragers die die informatie bevatten, over de periode van 3 december 2012 tot en met 20 april 2010, op straffe van een dwangsom van € 250,-- per dag;

  3. aflegging van rekening en verantwoording over het door hem over de bankrekening met nummer [gezamenlijke bankrekening] gevoerde beheer in de periode van 3 december 2012 tot het met 31 december 2010;

  4. betaling van een bedrag op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met rente over het door de man uiteindelijk verschuldigde bedrag vanaf 1 januari 2011, althans vanaf de dag van de dagvaarding;

  5. tot betaling van de proceskosten, daaronder begrepen de kosten van het beslag.

De vordering van de vrouw tot betaling van € 79.692,36 is als volgt opgebouwd:

  1. € 50.984,76 (gebruik van tuin als bedrijfsterrein);

  2. € 24.065,60 (gebruik garage en kantoor);

  3. € 4.642,-- (bedrijfsmiddelen [de werkgever van de vrouw] ).

3.2.2.

De man heeft verweer gevoerd.

3.2.3.

De rechtbank heeft een comparitie na antwoord gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 8 november 2016. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

3.2.4.

De rechtbank heeft vervolgens de vorderingen van de vrouw in het bestreden vonnis afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

3.3.1.

De vrouw heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en handhaving van haar vorderingen in eerste aanleg en, na vermeerdering van haar eis in hoger beroep,:

- met verdere bepaling dat het hof vaststelt dat, indien een of meer van de vorderingen van de vrouw zijn verjaard, het hof voor recht verklaard dat de vrouw weliswaar de betreffende vordering op de man heeft maar dat geen veroordeling kan volgen tot betaling nu het recht om in rechte de vordering geldend te maken, is verjaard, althans zodanige veroordelingen te geven als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

De vrouw heeft in hoger beroep dertien (1 tot en met 13) grieven aangevoerd. Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre haar vorderingen toewijsbaar zijn.

3.3.2.

De man heeft de grieven weersproken. In het principaal appel heeft de man geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. Voorts heeft de man incidenteel appel ingesteld en daartoe één (I) grief aangevoerd. In het incidenteel appel heeft de man geconcludeerd tot veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

3.3.3.

De vrouw heeft de grief in het incidenteel appel weersproken.

3.4.

De grieven hebben betrekking op:

  • -

    het gebruik van de tuin als bedrijfsterrein € 50.984,76 (grieven 1, 2 en 3);

  • -

    de bedrijfsmiddelen [de werkgever van de vrouw] € 4.642,-- (grieven 4 en 5);

  • -

    de betaling van een bedrag, op te maken bij staat betreffende:

o de nakoming afspraak partijen (grieven 6 en 7);

o de overboeking van privégelden (grieven 8 en 9);

o de ontvangen zorgtoeslag (grieven 10 en 11);

  • -

    het beroep op art. 843a Rv (grieven 12 en 13)

  • -

    de proceskosten (grief I).

gebruik tuin als bedrijfsterrein € 50.984,76 (grieven 1, 2 en 3)

3.5.1.

De vrouw heeft haar vordering in eerste aanleg gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. De vrouw heeft aan haar vordering het volgende – samengevat – ten grondslag gelegd. Tot de gehuurde woning behoorden ook een kantoorruimte, vrijstaande garage en tuin. De kosten van het gehuurde bedroegen (gemiddeld) € 845,-- per maand. Deze kosten werden van de gezamenlijke rekening voldaan. In 2015 is de vrouw gebleken dat de aangrenzende (tuinbouw)grond die door de man werd gebruikt voor zijn bedrijf behoorde tot het gehuurde object. De man heeft daarom ten koste van de vrouw een voordeel genoten. Dit voordeel bedroeg over de periode van de samenwoning € 50.984,76.

De man heeft primair gesteld dat de vordering is verjaard. Subsidiair heeft hij betwist dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.

3.5.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering is verjaard en de vordering afgewezen. De rechtbank overwoog in rov. 3.5. dat de man ter comparitie heeft verklaard dat het gehuurde mede een grote tuin van 1390 m2 omvatte en dat hij in het gedeelte bij de woning een siertuin heeft gemaakt. In het daar achter gelegen gedeelte heeft hij, nadat hij hier de bomen had gerooid, over een oppervlakte van 30 bij 8 meter buxusplanten geplant voor zijn bedrijf. Daarbij is door hem ook een heg geplant die de siertuin afscheidde van het achterste gedeelte van de tuin. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw die stellingen ter comparitie niet weersproken. De rechtbank overwoog vervolgens:


“Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de vrouw reeds bij aanvang van de bewoning ermee bekend was dat zowel de woning, de garage als de tuin inclusief het later door een heg afgescheiden gedeelte tot het gehuurde behoorde. Nu tussen partijen vast staat dat zij beiden voor de helft bijdroegen in de huur en de kosten van gas, water en elektriciteit, wist de vrouw dat zij daarmee financieel bijdroeg in kosten die – vanaf het moment van samenwoning dan wel kort daarna – mede ten behoeve van de onderneming van de man gemaakt werden. Aldus was zij vanaf de aanvang van de samenwoning in 2002 op de hoogte van een mogelijke schadevordering op de man. Dat betekent dat de mogelijke vordering van de vrouw tot vergoeding van door haar geleden schade op grond van artikel 3:310 lid 1 BW is verjaard.”

3.5.3.

Tegen dat oordeel van de rechtbank richten zich de grieven 1, 2 en 3.

Met deze grieven betoogt de vrouw – samengevat – dat de omstandigheid dat de man een deel van het erf van de siertuin heeft afgescheiden, haar sterkte in haar mening dat het afgescheiden gedeelte van de tuin separaat werd gehuurd door de man. Dit gedeelte van de tuin werd door hem gebruikt voor zijn agrarisch bedrijf. De vrouw is er steeds van uitgegaan dat alleen de siertuin deel uitmaakte van het gehuurde.

De vrouw was niet bekend met de inhoud van de huurovereenkomst. Pas medio oktober 2015 is de vrouw, door de procedure voor de kantonrechter en een van de gemeente ontvangen WOZ-beschikking over de perceelgrootte en –indeling, ermee bekend geraakt dat de man niet separaat betaalde voor de door de man gebruikte agrarische bedrijfsgrond.

3.5.4.

De man voert ter weerspreking van de grieven het volgende aan.

De vordering van de vrouw is ex art. 3:310 lid 1 BW verjaard nu de samenwoning in 2010 is geëindigd. De vrouw heeft erkend dat de heg bij aanvang van de samenwoning nog niet was geplaatst. Het perceel grond behoorde tot het gehuurde en de vrouw was daar mee bekend. Gedurende de samenwoning heeft de vrouw ook gebruik gemaakt van de tuin en daar nimmer opmerkingen over gemaakt. De vrouw maakt niet duidelijk welk gedeelte van het totale perceel als apart van het door partijen gehuurde moet worden beschouwd. De vrouw heeft ter comparitie niet betwist dat de man slechts ongeveer 250 m2 in gebruik had voor zijn hoveniersbedrijf. Nu de vrouw, evenals de man, maandelijks € 500,-- stortte op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen, wist zij dat dat huurpenningen mede met van haar afkomstige privémiddelen werden voldaan.

3.5.5.

Het hof overweegt als volgt.

3.5.5.1. Het hof stelt voorop dat de vrouw tegen de afwijzing van de vordering voor wat betreft het gedeelte voor het gebruik van de garage en het kantoor (€ 24.065,60) geen grief heeft gericht. In zoverre zal het oordeel van de rechtbank – strekkende tot afwijzing van dat gedeelte van de vordering – worden bekrachtigd en de vordering zal voor wat betreft dit bedrag worden afgewezen.

Het hof zal thans de vordering van de vrouw voor zover deze betrekking heeft op het gebruik van de tuin als bedrijfsterrein bespreken.

Verjaring

3.5.5.2. In deze zaak is art. 3:310 lid 1 BW van toepassing. Dit artikel bepaalt aldus:

“Een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden.”

Van verjaring is sprake indien de vrouw vóór 17 mei 2011 (vijf jaar vóór indiening van de dagvaarding in eerste aanleg) op de hoogte was van de gebeurtenis waardoor de door haar gestelde schade is veroorzaakt.

In geschil is op welk moment de vrouw ermee bekend is geworden dat sprake zou zijn van door haar geleden schade ten gevolge van het zakelijk gebruik van gedeelte van het door partijen gehuurde object.

3.5.5.3. Het hof is van oordeel dat de vrouw vanaf het moment dat zij samen met de man in de woning is gaan wonen bekend moet worden verondersteld met de omvang van het gehuurde object, nu ook zij het object mede (ongeacht of dit als huurder, medehuurder of partner van de huurder was) bewoonde. Voor zover zij niet bekend zou zijn met de inhoud van de huurovereenkomst – waarvan in de procedure onduidelijk is op wiens naam deze is gesloten – komt dit daarom voor rekening en risico van de vrouw. De vrouw had derhalve naar het oordeel van het hof kennis kunnen en behoren te nemen van de omvang van het gehuurde object waarvan onder meer de perceelgrootte deel uitmaakte.

Het is het hof overigens ook gebleken dat de vrouw bekend was met die perceelgrootte. Uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen d.d. 8 november 2016 blijkt immers dat de vrouw de verklaring van de man dat de perceelgrootte 1.390 m2 bedroeg, niet heeft weersproken.

Daarnaast was de vrouw ook bekend met het gebruik van dit perceel. Het hof verwijst hiervoor naar de eveneens niet door haar weersproken verklaringen van de man ter comparitie over de door hem in de tuin verrichte werkzaamheden, waaronder het planten van de heg ter afscheiding van de siertuin en de bestemmingen daarvan: deels siertuin en gedeeltelijk agrarisch gebruik (het buxusplantenveld).

Gelet op het voorgaande in onderling verband bezien met het feit dat de vrouw en de man (gelijkelijk) bijdroegen in (onder meer) de kosten van de huur, wist, althans behoorde de vrouw te weten, dat zij daarmee financieel bijdroeg in de kosten van de eenmanszaak van de man. Het hof is derhalve, met de rechtbank, van oordeel dat de vrouw vanaf de aanvang van de samenwoning in 2002 op de hoogte was van een mogelijke schadevordering op de man. De vordering van de vrouw tot veroordeling van de man tot betaling van € 50.984,76 is daarom verjaard. De grieven 1, 2 en 3 falen en de vordering sub 1 zal worden wat betreft dit bedrag worden afgewezen. De overige stellingen van partijen behoeven derhalve geen nadere bespreking.

bedrijfsmiddelen [de werkgever van de vrouw] € 4.642,-- (grieven 4 en 5)

3.6.1.

De rechtbank heeft de vordering van de vrouw wegens ongerechtvaardigde verrijking van de man omdat zij met privémiddelen voor in totaal € 4.642,-- aan goederen heeft gekocht die de man voor zijn eenmanszaak heeft gebruikt, afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de vrouw de vordering niet heeft onderbouwd en de man die vordering gemotiveerd heeft weersproken.

3.6.2.

De grieven 4 en 5 richten zich tegen dat oordeel. De vrouw heeft lijsten van goederen die in opdracht van de man en voor hem en zijn eenmanszaak door haar zijn gekocht, overgelegd (producties 1 tot en met 40 memorie van grieven). Het gaat om overzichten en facturen gericht aan de vrouw. De facturen zijn door de vrouw voldaan; haar werkgever ( [de werkgever van de vrouw] ) bracht die facturen in mindering op haar netto salaris. De vrouw ging er van uit dat de man, die de financiën beheerder, de aankoopsom zou terugstorten op de gezamenlijke bankrekening. Pas in 2015 is de vrouw gebleken dat de man dit heeft nagelaten.

3.6.3.

De man stelt dat de kantonrechter reeds over deze vordering heeft geoordeeld. Hij wijst hierbij op de rov. 3.9, 3.10, 3.18 en 3.19 van het vonnis van 7 oktober 2015.

3.6.4.

Het hof oordeelt als volgt.

Het hof verwijst naar zijn rov. 3.1.4. hiervóór waarin is vastgesteld dat de vordering ten overstaan van de kantonrechter mede betrekking had op € 3.209,-- kwekerijkosten. Het hof gaat er van uit dat, gelet op de aard van de producten waarop de vordering betrekking heeft (het hof verwijst hiervoor naar productie 1 bij memorie van grieven), welke zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is overgelegd, de met aanschaf hiervan gemoeide kosten moeten worden beschouwd als de “kwekerijkosten” waarover de kantonrechter in zijn beslissing van 7 oktober 2015 reeds een beslissing (geoordeeld is dat aan de vrouw, nu sprake was van een niet-huwelijkse samenwoningsrelatie, geen verrekenaanspraken toekwamen en haar vordering is daarom afgewezen) heeft genomen.

Op het verzoek tot vergoeding van de “bedrijfsmiddelen” (nog daargelaten dat deze vordering in de onderhavige procedure ook in hoger beroep onvoldoende is geconcretiseerd) is door de rechter dus reeds beslist, zodat dit (voor wat betreft een bedrag van € 3.209,--) niet opnieuw aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. In zoverre treffen de grieven geen doel.

Voorts kan niet worden vastgesteld waaruit het meerdere van de vordering van € 1.433,-- (€ 4642,-- minus € 3.209,--) bestaat, nu een nadere concretisering van de omvang van die vordering ontbreekt, hetgeen vooral klemt nu uit de overgelegde facturen blijkt dat deze ook betrekking hebben op privégebruik (zoals onder meer volgt uit de producties 2, 15, 21,22, 24, 25 33 A etc.) of gebruik door wellicht voor derden (zoals onder meer volgt uit de producties 13, 34 A en B). Ten slotte kan de voldoening van de facturen door de vrouw ten gunste van de man niet worden vastgesteld nu de gedingstukken hiervoor op geen enkele wijze een aanknopingspunt bieden.

Ook in dit opzicht kunnen de grieven geen doel treffen. De vordering van de vrouw onder 1 wordt daarom ook voor wat betreft het bedrag van € 4.642,-- afgewezen.

de betaling van een bedrag op te maken bij staat

3.7.

De vrouw heeft in eerste aanleg – voor zover in hoger beroep van belang – gevorderd de man te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding vanwege:

  1. het niet nakomen door de man van de afspraak dat partijen ieder een bedrag van € 500,-- per maand zouden storten op de gezamenlijke bankrekening (grieven 6 en 7);

  2. door de man van de gezamenlijke rekening naar zijn privérekening overgeboekte bedragen (grieven 6 en 7);

  3. door de man op zijn privérekening ontvangen zorgtoeslag die (mede) was bestemd voor de vrouw (grieven 10 en 11);

  4. door de vrouw op de en/of-rekening overgeboekte privégelden van € 14.535,-- (grieven 8 en 9).

nakoming afspraak partijen (grieven 6 en 7)

3.7.1.1. De vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat sprake is van een onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de man. Zij heeft daartoe aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven, dat partijen de afspraak hadden dat zij ieder maandelijks € 500,-- zouden storten op de gezamenlijke bankrekening. Het is de vrouw in 2015 gebleken dat de man deze afspraak niet altijd is nagekomen. Verder is haar toen gebleken dat de man gedurende de samenwoning aanzienlijke bedragen (€ 1.390,--) heeft overgeboekt van de gezamenlijke bankrekening naar zijn spaarrekening. De man heeft een beroep gedaan op verjaring en voorts de vorderingen weersproken.

De rechtbank heeft het beroep van de man op verjaring verworpen. De vordering van de vrouw heeft de rechtbank afgewezen. Zij overwoog daartoe:

“In het enkel niet nakomen van voormelde afspraak en het overboeken van gelden, ziet de rechtbank geen grond om aan te nemen dat de man onrechtmatig handelen kan worden verweten en evenmin dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.”

3.7.1.2. De vrouw betoogt met haar zesde en zevende grief – kort gezegd – dat indien afspraken niet worden nagekomen door de man, de vrouw schade lijdt en die schade aan de man kan worden toegerekend. Tussen het nalaten door de man en de schade van de vrouw bestaat een causaal verband. Nakoming door de man van de gemaakte afspraken strekte ter bescherming van de belangen van de vrouw. Door het niet voldoen aan de door de vrouw gestelde afspraak heeft de man de tussen partijen gesloten overeenkomst geschonden en is hij ongerechtvaardigd verrijkt.

3.7.1.3. De man stelt primair dat sprake is van verjaring. Subsidiair betwist de man de vordering van de vrouw.

3.7.1.4. Het hof zal allereerst het meest verstrekkende verweer van de man, het beroep op verjaring, bespreken. Dat beroep op verjaring slaagt en het hof overweegt daartoe als volgt.

De vraag of in deze zaak sprake is van verjaring wordt beheerst door het bepaalde in art. 3:310 lid 1 BW (zie rov. 3.5.5.2. hiervóór). Van verjaring is sprake indien de vrouw vóór 17 mei 2011 op de hoogte was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon.

Niet in geschil is dat het bedrag van € 500,-- per maand diende te worden overgemaakt naar de gemeenschappelijke en/of-bankrekening (rekeningnummer [gezamenlijke bankrekening] ) van partijen. Beide rekeninghouders, de man en de vrouw, zijn gerechtigd tot deze rekening en hebben beiden een zelfstandig recht jegens de bank om over het saldo van deze rekening te beschikken. Beide rekeninghouders hebben derhalve ook de mogelijkheid inzicht te hebben (dan wel te verkrijgen) – digitaal dan wel door middel van “papieren rekeningoverzichten” – in het verloop van een dergelijke bankrekening. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat de vrouw bekend moet worden verondersteld met alle transacties die via deze bankrekening zijn verlopen. Voor zover dit niet het geval zou zijn geweest op een datum gelegen vóór 17 mei 2011 (en de vrouw pas in 2015, zoals zij stelt, daadwerkelijk inzicht heeft gehad in de mutaties van deze bankrekening), komt dit naar het oordeel van het hof voor rekening en risico van de vrouw. De thans ingestelde vordering is daarom verjaard. Aan de beoordeling van de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen of ongerechtvaardigde verrijking van de man, komt het hof derhalve niet toe. De grieven 6 en 7 falen en de vordering sub 4 wordt in zoverre afgewezen.

overboeking van privégelden (grieven 8 en 9)

3.7.2.1. De rechtbank heeft in rov. 3.19 overwogen dat de vordering van de vrouw strekkende tot betaling van € 14.435,-- voor door haar naar de gezamenlijke rekening overgeboekte privégelden niet is onderbouwd. Die vordering is daarom afgewezen.

3.7.2.2. Tegen dat oordeel richten zich de grieven 8 en 9. Ter onderbouwing van deze grieven stelt de vrouw het volgende. De man heeft (kennelijk, aldus de vrouw) privé-uitgaven gedaan ten laste van de gemeenschappelijke bankrekening althans bedragen daarvan opgenomen. Dit noopte de vrouw tot het aanvullen van het saldo van deze bankrekening met privégelden. Ook is het mogelijk dat de maandelijkse storting van € 500,-- door partijen ontoereikend was ter bestrijding van de kosten van de huishouding.

De vrouw stelt dat zij vanuit haar privérekening € 14.535,-- heeft overgemaakt naar de gemeenschappelijke bankrekening. Voor zover nodig vult de vrouw de grondslag van haar vordering aan in die zin dat zij stelt dat de man ongerechtvaardigd is verrijkt en, subsidiair, onrechtmatig heeft gehandeld.

3.7.2.3. De man heeft de vordering van de vrouw betwist; zij stelt geen althans onvoldoende feiten en omstandigheden voor haar stelling dat sprake zou zijn van een toerekenbare tekortkoming door de man in de nakoming van zijn verplichtingen, dan wel van onrechtmatig handelen dan wel van ongerechtvaardigde verrijking.

3.7.2.4. Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge art. 150 Rv rust op de vrouw de stelplicht. Zij dient alle feiten te stellen die benodigd zijn voor het intreden van het door haar beoogde rechtsgevolg en deze feitelijke stellingen tevens voldoende concreet te onderbouwen. Heeft de vrouw aan haar stelplicht voldaan, dan hoeft zij de door haar gestelde feiten slechts te bewijzen (art. 150 Rv), wanneer de man deze feiten in voldoende mate heeft betwist.

De vrouw heeft slechts enkel een bedrag gevorderd zonder dit bedrag op enige wijze, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, te onderbouwen. Zo had de vrouw, door het overleggen van rekeningoverzichten van haar privérekening waarvan gelden naar de gemeenschappelijke rekening van partijen zouden zijn overgemaakt, haar vordering kunnen concretiseren. Dat heeft de vrouw nagelaten en dit klemt temeer nu de man haar vordering heeft weersproken.

De in grief 9 aangevoerde stelling dat de vrouw pas aan haar substantiëringsplicht kan voldoen wanneer zij de beschikking heeft over de rekeningoverzichten van de gemeenschappelijke rekening en de bankrekeningen van de man treft geen doel nu de vrouw haar vordering – onder meer – door rekeningoverzichten van haar privérekening had kunnen onderbouwen.

De grieven 8 en 9 falen mitsdien en de vordering sub 4 zal in zoverre worden afgewezen.

ontvangen zorgtoeslag (grieven 10 en 11)

3.7.3.1. De vrouw heeft haar vordering tot betaling van een bedrag, op te maken bij staat, mede gebaseerd op haar stelling dat de man op zijn privérekening zorgtoeslag heeft ontvangen die (mede) bestemd was voor de vrouw. De man is daardoor ongerechtvaardigd verrijkt.

De rechtbank heeft geoordeeld dat deze vordering is verjaard. De rechtbank overwoog hierover in rov. 3.18:

“In het onderhavige geval stelt de vrouw dat zij pas in 2015 bekend is geworden met de schade omdat zij toen pas heeft ontdekt dat de man door hem ontvangen toeslagen niet heeft doorgestort naar de gezamenlijke rekening. Naar het oordeel van de rechtbank doet dit echter niet ter zake. Immers, de vrouw heeft zelf gesteld dat zij ermee bekend was dat de man in 2005 en latere jaren zorgtoeslag heeft aangevraagd en dat die toegekende toeslagen op de privérekening van de man werden uitgekeerd. Derhalve was de vrouw reeds in 2005, doch in ieder geval vóór 17 mei 2011, op de hoogte van de mogelijke vordering op de man ter zake het aan haar toekomende deel van die toeslagen.”

3.7.3.2. De grieven 10 en 11 richten zich tegen dat oordeel. In de kern genomen komen deze grieven er op neer dat volgens de vrouw de rechtbank heeft miskend dat zij heeft gesteld dat zij er van uitging dat de man de bedragen die hij ontving naar de gemeenschappelijke rekening overboekte. Pas korte tijd voor het uitbrengen van de inleidende dagvaarding heeft zij ontdekt dat de man dit heeft nagelaten. Pas in 2015 ontving zij voor het eerst afschriften van de privérekening van de man. Vanaf dat moment heeft de verjaringstermijn een aanvang genomen.

3.7.3.3. De man stelt, ook in hoger beroep, dat de vordering van de vrouw is verjaard. Voorts betwist hij de vordering.

3.7.3.4. Het hof zal allereerst het meest verstrekkende verweer van de man, het beroep op verjaring, bespreken. Dat beroep op verjaring slaagt. Het hof overweegt daartoe als volgt.

De vraag of in deze zaak sprake is van verjaring wordt beheerst door het bepaalde in art. 3:310 lid 1 BW (zie rov. 3.5.5.2. hiervóór). Van verjaring is sprake indien de vrouw vóór 17 mei 2011 op de hoogte was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon.

Het hof is van oordeel dat de vrouw vóór 17 mei 2017 daarmee bekend was nu de vrouw in de inleidende dagvaarding immers stelt:

“De man heeft met ingang van eind 2005 en voor de daarop volgende jaren (zorg)toeslagen bij de Belastingdienst aangevraagd door het minimale inkomen van de vrouw erbij als zijn zorgtoeslagpartner te vermelden. Als gevolg daarvan zijn er in die jaren tot en met 2010 maandelijks op de prive-rekening van de man met nummer 104674989 door de Belastingdienst bedragen terzake van toeslagen bijgeschreven.”

De vrouw was derhalve vanaf eind 2005 bekend met de schade. Dat de vrouw niet wist of de man de zorgtoeslag heeft overgemaakt naar de gemeenschappelijke bankrekening is daarom niet van doorslaggevende betekenis. Het beroep van de vrouw op art. 843a Rv treft in zoverre daarom ook geen doel.

De grieven falen mitsdien en de vordering onder 4 wordt in zoverre afgewezen.

beroep op art. 843a Rv (grieven 12 en 13)

3.8.1.

De vrouw heeft in de inleidende dagvaarding gevorderd afschriften te verstrekken van de bankrekeningen met de nummers:

  • -

    [gezamenlijke bankrekening] (gemeenschappelijke bankrekening);

  • -

    [privérekening man] (privérekening man);

  • -

    [zakelijke rekening man] (zakelijke rekening man).

De rechtbank heeft deze vordering afgewezen.

3.8.2.

Grief 12 heeft betrekking op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen. Met deze grief betoogt de vrouw dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de man deze rekening beheerde en hij, in de onderlinge verhouding tussen partijen verplicht is de vrouw, desgevraagd, te informeren over het verloop van die bankrekening en haar inzage te verschaffen. De vrouw vervolgt: “Daaraan doet niet af dat (mogelijk) de vrouw zelf ook de mogelijkheid heeft de afschriften op te vragen bij de Rabobank.”

Voor wat betreft de privérekening van de man heeft te gelden dat de vrouw pas na het verkrijgen van inzage en afschrift van deze rekening haar vorderingen betreffende (i) de door de man van de gezamenlijke rekening naar zijn privérekening overgeboekte bedragen, (ii) de door de man ontvangen zorgtoeslag en (iii) de door de vrouw overgeboekte privégelden, kan substantiëren.

Grief 13 houdt in dat de man rekening en verantwoording moet afleggen ten overstaan van de vrouw over het gevoerde beheer over de gemeenschappelijke bankrekening met nummer [gezamenlijke bankrekening] . De rechtbank heeft ten onrechte deze vordering van de vrouw afgewezen.

3.8.3.

De man betwist dat hij het beheer heeft gevoerd over de gemeenschappelijke bankrekening. De vrouw was ook tot deze rekening gerechtigd en beiden hadden volledig inzicht in de mutaties van deze rekening. De vrouw had afschriften bij de bank kunnen opvragen maar heeft, ten overstaan van de kantonrechter, verklaard dat zij de kosten daarvan niet kan dragen. Bovendien heeft de vrouw, nu sprake is van verjaring van haar vorderingen, geen belang bij haar vordering.

3.8.4.

Het hof overweegt als volgt.

de gemeenschappelijke bankrekening van partijen

3.8.4.1. Het hof verwijst naar zijn rov. 3.7.1.4. Reeds de enkele omstandigheid dat beide partijen gerechtigd waren tot deze bankrekening en derhalve ieder afzonderlijk beschikkings- en beheersbevoegd waren over deze rekening, staat in de weg aan toewijzing van de vordering van de vrouw. De stelling van de vrouw “Daaraan doet niet af dat (mogelijk) de vrouw zelf ook de mogelijkheid heeft de afschriften op te vragen bij de Rabobank.” berust daarom op een onjuiste rechtsopvatting.

De grieven falen in zoverre. De vordering tot het verstrekken van afschriften door de man (art. 843a Rv) alsmede de vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording (vordering sub 3) door de man zullen worden afgewezen.

de privérekening van de man

3.8.4.2. Ook de vordering ex art. 843 a Rv voor zover deze betrekking heeft op de privérekening van de man wordt afgewezen en de grieven falen in zoverre.

Voor wat betreft de door de man van de gemeenschappelijke bankrekening overgeboekte bedragen naar zijn privérekening, verwijst het hof naar zijn rov. 3.8.4.1. hiervóór. Voor de zorgtoeslag verwijst het hof naar zijn rov. 3.7.3.4. hiervóór. Ten slotte verwijst het hof voor wat betreft de door de vrouw overgeboekte privégelden naar rov. 3.7.2.4..

vermeerdering van eis in principaal appel

3.9.1.

De vrouw heeft in hoger beroep haar eis aangevuld in die zin dat, voor zover het hof van oordeel is dat haar vorderingen zijn verjaard, zij een verklaring voor recht vordert inhoudende “dat zij de betreffende vordering heeft op de man, zij het dat die vordering is verjaard”.

3.9.2.

De man heeft deze vordering weersproken.

3.9.3.

Het hof acht deze vordering van de vrouw niet toewijsbaar. Voor zover de vorderingen zijn verjaard kan het hof immers niet toekomen aan beoordeling van de gegrondheid van de vordering. Het hof kan reeds daarom niet verklaren voor recht dat de vrouw de betreffende vordering op de man heeft.

de proceskosten (grief I).

3.10.1.

Beide partijen hebben een proceskostenveroordeling gevorderd. De man heeft in zijn (enige) grief in het incidenteel appel daaraan ten grondslag gelegd dat de relatie tussen partijen al zo ver terug in het verleden ligt, dat die geen aanleiding meer zou mogen geven voor een proceskostencompensatie. Bovendien heeft de vrouw de man voor onnodige (advocaat)kosten gesteld.

De vrouw heeft haar vordering niet nader onderbouwd.

3.10.2.

Het hof stelt vast dat het geschil tussen partijen voortvloeit uit hun (inmiddels voormalige) affectieve relatie. Daarmee is de grondslag voor compensatie van de proceskosten aanwezig. Dat die relatie reeds in 2010 is geëindigd doet daar, gelet op de aard van het geschil, niet aan af. Ook in het overige dat door de man is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding af te wijken van het in art. 237 jo. art. 353 Rv bepaalde. Het hof zal met toepassing van deze bepalingen de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten in hoger beroep draagt.

resumé

3.11.

Nu alle grieven falen zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen en de vorderingen van partijen afwijzen.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 21 december 2016;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 mei 2018.

griffier rolraadsheer