Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2202

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
22-05-2018
Zaaknummer
20-001723-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt wegens het op 27 januari 2017 medeplegen van een poging tot zware mishandeling in een woning te Eindhoven veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden. De verweren van de verdediging – inhoudende dat de verdachte ten tijde van het incident niet in de woning aanwezig was, dat het ten laste gelegde medeplegen niet bewezen kan worden verklaard en dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer – worden verworpen. De verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde bestanddeel ‘met voorbedachten rade’, nu het hof niet kan vaststellen dat de verdachte en zijn mededader tevoren een plan hadden beraamd om aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Voorts wordt de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen van een (poging tot zware) mishandeling van de bewoonster van voornoemde woning, nu de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn mededader naar het oordeel van het hof niet is komen vast te staan. In de eerste plaats overweegt het hof daartoe dat van een gezamenlijke uitvoering geen sprake is geweest, nu enkel de mededader haar heeft geslagen en geschopt. In de tweede plaats overweegt het hof dat op grond van het dossier evenmin kan worden geoordeeld dat de bijdrage van de verdachte aan de (poging tot zware) mishandeling van de bewoonster desondanks van voldoende gewicht is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0455
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001723-17

Uitspraak : 22 mei 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 24 mei 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-865011-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans gedetineerd te PI Vught te Vught.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte wegens het tweemaal medeplegen van poging tot zware mishandeling, gepleegd met voorbedachten rade (feit 1 subsidiair en feit 2 primair), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.

Voorts is bij vonnis waarvan beroep beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 1] en [aangeefster 2] en is een verzoek van de verdediging tot opheffing van de voorlopige hechtenis afgewezen.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    verdachte zal vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde;

  • -

    het onder 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde, telkens het medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade, bewezen zal verklaren;

  • -

    verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] hoofdelijk zal toewijzen tot een bedrag van € 1.894,28 (bestaande uit € 394,28 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2] hoofdelijk zal toewijzen tot een bedrag van € 1.516,06 (bestaande uit € 16,06 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    verdachte zal veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partijen [aangever 1] en [aangeefster 2] , bestaande uit de reiskosten die zij hebben gemaakt om de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep bij te wonen.

De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging:

  • -

    primair bepleit dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vorderingen, aangezien deze vorderingen thans onvoldoende zijn onderbouwd;

  • -

    subsidiair, gelet op de verzochte vrijspraken, bepleit dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vorderingen dan wel dat deze vorderingen zullen worden afgewezen;

  • -

    meer subsidiair bepleit dat de door de rechtbank toegewezen gedeelten van de vorderingen – mede gelet op de zeer lage draagkracht van verdachte – zullen worden gematigd.

Tot slot heeft de verdediging het hof verzocht het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

1 primair.
hij op of omstreeks 27 januari 2017 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om [aangever 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven die [aangever 1] meermalen, althans eenmaal, met een ploertendoder, althans een hard voorwerp, en/of twee pannen, althans een pan, op het hoofd heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1 subsidiair.
hij op of omstreeks 27 januari 2017 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever 1] meermalen, althans eenmaal, met een ploertendoder, althans een hard voorwerp, en/of twee pannen, althans een pan, op het hoofd heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 primair.
hij op of omstreeks 27 januari 2017 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [aangeefster 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangeefster 2] meermalen, althans eenmaal, met een ploertendoder en/of een knuppel, althans een hard voorwerp, op het hoofd en/of de hand(en) en/of de pols(en) en/of de vinger(s) heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 subsidiair.
hij op of omstreeks 27 januari 2017 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet met voorbedachten rade [aangeefster 2] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, met een ploertendoder en/of een knuppel, althans een hard voorwerp, op het hoofd en/of de hand(en) en/of de pols(en) en/of de vinger(s) van die [aangeefster 2] te slaan.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Ten aanzien van feit 1 primair

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte – al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen – heeft gepoogd [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting is – voor zover hier van belang – gebleken dat [aangever 1] door twee mannen (onder andere op het hoofd) is geslagen met de vuist, met pannen en met een voorwerp dat door hem wordt aangeduid als een ploertendoder.

Het hof stelt voorop dat op het hoofd uitgeoefend geweld onder omstandigheden de dood tot gevolg kan hebben. Dergelijk geweld kan dan ook leiden tot de gevolgtrekking dat de plegers van dat geweld (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op de dood van het slachtoffer, namelijk indien zij met dat geweld minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het slachtoffer daardoor zou komen te overlijden. In het onderhavige geval kan het hof echter niet met voldoende zekerheid vaststellen dat van een dergelijk opzet sprake is geweest. Het letsel van [aangever 1] is immers niet van dien aard dat hieruit kan worden afgeleid dat er een aanmerkelijke kans heeft bestaan dat hij ten gevolge van het jegens hem gebruikte geweld zou komen te overlijden. Ook uit de overige inhoud van het dossier blijkt niet dat er door het uitgeoefende geweld een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel heeft bestaan. Zo ontbreekt in het dossier informatie over het gewicht van de pannen en het andere (harde) voorwerp waarmee [aangever 1] op zijn hoofd is geslagen. Bij die stand van zaken kan naar het oordeel van het hof niet worden bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Het hof zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 1 subsidiair

Het hof is met de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte en zijn mededader met voorbedachten rade hebben gepoogd om aan [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. Het hof merkt hierbij nog op dat de vaststelling dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing vormt, maar de rechter er niet van behoeft te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting is – voor zover hier van belang – gebleken dat [aangever 1] in de avond van 27 januari 2017 in de woning van [aangeefster 2] (hierna: [aangeefster 2] ), gelegen aan de [straatnaam] te Eindhoven, was toen er werd aangebeld. Op het moment dat [aangever 1] de deur opende, zag hij dat er twee personen voor de deur stonden. Deze personen droegen beiden een bivakmuts. [aangever 1] probeerde toen de voordeur dicht te gooien, maar zag en voelde dat de voordeur werd ingetrapt. [aangever 1] ging vervolgens door de kracht van de deur naar achteren en zag dat er twee personen op hem af kwamen lopen. [aangever 1] sloeg vervolgens één van deze personen, de voorste, met zijn vuist in het gezicht. Zoals het hof hierna nader zal overwegen, betrof dit verdachte. Verdachte schreeuwde hierop de woorden “Vieze hond”, althans woorden van die strekking. [aangever 1] zag daarna dat beide personen op hem afstormden, dat de tweede persoon achter verdachte aanliep en dat de tweede persoon een zwiepende beweging maakte met het voorwerp dat hij in zijn rechterhand had, waardoor er iets uit kwam. [aangever 1] zag toen dat het een ploertendoder was. Vervolgens sloeg de tweede persoon (niet zijnde verdachte) [aangever 1] met de ploertendoder op de achterkant van zijn hoofd. Vervolgens raakte [aangever 1] met verdachte in een worsteling, waarbij zij over de eetkamertafel vielen. De andere persoon bleef [aangever 1] ondertussen slaan met het harde voorwerp. Even later is het gevecht naar de keuken verplaatst, alwaar [aangever 1] meermalen – onder andere met pannen – door beide personen op zijn hoofd werd geslagen.

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof niet dat verdachte en zijn mededader tevoren een plan hadden beraamd om aan [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Hoewel in de omstandigheden dat verdachte en zijn mededader een bivakmuts droegen en dat de mededader was voorzien van een slagwapen aanwijzingen zouden kunnen worden gevonden voor enig vooropgezet plan, acht het hof – mede gelet op de omstandigheid dat de verklaringen van aangevers [aangever 1] en [aangeefster 2] en de verklaring van getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), noch die van verdachte of de mededader (nu deze onbekend is gebleven) aanwijzingen hebben opgeleverd die daarvoor ondersteunend kunnen zijn – niet wettig bewezen dat verdachte en zijn mededader tevoren daadwerkelijk het plan hadden opgevat om aan [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Naar het oordeel van het hof valt immers niet uit te sluiten dat verdachte en zijn mededader naar de woning van [aangeefster 2] zijn gegaan met de bedoeling om haar en/of [aangever 1] slechts te intimideren en schrik aan te jagen.

Bovendien is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat het [aangever 1] is geweest die – weliswaar nadat verdachte en zijn mededader de woning waren binnengedrongen – de eerste klap heeft uitgedeeld een belangrijke contra-indicatie is voor de voorbedachte raad. Het is immers niet ondenkbaar dat het geweldgebruik door verdachte en zijn mededader in reactie op de vuistslag door [aangever 1] heeft plaatsgevonden. Een en ander lijkt ook ondersteund te worden door de omstandigheid dat de mededader pas nadat [aangever 1] verdachte had geslagen met de vuist een zwiepende beweging heeft gemaakt met het voorwerp dat hij in zijn hand had, waardoor er iets uit kwam.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde met voorbedachte raad heeft gepleegd. Dientengevolge zal het hof verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde vrijspreken van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’.

Ten aanzien van feit 2 primair en feit 2 subsidiair

Het hof is met de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van (poging tot zware) mishandeling (met voorbedachten rade) van [aangeefster 2] . Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Hierbij kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen zelfs in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde het navolgende af.

Nadat de twee personen die in haar woning waren binnengedrongen – onder wie, zoals het hof hierna nader zal overwegen, verdachte – in de woonkamer geweld hadden gebruikt jegens [aangever 1] , verplaatste het gevecht zich naar de keuken, alwaar [aangeefster 2] zich op dat moment eveneens bevond. [aangeefster 2] heeft verklaard dat zij in de keuken op de grond zat terwijl zij door de mededader (niet zijnde verdachte) op haar hoofd, handen, vingers en polsen werd geslagen met een voorwerp dat zij heeft omschreven als een knuppel. Ook zou zij door die persoon zijn geschopt. [aangeefster 2] heeft voorts verklaard dat verdachte een trappende beweging in haar richting heeft gemaakt en dat zij zag dat verdachte [aangever 1] met zijn vuisten sloeg. Zij dacht dat verdachte haar wilde schoppen in haar gezicht, zij zag een voet op zich afkomen. Verdachte heeft haar niet geraakt. Op enig moment heeft [aangeefster 2] kans gezien om weg te kruipen in de richting van de tuin, waarna verdachte en zijn mededader even later haar woning hebben verlaten.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader niet is komen vast te staan. In de eerste plaats overweegt het hof daartoe dat van een gezamenlijke uitvoering geen sprake is geweest. Immers, enkel de mededader heeft [aangeefster 2] geslagen en geschopt. Verdachte heeft weliswaar een trappende beweging in de richting van [aangeefster 2] gemaakt, maar hij heeft haar niet geraakt. Dit, terwijl verdachte tijdens het gevecht wel degelijk de gelegenheid heeft gehad om geweld jegens haar te gebruiken. Verdachte heeft ondanks deze gelegenheid enkel geweld tegen [aangever 1] gebruikt. In de tweede plaats overweegt het hof dat op grond van het dossier evenmin kan worden geoordeeld dat de bijdrage van verdachte aan de (poging tot zware) mishandeling van [aangeefster 2] desondanks van voldoende gewicht is geweest. Zo is niet gebleken van een specifieke onderlinge taakverdeling, terwijl de rol die verdachte in de voorbereiding van het delict heeft gespeeld niet kan worden vastgesteld.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte de onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan. Het hof zal verdachte hiervan derhalve vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 januari 2017 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever 1] meermalen met een ploertendoder, althans een hard voorwerp, en twee pannen op het hoofd heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

Algemene overweging

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Verweren van de verdediging strekkende tot vrijspraak

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is – op gronden als verwoord in de pleitnota – het navolgende aangevoerd.

In de eerste plaats is de verdediging van mening dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte ten tijde van het incident aanwezig was in de woning van [aangeefster 2] en geweld heeft gebruik tegen [aangever 1] . De beweerdelijke herkenningen door [aangever 1] , [aangeefster 2] en [getuige 1] deugen niet. Geen van hen heeft immers op enig moment rustig en kalm een volledig beeld van de daders kunnen krijgen. Voorts hebben zij weliswaar verklaard dat zij verdachte hebben herkend als één van de daders, maar zij hadden hem ten tijde van het incident al een lange tijd niet gezien. Bovendien zouden voornoemde personen verdachte hebben herkend aan zijn ogen, stem, postuur en kleding, maar aan de ogen, de stem en het postuur van verdachte is niets bijzonders te onderscheiden terwijl de kleding die wordt beschreven evenmin voldoende onderscheidend is te noemen. Om voornoemde redenen zijn de herkenningen door [aangever 1] , [aangeefster 2] en [getuige 1] onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt, aldus de verdediging.

In de tweede plaats heeft de verdediging bepleit dat het ten laste gelegde medeplegen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Als verdachte al één van de daders is geweest, rechtvaardigt het samen naar de woning van [aangeefster 2] gaan nog niet de conclusie dat sprake is geweest van medeplegen. Dit levert op zichzelf niet een bewuste en nauwe samenwerking op ter zake van het ten laste gelegde handelen. Bovendien blijkt uit het dossier niet dat er enige vorm van overleg of afstemming tussen de daders heeft plaatsgevonden gedurende het incident. Tot slot is de materiële bijdrage van de onbekend gebleven persoon aan het ten laste gelegde handelen aanzienlijk groter geweest dan de bijdrage van verdachte, nu deze mededader een (slag)wapen bij zich droeg. Op basis van het voorgaande concludeert de verdediging dat er geen sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking gedurende het incident.

Tot slot heeft de verdediging bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [aangever 1] . Indien de verklaringen van [aangever 1] , [aangeefster 2] en [getuige 1] worden gevolgd, was verdachte immers niet degene met de ploertendoder. Bovendien blijkt uit het dossier niet ondubbelzinnig dat verdachte [aangever 1] met een pan of enig ander hard voorwerp heeft geslagen. Tot slot is het niet bekend hoe hard [aangever 1] is geslagen en waar dit precies is gebeurd, zodat de enkele vaststelling dat er letsel aan het hoofd was onvoldoende is om te komen tot een bewezenverklaring van (medeplegen van) poging tot zware mishandeling, aldus de verdediging.

Relevante feiten en omstandigheden

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof – voor zover hier van belang – de navolgende feiten en omstandigheden af.

Zoals het hof reeds in de vrijspraakoverweging (onder het kopje ‘Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 1 subsidiair’) heeft overwogen, is uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting onder meer gebleken dat:

- op 27 januari 2017 twee personen die hun gezicht hadden afgedekt met bivakmutsen aanbelden bij de woning van [aangeefster 2] , gelegen aan de [straatnaam] te Eindhoven;1

- de voordeur door één van deze personen werd ingetrapt nadat [aangever 1] de voordeur had geopend en [aangever 1] de voordeur, toen hij zich geconfronteerd zag met de twee personen met bivakmutsen, trachtte dicht te gooien;2

- [aangever 1] één van deze personen met zijn vuist in het gezicht sloeg;3

- die persoon hierop de woorden “Vieze hond”, althans woorden van die strekking, schreeuwde;4

- [aangever 1] door de andere persoon met een hard voorwerp – waarschijnlijk een ploertendoder – op de achterkant van zijn hoofd werd geslagen;5

- hij met de persoon die hij een vuistslag had gegeven in een worsteling raakte, waarbij zij beiden over de eetkamertafel vielen en hij zag en voelde dat die persoon met gebalde vuisten op hem in bleef slaan;6

- de andere persoon hem met het harde voorwerp bleef slaan;7

- [aangever 1] in de keuken door beide personen meermalen en onder andere met pannen op het hoofd werd geslagen.8

Uit de medische informatie van St. Anna Zorggroep blijkt dat [aangever 1] aan het op hem uitgeoefende geweld blijkens overdracht door het ambulancepersoneel een wond achter zijn linkeroor, een bloemkooloor, een wondje op zijn achterhoofd, een pijnlijke gezwollen (gekneusde) neus en een gekneusde vinger heeft overgehouden. [aangever 1] is op de afdeling spoedeisende hulp onderzocht. Daar zijn de volgende letsels bevonden: zwelling links langs neus, zwelling over linker orbita, forse zwelling linker oor, schaafwondje voorzijde behaarde hoofdhuid, schaafwondje achter op het hoofd, bloed uit de neus. Als diagnose is gesteld: trauma capitis.9

[aangever 1] heeft tegenover de politie en bij de rechter-commissaris verklaard dat hij verdachte herkende als één van de indringers en dat verdachte de persoon was die “Vieze hond” schreeuwde nadat hij hem met zijn vuist in het gezicht had geslagen. [aangever 1] heeft verklaard de stem van de persoon die “Vieze hond” schreeuwde te hebben herkend als de stem van verdachte. Hij had immers veel met verdachte gesproken toen laatstgenoemde – ongeveer een jaar voorafgaand aan het incident – in de woning van [aangeefster 2] woonde. Hij zou verdachte verder hebben herkend aan zijn ogen, zijn (brede) postuur en een jasje dat hij ook al droeg toen hij in de woning van [aangeefster 2] woonde.10

[aangeefster 2] heeft tegenover de politie en bij de rechter-commissaris verklaard dat zij verdachte herkende als één van de indringers. Zij zou verdachte hebben herkend aan zijn ogen, zijn (brede) postuur en het jasje dat hij droeg. Dit jasje zou hij immers ook hebben gedragen toen hij bij haar inwoonde. Tot slot had zij gezien dat onder de bivakmuts van de persoon die zij zegt te herkennen als verdachte geen haar zat, terwijl verdachte kaal is.11

[getuige 1] , die op het moment dat de twee personen de woning van [aangeefster 2] binnendrongen ook in die woning aanwezig was, heeft tegenover de politie en bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij verdachte meteen herkende als één van die personen. Hij herkende verdachte aan zijn stem, postuur, mond, lippen, kaaklijn en het jasje dat hij droeg. [getuige 1] heeft voorts verklaard dat hij verdachte al sinds zijn kindertijd kent, dat verdachte in het verleden bij hem ‘om de hoek’ woonde en dat hij hem destijds vrijwel dagelijks zag.12

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 mei 2018 verklaard dat hij [aangever 1] een aantal keer heeft gezien in de periode dat hij in 2016 ongeveer 8 weken in de woning van [aangeefster 2] heeft gewoond en dat hij [aangeefster 2] en [getuige 1] al jaren kent, omdat hun moeder bevriend is met zijn partner en omdat zij jaren in dezelfde buurt hebben gewoond. Voorts heeft verdachte verklaard dat het wel klopt dat hij een breed postuur heeft aangezien hij aan fitness doet en dat [aangeefster 2] goed weet hoe hij eruit ziet.

Betrouwbaarheid van de herkenningen door de aangevers en [getuige 1]

Het hof stelt voorop dat het in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen aanleiding ziet om aan de betrouwbaarheid van de herkenningen door [aangever 1] , [aangeefster 2] en [getuige 1] te twijfelen. Hoewel in de woning van [aangeefster 2] ten tijde van het incident sprake was van een hectische situatie, is het hof van oordeel dat dit nog niet maakt dat de op dat moment gedane waarnemingen niet betrouwbaar zouden zijn. [aangever 1] , [aangeefster 2] en [getuige 1] hebben allen gedetailleerd verklaard waaraan zij verdachte hebben herkend. Bovendien zijn de door hen afgelegde verklaringen omtrent de herkenningen in de kern gelijkluidend. Zo hebben zij allen verklaard dat zij verdachte hebben herkend aan zijn postuur en het jasje dat hij droeg, terwijl de stem en ogen ook door meerdere personen zijn genoemd als kenmerken waaraan verdachte is herkend. Gelet op de omstandigheden dat [aangever 1] verdachte een jaar vóór het incident meermalen had gesproken, dat [aangeefster 2] en [getuige 1] verdachte al jarenlang kenden en dat verdachte in het jaar 2016 een periode in de woning van [aangeefster 2] heeft gewoond – hetgeen verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft erkend – is het hof voorts van oordeel dat alle betrokken personen – in het bijzonder [aangeefster 2] en [getuige 1] – bij uitstek personen zijn die in staat moeten worden geacht verdachte aan bepaalde persoonskenmerken te herkennen. Het hof ziet ook overigens geen reden om aan de betrouwbaarheid van de herkenningen door de aangevers en [getuige 1] te twijfelen.

Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep

Tegenover deze drie herkenningen staat de verklaring die verdachte eerst ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht. Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van het ten laste gelegde niet in Eindhoven was. Verdachte zou die nacht pas om 24.00 uur thuis zijn gekomen. Verdachte heeft niet concreet willen verklaren waar hij ten tijde van het ten laste gelegde was, met wie hij was en wat hij deed. Daar, zo heeft verdachte verklaard, heeft hij zijn eigen redenen voor, die hij niet wil prijsgeven. De activiteiten waren niet crimineel. Verdachte was in de buurt van Amsterdam, met de auto. De auto was niet van hem. Hij had de auto niet geleend. Verdachte heeft niet willen zeggen wat voor auto het was. Verdachte heeft, nadat hij was aangehouden, geen contact meer gehad met de personen bij wie hij naar zijn zeggen was, omdat hij dat niet nodig vond. Hij kan zijn alibi niet onderbouwen.

Tussenconclusie

Het hof hecht geen geloof aan de verklaring die verdachte eerst in hoger beroep heeft afgelegd en schuift deze terzijde. Verdachte heeft, daartoe meermalen bevraagd door het hof, geen enkele informatie willen verstrekken ter verificatie en controle van zijn gestelde alibi.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte één van de personen is geweest die op 27 januari 2017 is binnengedrongen in de woning van [aangeefster 2] en geweld heeft gebruikt jegens [aangever 1] .

In zoverre wordt het verweer mitsdien verworpen. Ook hetgeen hieromtrent overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Medeplegen

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het onder 1 subsidiair ten laste gelegde handelen af dat zowel verdachte als zijn mededader geweld hebben gebruikt jegens [aangever 1] . Nadat [aangever 1] door de mededader op de achterkant van zijn hoofd was geslagen met een hard voorwerp dat door [aangever 1] wordt herkend als een ploertendoder, raakte [aangever 1] met verdachte in een worsteling. Daarbij vielen zij over de eetkamertafel. De mededader bleef [aangever 1] ondertussen slaan met (vermoedelijk) de ploertendoder. Toen het gevecht was verplaatst naar de keuken bleven verdachte en zijn mededader (met gebalde vuisten) op [aangever 1] in slaan. Op enig moment werd [aangever 1] door beide personen – aldus door verdachte en zijn mededader – met een (koeken)pan met kracht op zijn hoofd geslagen. Nadat de mededader op enig moment zei dat hij en verdachte moesten gaan en wegrende, heeft verdachte [aangever 1] nog meerdere vuistslagen gegeven. Daarna heeft ook verdachte de woning verlaten.

Op grond van het vorenstaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het ten laste gelegde medeplegen van het op [aangever 1] uitgeoefende geweld wettig en overtuigend bewezen.

In zoverre wordt het verweer mitsdien verworpen. Ook hetgeen hieromtrent overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel

Op grond van hetgeen onder het kopje ‘Relevante feiten en omstandigheden’ is overwogen, is voor het hof komen vast te staan dat verdachte samen met zijn mededader geweld heeft gebruikt jegens [aangever 1] . Dit geweld bestond onder meer uit het meermalen op het hoofd van [aangever 1] slaan met een ploertendoder (althans een hard voorwerp) en twee pannen. [aangever 1] heeft verklaard dat hij hierdoor veel pijn aan zijn hoofd voelde en dat het bloed over zijn gezicht liep en overal naartoe spatte. Bovendien blijkt uit de medische informatie van St. Anna Zorggroep dat [aangever 1] letsel aan onder meer zijn oor, hoofd en neus heeft bekomen.

Voornoemde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm – behoudens contra-indicaties, waarvan niet is gebleken – worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte en zijn mededader op zijn minst genomen de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Hierbij heeft het hof onder andere rekening gehouden met de plaats op het lichaam waar verdachte en zijn mededader het slachtoffer hebben geraakt. In het hoofd bevinden zich immers vitale organen (waaronder de hersenen) en het is een feit van algemene bekendheid dat het meermalen met een hard voorwerp – zoals een ploertendoder of een pan – op iemands hoofd slaan hersenletsel kan veroorzaken en dat de kans hierop aanmerkelijk is. Dat dit gevolg niet is ingetreden, is niet aan verdachte en zijn mededader te danken.

Gelet op het vorenstaande hebben verdachte en zijn mededader met hun gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het hof is dan ook – anders dan de verdediging – van oordeel dat verdachte en zijn mededader (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [aangever 1] .

In zoverre wordt het verweer mitsdien verworpen. Ook hetgeen hieromtrent overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Conclusie

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen en acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit – gelet op de herkenningen door [aangever 1] , [aangeefster 2] en [getuige 1] , in combinatie met de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is derhalve strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De verdediging heeft het hof verzocht te volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die qua duur gelijk is aan de tijd die verdachte tot aan de uitspraakdatum (22 mei 2018) in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, al dan niet in combinatie met een taakstraf dan wel een voorwaardelijke gevangenisstraf. Voorts heeft de verdediging het hof verzocht het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof neemt bij het bepalen van de straf in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich op 27 januari 2017 samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [aangever 1] . Verdachte en zijn mededader zijn – voorzien van bivakmutsen en een slagwapen – de woning van [aangeefster 2] op agressieve wijze binnengedrongen, alwaar zij [aangever 1] vervolgens meermalen op het hoofd hebben geslagen. Hierbij is gebruik gemaakt van vuisten, een ploertendoder (althans een hard voorwerp) en twee in de woning aanwezige koekenpannen. Verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als geestelijke integriteit van [aangever 1] . Als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft [aangever 1] lichamelijk letsel opgelopen. Bovendien blijkt uit de zich in het dossier bevindende schriftelijke slachtofferverklaring dat [aangever 1] naast lichamelijk letsel ook nadelige psychische gevolgen – zoals gevoelens van angst, onveiligheid en wantrouwen jegens anderen – aan het voorval heeft overgehouden.

Het hof rekent het verdachte daarnaast zwaar aan dat het hier gaat om geweld in een woning waar wederrechtelijk was binnengedrongen, waardoor het veiligheidsgevoel van de slachtoffers in de huiselijke omgeving – een omgeving waar iemand zich juist veilig zou moeten voelen – wordt aangetast. Het staat naar het oordeel van het hof buiten kijf dat de gebeurtenissen van 27 januari 2017 een grote impact hebben gehad op alle betrokkenen. Dat het destijds tweejarige kind van [aangever 1] en [aangeefster 2] ten tijde van het incident ook in de woonkamer aanwezig was en aldus is blootgesteld aan de explosie van geweld die aldaar heeft plaatsgevonden, maakt het feit naar het oordeel van het hof des te kwalijker.

Voorts blijkt uit het dossier dat het motief van verdachtes handelen lijkt te zijn ingegeven door een conflict dat verdachte en zijn partner met [aangeefster 2] hadden over geld. Verdachte en zijn partner zouden [aangeefster 2] immers nog geld (huur) verschuldigd zijn voor de tijd die zij – samen met de zoon van verdachte – in de woning van [aangeefster 2] hebben gewoond. Het hof sluit bovendien niet uit dat het incident dat zich eerder die dag in een supermarkt had voorgedaan (waarbij [aangeefster 2] de partner van verdachte heeft geslagen) aanleiding is geweest voor het bewezen verklaarde handelen. Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij het recht in eigen hand heeft genomen en is overgegaan tot het bewezen verklaarde ernstige geweldgebruik.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 mei 2018, waaruit weliswaar blijkt dat hij meermalen onherroepelijk is veroordeeld, maar dat hij sinds het jaar 2000 niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen ter zake van geweldsdelicten. Voorts heeft het hof gelet op zijn overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in het bijzonder op het op verzoek van de verdediging door Mijn Reclassering ( [naam rapporteur] ) opgemaakte reclasseringsadvies betreffende verdachte d.d. 20 september 2017.

In het voordeel van verdachte heeft het hof nog rekening gehouden met de omstandigheid dat het hof minder bewezen heeft verklaard dan de rechtbank.

Naar het oordeel van het hof kan – gelet op de vorenomschreven ernst van het feit – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alle omstandigheden afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.

Verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis

Gelet op de duur van de gevangenisstraf die het hof aan verdachte zal opleggen (te weten 16 maanden) alsmede gelet op de tijd die verdachte tot aan de uitspraakdatum in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (te weten 15 maanden en 25 dagen) ziet het hof geen reden om reeds thans het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het verzoek van de verdediging zal dan ook worden afgewezen.

Wel zal de voorlopige hechtenis – ingevolge artikel 75, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering – worden opgeheven op het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de tenuitvoerlegging van de opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij [aangever 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.278,44 (bestaande uit € 1.778,44 aan materiële schade en € 4.500,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is – voor zover betrekking hebbend op de materiële schade – als volgt opgebouwd:

  1. Diverse reiskosten € 47,56

  2. Huishoudelijke hulp (twee weken) € 120,00

  3. Ambulancevervoer € 701,79

  4. Factuur huisarts d.d. 1 februari 2017 € 13,82

  5. Factuur huisarts d.d. 1 maart 2017 € 55,27

  6. Factuur St. Anna Zorggroep d.d. 3 februari 2017 € 500,00

  7. Bebloede kleding: broek en trui (€ 140,00 + € 200,00) € 340,00

De vordering is bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.913,42 (bestaande uit € 413,42 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [aangever 1] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Hierbij heeft hij tevens de grondslag van de post ‘Reiskosten’ (deels) gewijzigd, in die zin dat de gevorderde reiskosten die zijn gemaakt in verband met het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris dienen te worden vervangen door de reiskosten die zijn gemaakt in verband met het bijwonen van de terechtzitting in hoger beroep op 8 mei 2018. Nu zowel het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris als de terechtzitting in hoger beroep op dezelfde locatie hebben plaatsgevonden, blijft de hoogte van de feitelijke reiskosten door deze grondslagwijziging gelijk. Het hof leidt uit het vorenstaande af dat de benadeelde partij [aangever 1] niet langer een beslissing van het hof verlangt omtrent de reiskosten die zijn gemaakt in verband met het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris. Nu deze specifieke reiskosten niet meer aan het oordeel van het hof zijn onderworpen, zal het hof daaromtrent dan ook geen beslissing nemen.

Alvorens over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van de vordering van [aangever 1] merkt het hof nog op dat het heeft vastgesteld dat een gedeelte van de gevorderde reiskosten dient te worden aangemerkt als materiële schade – namelijk voor zover deze kosten betrekking hebben op het bezoeken van het St. Annaziekenhuis, Gezondheidscentrum De Pastorie en ‘Diagnostiek voor U’ – en dat een gedeelte hiervan dient te worden aangemerkt als door [aangever 1] gemaakte proceskosten, namelijk voor zover deze kosten betrekking hebben op het bezoeken van de rechtbank en het hof. Het hof begrijpt de vordering in het vervolg dan ook zoals hier beschreven.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat [aangever 1] als gevolg van verdachtes onder 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Ten behoeve van de leesbaarheid zullen de schadeposten afzonderlijk van elkaar worden besproken.

Materiële schade

Met betrekking tot de onder post 1 gevorderde reiskosten overweegt het hof dat [aangever 1] reiskosten heeft gemaakt toen hij het St. Annaziekenhuis (10 kilometer x € 0,29), Gezondheidscentrum De Pastorie (12 kilometer x € 0,29) en ‘Diagnostiek voor U’ (10 kilometer x € 0,29) heeft bezocht. De gevorderde reiskosten die – gelet op het vorenstaande – aangemerkt dienen te worden als materiële schade (€ 9,28) zullen dan ook geheel worden toegewezen.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de gevorderde post 2 (huishoudelijke hulp), nu het hof van oordeel is dat dit gedeelte van de vordering thans onvoldoende is onderbouwd.

Met betrekking tot de gevorderde medische kosten (posten 3 tot en met 6) overweegt het hof dat het heeft vastgesteld dat [aangever 1] ten tijde van het bewezen verklaarde feit geen zorgverzekering had afgesloten terwijl hij hiertoe wel wettelijk verplicht was. Deze omstandigheid neemt echter niet weg dat verdachte aansprakelijk is voor de medische kosten die zijn ontstaan ten gevolge van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde. Ook indien [aangever 1] zich had verzekerd, zouden die kosten uiteindelijk immers voor rekening van verdachte komen, nu de ziektekostenverzekeraar bij uitkering aan de benadeelde in diens rechten treedt en de kosten kan verhalen op verdachte. Het hof acht dan ook geen termen aanwezig om het aan [aangever 1] toe te kennen bedrag te verminderen op grond van eigen schuld, zodat de door [aangever 1] gemaakte medische kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De posten 3 (ambulancevervoer), 4 (factuur huisarts d.d. 1 februari 2017) en 5 (factuur huisarts d.d. 1 maart 2017) zullen derhalve geheel worden toegewezen. Ten aanzien van post 6 (factuur St. Anna Zorggroep d.d. 3 februari 2017) overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [aangever 1] een bedrag van € 100,00 contant heeft voldaan, maar dat niet is gebleken of [aangever 1] het overige bedrag van € 400,00 eveneens heeft betaald. Om die reden zullen de onder post 6 gevorderde medische kosten worden toegewezen tot een bedrag van € 100,00 en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in dat gedeelte van de vordering.

Het hof acht de gevorderde schade met betrekking tot post 7 (bebloede kleding) het rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde medeplegen van poging tot zware mishandeling en acht verdachte aansprakelijk voor deze schade. De gevorderde bedragen – € 140,00 respectievelijk € 200,00 – zijn echter niet onderbouwd met onderliggende facturen. Nu het hof het voldoende aannemelijk acht dat [aangever 1] wel degelijk enig bedrag aan schade heeft geleden, zal het hof desondanks een gedeelte van de gevorderde schade toewijzen. Het hof heeft deze schade naar redelijkheid en billijkheid begroot op een bedrag van € 100,00. Voor het overige zal de vordering op dit punt worden afgewezen.

In totaal komen de volgende posten voor vergoeding van materiële schade in aanmerking:

1. Reiskosten € 9,28

3. Ambulancevervoer € 701,79

4. Factuur huisarts d.d. 1 februari 2017 € 13,82

5. Factuur huisarts d.d. 1 maart 2017 € 55,27

6. Factuur St. Anna Zorggroep d.d. 3 februari 2017 € 100,00

7. Bebloede kleding: broek en trui € 100,00

Totaal € 980,16

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan [aangever 1] door het bewezen verklaarde medeplegen van poging tot zware mishandeling rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Het hof is derhalve van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Het hof begroot de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 1.500,00. Voor het overige bedrag zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Totale schade en wettelijke rente

In totaal wijst het hof een bedrag van (€ 980,16 + € 1.500,00 =) € 2.480,16 aan schadevergoeding toe.

Het toegewezen bedrag ter vergoeding van materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 april 2017 – zijnde de dag waarop de vordering is ingediend – tot aan de dag der algehele voldoening.

Het toegewezen bedrag ter vergoeding van immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2017 – zijnde de dag waarop het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit heeft plaatsgevonden en aldus de immateriële schade is ontstaan – tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskostenveroordeling

Zoals hiervoor reeds is overwogen, dienen naar het oordeel van het hof de reiskosten die [aangever 1] heeft gemaakt te worden aangemerkt als door hem gemaakte proceskosten voor zover deze kosten betrekking hebben op het bezoeken van de rechtbank en het hof. [aangever 1] heeft reiskosten gemaakt om de behandeling van de zaak in eerste aanleg en hoger beroep bij te wonen (132 kilometer x € 0,29). [aangever 1] heeft derhalve een bedrag van € 38,28 aan als proceskosten aan te merken reiskosten gemaakt.

Hoofdelijkheid

Het hof stelt vast dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij hoofdelijk (naar burgerlijk recht) aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof ziet tot slot aanleiding te dezer zake de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 april 2017 (ten aanzien van de materiële schade) respectievelijk 27 januari 2017 (ten aanzien van de immateriële schade) tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor de duur van 34 dagen zal worden toegepast indien verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2]

De benadeelde partij [aangeefster 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.170,52 (bestaande uit € 670,52 aan materiële schade en € 4.500,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering is bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.538,10 (bestaande uit € 38,10 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [aangeefster 2] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Nu verdachte ter zake van het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde handelen – waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt – zal worden vrijgesproken, kan de benadeelde partij niet in de vordering worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.480,16 (tweeduizend vierhonderdtachtig euro en zestien cent), bestaande uit € 980,16 (negenhonderdtachtig euro en zestien cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 38,28 (achtendertig euro en achtentwintig cent).

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 240,00 (tweehonderdveertig euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 1] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.480,16 (tweeduizend vierhonderdtachtig euro en zestien cent), bestaande uit € 980,16 (negenhonderdtachtig euro en zestien cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 34 (vierendertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 26 april 2017 en voor de immateriële schade op 27 januari 2017.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2]

Verklaart de benadeelde partij [aangeefster 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Voorlopige hechtenis

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de tenuitvoerlegging van de opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

Aldus gewezen door:

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. J.J.M. Gielen-Winkster en mr. E.F.G.M. Gelderman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Y.L.J. Verhoeven, griffier,

en op 22 mei 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Zie dossierpagina’s 36-37 en 67-68, de verklaring van [aangever 1] bij de rechter-commissaris d.d. 20 april 2017 en de verklaring van [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris d.d. 21 november 2017.

2 Zie dossierpagina 37 en de verklaring van [aangever 1] bij de rechter-commissaris d.d. 20 april 2017.

3 Zie dossierpagina 38 en de verklaring van [aangever 1] bij de rechter-commissaris d.d. 20 april 2017.

4 Zie dossierpagina’s 38 en 68, de verklaring van [aangever 1] bij de rechter-commissaris d.d. 20 april 2017 en de verklaring van [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris d.d. 21 november 2017.

5 Zie dossierpagina’s 38 en 69, de verklaring van [aangever 1] bij de rechter-commissaris d.d. 20 april 2017 en de verklaring van [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris d.d. 21 november 2017.

6 Zie dossierpagina’s 38 en 52, de verklaring van [aangever 1] bij de rechter-commissaris d.d. 20 april 2017, de verklaring van [aangeefster 2] bij de rechter-commissaris d.d. 20 april 2017 en de verklaring van [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris d.d. 21 november 2017.

7 Zie dossierpagina 38.

8 Zie dossierpagina’s 38 en 53, de verklaring van [aangever 1] bij de rechter-commissaris d.d. 20 april 2017 en de verklaring van [aangeefster 2] bij de rechter-commissaris d.d. 20 april 2017.

9 Zie dossierpagina’s 47-50.

10 Zie dossierpagina 38 en de verklaring van [aangever 1] bij de rechter-commissaris d.d. 20 april 2017.

11 Zie dossierpagina 53 en de verklaring van [aangeefster 2] bij de rechter-commissaris d.d. 20 april 2017.

12 Zie dossierpagina 68 en de verklaring van [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris d.d. 21 november 2017.