Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2189

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-05-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
17/00023
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:7484, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen aftrek wegens strafrechtelijke ontnemingsvordering nu niet gebleken is dat enig bedrag terzake is betaald. De aanslag is overigens eerder te laag dan te hoog vastgesteld. Met het in de loop van het jaar op een onroerende zaak gelegde conservatoir beslag kan geen rekening worden gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-08-2018
V-N Vandaag 2018/1767
FutD 2018-2303
V-N 2018/53.6 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00023

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 23 november 2016, nummer BRE 15/7714, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de na te noemen aanslag en beschikking belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 88.534 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.379, alsmede bij beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 192, welke aanslag en beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 12 april 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, mevrouw [A] , mevrouw [B] en de heer [C] . Belanghebbende noch haar gemachtigde zijn, met kennisgeving aan het Hof, verschenen.

1.5.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende was op 1 januari 2012 eigenaar van de volgende onroerende zaken:
een woning in [plaats 1] , [adres 1] 13 (hierna ook: de woning in [plaats 1] ), met een WOZ waarde van € 179.000; en een woning in [plaats 2] , [adres 2] 280 (hierna ook: de woning in [plaats 2] ), met een WOZ waarde van € 81.000.

2.2.

In de basisregistratie personen stond belanghebbende van 15 april 2011 tot 22 oktober 2013 ingeschreven op het adres [adres 3] 3E te [plaats 3] .

2.3.

Op 5 juli 2012 is door de officier van justitie in verband met een strafrechtelijk onderzoek, ingesteld tegen onder meer belanghebbende, conservatoir beslag gelegd op de woning in [plaats 2] . In het kader van voormeld strafrechtelijk onderzoek is op 11 maart 2015 een ontnemingsrapportage opgesteld, die tot de stukken van het geding behoort. In deze rapportage is het wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna ook: het WVV) van belanghebbende berekend op € 147.016,69.

2.4.

Belanghebbende heeft op 31 augustus 2013 aangifte IB/PVV gedaan over het jaar 2012. In deze aangifte heeft zij de woning in [plaats 1] als eigen woning aangemerkt en ter zake een bedrag van € 3.120 aan betaalde hypotheekrente in aftrek gebracht op het belastbare inkomen uit werk en woning. Het eigenwoningforfait is in de aangifte op nihil berekend. De woning in [plaats 2] heeft belanghebbende in de aangifte niet vermeld. Het verzamelinkomen is in de aangifte als volgt berekend:

Loon € 89.134
Eigen woning € 3.120-/-
Persoonsgebonden aftrek € 600-/-
Belastbaar inkomen uit werk en woning € 85.414

Bank- en spaartegoeden € 54.618
Heffingsvrij vermogen € 21.139-/-
Rendementsgrondslag € 33.479
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (4%) € 1.339
Verzamelinkomen € 86.753.

2.5.

De Inspecteur is afgeweken van de ingediende aangifte. Hij heeft de woning in [plaats 1] niet als eigen woning geaccepteerd en heeft die woning gerekend tot het Box III-vermogen. Met dagtekening 6 februari 2015 is de aanslag IB/PVV 2012 vastgesteld als volgt:

Loon € 89.134
Eigen woning € 0
Persoonsgebonden aftrek € 600-/-
Belastbaar inkomen uit werk en woning € 88.534

Bank- en spaartegoeden € 54.618
Woning in [plaats 1] € 126.009
Heffingsvrij vermogen € 21.139-/-
Rendementsgrondslag € 159.488
Voordeel uit sparen en beleggen (4%) € 6.379
Verzamelinkomen € 94.913.

Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag is aan belanghebbende bij beschikking een bedrag van € 192 aan belastingrente in rekening gebracht.

2.6.

In de bezwaarfase heeft de Inspecteur geconstateerd dat de WOZ-waarde van de woning in [plaats 1] bij de aanslagregeling tot een te hoog bedrag in aanmerking is genomen bij de vaststelling van Box III-inkomen. Met het beroep op de interne compensatie heeft de Inspecteur echter de aanslag gehandhaafd, omdat de WOZ-waarde van de woning in [plaats 2] door hem eveneens tot de rendementsgrondslag van Box III is gerekend.

2.7.

Ter zitting van de Rechtbank heeft belanghebbendes gemachtigde onder andere verklaard dat wat betreft de hypotheekrenteaftrek de wet juist is toegepast, maar dat voor belanghebbende het belangrijk is om uitstel van betaling te krijgen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft in hoger beroep, naar het Hof verstaat, het antwoord op de vraag of de aanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.
De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting door de Inspecteur is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot gegrondverklaring van het hoger beroep en primair tot vaststelling van het verzamelinkomen op nihil en subsidiair conform de ingediende aangifte.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

Belanghebbende verzoekt de onderhavige procedure aan te houden. Zij stelt dat, aangezien er over voorgaande jaren nog een aantal hoger beroepsprocedures loopt, zij wenst dat de onderhavige aanslag voorlopig niet onherroepelijk komt vast te staan. Zij wil alle rechtsmiddelen zoveel mogelijk open houden “omdat de consequenties van de uitkomst van de hoger beroep procedures niet zijn te overzien en op deze wijze eventuele schade aan de zijde van belanghebbende wordt beperkt”.

4.2.

Het Hof willigt het verzoek van belanghebbende om de zaak aan te houden, niet in. Niet gebleken is dat er op naam van belanghebbende - afgezien van de onderhavige procedure - nog hoger beroepsprocedures lopen. Het Hof ziet ook overigens geen reden om de zaak aan te houden.

Ten aanzien van het geschil

4.3.

Belanghebbende verzoekt voor het geval de procedure niet wordt aangehouden, het belastbaar inkomen conform de aangifte vast te stellen. Gelet op de verklaring van belanghebbendes gemachtigde bij de Rechtbank dat de wet wat betreft de hypotheekrenteaftrek juist is toegepast, kan het Hof belanghebbendes verzoek in hoger beroep moeilijk plaatsen. Belanghebbende heeft dat verzoek ook niet nader onderbouwd. Nu niet gebleken is dat de woning in [plaats 1] in 2012 als eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2001 dient te worden aangemerkt, heeft de Inspecteur het belastbare inkomen uit werk en woning terecht gecorrigeerd met het bedrag van € 3.120 inzake de hypotheekrente.

4.4.

De Inspecteur stelt in hoger beroep dat ook het inkomen uit sparen en beleggen (Box III) niet te hoog is vastgesteld. Op basis van hem ter beschikking staande gegevens komt de Inspecteur tot de volgende opstelling van belanghebbendes bezittingen en schulden per
1 januari 2012:

Bank- en spaartegoeden € 54.618
Effecten € 9.486
Woning in [plaats 1] € 179.000
Woning in [plaats 2] € 81.000
Totaal bezittingen € 324.104

Hypotheek (Hof: [plaats 1] ) € 64.891
Hypotheek (Hof: [plaats 2] ) € 65.000
Drempel schulden € 2.900-/-
Totaal schulden € 126.991
Rendementsgrondslag € 197.113
Heffingsvrij vermogen € 21.139-/-
Grondslag inkomen uit sparen en beleggen € 175.974
Voordeel uit sparen en beleggen (4%) € 7.038.
Hieruit volgt dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen eerder te laag dan te hoog is vastgesteld, aldus de Inspecteur.

4.5.

Belanghebbende heeft de onder 4.4 aangehaalde opstelling van de Inspecteur niet bestreden. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken dat deze opstelling niet juist is. Wellicht ten overvloede wijst het Hof er op dat voor zover belanghebbende meent dat de woning in [plaats 2] gelet op het daarop gelegde conservatoire beslag ten onrechte door de Inspecteur tot de heffingsgrondslag in Box III is gerekend, die grief faalt, nu op 1 januari 2012 de woning in [plaats 2] nog vrij van beslag was.

4.6.

Belanghebbende stelt in hoger beroep dat zij voor het bedrag van € 147.016,69 terzake van het WVV een voorziening wil vormen en dat het belastbaar inkomen daarom op nihil dient te worden vastgesteld. Zij voert daartoe aan dat nu er in de strafrechtelijke sfeer volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geen rekening kan worden gehouden met de belastingheffing, het van belang is om in het kader van de fiscale procedure na te gaan of de betaling van de ontnemingsmaatregel in fiscale zin tot herstel van de rechtmatige toestand leidt. Zij wijst in dat verband op de Aanwijzing Ontneming van 16 februari 2009, 2009A003, Stcrt. 2009, 40, paragraaf 13, betreffende de afstemming tussen het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst. Daarin wordt het volgende bepaald:

“Om te voorkomen dat de verdachte/veroordeelde, belastingplichtige c.q. -schuldige, nadat deze een schikking/transactie met een ontnemingscomponent is aangegaan achteraf alsnog wordt geconfronteerd met belastingheffing over het wederrechtelijk verkregene, zijn de volgende afspraken met de Belastingdienst gemaakt.

De Belastingdienst zal de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zo min mogelijk belemmeren.
Over strafrechtelijk ontnomen wederrechtelijk verkregen voordeel is uiteindelijk geen belasting verschuldigd. Eventuele belastingheffing hierover moet financieel ongedaan worden gemaakt.
Dit laat onverlet de bevoegdheid van de Belastingdienst om de fiscale regelgeving toe te passen op zaken die geen onderdeel uitmaken van een ontnemingsonderzoek.
De officier van justitie pleegt zonodig overleg met de fraudecoördinator van de desbetreffende belastingeenheid. Hierin kunnen twee vormen van overleg worden onderscheiden:
a.Bij een voorgenomen schikkingsbedrag van minder dan € 50.000 meldt de officier van justitie zijn voornemen bij de fraudecoördinator van de Belastingdienst. In de melding geeft de officier van justitie aan hoe hoog hij het wederrechtelijk verkregen voordeel in de relevante periode heeft geschat, met daarbij zo mogelijk een onderverdeling per jaar. Behoudens een tegenbericht van de Belastingdienst binnen vier weken, kan de officier van justitie ervan uitgaan dat de Belastingdienst dit bedrag ook als inkomen in aanmerking neemt. Indien dit bedrag wordt ontnomen, treft de Belastingdienst maatregelen, waardoor cumulatie van strafrechtelijke ontneming van en belastingheffing over het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt voorkomen of weggenomen.
b. Bij een voorgenomen schikkingsbedrag van € 50.000 of meer, vindt overleg plaats tussen de officier van justitie en de fraudecoördinator van de desbetreffende belastingeenheid, waarbij het geschatte bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgelegd.”

De hierboven geciteerde regeling is per 1 april 2012 vervallen.

4.7.

Belanghebbende stelt, in tegenstelling tot hetgeen haar gemachtigde ter zitting van de Rechtbank heeft verklaard, onweersproken dat tussen het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst geen overleg heeft plaatsgevonden.

4.8.

Het Hof ziet, wat er ook zij van de vraag of er een overleg is geweest tussen het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst, geen aanleiding om enig bedrag op belanghebbendes belastbare inkomen 2012 in aftrek toe te laten, nu gesteld noch gebleken is dat belanghebbende enig bedrag terzake van het WVV heeft betaald.

4.9.

De in geschil zijnde vraag dient daarom ontkennend te worden beantwoord.

4.10.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de beschikking belastingrente. Gesteld noch gebleken is dat het in rekening gebrachte bedrag van belastingrente onjuist is berekend.

Slotsom

4.11.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.12.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.13.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 18 mei 2018 door J. Swinkels, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van
S.J. Willems-Ruesink, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Bij verhindering van de voorzitter is deze uitspraak in plaats van door deze ondertekend door de oudste raadsheer.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.