Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2170

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
200.232.113_01 en 200.232.425_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:7081
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:603
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 17 mei 2018

Zaaknummers : 200.232.113/01 en 200.232.425/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/02/335856/JE RK 17-1763, C/02/335864/JE RK 17-1765 en C/02/335865/JE RK 17-1766

in de zaken in hoger beroep van:

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

appellante in de zaak met nummer 200.232.113/01,

hierna te noemen: de GI,

en

[appellant (200.232.425_01)] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in de zaak met nummer 200.232.425/01,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.Th. Linsen-Penning de Vries,

tegen

[verweerster (200.232.113_01 en 200.232.425_01)] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in de zaken met nummers 200.232.113/01 en 200.232.425/01,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.J.R. Roethof.

In de zaak met nummer 200.232.113/01 is als overige belanghebbende aan te merken: de vader.

In de zaak met nummer 200.232.425/01 is als overige belanghebbende aan te merken: de GI.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,

regio [regio] , hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 november 2017. De rechtbank heeft bij die beschikking afgewezen de verzoeken van de GI tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling van de hierna te noemen kinderen van de vader en de moeder.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met nummer 200.232.113/01:

2.1.

Bij op 24 januari 2018 ter griffie ingekomen beroepschrift met producties, zoals aangevuld en gewijzigd bij op 31 januari 2018 ter griffie ingekomen brief van 30 januari 2018 met bijlagen, heeft de GI verzocht voormelde beschikking (partieel) te vernietigen en alsnog machtiging te verlenen om de hierna nader te noemen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te plaatsen in een 24-uurs accommodatie (behandelgroep en observatie). Verzocht wordt de machtiging uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

In de zaak met nummer 200.232.425/01:

2.2.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 januari 2018, is ook de vader van de beschikking van de rechtbank van 6 november 2017 in beroep gekomen. Hij verzoekt het hof deze beschikking (partieel) te vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, machtiging te verlenen om de hierna nader te noemen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te plaatsen in een 24-uurs accommodatie (behandelgroep en observatie).

In beide zaken:

2.3.

De moeder heeft bij verweerschrift, ter griffie ingekomen op 7 maart 2018, verzocht om de bestreden beschikking te bevestigen en de verzoeken van de GI en de vader af te wijzen, en de GI en de vader ieder hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep te veroordelen, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

2.4.

Bij het hof zijn in beide zaken voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de GI van 7 maart 2018, ingekomen ter griffie op 8 maart 2018;

- een journaalbericht van 18 april 2018 met bijlagen van de zijde van de vader, ingekomen ter griffie op 18 april 2018;

- een brief van de GI van 19 april 2018 met bijlage (het proces-verbaal van de behandeling ter zitting in eerste aanleg op 20 oktober 2017), ingekomen ter griffie op 20 april 2018;

- een journaalbericht van 20 april 2018 met bijlagen van de zijde van de vader, ingekomen ter griffie op 23 april 2018.

2.5.

Gelet op de onderlinge samenhang van beide zaken heeft het hof beide zaken gevoegd, opdat zij gezamenlijk zullen worden behandeld en daarin gelijktijdig zal worden beslist.

2.6.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 april 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

- de vader, bijgestaan door mr. M.Th. Linsen-Penning de Vries;

- de moeder, bijgestaan door mr. M.J.R. Roethof.

2.7.

De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.8.

Ter zitting is van de zijde van de vader, met toestemming van alle aanwezigen, nog

overgelegd een afschrift van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 12 april 2018 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda.

3 De beoordeling in beide zaken

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003;

- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006;

- [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006.

3.2.

De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het gezag over de drie kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.

3.3.

De drie kinderen staan sinds 19 januari 2016 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] is laatstelijk met een jaar verlengd tot 19 april 2019.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 12 april 2018 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met een half jaar verlengd tot 19 oktober 2018. Bij die uitspraak heeft de rechtbank aangehouden de beslissing op het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van een jaar.

3.4.

Bij beschikking van 3 november 2017 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 3 november 2017 voor de duur van twee weken. Bij beschikking van 16 november 2017 is machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot uiterlijk 19 april 2018. Deze machtiging is inmiddels verlengd met een jaar tot 19 april 2019. [minderjarige 1] verblijft thans in een woongroep van Herlaarhof in [verblijfplaats] .

3.5.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank afgewezen het verzoek van de GI om machtiging te verlenen om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.6.

De GI komt op tegen de bestreden beschikking voor zover daarbij het verzoek om een machtiging uithuisplaatsing voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is afgewezen.

3.7.

De GI voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - samengevat - het volgende aan. De samenwerking met de moeder is vanaf het begin van de ondertoezichtstelling zodanig moeizaam verlopen dat de GI nog steeds onvoldoende zicht heeft op de opvoedingssituatie bij de moeder, het welzijn van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en de onderliggende problematiek ten aanzien van hun weerstand tegen contact met de vader. De jongens hebben al geruime tijd geen contact meer met de vader. Hun afwijzende houding jegens de vader neemt eerder toe dan af. In juli 2017 is door de GI aan de moeder duidelijk te verstaan gegeven dat een machtiging uithuisplaatsing zou worden aangevraagd als de moeder de samenwerking met de hulpverlening blijft weigeren. Dat heeft niet geleid tot een wijziging in de opstelling van de moeder. Daarom achtte en acht de GI een uithuisplaatsing op een neutrale plek nodig om de benodigde hulpverlening aan de jongens te bieden en om te onderzoeken of en welke kindproblematiek er speelt, welke opvoedsituatie het beste aansluit bij hun opvoedbehoefte en welke ouder daarin de meeste mogelijkheden heeft. Ook kan vanuit een neutrale plaatsing een beeld worden gevormd van de mogelijkheden van omgang tussen de vader en de jongens.

Volgens de GI houdt de moeder iedere hulpverlening af. Zij is erg wantrouwend en lijkt dat wantrouwen op [minderjarige 2] en [minderjarige 3] over te brengen. De GI heeft grote twijfels of de jongens door de moeder voldoende in staat worden gesteld om zelf te exploreren en een eigen visie en mening te vormen ten aanzien van de wereld om hen heen. Uit de verslagen van het Psychologisch Instituut [vestigingsnaam] (PIT), waar [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder behandeling zijn geweest, blijkt dat de jongens zich wantrouwend opstellen, gesloten en teruggetrokken zijn. Zij lijken zich onvoldoende vrij te voelen om een therapeutische relatie met de hulpverleners aan te gaan, mogelijk deels veroorzaakt door de argwanende opvoedstijl van de moeder. [minderjarige 2] mag niet met vreemden contact zoeken of praten. De therapeute acht dit zorgelijk omdat hij zo onvoldoende kan leren contacten aan te gaan en te beoordelen. Ook ten aanzien van [minderjarige 3] is tijdens de therapie duidelijk geworden dat er behoefte is aan een goede behandeling. Voor zijn ontwikkeling werd het van belang geacht de behandeling nog voort te zetten. De moeder heeft ondanks een advies daartoe niet aan verdere hulpverlening voor [minderjarige 3] meegewerkt. Zij heeft de (voor)aankondiging schriftelijke aanwijzing van 7/8 december 2017 waarin haar wordt opgedragen om mee te werken aan voortzetting van de therapie voor [minderjarige 3] bij PIT, niet willen accepteren. De moeder houdt gesprekken tussen de gezinsvoogd en de jongens af. Voorts weigert zij iedere medewerking aan oudergesprekken gericht op omgang van de jongens met de vader.

Het baart de GI zorgen dat het oudere zusje [minderjarige 1] ervoor heeft gekozen weg te lopen bij de moeder en dat [minderjarige 1] het verzoek van de GI tot haar uithuisplaatsing heeft ondersteund, alsook dat de moeder [minderjarige 1] sindsdien volledig afwijst. De GI heeft zorgen over de pedagogische vaardigheden van de moeder. Er is sprake van een beperkt inzicht van de moeder in het effect van haar eigen houding jegens de vader op de jongens en er zijn zorgen over de mate waarin de moeder de jongens begrenst. De GI heeft grote twijfels of de moeder voldoende sensitief is in de opvoeding. Nog niet duidelijk is of de moeder leerbaar is, maar van veranderingsbereidheid is in elk geval geen sprake.

De GI vindt dan ook dat de rechtbank ten onrechte de zorgen over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te weinig ernstig achtte om een uithuisplaatsing te rechtvaardigen. De GI vraagt zich sterk af of de jongens zich bij de moeder goed genoeg (kunnen) ontwikkelen, zeker ook in het licht van de recente uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en de reactie van de moeder daarop. Mocht bij de jongens daadwerkelijk sprake zijn van ouderverstoting, dan vormt dit een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor hen en is van belang dat zij psychosociale hulp en begeleiding krijgen. De noodzakelijke hulp en begeleiding kunnen zonder uithuisplaatsing niet dan wel onvoldoende van de grond komen en er moet vanuit een neutrale situatie een beter zicht komen op de ontwikkeling van de jongens en op de mogelijkheden van omgang met de vader. Ter zitting in hoger beroep heeft de GI verklaard dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk is in verband met hun verzorging en opvoeding en voor onderzoek naar hun geestelijke gesteldheid, maar dat ook onderzoek bij de moeder noodzakelijk is, naar de vraag wat daar nodig is.

3.8.

De vader sluit in zijn beroepschrift aan bij het beroepschrift van de GI. Hij is van mening dat het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ten onrechte is afgewezen. De in het kader van de ondertoezichtstelling nagestreefde doelen kunnen niet worden behaald zolang de kinderen bij de moeder wonen, omdat deze iedere hulpverlening afwijst. Hij stelt dat er bij de GI en de ingeschakelde hulpverleningsinstanties PIT en Pro6 serieuze twijfels zijn over de pedagogische vaardigheden van de moeder.

Zijdens de vader is verder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog het volgende aangevoerd. Het feit dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geen contact meer met de vader willen hebben is een indicatie dat het niet goed met hen gaat. De moeder heeft al vaker aangegeven dat zij vindt dat de kinderen hun vader niet nodig hebben. De vader vindt het zorgelijk dat de moeder alle rapporten van deskundigen naast zich neerlegt en bagatelliseert maar wel belang hecht aan schoolrapporten. Uit de schoolrapporten kan niet worden afgeleid hoe het werkelijk met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gaat. De vader maakt zich zorgen over wat er met [minderjarige 1] is gebeurd en over de reactie van de moeder daarop. Als het hof nader onderzoek nodig vindt waarbij ook de vader wordt betrokken, is de vader bereid daaraan mee te werken.

3.9.

De moeder stelt in haar verweerschrift in hoger beroep dat niet is voldaan aan het wettelijke criterium dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Terecht heeft de kinderrechter geoordeeld dat een gebrek aan zicht op de ontwikkeling van de kinderen en hun thuissituatie niet automatisch betekent dat de zorgen groter zijn of worden. Op school gaat het immers beter, zoals ook door de GI is erkend. Ook het niet of nauwelijks hebben van contact met de vader is onvoldoende om een uithuisplaatsing te rechtvaardigen. Het hoger beroep van de GI blijft steken in vaagheden. De jongens geven de moeder de indruk dat zij de hulpverlening moe zijn. Als een neutrale plek beter voor de jongens zou zijn, zou dat ook zichtbaar moeten zijn bij [minderjarige 1] die al sinds 1 november 2017 uit huis is gegaan en in een neutrale instelling is geplaatst. Evenwel is bij [minderjarige 1] geen verbetering te zien, integendeel. De moeder stelt verder dat de dreigende uithuisplaatsing veel angst en stress bij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] veroorzaakt. Ook de school heeft aangegeven dat de jongens geen baat zullen hebben bij een uithuisplaatsing.

De moeder vindt dat de GI zich onvoldoende rekenschap geeft van de band die de jongens met haar hebben, van hetgeen zij de jongens biedt en van het traumatiserende effect van een uithuisplaatsing op hen.

Volgens de moeder lijkt het hoger beroep van de vader uitsluitend te zijn ingegeven door de wens om omgang te krijgen. Ten onrechte stelt hij niet de belangen van de jongens bij een stabiele vertrouwde leefomgeving voorop. Ook wijst de moeder erop dat de GI in de stukken spreekt over beperkingen aan de zijde van de vader.

Zijdens de moeder is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog het volgende aangevoerd. De moeder heeft niet meegewerkt aan verdere hulpverlening omdat haar hoofd daar niet naar stond vanwege alle rechtszaken die er liepen. De jongens zelf wilden gaandeweg geen contact meer met de vader. De moeder vindt onderzoeken niet nodig, maar als deskundigen vinden dat onderzoek nodig is, dan moet dat gebeuren. De moeder vreest dat een machtiging uithuisplaatsing een opmaat kan zijn voor wijziging van het hoofdverblijf van de jongens. De moeder hecht veel waarde aan de recente goede schoolrapporten. Er is een positieve ontwikkeling want er zijn in het verleden ook minder goede schoolrapporten geweest. De moeder wijst hulpverlening niet af.

Het hof overweegt het volgende.

3.10.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.11.

Uit de stukken en het besprokene ter zitting in hoger beroep blijkt dat de moeder tot op heden onvoldoende meewerkt aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Sinds februari 2017 werkt de moeder niet meer samen met de GI en houdt zij gesprekken tussen de gezinsvoogd en de jongens af, evenals de hulpverlening vanuit Pro6 in de thuissituatie. In de schriftelijke aanwijzing van de GI aan de moeder van 10 mei 2017 wordt vastgesteld dat de moeder de samenwerking met de hulpverlening uit de weg gaat en dat de GI daardoor geen zicht heeft op de ontwikkeling van de jongens. De GI draagt de moeder in deze aanwijzing onder meer op om Pro6 weer in de thuissituatie toe te laten. Dit heeft de moeder niet gedaan. Ook gesprekken tussen de gezinsvoogd en de jongens hebben niet meer plaatsgevonden. Uit de behandeltrajecten van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij PIT blijkt dat er in de omgeving van de jongens blokkades zijn die behandeling belemmeren. Het behandeltraject van [minderjarige 2] bij PIT is rond juni 2017 beëindigd, en dat van [minderjarige 3] rond september 2017. Dit is gebeurd ondanks de bij PIT bestaande zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de jongens en het dringend advies van PIT om voor [minderjarige 2] de verdere begeleiding of behandeling in het systeem te laten plaatsvinden en de behandeling van [minderjarige 3] bij PIT voort te zetten. Ondanks de ter zitting van de rechtbank van 18 juli 2017 door de GI geuite waarschuwing dat een verzoek tot uithuisplaatsing zal worden gedaan als de moeder de samenwerking met de hulpverlening blijft weigeren, is ook in de daarop volgende maanden medewerking van de moeder uitgebleven. De (voor)aankondiging schriftelijke aanwijzing van begin december 2017, waarin de moeder wordt opgedragen de behandeling van [minderjarige 3] bij PIT te hervatten, heeft de moeder niet willen accepteren. Door de niet-meewerkende houding van de moeder heeft de GI tot op heden onvoldoende zicht gekregen op de vraag of de jongens zich in de thuissituatie bij de moeder goed genoeg (kunnen) ontwikkelen.

3.12.

Daar staat evenwel het volgende tegenover. De maatregel van een uithuisplaatsing is een verregaande maatregel. Zoals de GI ter zitting in hoger beroep heeft erkend, is op dit moment onduidelijk welk effect een abrupt weghalen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de moeder op deze jongens zal hebben. Voorts heeft de GI ter zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat de jongens het momenteel op school goed doen. Er komen vanuit de school geen zorgsignalen. De schoolrapporten van beide jongens van maart jongstleden, zoals door de advocaat van de moeder ter zitting samengevat weergegeven, bevestigen dit beeld. Voorts heeft de moeder zich ter zitting in hoger beroep - na schorsing van de behandeling - bereid verklaard mee te werken aan een (door het hof genoemd) onderzoek (via het NIFP) naar de huidige opvoedsituatie van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , naar hun geestelijke gesteldheid en haar pedagogische vaardigheden en haar psychisch functioneren, alsmede naar de rol die de vader in het leven van de jongens kan spelen. Voorts heeft de moeder ter zitting toegezegd vanaf de week van 30 april 2018 met de GI in gesprek te zullen gaan teneinde de hulpverlening voor de jongens, alsmede die voor haarzelf (in de thuissituatie) weer in gang te zetten.

Op grond van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, acht het hof het op dit moment te vroeg om te beslissen op de vraag of een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] moet worden verleend.

3.13.

Ter zitting heeft het hof de mogelijkheid geopperd dat het hof ambtshalve een deskundigenonderzoek via het NIFP gelast. Na beraad is het hof evenwel van oordeel dat het op de weg van de GI ligt om (nader) onderzoek te initiëren naar de huidige opvoedsituatie van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , naar hun sociaal-emotionele ontwikkeling en de pedagogische vaardigheden en het psychisch functioneren van de moeder, alsmede naar de rol die de vader in het leven van de jongens kan spelen. Het hof zal de GI in de gelegenheid stellen voormeld onderzoek te (laten) verrichten, alvorens op het hoger beroep in beide zaken te beslissen. Het hof zal, in afwachting van de resultaten van dat onderzoek, de behandeling van de zaak aanhouden tot 1 december 2018 pro forma. Het is aan de GI om te bepalen in welke vorm dit onderzoek dient te geschieden, bijvoorbeeld of kan worden volstaan met verslaglegging vanuit de in te zetten hulpverlening of dat in dit kader meer nodig is.

Het hof dient bij deze insteek ervan uit te gaan dat de ondertoezichtstelling van de jongens verlengd zal worden. Mocht dat anders komen te liggen, dan dient de GI het hof daaromtrent terstond te informeren.

3.14.

Bij het voorgaande tekent het hof uitdrukkelijk het volgende aan. Mocht de moeder niet meewerken aan de door de GI hernieuwd in te zetten hulpverlening en te initiëren onderzoek, dan zal het hof daaraan de conclusies verbinden die het geraden acht. Het staat de GI op elk moment vrij het hof te benaderen met het verzoek de zaak vervroegd op zitting te brengen indien de houding van de moeder daartoe aanleiding geeft.

3.15.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

in de zaken met de nummers 200.232.113/01 en 200.232.425/01:

stelt de GI in de gelegenheid om onderzoek te (laten) verrichten zoals hierboven onder 3.13 vermeld;

houdt de behandeling van de zaak aan tot 1 december 2018 pro forma, met het verzoek aan de GI om uiterlijk op 15 november 2018 het hof te informeren over de resultaten van het onderzoek en de ingezette hulpverlening (met gelijktijdige toezending van een afschrift van haar schrijven aan het hof aan de advocaten van de vader en de moeder);

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, C.A.R.M. van Leuven en E.M.C. Dumoulin, en is op 17 mei 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.