Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2159

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
200.198.969_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1943
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:2328
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling;

Schottentheorie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 17 mei 2018

Zaaknummer: 200.198.969/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/303385/FA RK 16-161

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal appel,

verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellante] ,

in rechte bijgestaan door mr. C.M.M. Mikkers in haar rol als bijzondere curator over [appellante] .

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. V.F. van Nielen-Westerouen van Meeteren,

en

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: voorheen mr. G.M. de Winther-Meijers, thans mr. J.J.M. van Asten,

en

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

statutair gevestigd te [statutaire vestigingsplaats] , vestiging [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de GI.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de raad.

6 De beschikking d.d. 4 mei 2017

Bij die beschikking heeft het hof overwogen dat de ouders ter zitting van 11 april 2017 hebben ingestemd met een door het hof voorgesteld traject inhoudende -kort gezegd- dat de ouders voor een periode van 9 maanden op geen enkele wijze contact met elkaar zullen zoeken of onderhouden, dat alle communicatie die de ouders met elkaar wensen te voeren in die periode via de GI loopt en dat aanwijzingen en beslissingen van de GI door de ouders zullen worden opgevolgd. In de genoemde rustperiode is het streven om, met door de GI in te zetten hulpverlening, te komen tot een situatie waarin de ouders elkaar als ouders weer gaan accepteren en waarin voldoende draagkracht bestaat voor gezamenlijk ouderschap.

Het hof heeft in verband met dit traject de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de rechtbank van 30 mei 2016 voorlopig opgeschort en voor de duur van de thans lopende zaak een contactregeling voor [appellante] en [de minderjarige 2] bepaald.

De zaak is aangehouden. Het hof heeft de bijzondere curator en de advocaten van de vader en de moeder verzocht om het hof vóór 1 februari 2018 nader te informeren over het verloop van zaken en de GI en de raad gerechtigd om het hof te benaderen indien daartoe aanleiding wordt gezien. Het hof heeft bepaald dat de mondelinge behandeling vervolgens zou worden voortgezet teneinde het traject te evalueren en de vervolgstappen met de ouders te bespreken.

7 Het verdere verloop van de zaak in hoger beroep

7.1.

De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 april 2018. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

- mr. C.M.M. Mikkers, in haar hoedanigheid van bijzondere curator van [appellante] ;

- de vader, bijgestaan door mr. V.F. van Nielen-Westerouen van Meeteren;

- de moeder, bijgestaan door mr. J.J.M. van Asten;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] (als waarnemer voor [vertegenwoordiger van de GI 2] )

De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

7.2.

Het hof heeft de minderjarige [de minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord.

Het hof heeft ook [appellante] , in deze zaak appellante, vanwege haar minderjarigheid voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden, maar in aanwezigheid van de bijzondere curator, gehoord.

Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van hetgeen met [de minderjarige 2] en [appellante] is besproken zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

7.3.

Het hof heeft verder, sedert de tussenbeschikking van 4 mei 2017, kennis genomen van de inhoud van de volgende stukken:

 V2-formulier van de zijde van mr. De Winther-Meijers (onttrekking wegens praktijkbeëindiging), ingekomen ter griffie op 27 december 2017;

 V2-formulier van de zijde van mr. Van Asten (stelt zich voor de moeder), ingekomen ter griffie op 29 december 2017;

 V8-formulier van de zijde van de vader, ingekomen ter griffie op 25 januari 2018, met verzoek de zaak op zitting te plaatsen en de kinderen op te roepen voor een

kinderverhoor;

 verslag van de GI d.d. 29 januari 2018, ter griffie ontvangen op 30 januari 2018;

 V5-formulier (uitstelverzoek) met bijlagen van de zijde van de moeder, ingekomen ter griffie op 31 januari 2018;

 V6-formulier van de zijde van de bijzondere curator met brief d.d. 30 januari 2018, ingekomen ter griffie op 1 februari 2018;

 brief van de GI van 6 april 2018, ingekomen ter griffie op 10 april 2018;

 V6-formulier van de zijde van de vader met aanvullend verweerschrift, ingekomen ter griffie op 13 april 2018;

 brief van de GI van 13 april 2018, ingekomen ter griffie op 16 april 2018;

 V6-formulier met bijlagen van de zijde van de moeder (waaronder een uitspraak van de Klachtencommissie Jeugdbescherming Brabant), ingekomen ter griffie op 16 april 2018;

 V8-formulier van de zijde van de bijzondere curator over de aanwezigheid van [appellante] bij het kinderverhoor, ingekomen ter griffie op 19 april 2018;

 brief van de GI over de zittingsvertegenwoordiging, ingekomen ter griffie op 19 april 2018;

 brief van de GI, ingekomen ter griffie op 9 mei 2018 omtrent het verloop van de ondertoezichtstellingsprocedure bij de rechtbank, die, zoals besproken tijdens de zitting van het hof op 24 april 2018, door de GI werd ingeleid.

8 De verdere beoordeling

8.1.

Ter zitting is gebleken dat de aanpak zoals in de tussenbeschikking van het hof van 4 mei 2017 is bepaald, niet goed van de grond is gekomen. De constructie waarbij de ouders gedurende een bepaalde periode uitsluitend nog communiceren via de GI -ook wel aangeduid als de schottenaanpak- heeft wellicht mede daarom tot op heden niet het beoogde effect gehad. De ouders zijn het wel erover eens dat er enige vooruitgang is geboekt en zij staan nog steeds achter de voorgestelde aanpak, waarmee zij graag alsnog aan de slag willen. Ook de kinderen hebben het hof duidelijk te kennen gegeven dat zij het fijn zouden vinden als er “schotten” worden geplaatst en er geen rechtstreeks contact tussen de ouders zal zijn.

8.2.

De GI heeft verklaard dat het bij een verlenging van de ondertoezichtstelling aanbeveling verdient de uitvoering daarvan over te dragen aan een andere instelling. De ouders kunnen zich daarin vinden. Het hof heeft voorgesteld dat de GI zal bevorderen de uitvoering over te dragen aan Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg. Daarbij is het noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling, die expireert op 16 mei 2018, wordt verlengd. De GI heeft ter zitting toegezegd om verlenging met een jaar te zullen verzoeken, met het verzoek daarbij de uitvoering op te dragen aan Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg. De ouders hebben toegezegd te zullen instemmen. Het hof acht het van belang voor de kinderen dat bij een verlenging van de ondertoezichtstelling de schottenaanpak door Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg ter hand zal worden genomen conform de uitgangspunten zoals verwoord in voornoemde tussenbeschikking.

8.3.

Ter zitting is naar voren gekomen dat de ouders op enige punten in de lopende zorgregeling verschillen van inzicht hebben, die het hof hierna zal bespreken.

8.4.

In de brief van de bijzondere curator van 30 januari 2018 is door de bijzondere curator verslag gedaan van een gesprek dat zij heeft gevoerd met [appellante] en [de minderjarige 2] . Het verslag sluit aan

bij hetgeen het hof duidelijk is geworden tijdens het verhoor van de kinderen: zij zijn redelijk tevreden met de in de beschikking van het hof van 4 mei 2017 bepaalde voorlopige regeling.

[appellante] heeft aangegeven graag een uurtje meer te sporten. [de minderjarige 2] heeft aan het hof duidelijk gemaakt dat hij graag op donderdag bij de vader zou willen verblijven. De in de brief van de bijzondere curator verwoorde wens van [de minderjarige 2] voor een verblijf van telkens een aaneengesloten periode van zeven dagen bij de vader respectievelijk de moeder, heeft [de minderjarige 2]

thans niet meer. Het hof komt op de wens van [de minderjarige 2] onder 8.9. terug.

8.5.

Het hof heeft de ouders gevraagd of er zaken zijn waarin het hof een nadere voorlopige beslissing dient te nemen, waarbij wordt aangetekend dat er een voorlopige regeling ligt, de zaken tot en met de zomervakantie van 2018 geregeld blijken en iedere beslissing in dit stadium nog als voorlopig heeft te gelden.

8.6.

Na schorsing hebben de ouders gemeld dat zij het erover eens zijn dat zij het traject bij Combinatie Jeugdzorg zullen voortzetten ter verbetering van de communicatie. Voorts zijn zij twee afwijkende verblijfsperiodes overeengekomen: de kinderen verblijven van 9 tot en met 13 mei 2018 bij de moeder in verband met Moederdag, en van 15 tot en met 17 juni 2018 bij de vader in verband met Vaderdag.

8.7.

Met betrekking tot de door de moeder te ondertekenen toestemmingsformulieren voor een buitenlandse vakantie van de vader met [appellante] en [de minderjarige 2] in juli 2018 is ter zitting tussen ouders overeengekomen dat de moeder de vereiste formulieren direct zal ondertekenen zodra zij van de vader een kopie van de boekingsbevestiging van de vakantie naar de Canarische Eilanden heeft ontvangen. De vader is daarbij gerechtigd om de bedragen die met deze vakantie gemoeid zijn onleesbaar te maken.

8.8.

De ouders hebben het hof verzocht om een beslissing te nemen ten aanzien van het familieweekend aan de zijde van de vader op 18 en 19 augustus 2018. De vader stelt dat de kinderen dat weekend graag willen bijwonen. Volgens de voorlopige regeling zijn de kinderen dat weekend bij de moeder. De vader stelt voor om, als de kinderen dat weekend bij hem verblijven (hetgeen dan, zo begrijpt het hof, vanaf vrijdag 17 augustus om 18.00 uur zou zijn), dat verblijf te compenseren met het weekend volgend op de verjaardag van de partner van de moeder, de heer [partner van de moeder] , op vrijdag 6 juli. De moeder stemt daarmee niet in omdat zij vindt dat de kinderen dan al sowieso bij haar zouden moeten verblijven. Het hof volgt de moeder hierin niet. Gebruikelijk is dat een kind na scheiding op de verjaardag van een ouder in elk geval een deel van die dag bij de jarige ouder is, ook indien dat een dag is waarop het kind volgens de reguliere verdeling van zorg- en opvoedingstaken bij de niet-jarige ouder verblijft. Voor nieuwe partners van ouders geldt dat niet vanzelfsprekend. Anders dan de moeder stelt, is het dus niet zo dat de kinderen op de verjaardag van haar partner al sowieso bij haar zouden verblijven. Het hof acht het van belang dat de kinderen de mogelijkheid hebben om het familieweekend van de vader bij te wonen en acht de door de vader aangeboden compensatie passend, mede in aanmerking genomen dat dat het eerste weekend van de zomervakantie betreft.

8.9.

Met betrekking tot de wens van [de minderjarige 2] om voortaan op donderdag bij zijn vader te verblijven overweegt het hof dat het aan Stichting Jeugdbescherming Brabant/Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg is om die kwestie met de betrokkenen op te nemen en naar bevind van zaken een voorlopige beslissing te nemen die ouders en [de minderjarige 2] hebben te respecteren. Voor het hof is deze kwestie niet in alle aspecten te overzien.

8.10.

Het hof zal hetgeen ter zitting is overeengekomen en hetgeen het hof heeft besloten in het dictum opnemen en de zaak voor het overige aanhouden tot 6 november 2018 pro forma.

Het hof gaat daarbij ervan uit dat de ondertoezichtstelling zal worden verlengd met een jaar en dat overdracht zal plaatsvinden van de uitvoering van de ondertoezichtstelling van Stichting Jeugdbescherming Brabant naar Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg.

9 De beslissing

Het hof bepaalt dat, in aanvulling op de voorlopige regeling zoals door het hof bepaald in de tussenbeschikking van 4 mei 2017:

 de ouders het traject bij Combinatie Jeugdzorg zullen voortzetten ter verbetering van de communicatie;

 de kinderen van 9 tot en met 13 mei 2018 bij de moeder zullen verblijven in verband met Moederdag, en van 15 tot en met 17 juni 2018 bij de vader in verband met Vaderdag;

 de moeder de vereiste toestemmingsformulieren voor een buitenlandse reis in juli 2018 van de vader met de kinderen direct zal ondertekenen zodra zij van de vader een kopie van de boekingsbevestiging van de vakantie naar de Canarische Eilanden heeft ontvangen;

 de kinderen de mogelijkheid geboden wordt om het familieweekend aan de zijde van de vader bij te wonen doordat zij in het weekend van 18 en 19 augustus 2018 bij de vader zullen verblijven vanaf vrijdag 17 augustus 2018 om 18.00 uur, waartegenover staat dat zij in het weekend van 7 en 8 juli 2018 bij de moeder zullen verblijven vanaf vrijdag 6 juli 2018 vanaf 18.00 uur;

 de ouders Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg als opvolgende uitvoerder van de ondertoezichtstelling de ruimte zullen bieden om tot een passende voorlopige oplossing te komen ten aanzien van de wens van [de minderjarige 2] om op donderdag bij de vader te verblijven;

houdt voor het overige iedere beslissing aan tot 6 november 2018 PRO FORMA;

met het verzoek aan Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, althans de Stichting die de ondertoezichtstelling uit voert, de advocaten van de ouders en de bijzondere curator om uiterlijk 14 dagen voor de PRO FORMA datum het hof te informeren over het verloop van het traject, de stand van zaken en de wensen met betrekking tot de voortgang van deze procedure.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, P.M.M. Mostermans en E.M.C. Dumoulin, en is op 17 mei 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.