Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2105

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-05-2018
Datum publicatie
15-05-2018
Zaaknummer
20-002947-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woningoverval. Bij die overval zijn drie overvallers de woning van de aangevers binnengedrongen. Het hof acht het bijzonder kwalijk dat gebruik is gemaakt van een politiejas, omdat hierdoor het vertrouwen dat personen in een politie-uniform moeten kunnen hebben ernstig wordt geschaad. Zij hebben de aangevers bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, vastgebonden en hun mond is afgeplakt. De aangevers stonden gedurende de overval doodsangsten uit en zij ondervinden nog dagelijks de gevolgen van de overval. In totaal is vermoedelijk voor bijna € 1 miljoen aan juwelen, sieraden en diamanten buitgemaakt.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van het voorarrest.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002947-16

Uitspraak : 15 mei 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 september 2016 in de strafzaak met parketnummer 02-821245-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

volgens eigen opgave wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. De vorderingen van de benadeelde partijen dienen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank te worden toegewezen.

De verdediging heeft primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat bewijsuitsluiting het gevolg moet zijn van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek en dat de verdachte dientengevolge bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken. Meer subsidiair is integrale vrijspraak bepleit. Uiterst subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 oktober 2013 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid diamanten en/of edelstenen en/of sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- die [benadeelde partij 1] bij de keel heeft/hebben gepakt en/of naar de grond heeft/hebben geduwd en/of;

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [benadeelde partij 1] heeft/hebben geduwd en/of gehouden en/of;

- de polsen van die [benadeelde partij 1] aan elkaar heeft/hebben gebonden met tiewraps en/of; - de polsen en/of voeten van die [benadeelde partij 1] aan elkaar heeft/hebben gebonden met tiewraps en/of tape en/of diens mond met tape heeft/hebben afgeplakt en/of;

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [benadeelde partij 2] heeft/hebben gericht en/of;

- die [benadeelde partij 2] tegen de grond heeft/hebben geduwd en/of (vervolgens) haar handen vastgebonden met tiewraps en/of haar mee naar boven (naar de badkamer) heeft/hebben genomen en/of;

- een voet op het hoofd van die [benadeelde partij 2] heeft/hebben gezet en/of haar voeten en/of polsen heeft/hebben vastgetaped en/of haar mond heeft/hebben afgeplakt.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De verdediging heeft primair een aantal verweren gevoerd die, volgens de verdediging, gezamenlijk maken dat door verzuimen geen sprake meer kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet en de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie tot gevolg moeten hebben. Het verweer bestaat – kort en zakelijk weergegeven – uit de volgende onderdelen:

  1. reeds vanaf 29 mei 2015 was sprake van stelselmatige informatie-inwinning door verbalisant A-3848, zonder dat daaraan een bevel ten grondslag lag;

  2. het bevel tot stelselmatige informatie-inwinning d.d. 6 juli 2015 (1) had niet gegeven mogen worden en (2) was in strijd met het subsidiariteitsbeginsel;

  3. het handelen van de verbalisanten A-3855 en A-3848 is aan te merken als infiltratie en niet als stelselmatige informatie-inwinning;

  4. de verbalisanten hebben niet voldaan aan hun verbaliseringsplicht, waardoor toetsing van de rechtmatigheid van hun handelen voor een groot deel onmogelijk is gemaakt. Het belemmert de verdediging om met succes het verweer te voeren dat [medeverdachte 1] en zijn medeverdachten zijn uitgelokt;

  5. de telefoon die door verbalisant A-3855 aan [medeverdachte 1] (hierna ook: [medeverdachte 1] ) is gegeven had moeten worden getapt;

  6. in het dossier bevindt zich niet de schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris tot het opnemen van (tele)communicatie d.d. 17 augustus 2015, met RC-nummer 15/1407.

Het hof overweegt omtrent deze verweren als volgt.

A.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het door verbalisant A-3848 met [medeverdachte 1] gevoerde gesprek op 29 mei 2015 reeds aan te merken was als (het begin van de) stelselmatige informatie-inwinning en dat, bij gebreke van een bevel daartoe van een officier van justitie, deze gesprekken onrechtmatig zijn gevoerd.

Uit de bewijsmiddelen1 blijkt dat [medeverdachte 1] op 27 mei 2015 in een bar op Curaçao WOD-er A-3848 heeft aangesproken vanwege zijn horloge. De WOD-er was in het kader van een ander onderzoek aanwezig op Curaçao. Tijdens het gesprek gaf [medeverdachte 1] spontaan informatie over een gepleegde overval en nog te plegen overvallen. Aan het einde van het gesprek gaf [medeverdachte 1] te kennen dat ze misschien wat voor elkaar konden betekenen en dat hij nog een keer met de WOD-er wilde afspreken. Op 29 mei 2015 heeft de WOD-er contact gezocht met [medeverdachte 1] teneinde een sociaal gesprek te voeren. Gedurende dat gesprek wilde [medeverdachte 1] apart spreken met deze WOD-er, die in het gezelschap verkeerde van een collega-WOD-er.2 [medeverdachte 1] is in dit gesprek weer uit zich zelf gaan vertellen over een aantal overvallen die hij had uitgedacht.3 Het was voor de WOD-ers tijdens deze eerste twee gesprekken niet duidelijk of de door [medeverdachte 1] verstrekte informatie klopte. Er was op 29 mei 2015 nog geen bevestiging van de juistheid van de verhalen van [medeverdachte 1] . Het leek op dat moment niet meer dan grootspraak van [medeverdachte 1] . Het onderhouden van contacten met [medeverdachte 1] was op dat moment enkel bedoeld om die contacten warm te houden en om hem niet uit het oog te verliezen.4

Het hof is van oordeel dat het opbellen van [medeverdachte 1] door de WOD-er, het aangaan van het tweede gesprek en het apart gaan zitten gedurende dat gesprek teneinde te luisteren naar de verhalen of plannen van [medeverdachte 1] , waarbij door de WOD-er niet actief is getracht informatie te verkrijgen, niet is aan te merken als stelselmatige inwinning van informatie in de zin van art. 126j Sv nu hiermee niet een min of meer volledig beeld wordt verkregen van bepaalde aspecten van het privéleven van [medeverdachte 1] . Voor het op de onderhavige wijze inwinnen van informatie, voor zover dat al een lichte inbreuk zou hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [medeverdachte 1] , bieden art. 2 Politiewet 2012 en art. 141 Sv een toereikende grondslag.

Van enig vormverzuim is aldus in zoverre geen sprake.

B.

(1) In hoger beroep is eveneens betoogd dat de start van het onderzoek naar [medeverdachte 1] onrechtmatig was omdat het bevel tot stelselmatige informatie-inwinning niet gegeven had mogen worden. [medeverdachte 1] heeft bij zijn eerste gesprekken met de WOD-er gesproken over een aantal overvallen, die niet in de politiesystemen waren terug te vinden. Dat er op dat moment opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen zijn ingezet, is onrechtmatig. De verdediging heeft bovendien betoogd dat, door WOD-ers in te zetten conform artikel 126j Sv, er in strijd is gehandeld met het subsidiariteitsvereiste. Na die eerste gesprekken tussen [medeverdachte 1] en een WOD-er had men eerst minder ingrijpende middelen moeten inzetten om de waarheid te achterhalen.

Het hof neemt de volgende overwegingen van de rechtbank omtrent het juridisch kader (grotendeels) over en maakt deze tot de zijne.

In artikel 126j Sv is de bevoegdheid geregeld die wordt aangeduid als stelselmatige inwinning van informatie (SI). Het artikel bepaalt dat de officier van justitie bevoegd is te bevelen dat een opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek stelselmatig informatie inwint over de verdachte, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar. Blijkens de wetsgeschiedenis kan een opsporingsambtenaar dit doen door stelselmatig in de omgeving van de verdachte te verkeren en aan activiteiten en gesprekken deel te nemen, waaraan ook de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte deelnemen. Bij deze vorm van opsporing kan dus niet alleen de privacy van de betrokken burgers in het geding zijn, maar kan tevens sprake zijn van misleiding: de burger weet niet dat de persoon met wie hij van doen heeft, een vertegenwoordiger van de overheid is. De opsporingsambtenaar heeft uitdrukkelijk tot opdracht om op zodanige wijze aanwezig te zijn in de omgeving van de verdachte, dat de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte met hem contacten onderhouden zonder dat zij weten dat zij met een opsporingsambtenaar van doen hebben. De opsporingsambtenaar observeert dus niet alleen, maar interfereert actief in het leven van de verdachte. Hij gaat daarbij verder dan alleen waarnemen of luisteren. Omdat de personen die hij daarbij ontmoet niet weten dat hij opsporingsambtenaar is, is de kans groot dat hij dingen te horen of te zien krijgt, mede doordat hij daarin kan sturen, waarvan hij anders geen kennis zou kunnen krijgen.5

Gelet op de stelselmatigheid waarmee dit kan gebeuren, kan deze bevoegdheid een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat het inzetten van een SI-traject zijn rechtvaardiging kan vinden in het grote maatschappelijke belang dat is gediend bij de opsporing van misdrijven die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, hetzij door hun gewelddadige karakter, hetzij door hun grote omvang en gevolgen voor de samenleving, doch waar regulier openlijk onderzoek onvoldoende resultaat heeft of belooft te hebben.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] tijdens gesprekken met de WOD-ers had aangegeven nog overvallen te willen gaan plegen en dat dit redengevend was om een bevel stelselmatige informatie-inwinning af te geven. Dit werd door het landelijk parket afgegeven, zoals volgt uit het proces-verbaal op pagina 19 dossier F/G en het door de officier van justitie afgegeven bevel. Op 7 juli 2015 vond vervolgens een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en een WOD-er. Op dat moment vertelde [medeverdachte 1] concreet over de overval in Tilburg en over een nog te plannen overval in Schoonhoven. Er is nadere informatie gekomen vanuit de politie en de verklaring van [medeverdachte 1] leek te passen bij de aangifte van juwelier [benadeelde partij 1] , wonende te Tilburg, die in zijn woning was overvallen. Dat was vervolgens reden voor het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant om het onderzoek verder op te pakken en wederom een bevel tot stelselmatige informatie inwinning af te geven en reguliere opsporingsmethoden zoals telefoontaps in te zetten, zoals volgt uit pagina 24, 25 en verder in het dossier F/G.

Deze wijze van handelen kan naar het oordeel van het hof niet als onrechtmatig worden beschouwd. Niet gebleken is immers dat de informatie die volgde uit het onderzoek in het kader waarvan de gesprekken op 27 en 29 mei 2015 plaats vonden, onrechtmatig verkregen was. Deze informatie kon naar het oordeel van het hof dienen als start voor het daarop volgende onderzoek naar door [medeverdachte 1] reeds gepleegde en nog te plegen overvallen. [medeverdachte 1] gaf immers zeer gedetailleerde informatie en hij gaf aan van plan te zijn nog meer overvallen (te laten) plegen. Weliswaar was de informatie nog niet zodanig dat deze naar daadwerkelijk gepleegde en met naam en toenaam genoemde overvallen wees, maar voor de toepassing van artikel 126j Sv is enkel vereist dat er een verdenking van een misdrijf moet bestaan. De informatie die [medeverdachte 1] tijdens de gesprekken van 27 en 29 mei 2015 verstrekte, gaf voor deze verdenking voldoende aanleiding.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet gebleken van onrechtmatigheden in de start van het onderzoek naar [medeverdachte 1] .

Gedurende het onderzoek naar [medeverdachte 1] komt op enig moment de verdachte in beeld. Tijdens een gesprek tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] (hierna ook: [medeverdachte 2] ) en WOD-er A-3855 op 9 september 2015 heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij de overval in Tilburg had gepleegd met (onder andere) ene ‘ [voornaam verdachte] ’ uit Groningen en dat hij [voornaam verdachte] enige dagen geleden nog had gesproken.6 Op de telefoon van [medeverdachte 2] wordt ook een tap aangesloten.7 Uit de tap blijkt dat ‘ [voornaam verdachte] ’ het telefoonnummer [telefoonnummer verdachte] heeft.8 Dit telefoonnummer blijkt op naam te staan van [verdachte] .9 Op 15 september 2015 is [verdachte] op basis van deze informatie als verdachte aangemerkt en is verzocht ook tegen hem een bevel tot stelselmatige informatie-inwinning te verlenen.10 Het bevel is op 15 september 2015 verleend.11

Naar het oordeel van het hof is derhalve ook niet gebleken van onrechtmatigheden in de start van het onderzoek naar [verdachte] .

(2) Bij de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen komt de officier van justitie veel vrijheid toe. Deze vrijheid is niet onbeperkt en vindt zijn begrenzing onder meer in het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit beginsel is normatief voor de vraag of een bevoegdheid toegepast mag worden en tevens voor de wijze van uitvoering van deze bevoegdheid. Indien de officier van justitie na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van een hem toekomende opsporingsbevoegdheid had kunnen overgaan, is dit beginsel geschonden. Het hof constateert dat de verdediging ook in hoger beroep geen verweer heeft gevoerd aangaande de proportionaliteit van de inzet van de opsporingsmethode. Wat de subsidiariteit betreft, onderschrijft het hof, net als de rechtbank, het standpunt van de officier van justitie dat de kans om met minder verstrekkende opsporingsmiddelen dichterbij opheldering van het misdrijf te komen, niet meer reëel was. De overval in Tilburg had twee jaar daarvoor plaatsgevonden. Er was reeds tactisch en technisch onderzoek gedaan en dat had niet tot enig resultaat geleid. Niet kon worden verwacht dat de gebruikelijke opsporingsmethodes, zoals telefoontaps en observaties, het opsporingsteam dichterbij de opheldering van de zaak gebracht had. Het lag immers na zo lange tijd niet voor de hand dat verdachte of zijn medeverdachten zonder enige aanleiding spontaan over de betreffende overval zouden spreken. De keuze voor de inzet van WOD-ers voldoet daarmee ook aan de eisen van subsidiariteit.

C.

De verdediging heeft betoogd dat het handelen van de verbalisanten A-3855 en A-3848 is aan te merken als infiltratie en niet als stelselmatige informatie-inwinning.

Het hof stelt voorop dat de bevoegdheid tot (undercover) stelselmatig inwinnen van informatie in de zin van art. 126j Sv zich onderscheidt van de politiële infiltratie als bedoeld in art. 126h Sv doordat bij stelselmatige informatie-inwinning niet wordt deelgenomen of meegewerkt aan een groep van personen of een georganiseerd verband waarbinnen misdrijven worden gepleegd. De informant die handelt op grond 126j Sv is dan ook niet gerechtigd om deel te nemen aan of het beramen van misdrijven.

Het hof stelt hieromtrent vast dat [medeverdachte 1] en later zijn [medeverdachte 2] eigener beweging over mogelijk te plegen overvallen, op onder meer een juwelier in Schoonhoven, zijn gaan verklaren en dat zij zelf reeds over de benodigde informatie daartoe beschikten. De overval op de juwelier in Schoonhoven was immers, zo volgt uit het de door de WOD-ers opgemaakte processen-verbaal van bevindingen, door [medeverdachte 1] en anderen, waaronder zijn [medeverdachte 2] reeds beraamd en voorbereid.12 [verdachte] heeft tijdens het gesprek met WOD-er A-3855 op 16 september 2015 verklaard over de mede door hem gepleegde overval in Tilburg.13 De WOD-ers hebben de verhalen en plannen voornamelijk aangehoord. Gelet op de wetsgeschiedenis mogen WOD-ers tot op zeker hoogte aansturen op het verkrijgen van informatie. Het standpunt van de verdediging dat de WOD-ers niet binnen de grenzen van stelselmatige informatie-inwinning hebben gehandeld doch als infiltranten zijn opgetreden vindt dan ook geen steun in het dossier.

Het hof merkt bovendien nog op dat dit onderdeel van het verweer lijkt te zijn gericht tegen onder andere de voorbereiding van de overval op de juwelier in Schoonhoven, dat aan medeverdachte [medeverdachte 1] ten laste is gelegd. Van het uitlokken van de overval in Tilburg, het enige aan de verdachte ten laste gelegde feit, kan immers geen sprake zijn aangezien dit feit al in 2013 was gepleegd.

D.

De verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de verbalisanten gebrekkig geverbaliseerd hebben en dat de verdediging daardoor niet met succes het verweer kan voeren dat de verdachte is uitgelokt, nu informatie daaromtrent ontbreekt en dit door het hof niet diepgaand is onderzocht of kan worden onderzocht.

Het hof overweegt als volgt.

Voor zover dit onderdeel van het verweer is gestoeld op de opvatting dat het besprokene tussen de verdachten en de WOD-ers nagenoeg woordelijk dient te worden opgenomen in processen-verbaal, teneinde controle door de verdediging mogelijk te maken, vindt dit geen steun in het recht. Het kan voorts evenmin van een verbalisant verwacht worden dat ook alles wat niet heeft plaatsgevonden, wordt geverbaliseerd.

Het hof stelt voorop dat geen concrete aanwijzingen voorhanden zijn om te vermoeden dat de processen-verbaal van de WOD-ers in strijd met de waarheid zijn opgemaakt. Evenmin zijn dergelijke aanwijzingen aannemelijk gemaakt door de verdediging.

De WOD-ers hebben in de door hen opgemaakte processen-verbaal van bevindingen gerelateerd welke informatie eerst [medeverdachte 1] en later zijn medeverdachten, onder wie [verdachte] , uit eigen beweging over gepleegde en nog te plegen overvallen aan de WOD-ers hebben verteld en welke informatie de WOD-ers bij [verdachte] en zijn medeverdachten hebben ingewonnen. In zoverre is controle van hetgeen tussen de WOD-ers en [verdachte] en zijn medeverdachte is besproken wel degelijk mogelijk. De verdediging heeft bovendien in hoger beroep de gelegenheid gehad om, bij de raadsheer-commissaris, de WOD-ers te horen omtrent de bevindingen waarover zij hebben gerelateerd. Dat de verdediging daarbij naar haar oordeel niet altijd de gewenste ‘helderheid’ heeft gekregen op bepaalde zaken doet daaraan niet af.

Concluderend stelt het hof vast dat de WOD-ers hebben voldaan aan hun verbaliseringsplicht en dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld de juistheid van de processen-verbaal van bevindingen van de WOD-ers te controleren en dat van enig vormverzuim in zoverre geen sprake is.

Voor zover het verweer ziet op het uitlokken van de nog te plegen overval die onder feit 2 als voorbereidingshandelingen aan [medeverdachte 1] ten laste zijn gelegd overweegt het hof dat deze voorbereidingshandelingen niet aan de [verdachte] ten laste zijn gelegd. Het hof vermag derhalve niet in te zien waarom en welke belangen van de verdachte geschaad zouden kunnen zijn. Het verweer wordt verworpen.

E.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van WOD-er A-3855 blijkt dat hij op 18 augustus 2015 aan [medeverdachte 1] een prepaid-telefoon heeft gegeven om met hem contact te onderhouden.14 De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat deze telefoon getapt had moeten worden, omdat [medeverdachte 1] ontlastende verklaringen heeft afgelegd via deze telefoon.

Het hof stelt voorop dat aan de officier van justitie een discretionaire bevoegdheid toekomt tot het al dan niet opnemen van niet voor het publiek bestemde communicatie als bedoeld in art. 126m Sv.

Het hof heeft weliswaar van de advocaat-generaal geen antwoord gekregen op de vraag waarom in dit geval van deze bevoegdheid geen gebruik is gemaakt, maar is desalniettemin van oordeel dat het niet tappen van juist deze telefoon onvoldoende is om te oordelen dat hierdoor de betrouwbaarheid van het door de WOD-ers gerelateerde in het geheel niet te controleren is.

Van een vormverzuim is naar het oordeel van het hof ieder geval geen sprake.

Daar komt nog bij dat ook hier geldt dat dit verweer vooral in samenhang beschouwd moet worden met de bij de [medeverdachte 1] ten laste gelegde voorbereidingshandelingen, die niet aan verdachte ten laste zijn gelegd.

F.

De verdediging heeft geconstateerd dat de schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris tot het opnemen van (tele)communicatie d.d. 17 augustus 2015 van [medeverdachte 1] , met RC-nummer 15/1407 zich niet in het dossier bevindt.

Het hof stelt met de verdediging vast dat voornoemde schriftelijke machtiging zich inderdaad niet in het dossier bevindt.

Het ontbreken van deze machtiging in het dossier heeft weliswaar tot gevolg dat jegens [medeverdachte 1] een vormvoorschrift onherstelbaar is geschonden, maar dat raakt de verdachte niet in zijn belang. Het betreft hier immers niet de machtiging tot het opnemen van (tele)communicatie van [verdachte] . Overigens, op basis van de gecombineerde vordering medewerking aan een bevel opnemen van telecommunicatie (art. 126m Sv) en een vordering verstrekking verkeersgegevens (art. 126n Sv) stelt het hof vast dat de rechter-commissaris op 17 augustus 2015 wel een machtiging bevel tot het opnemen van (tele)communicatie van [medeverdachte 1] heeft verleend met RC-nummer 15/1407.15

Conclusie.

Het hof komt dan ook tot de conclusie dat tijdens het stelselmatig inwinnen van informatie door de methode van een zogenoemd WOD-traject op de wijze zoals dat in de onderhavige zaak is toegepast, met uitzondering van het ontbreken van de schriftelijke machtiging in het dossier inzake [medeverdachte 1] , geen vormverzuimen hebben plaatsgevonden. Het hof acht de resultaten van de toegepaste opsporingsmethode (de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten met betrekking tot het ten laste gelegde) betrouwbaar en de wijze waarop deze zijn verkregen behoorlijk en rechtmatig. Ook is niet aannemelijk geworden dat de verdachte feitelijk in een zodanige situatie is gebracht dat een verklaring van hem werd verkregen die in strijd met zijn in art. 29, eerste lid, Sv tot uitdrukking gebrachte en in art. 6, eerste lid, EVRM besloten liggende verklaringsvrijheid, is afgelegd of dat anderszins aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces ex art. 6 EVRM tekort is gedaan.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat in het voorbereidend onderzoek geen vormen zijn verzuimd die, afzonderlijk of in samenhang, de zwaarwegende conclusie kunnen dragen dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte.

De hiertoe strekkende verweren worden in zoverre verworpen.

Geen bewijsuitsluiting

De verdediging heeft subsidiair als verweer aangevoerd dat de hiervoor onder A t/m F opgenomen onderdelen van het gevoerde verweer afzonderlijk tot gevolg moeten hebben dat de resultaten van het onderzoek die door de afzonderlijke verzuimen zijn verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs van de ten laste gelegde feiten.

Gelet op het voorgaande is het hof eveneens van oordeel dat van bewijsuitsluiting geen sprake kan zijn. Voor wat betreft de onder A t/m E genoemde onderdelen van het verweer is niet gebleken van verzuimen in het voorbereidend onderzoek. Met betrekking tot het onder F door het hof vastgestelde vormverzuim jegens [medeverdachte 1] is het hof van oordeel dat dit geen vormverzuim jegens verdachte oplevert.

Met verwijzing naar het hiervoor overwogene verwerpt het hof dus ook de verweren strekkende tot bewijsuitsluiting.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 oktober 2013 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid diamanten en/of edelstenen en/of sieraden, toebehorende aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededaders:

- die [benadeelde partij 1] bij de keel heeft/hebben gepakt en naar de grond heeft/hebben geduwd en;

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [benadeelde partij 1] heeft/hebben geduwd en gehouden en;

- de polsen van die [benadeelde partij 1] aan elkaar heeft/hebben gebonden met tiewraps en;

- de polsen en voeten van die [benadeelde partij 1] aan elkaar heeft/hebben gebonden met tiewraps en tape en diens mond met tape heeft/hebben afgeplakt en;

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [benadeelde partij 2] heeft/hebben gericht en;

- die [benadeelde partij 2] tegen de grond heeft/hebben geduwd en haar handen vastgebonden met tiewraps en haar mee naar boven naar de badkamer heeft/hebben genomen en;

- een voet op het hoofd van die [benadeelde partij 2] heeft/hebben gezet en haar voeten en polsen heeft/hebben vastgetaped en haar mond heeft/hebben afgeplakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Op 27 oktober 2013 kwam er bij de politie een 112-melding binnen van mevrouw [benadeelde partij 2] die verklaarde dat er zojuist een woningoverval in haar woning in Tilburg had plaatsgevonden.16 De politie kwam ter plaatse en nam waar dat er letsel was bij de aangever, [benadeelde partij 1] .17 Op 28 oktober 2013 deed [benadeelde partij 1] aangifte. Hij verklaarde dat hij op zondag 27 oktober 2013, omstreeks 20.30 uur, de bel hoorde, en een agent met een jas met ‘politie’ erop met zijn rug naar de deur stond. Op die jas stond op de voorzijde met witte letters ‘politie’ en op de jas was een politie-embleem zichtbaar. De man zei hem dat zich in de tuin een inbreker schuil hield en dat hij zijn collega erbij zou halen. Er kwam een man tevoorschijn met een bivakmuts. De nepagent pakte hem bij de nek en duwde hem naar de grond. De mannen vroegen om diamanten en vroegen waar de kluis en zijn grote bruine tas waren. De aangever kreeg een pistool op zijn hoofd gezet en hij kreeg tiewraps om zijn polsen. De aangever moest naar boven en pakte in zijn slaapkamer de sleutel. Hij werd meegenomen naar de zolderkamer en moest de kluis openen. De inhoud van de kluis werd in een middelmaat sporttas gedaan. Het ging om zeven zwarte portefeuilles met daarin geslepen diamanten en juwelen. De aangever moest op zijn bed gaan liggen en zijn voeten werden met tiewraps en tape aan elkaar gebonden en zijn mond werd afgeplakt. De mannen gingen naar zijn kantoor en even later hoorde hij de voordeur dicht slaan. In het kantoor waren ook goederen weggenomen. De nepagent die voor de deur stond had een stevig postuur en had een kaal hoofd en een glad rond gezicht. Hij had een politie embleem op zijn borst. De dader met de bivakmuts had een slank postuur en had een pistool vast.18

Ook [benadeelde partij 2] , de echtgenote van aangever, deed aangifte en zij verklaarde dat, toen haar man de deur had opengedaan op 27 oktober 2013, zij een man met een pistool in de hand de kamer in zag komen en dat hij zei dat ze mee moest komen. De man duwde haar tegen de grond aan en bond haar handen vast met tiewraps. Ze moest mee naar de badkamer en hoorde het blok van de kluis boven schuiven. Een andere man kwam de badkamer binnen en zette zijn voet op het hoofd van [benadeelde partij 2] . Hij tapete haar voeten en polsen. Haar mond werd ook afgeplakt. Ze had één van de overvallers gezien. Hij had een kaal hoofd en een politielogo op zijn rug. Hij was duidelijk gespierd. De tweede man die in de badkamer kwam, stonk naar shag. Haar man had die dag meer sieraden in huis omdat hij de volgende dag een cursus moest geven in Schoonhoven.19

Een jaar lang politieonderzoek leverde geen bruikbare informatie op.

Op 27 mei 2015 komt een WOD-er in gesprek met ene ‘ [voornaam medeverdachte 1] ’, een manspersoon met hazenlip, 29 jaar oud, wonende te [woonplaats medeverdachte 1] en gebruik makend van telefoonnummer [telefoonnummer medeverdachte 1] . [voornaam medeverdachte 1] vertelde dat hij aan mensen van Satudarah een tip had gegeven voor een overval op een juwelier. Op 29 mei 2015 had de WOD-er telefonisch contact met deze [voornaam medeverdachte 1] en die vertelde hem dat hij een aantal overvallen had uitgedacht en getipt had aan anderen die deze overvallen hadden gepleegd. Uit onderzoek aan de politiesystemen blijkt later dat deze [voornaam medeverdachte 1] de [medeverdachte 1] is.20 Op 7 juli 2015 heeft de WOD-er wederom contact met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] vertelde hem dat hij betrokken was bij een overval op een juwelier in Tilburg.21

Op 18 augustus 2015 is er wederom een ontmoeting tussen [medeverdachte 1] en twee WOD-ers (A-3848 en A-3855). [medeverdachte 1] gaf aan dat zijn maat [voornaam medeverdachte 2] heet, dat hij samen met zijn maat [voornaam medeverdachte 2] de overval in Tilburg had gedaan en dat [voornaam medeverdachte 2] uit Groningen kwam. Even later kwam [voornaam medeverdachte 2] erbij zitten.22 [medeverdachte 1] verklaarde tijdens een ontmoeting op 2 september 2015 dat hij van een jongen uit de klas waar de desbetreffende juwelier uit Tilburg les zou geven, had gehoord dat de man een presentatie zou geven. De man had bij deze presentatie een hoeveelheid sieraden, horloges en/of goud bij zich. [medeverdachte 1] vertelde dat hij vervolgens op de avond voor die bewuste dag naar het adres van die juwelier in Tilburg is gereden om te verkennen. Het was een buurt met allemaal kleine straatjes dichtbij een station, maar niet het Centraal Station. Hij zag een daglichtlamp en herkende dat licht als afkomstig van een lamp die door juweliers worden gebruikt. [medeverdachte 1] vertelde dat [voornaam medeverdachte 2] en twee andere jongens de overval hadden gepleegd. Er was een gaspistool gebruikt en daarmee was op het hoofd van de juwelier geslagen.23

Op 9 september 2015 ontmoette WOD-er A-3855 [medeverdachte 1] en [voornaam medeverdachte 2] . [voornaam medeverdachte 2] verklaarde dat [medeverdachte 1] zijn maat was en dat [medeverdachte 1] degene was die informatie verzamelde en verkende, zoals ook in Tilburg gebeurd was. [voornaam medeverdachte 2] verklaarde dat hij [voornaam verdachte] uit Groningen wel zag als een goede vent om klussen mee te doen. [voornaam medeverdachte 2] zei tegen [medeverdachte 1] in het bijzijn van de WOD-er dat hij met ‘ [voornaam verdachte] ’ ook Tilburg had gedaan. [voornaam medeverdachte 2] sprak af contact op te nemen met ‘ [voornaam verdachte] ’.24

Uit opgenomen en uitgeluisterde gesprekken van de mobiele telefoon van [medeverdachte 1] bleek dat hij contacten onderhield met ene [voornaam medeverdachte 2] , die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer medeverdachte 2] . Navraag bij het CIOT leerde dat dat nummer toebehoorde aan [medeverdachte 2] , genaamd [voornaam medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ).25 Op de telefoon van [medeverdachte 2] wordt ook een tap aangesloten.26

[medeverdachte 2] spreekt op 2 september 2015 tijdens een telefoongesprek met [voornaam verdachte] . Uit de tap blijkt dat [voornaam verdachte] als telefoonnummer heeft [telefoonnummer verdachte] .27, 28 Dit nummer wordt via de CIOT bevraagd en blijkt op naam te staan van [verdachte] (de verdachte).

Op 16 september 2015 sprak WOD-er A-3855 af met [medeverdachte 2] en [voornaam verdachte] . [voornaam verdachte] bleek de [verdachte] te zijn. Hij verklaarde hij dat hij een klus had gedaan in Scheveningen die niet had opgeleverd wat het had moeten opleveren. Dit was ook het geval bij een andere klus. Desgevraagd bevestigde [verdachte] dat hij daarmee Tilburg bedoelde. [medeverdachte 2] vertelde over de overval in Tilburg dat hij vond dat door hen, maar vooral door [verdachte] , heel goed en vooral rustig gewerkt was. [verdachte] verklaarde dat het klopte wat [medeverdachte 2] had verklaard over het maken van plannen in de auto kort voor de overval. [verdachte] verklaarde dat [medeverdachte 1] de verkenning had gedaan en dat ze die nacht nog wel in de omgeving hadden gekeken. [verdachte] vertelde dat hij met zijn rug naar de deur was gaan staan, zodat het politielogo zichtbaar was.29

In de woning van [medeverdachte 1] is een politie-embleem aangetroffen.30

De politie vordert de telefoongegevens van [verdachte] en zijn medeverdachten in de periode rond 28 oktober 2013. Hieruit volgt dat [medeverdachte 2] op 24 en 25 oktober 2013 in totaal zes keer contact heeft gehad met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft met zijn telefoonnummer [2e telefoonnummer medeverdachte 1] op 25, 26 en 27 oktober 2013 in totaal acht keer contact gehad met [medeverdachte 2] en heeft drie keer contact gehad met [verdachte] op 26 oktober 2013 op het telefoonnummer [telefoonnummer] .31

Er is een compositietekening gemaakt van de dader met de politiejas.32 De politie vergeleek een foto van de verdachte met de compositietekening en stelde dat er sterke overeenkomsten zijn tussen de verdachte en de man op de compositietekening.33

Bewijsoverwegingen

De verdediging heeft zich (meer subsidiair) op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken, nu hij slechts uit grootspraak heeft verklaard dat hij betrokken was bij de overval. Voorts zou de verdachte niet lijken op de man van de compositietekening en bevinden zich in het dossier sterke contra-indicaties dat de verdachte bij de overval betrokken is geweest, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte is bij de WOD-ers in beeld gekomen nadat hij via [medeverdachte 2] bij hen was geïntroduceerd. De verdachte heeft, na de introductie door [medeverdachte 2] , desgevraagd verklaard over zijn rol in een tweetal overvallen, in Scheveningen en in Tilburg. Hij heeft tijdens het gesprek met de WOD-er verklaard over een aantal details van de overval. De verdachte heeft tegen de WOD-er verklaard dat hij zich bij de overval in Tilburg had voorgedaan als agent en dat hij met zijn rug naar de deur had gestaan met zijn politielogo zichtbaar op de rug. Voorts heeft verdachte verklaard over de afspraken die zijn gemaakt in de auto, kort voor het plegen van de overval, over de voorverkenning door zowel [medeverdachte 1] als door de overvallers zelf en over details aangaande de persoon van de slachtoffers. Ook [medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte meedeed met de overval in Tilburg en dat verdachte vooral rustig gewerkt had.

Het hof stelt, in navolging van de rechtbank, vast dat bij de woningoverval één van de daders zich heeft voorgedaan als politieagent en zich niet had vermomd. Gelet op de verklaring van verdachte en zijn medeverdachten bij de WOD-ers zou verdachte de politieagent moeten zijn geweest. Er is een compositietekening van deze dader gemaakt. Het hof stelt met de rechtbank vast dat dat er een gelijkenis is met de compositietekening die in het dossier zit en het uiterlijk van verdachte. Behoudens de gelijkenis tussen de compositietekening en het uiterlijk van verdachte, is er ook ander ondersteunend bewijs dat verdachte aan de overval linkt. Aangever [benadeelde partij 1] heeft immers bij de aangifte verklaard dat de politieagent zo rustig was. [medeverdachte 2] heeft eveneens verklaard dat verdachte ten tijde van de overval rustig was en goed werkte.

Ook in de telefoongegevens die zijn opgevraagd vindt het hof, met de rechtbank, steunbewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij de overval. De verdachte heeft op 26 oktober 2013 drie maal contact gehad met medeverdachte [medeverdachte 1] . Desgevraagd heeft hij niet verklaard waar die gesprekken over gingen.

Het hof acht het daarbij opvallend dat de telefoongegevens van [medeverdachte 1] voor een langere periode zijn opgevraagd en verdachte behalve de dag voor de woningoverval, die op 27 oktober 2013 plaats vond, geen telefonisch contact met [medeverdachte 1] heeft gehad.

In de pleitnota wordt verwezen naar een overzicht van kenmerken van de verdachten, zoals zou blijken uit de verklaring van mevrouw [benadeelde partij 2] . Hierin is (kennelijk) abusievelijk opgenomen dat de politieman naar shag zou ruiken, aangezien zij dat kenmerk in haar verklaringen toedicht aan een van de overvallers met een bivakmuts.

Ten slotte ziet het hof ondersteunend bewijs in het telefoongesprek tussen [medeverdachte 2] en verdachte, waarin [medeverdachte 2] tegen verdachte zegt: ‘jaja, maar die streek die jij hebt geleverd jongen, daar moet je echt ballen voor hebben, dat heeft niet iedereen.’ Even later zei [medeverdachte 2] : ‘nee jongen geloof mij maar, zo met je blote harsens, dan doet dat doet niemand niet veel he.’34 Uit de verklaringen die zijn afgelegd tegenover de WOD-er volgt dat het verdachte was die verkleed als politieagent bij de woning in Tilburg aanbelde. De politieagent, dus verdachte was de enige die geen bivakmuts droeg.

De ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte, dat het om iets anders ging dan de overval, acht het hof niet aannemelijk.

Het hof is dan ook van oordeel dat van grootspraak van de zijde van [verdachte] met betrekking tot de overval in Tilburg geen sprake is geweest en legt die verklaring als volstrekt ongeloofwaardig ter zijde.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de woningoverval op aangever [benadeelde partij 1] en zijn echtgenote in Tilburg op 27 oktober 2013, zoals aan de verdachte is ten laste gelegd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die door dit hof voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woningoverval. Bij die overval zijn drie overvallers de woning van de aangevers binnengedrongen. Het hof acht het bijzonder kwalijk dat gebruik is gemaakt van een politiejas, omdat hierdoor het vertrouwen dat personen in een politie-uniform moeten kunnen hebben ernstig wordt geschaad. Zij hebben de aangevers bedreigd met een op een vuurwerp gelijkend voorwerp, vastgebonden en hun mond is afgeplakt. De aangevers stonden gedurende de overval doodsangsten uit en zij ondervinden nog dagelijks de gevolgen van de overval. In totaal is vermoedelijk voor bijna € 1 miljoen aan juwelen, sieraden en diamanten buitgemaakt.

Het gaat hier om zeer ernstige feiten, waarbij de verdachte geen enkel besef lijkt te hebben van wat een overval met eventuele slachtoffers doet. De verdachte lijkt alleen maar oog te hebben voor zijn eigen financieel gewin. In het nadeel van verdachte weegt het hof mee de grote omvang van de schade en het planmatige karakter van de overval.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 februari 2018, waaruit blijkt dat hij zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan vergelijkbare feiten.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof ook gelet op het rapport van de Reclassering Nederland d.d. 30 september 2015.

Alles afwegend kan naar het oordeel van het hof, in navolging van de rechtbank, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van 4 jaren met zich brengt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.376,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.376,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof in rechte vast dat door het onder feit 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte de benadeelde partij [benadeelde partij 2] rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.376,-, te vermeerderen met de wettelijke rente (bestaande uit € 3.000,- aan immateriële schade en € 376,- aan materiële schade. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk en is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof zal de benadeelde partij in het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag en vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis van na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 13.510,94, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.510,94. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof in rechte vast dat door het onder feit 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte de benadeelde partij [benadeelde partij 1] rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van een bedrag van € 10.510,94, te vermeerderen met de wettelijke rente (bestaande uit € 3.000,- aan immateriële schade en € 7.510,94 aan materiële schade. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk en is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof van oordeel dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] de door hem gevorderde materiële schade met de overgelegde facturen en overige bescheiden, mede bezien in het licht van de bij de aangifte gedane opgave van de gestolen goederen (dossier E, pag. 96) voldoende heeft onderbouwd. De gevorderde materiële schade is dan ook geheel toewijsbaar.

Het hof zal de benadeelde partij in het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag en vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis van na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.376,00 (drieduizend driehonderdzesenzeventig euro), bestaande uit € 376,00 (driehonderdzesenzeventig euro) aan materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) aan immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.376,00 (drieduizend driehonderdzesenzeventig euro) bestaande uit € 376,00 (driehonderdzesenzeventig euro) aan materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

43 (drieënveertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 27 oktober 2013;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.510,94 (tienduizend vijfhonderdtien euro en vierennegentig cent), bestaande uit € 7.510,94 (zevenduizend vijfhonderdtien euro en vierennegentig cent) aan materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) aan immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 10.510,94 (tienduizend vijfhonderdtien euro en vierennegentig cent), bestaande uit

€ 7.510,94 (zevenduizend vijfhonderdtien euro en vierennegentig cent) aan materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 87 (zevenentachtig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 27 oktober 2013.

Aldus gewezen door:

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven, voorzitter,

mr. S. Riemens en mr. T.A. de Roos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Heller, griffier,

en op 15 mei 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 De paginanummers die in dit arrest zijn genoemd verwijzen, tenzij anders vermeld, naar pagina’s van dossier met nummer 20GOA13036 (onderzoek Biesenthal) van de politie Zeeland-West-Brabant, gerangschikt in dossiers A tot en met H. Het hof ontleent aan de inhoud van deze bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, het bewijs dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. Alle processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juli 2015, dossier E, pag. 127-129 en het proces-verbaal van verhoor getuige A-3848 d.d. 13 september 2017 (raadsheer-commissaris).

3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juli 2015, dossier E, pag. 127-129.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige B-2438 d.d. 15 november 2017 (raadsheer-commissaris).

5 Kamerstukken 25403, nr. 3 (MvT), par. 3.5.

6 Het proces-verbaal van bevindingen stelselmatig informatie-inwinner dossier E, pag. 149.

7 Het bevel stelselmatige informatie-inwinning, dossier F, pag. 112.

8 Het proces-verbaal verlenging bevel telecommunicatie van [medeverdachte 2] , dossier F, pag. 121, 122 en 125.

9 Het proces-verbaal, dossier F, pag. 126.

10 Het proces-verbaal aanvraag bevel stelselmatige informatie-inwinning d.d. 15 september 2015, dossier F, pag. 184-187.

11 Het bevel stelselmatige informatie-inwinning d.d. 15 september 2015, dossier F, pag. 192.

12 Het proces-verbaal bevindingen stelselmatige informatie inwinner A-3848, dossier E, pag. 133-134, het proces-verbaal bevindingen A-3848, dossier E, pag. 136, het proces-verbaal van bevindingen van A-3855, dossier E, pag. 138-139.

13 Het proces-verbaal bevindingen stelselmatige informatie inwinner A-3855, dossier E, pag. 155-156.

14 Het proces-verbaal van bevindingen van A-3855 d.d. 12 november 2015, dossier E, pag. 138-140.

15 De combivordering medewerking aan een bevel opnemen van (tele)communicatie (art. 126m Sv) en een vordering verstrekking verkeersgegevens (art. 126n Sv) d.d. 17 augustus 2015, dossier F, pag. 30-31.

16 Het proces-verbaal van bevindingen, dossier E, pag. 49.

17 Het proces-verbaal van bevindingen, dossier E, pag. 53.

18 Het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde partij 1] d.d. 28 oktober 2013, dossier E, pag. 56 t/m 60.

19 Het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde partij 2] d.d. 13 november 2013, dossier E, pag. 614 t/m 617.

20 Het proces-verbaal van bevindingen, dossier E, pag. 127 en 128.

21 Het proces-verbaal bevindingen stelselmatige informatie-inwinner A-3848, dossier E, pag. 132 t/m 134.

22 Het proces-verbaal bevindingen stelselmatige informatie-inwinner A-3848, dossier E, pag. 135 en 136.

23 Het proces-verbaal bevindingen van A-3848, dossier E, pag. 142 en 143.

24 Het proces-verbaal bevindingen van A-3855, dossier E, pag. 146, 148 en 149.

25 Het proces-verbaal aanvraag bevel stelselmatige informatie-inwinning, dossier F, pagina 109.

26 Het bevel stelselmatige inwinning van informatie, dossier F, pagina 112.

27 Het proces-verbaal verlenging bevel telecommunicatie van [medeverdachte 2] , dossier F, pag. 121, 122 en 125

28 Het tapgesprek tussen [medeverdachte 2] en verdachte, dossier F, pag. 126.

29 Het proces-verbaal van bevindingen van A-3855, dossier E, pag. 154 en 155.

30 Het proces-verbaal bevindingen tijdens doorzoeking, dossier D, pag. 84.

31 Het proces-verbaal bevindingen gesprekskosten T-Mobile, dossier E, pag. 248-250.

32 Het proces-verbaal bevindingen, dossier E, pag. 82 en de tekening op pag. 83.

33 Het proces-verbaal bevindingen overeenkomsten foto/compositietekening [verdachte] , pag. 241, 242 en 243.

34 Het tapgesprek tussen [medeverdachte 2] en verdachte, dossier F, pag. 126.