Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2084

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-05-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
200.198.198_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:4190
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering betaling factuur uit hoofde van overeenkomst van aanneming van werk. Geschil tussen partijen of tussen hen rechtstreeks overeenkomst tot stand is gekomen dan wel sprake is van een onderaannemingsovereenkomst. Geen sprake van (schijn van) volmacht. Geen contracts- of schuldovername. Geen ongerechtvaardigde verrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.198.198/01

arrest van 15 mei 2018

in de zaak van

1 [appellant] h.o.d.n. Systeembouw 2000,
wonende te [woonplaats] ,

2. Systeembouw 2000 B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten,

hierna tezamen in mannelijk enkelvoud aan te duiden als [appellanten c.s.] en ieder afzonderlijk als [appellant] en de bv,

advocaat: mr. M.M.M. Rooijen te Weert,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna tezamen in mannelijk enkelvoud aan te duiden als [geintimeerden c.s.] en ieder afzonderlijk als [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] ,

advocaat: mr. L.C.J. Sars te Helmond,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 3 oktober 2017 in het hoger beroep van het vonnis van 22 juni 2016, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellanten c.s.] als eisers in conventie, verweerders in (voorwaardelijke) reconventie en [geintimeerden c.s.] als gedaagden in conventie, eisers in (voorwaardelijke) reconventie.

5 Het tussenarrest van 3 oktober 2017

Bij dat arrest is bepaald dat partijen de gelegenheid wordt geboden voor pleidooi.

6 Het geding in hoger beroep

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de op 8 februari 2018 gehouden pleidooien, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de in het tussenarrest genoemde stukken, op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

7 De beoordeling

7.1.

In overwegingen 2.1 tot en met 2.16 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten, die niet zijn betwist, vormen, voor zover thans van belang, ook in hoger beroep het uitgangspunt.

7.1.1.

In 2008 is tussen ‘ [wanden & plafond] Wanden & Plafond’ (hierna: [wanden & plafond] ) en [appellant] , dan wel [geintimeerden c.s.] en [appellant] , een overeenkomst tot aanneming van werk tot stand gekomen, op grond waarvan [appellant] gehouden was tot het verrichten van afbouwwerkzaamheden (o.a. wanden en plafonds) in een - aan [geintimeerden c.s.] in eigendom toebehorend - pand gelegen te [plaats] .

7.1.2.

Na aanvang van de werkzaamheden heeft [appellant] bij facturen van 8 en 29 oktober, 3, 7 en 12 november en 12 december 2008 een bedrag van in totaal € 51.555,24 bij ‘ [wanden & plafond] v.o.f.’ in rekening gebracht, dat vervolgens gedeeltelijk is voldaan (zie hieronder).

Datum

Factuurnr.

Bedrag

Betaling

08-10-2008

[factuurnummer 1]

€ 7.500,00

€ 7.500,00

29-10-2008

[factuurnummer 2]

€ 10.000,00

€ 10.000,00

03-11-2008

[factuurnummer 3]

€ 10.000,00

€ 10.000,00

07-11-2008

[factuurnummer 4]

€ 7.500,00

€ 3.750,00

21-11-2008

[factuurnummer 5]

€ 15.957,75

€ 0,00

12-12-2008

[factuurnummer 6]

€ 597,49

€ 0,00

€ 51.555,24

€ 31.250,00

7.1.3.

Bij brief van 1 november 2008 (productie 5 inleidende dagvaarding) heeft [geintimeerden c.s.] aan [appellant] bericht:

“(…) Al enkele malen heb ik richting jouw c.q. systeembouw 2000 en [roepnaam van betrokkene] (hof: dhr. [betrokkene] , ingeschakeld door [appellant] ten behoeve van de communicatie tussen partijen) mijn ongenoegen geuit over de slechte kwaliteit van het werk en het niet planmatig werken volgens afspraak.

Ik wil dan ook middels deze brief mijn ongenoegen schriftelijk kenbaar maken en u mededelen dat wij een schadevergoeding gaan eisen, welke al mondeling medegedeeld is. (…)

De totale schadevergoeding zal u medegedeeld worden als alle nota’s van de verschillende onderaannemers binnen zijn, evenals extra werkzaamheden die door de eigenaren uitgevoerd zijn, beschadigingen en zeer lage kwaliteit van het werk. (…)

De brief zal ook gestuurd worden naar [wanden & plafond] wanden en plafonds. (…).”.

7.1.4.

[appellant] heeft vervolgens bij brief van 4 november 2008 (productie 6 inleidende dagvaarding) aan [wanden & plafond] bericht, dat hij zich niet kan verenigen met het standpunt van [geintimeerden c.s.] Daarnaast heeft hij bericht:

“(…) Laat het duidelijk zijn dat wij niet akkoord gaan met een het opleggen van een eventuele schadevergoeding uwerzijds.”

7.1.5.

[wanden & plafond] heeft hierop gereageerd bij ongedateerde brief van 5 ( [appellanten c.s.] ) of 6 ( [geintimeerden c.s.] ) november 2008 (productie 7 inleidende dagvaarding):

“(…) De heer [geïntimeerde 1] heeft in overleg met de heer [opdrachtgever namens wanden & plafond] de mondelinge opdracht gegeven voor het leveren en monteren van systeemwanden, plafonds, vertikaal werk en aanverwante werkzaamheden.

Op verzoek van de heer [geïntimeerde 1] is voorgesteld het materiaal te leveren via [wanden & plafond] Wanden en Plafonds, de montage en alle bijkomende werkzaamheden te gunnen aan systeembouw 2000 (t.a.v. de heer [appellant] )

Er is afgesproken dat de gehele facturering via [wanden & plafond] Wanden en Plafonds zou geschieden. Alle prijzen en afspraken zijn mondeling overeengekomen met de heer [geïntimeerde 1] [opdrachtgever namens wanden & plafond] en de heer [appellant] .

Toen wij op de hoogte werden gesteld werden van gerezen problemen heb ik me in verbinding gesteld met systeembouw 2000 en hen verzocht om in contact te komen met de heren [geintimeerden c.s.] om e.e.a. te bespreken en op te lossen.

Wij worden nu betrokken in het probleem tussen de heren [geintimeerden c.s.] en Systeembouw 2000 waar wij in principe buiten staan. (…).”

7.1.6.

[appellant] heeft hierop bij e-mail van 6 november 2008 (productie 1 conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie) aan [wanden & plafond] bericht:

“(…) Het schets mijn verbazing dat u nu in uw schrijven zegt dat u ongewild betrokken wordt in het probleem tussen de heren [geintimeerden c.s.] en systeembouw 2000, terwijl alle afspraken via of in driehoeks-verhouding met [wanden & plafond] wanden en plafonds lopen.

U hebt van mij montage prijzen gekregen, geschreven op een A3 tekeningcopie, en deze akkoord bevonden. Daarna hebt u (prijs) afspraken gemaakt met de heren [geintimeerden c.s.] , waardoor u voor ons de opdrachtgever bent. (…)

Nogmaals alle afspraken, eventuele opleverings punten, factureringen gaan via [wanden & plafond] wanden en plafonds zoals voorheen overeengekomen. (…).”

7.1.7.

Op 6 november 2008 zijn partijen, [wanden & plafond] en dhr. [betrokkene] in overleg getreden over de tussen hen gerezen problemen. Van dit overleg is door [appellant] een gespreks-verslag gemaakt (productie 8 bij inleidende dagvaarding). In dit verslag is, voor zover relevant, neergelegd:

“(…) Opmerkingen van dhr [appellant] (systeembouw)

- (…)

- Formeel gezien is dhr [opdrachtgever namens wanden & plafond] onze opdrachtgever voor dit project. (…).”

7.1.8.

Bij faxbericht van 11 november 2008 (productie 9 inleidende dagvaarding) heeft [geintimeerden c.s.] jegens [appellant] kritiek geuit op de weergave van het gesprek in het gespreksverslag. [geintimeerden c.s.] heeft onder meer bericht:

“(…) Opmerkingen van dhr. [appellant] .

(…) Gezien het feit dat [opdrachtgever namens wanden & plafond] geen enkele rol gespeeld heeft in het uitbrengen van de offerte en de uitvoering van het werk zie ik hem niet als betrokkene. [opdrachtgever namens wanden & plafond] heeft zelf aangegeven de opdracht terug te willen geven, wat ik wil honoreren. De directe relatie zou dus tussen Systeembouw 2000 en Frenken O.G, zijn, hetgeen impliceert dat wij uw opdrachtgever zijn. [opdrachtgever namens wanden & plafond] zal derhalve zijn factuurstroom aanpassen. Verzocht word uw facturen rechtstreeks aan [onroerend Goed] O.G., [adres 1] te [vestigingsplaats] te sturen. (…)

De samenvatting is niet gebaseerd op feiten en meer een vrijpleiting van de eigen tekortkomingen. Systeembouw 2000 heeft in al zijn manieren van uitingen richting de opdrachtgever [onroerend Goed] O.G. aangegeven de regie te willen voeren. [opdrachtgever namens wanden & plafond] is hier nooit naar de voorgrond geschoven als aanspreekpunt. (…).”

7.1.9.

Bij brief van 29 december 2008 (productie 11 inleidende dagvaarding) heeft [geintimeerden c.s.] aan [wanden & plafond] te kennen gegeven, dat hij niet kan instemmen met de door [wanden & plafond] gefactureerde aanneemsom, die zo’n € 8.000,- afwijkt van de overeengekomen aanneemsom van € 45.100,-. Daarnaast heeft [geintimeerden c.s.] bericht dat hij de door derden bij hem in rekening gebrachte facturen voor het verrichten van herstelwerkzaamheden zal verrekenen met de openstaande nota’s van [wanden & plafond] .

7.1.10.

[appellant] heeft, naar aanleiding van voornoemde brief, bij faxbericht van

9 januari 2009 (productie 12 inleidende dagvaarding) aan [wanden & plafond] bericht, dat hij zijn eerdere standpunten omtrent het gestelde tekortschieten handhaaft en niet gehouden is tot enige betaling.

7.1.11.

Bij faxbrieven van 2 en 18 maart 2009, 22 juli 2010 en 28 maart 2012 (productie 13 inleidende dagvaarding en producties 22, 23 en 24 conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie) heeft de gemachtigde van [wanden & plafond] , mr. Godart, meermaals aan [appellant] bericht dat zijn cliënt in onderhavig geschil niet te kwalificeren is als opdrachtgever. Hij stelt in dit verband dat zijn cliënt enkel als gemachtigde van [geintimeerden c.s.] is opgetreden.

7.1.12.

Bij brief van 16 maart 2012 (productie 14 bij inleidende dagvaarding) heeft de toenmalige advocaat van [appellant] het navolgende aan [geintimeerden c.s.] bericht:

“(…) Cliënte heeft in november 2008 werkzaamheden verricht aan het u toebehorende pand te [plaats] aan [adres 2] . Hoewel cliënte van oordeel is dat in de overeenkomst de Besloten Vennootschap [wanden & plafond] Wanden & Plafonds B.V. als opdrachtgever moet worden beschouwd, heeft u in de correspondentie aangegeven dat u in dezen als opdrachtgever zou fungeren.

Nu u uitdrukkelijk stelt de opdrachtgever te zijn, wend ik mij ook tot u. Middels dezen sommeer ik u en verzoek ik u de openstaande facturen aan cliënte te voldoen. Tot op heden zijn de navolgende facturen door u dan wel door de werkelijke opdrachtgever [wanden & plafond] onbetaald gelaten.

Factuur

Bedrag

Datum

Vervaldatum

openstaand

[factuurnummer 4]

€ 7.500,00

07-11-2008

07-12-2008

€ 3.750,00

[factuurnummer 5]

€15.957,75

21-11-2008

21-12-2008

€ 15.957,75

[factuurnummer 6]

€ 597,49

12-12-2008

12-01-2008

€ 597,49

Totaal

€ 24.055,24

€ 20.305,24

(…) Middels dezen verzoek ik u en voor zover nodig sommeer ik u om binnen vijf dagen na heden bovengenoemd bedrag over te maken op onze rekening gelden derden (…).

Middels deze brief wordt uitdrukkelijk de verjaring gestuit. Cliënte verlangt dan ook nakoming uwerzijds. (…).”

7.1.13.

In reactie op deze sommatie heeft [geintimeerden c.s.] bij brief van 24 maart 2012 (productie 25 conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie) onder meer het navolgende bericht:

“(…) wij hebben per brief destijds aangegeven het contact met dhr. [opdrachtgever namens wanden & plafond] over te nemen uit praktische overwegingen.

Dit is per schrijven door dhr. [appellant] van systeembouw 2000 afgewezen. Wij hebben op dat moment alleen zaken gedaan met [wanden & plafond] omdat hier een afspraak aan ten grondslag lag. Alle verdere communicatie is derhalve via dhr. [opdrachtgever namens wanden & plafond] van [wanden & plafond] Plafonds verlopen. In geschrift en communicatie is duidelijk aangegeven dat [wanden & plafond] de contracterende partij is voor Systeembouw 2000.

Gelieve dus alle correspondentie via dhr. [opdrachtgever namens wanden & plafond] te laten lopen en diens advocaat. Wij hebben enkel verplichtingen aan dhr. [opdrachtgever namens wanden & plafond] van [wanden & plafond] Wanden en Plafond Systemen. (…).”

7.1.14.

Nadat betaling jegens [appellant] uitbleef, heeft de toenmalige advocaat van [appellant] bij brief van 8 mei 2014 productie 15 inleidende dagvaarding) [geintimeerden c.s.] nogmaals gesommeerd om tot betaling van de openstaande facturen over te gaan.

7.1.15.

Bij brief van 12 mei 2014 (productie 16 inleidende dagvaarding) heeft [geintimeerden c.s.] bericht dat het eerder ingenomen standpunt ten aanzien van de tekortkomingen in de uitvoering van de werkzaamheden wordt gehandhaafd en dat de zaak inmiddels is verjaard. Partijen hebben hun wederzijdse standpunten vervolgens in nadere correspondentie gehandhaafd.

7.2.1.

In eerste aanleg heeft [appellanten c.s.] , samengevat, gevorderd [geintimeerden c.s.] , uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:

- een bedrag van € 20.305,24 ter zake van (gedeeltelijk) onbetaald gelaten facturen, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen tot aan de dag van algehele voldoening;

- een bedrag van € 1.158,00 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening, althans betekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.

[appellanten c.s.] heeft aan zijn vorderingen primair ten grondslag gelegd dat tussen [appellant] en [geintimeerden c.s.] al dan niet door tussenkomst van [wanden & plafond] een overeenkomst tot aanneming van werk tot stand is gekomen op grond waarvan [appellanten c.s.] een bedrag van € 51.555,24 te vorderen heeft. Van dit bedrag is slechts € 31.250,00 betaald, zodat [geintimeerden c.s.] nog een bedrag van € 20.305,24 aan [appellanten c.s.] is verschuldigd, aldus [appellanten c.s.] heeft subsidiair aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat, indien geen sprake is van een overeenkomst tussen partijen, [geintimeerden c.s.] ongerechtvaardigd is verrijkt ter hoogte van een bedrag van € 20.305,24.

7.2.2.

[geintimeerden c.s.] heeft in voorwaardelijke reconventie gevorderd:

- een verklaring voor recht dat [appellanten c.s.] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen;

- veroordeling van [appellanten c.s.] tot betaling van de schade als gevolg van voornoemde toerekenbare tekortkoming, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2008 tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeling van [appellanten c.s.] in de proceskosten en nakosten.

[geintimeerden c.s.] heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat, voor het geval dat in conventie geoordeeld wordt dat sprake is van een overeenkomst tussen partijen, er sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [appellanten c.s.] in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen, inhoudende dat het door [appellanten c.s.] tot stand gebrachte werk gebreken vertoont.

7.2.3.

Partijen hebben over en weer gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

7.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank in conventie de vorderingen van [appellanten c.s.] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten en nakosten. De rechtbank heeft daartoe ten aanzien van de bv overwogen dat de bv haar belang bij toewijzing van de vorderingen ter comparitie heeft prijsgegeven, zodat deze vorderingen tegenover haar geen nadere beoordeling behoeven en worden afgewezen. Ten aanzien van [appellant] heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat niet is komen vast te staan dat [geintimeerden c.s.] uit hoofde van enige contractuele relatie met [appellant] gehouden is tot betaling aan [appellant] en dat niet is voldaan aan de vereisten voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking.

De rechtbank heeft voorts in reconventie overwogen dat de vorderingen in reconventie geen nadere behandeling behoeven, nu aan de voorwaarde waaronder deze zijn ingesteld niet is voldaan.

7.4.

[appellanten c.s.] voert zeven grieven aan tegen voornoemd vonnis. Hij concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van zijn vorderingen in eerste aanleg, met veroordeling van [geintimeerden c.s.] in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente indien de proceskosten niet binnen veertien dagen na dagtekening, althans betekening van het arrest zijn voldaan.

7.5.

De eerste grief van [appellanten c.s.] is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de bv haar belang bij toewijzing van de vorderingen in conventie ter comparitie heeft prijsgegeven. [appellanten c.s.] heeft ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep medegedeeld deze grief in te trekken, zodat deze grief geen nadere behandeling behoeft. Hieruit volgt dat de bv geen belang meer heeft bij het door haar ingestelde hoger beroep, zodat zij hierin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

7.6.

De tweede tot en met de vijfde de grief van [appellant] hebben betrekking op de vraag of er tussen [appellant] en [geintimeerden c.s.] een contractuele band bestaat op grond waarvan [geintimeerden c.s.] aan [appellant] de betaling van de onbetaald gebleven facturen is verschuldigd. Deze grieven zal het hof gezamenlijk behandelen.

7.7.

[appellant] stelt primair dat tussen [geintimeerden c.s.] en [appellant] een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen op grond waarvan [geintimeerden c.s.] verplicht is tot betaling aan [appellant] van de nog openstaande facturen. Dit wordt door [geintimeerden c.s.] betwist. Volgens hem heeft hij met [wanden & plafond] een overeenkomst van aanneming van werk gesloten op grond waarvan [wanden & plafond] zich als aannemer jegens [geintimeerden c.s.] als opdrachtgever heeft verbonden afbouwwerkzaamheden in het pand van [geintimeerden c.s.] te verrichten tegen een door [geintimeerden c.s.] te betalen prijs en heeft [wanden & plafond] in dat kader met [appellant] een onderaannemingsovereenkomst gesloten op grond waarvan [appellant] zich jegens [wanden & plafond] verplicht heeft voornoemde afbouwwerkzaamheden te verrichten. Gelet hierop is niet [geintimeerden c.s.] maar [wanden & plafond] aan te merken als opdrachtgever van [appellant] en dient hij de openstaande facturen te betalen, aldus [geintimeerden c.s.]

7.8.

Het hof constateert dat in ieder geval tussen partijen vast staat dat [geintimeerden c.s.] [wanden & plafond] heeft benaderd voor het verrichten van afbouwwerkzaamheden in het aan hem in eigendom behorende pand in Nederweert en dat [wanden & plafond] vervolgens [appellant] hiervoor heeft benaderd. Daarnaast is niet in geschil dat er ten aanzien van voornoemde afbouwwerkzaamheden met [appellant] als aannemer een overeenkomst van aanneming van werk is gesloten en dat bij de totstandkoming van deze overeenkomst zowel [geintimeerden c.s.] als [wanden & plafond] aanwezig waren. Voorts staat vast dat [appellant] deze werkzaamheden heeft verricht en de hieraan verbonden kosten heeft gefactureerd aan [wanden & plafond] die hiertegen niet heeft geprotesteerd en de facturen deels heeft voldaan.

7.9.

[appellant] legt primair aan zijn vordering tot betaling van de facturen ten grondslag dat [wanden & plafond] als gevolmachtigde van [geintimeerden c.s.] een overeenkomst van aanneming van werk tussen [geintimeerden c.s.] en [appellant] tot stand heeft gebracht dan wel dat de schijn is gewekt dat [wanden & plafond] handelde met een volmacht van [geintimeerden c.s.] Het hof overweegt ten aanzien hiervan als volgt.

7.9.1.

Op grond van artikel 3:60 lid 1 BW is volmacht de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten. Het ligt op de weg van [appellant] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat [wanden & plafond] ter zake als gevolmachtigde van [geintimeerden c.s.] optrad. [appellant] voert ter onderbouwing van zijn stelling aan dat [geintimeerden c.s.] niet als verweer heeft gevoerd dat hij niet kunnen worden gekwalificeerd als opdrachtgever en dat [geintimeerden c.s.] en [wanden & plafond] in eerste instantie dezelfde gemachtigde (mr. Godart) hebben gehad die zich namens beiden op het standpunt heeft gesteld dat [wanden & plafond] dient te worden aangemerkt als gevolmachtigde en [geintimeerden c.s.] als opdrachtgever. [appellant] verwijst voorts naar de brief van [wanden & plafond] van 5 (of 6) november 2008 (productie 7 bij inleidende dagvaarding, zie 7.1.6.) en naar het faxbericht van [geintimeerden c.s.] van 11 november 2008 (productie 9 bij inleidende dagvaarding, zie 7.1.9.) waaruit volgens hem eveneens is af te leiden dat niet [wanden & plafond] maar [geintimeerden c.s.] de opdrachtgever is.

7.9.2.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] onvoldoende stelt om te kunnen concluderen dat [geintimeerden c.s.] [wanden & plafond] een volmacht heeft verleend om in zijn naam een overeenkomst met [appellant] te sluiten en dat [geintimeerden c.s.] de feitelijke opdrachtgever van [appellant] was. De omstandigheid dat mr. Godart namens [wanden & plafond] achteraf bij brieven van 2 en 18 maart 2009, 22 juli 2010 en 28 maart 2012 medegedeeld heeft dat [wanden & plafond] slechts gemachtigde van [geintimeerden c.s.] was en dat [geintimeerden c.s.] de opdrachtgever was, rechtvaardigt deze conclusie in ieder geval niet. Deze mededeling betreft immers slechts het standpunt van mr. Godart als gemachtigde van [wanden & plafond] . De primaire stelling van [appellant] wordt evenmin ondersteund door de inhoud van de brief van [wanden & plafond] van 5 (of 6) november 2008. In deze brief heeft [wanden & plafond] aan [appellant] bericht dat [geïntimeerde 1] in overleg met hem mondeling opdracht heeft gegeven voor de betreffende werkzaamheden, dat op verzoek van [geïntimeerde 1] is voorgesteld het materiaal te leveren via [wanden & plafond] en de werkzaamheden te gunnen aan Systeembouw 2000 ( [appellant] ), dat afgesproken is dat de gehele facturering via [wanden & plafond] zou plaatsvinden en dat alle prijzen en afspraken mondeling zijn overeengekomen met [geïntimeerde 1] , [wanden & plafond] en [appellant] . Hieruit kan niet worden afgeleid dat [wanden & plafond] de overeenkomst als gevolmachtigde van [geintimeerden c.s.] heeft gesloten. De enkele mededeling door [wanden & plafond] in diezelfde brief dat zij buiten de problemen tussen [geintimeerden c.s.] en [appellant] staat, maakt dit niet anders.

Het faxbericht van [geintimeerden c.s.] van 11 november 2008 kan [appellant] op dit punt ook geen soelaas bieden. [geintimeerden c.s.] heeft in dat bericht weliswaar medegedeeld dat hij [wanden & plafond] niet als betrokkene ziet gezien het feit dat deze geen enkele rol heeft gespeeld in het uitbrengen van de offerte en de uitvoering van het werk, maar daarop volgt direct de mededeling dat [wanden & plafond] zelf heeft aangegeven de opdracht terug te willen geven. Uit deze mededeling lijkt juist te volgen dat [wanden & plafond] zelf - en niet via volmacht [geintimeerden c.s.] - de opdrachtgever van [appellant] was. Het feit dat [geintimeerden c.s.] heeft geklaagd bij [appellant] over de kwaliteit van de door [appellant] verrichte werkzaamheden kan, zeker in het licht van de hiervoor onder 7.1 en verder weergegeven vaststaande feiten, evenmin de conclusie rechtvaardigen dat [wanden & plafond] als gevolmachtigde van [geintimeerden c.s.] de overeenkomst heeft gesloten.

7.9.3.

De vraag is vervolgens of zich het geval voordoet dat [wanden & plafond] en/of [geintimeerden c.s.] de schijn van volmachtverlening door [geintimeerden c.s.] aan [wanden & plafond] heeft/hebben gewekt. Hiermee doet [appellant] een beroep op artikel 3:61 lid 2 BW. Uit dit artikel volgt dat indien [appellant] op grond van een verklaring of gedraging van [geintimeerden c.s.] heeft aangenomen en redelijkerwijs mocht aannemen dat [wanden & plafond] bevoegd was om namens [geintimeerden c.s.] een overeenkomst te sluiten, [geintimeerden c.s.] zich niet op de onbevoegdheid van [wanden & plafond] kan beroepen en aan de overeenkomst met [appellant] is gebonden.

De stelling van [appellant] dat [wanden & plafond] de schijn van het bestaan van een toereikende volmacht heeft gewekt, kan in ieder geval niet leiden tot een geslaagd beroep op artikel 3:61 lid 2 BW. Van een aan [geintimeerden c.s.] toerekenbare schijn is geen sprake als het tegenover [appellant] gewekte vertrouwen enkel is gebaseerd op verklaringen of gedragingen van [wanden & plafond] . Het gaat er juist om dat de schijn van volmachtverlening is gebaseerd op feiten en omstandigheden die [geintimeerden c.s.] betreffen. Naar het oordeel van het hof stelt [appellant] geen concrete feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat [geintimeerden c.s.] deze schijn heeft gewekt. Uit hetgeen hiervoor al is overwogen ten aanzien van het faxbericht van [geintimeerden c.s.] van 11 november 2008 volgt al dat de inhoud van dat faxbericht die conclusie niet kan rechtvaardigen. De door [appellant] aangevoerde omstandigheid dat [geintimeerden c.s.] [appellant] en zijn werknemers heeft toegelaten tot het werk en opdrachten aan werknemers van [appellant] heeft gegeven met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden is, wat daarvan ook zij, evenmin voldoende. Bovendien zou dit op zich ook niet vreemd zijn, gelet op het feit dat het pand eigendom is van [geintimeerden c.s.] Het beroep van [appellant] op artikel 3:61 lid 2 BW slaagt dus evenmin.

7.9.4.

Nu het beroep van [appellant] op een volmacht en op de schijn van volmachtverlening faalt, gaat het hof uit van de juistheid van de stelling van [geintimeerden c.s.] dat tussen hem en [wanden & plafond] een aannemingsovereenkomst is gesloten en tussen [wanden & plafond] en [appellant] een onderaannemingsovereenkomst (voor een deel van de werkzaamheden).

7.9.5.

Subsidiair stelt [appellant] dat [geintimeerden c.s.] de onderaannemingsovereenkomst tussen [appellant] en [wanden & plafond] heeft overgenomen van [wanden & plafond] als bedoeld in artikel 6:159 lid 1 BW. Uit artikel 6:159 lid 1 BW volgt dat er aan twee vereisten dient te zijn voldaan, wil er sprake zijn van de door [appellant] gestelde contractsoverneming:

  1. Er dient sprake te zijn van een tussen [wanden & plafond] en [geintimeerden c.s.] opgemaakte akte met de strekking dat [wanden & plafond] haar rechtsverhouding tot [appellant] overdraagt aan [geintimeerden c.s.]

  2. De overdracht dient plaats te vinden met medewerking van [appellant] .

[appellanten c.s.] stelt zich op het standpunt dat de voor contractsoverneming vereiste akte ligt besloten in meerdere stukken, te weten:

- de brief van [wanden & plafond] aan [appellant] van 5 (of 6) november 2008 (productie 7 inleidende dagvaarding) waarin [wanden & plafond] volgens [appellant] heeft bericht dat hij tussen [appellant] en [geintimeerden c.s.] is uitgevallen;

- het gespreksverslag van 6 november 2008 (op papier van Systeembouw 2000 ( [appellant] ) (productie 8 inleidende dagvaarding) waaruit volgens [appellant] blijkt dat [geintimeerden c.s.] te kennen heeft gegeven zichzelf als opdrachtgever van [appellant] te beschouwen;

- de schriftelijke reactie van [geintimeerden c.s.] van 11 november 2008 (productie 9 inleidende dagvaarding) waarin hij volgens [appellant] heeft medegedeeld dat [wanden & plafond] de opdracht aan [geintimeerden c.s.] heeft teruggegeven en [geintimeerden c.s.] dit heeft gehonoreerd, wat betekent dat [geintimeerden c.s.] de opdrachtgever van [appellant] is geworden;

- de brief van [geintimeerden c.s.] aan de voormalige advocaat van [appellant] van 24 maart 2012 (productie 25 conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie) waarin [geintimeerden c.s.] volgens [appellant] heeft medegedeeld dat het contract door hem is overgenomen.

7.9.6.

Aan [appellant] kan worden toegegeven dat de akte van contractsoverneming niet in één enkel stuk hoeft te zijn opgenomen. De akte kan ook zijn samengesteld uit meerdere op elkaar aansluitende stukken/akten tussen de overdrager en de overnemer. Het hof is echter met de rechtbank van oordeel dat de door [appellant] aangehaalde stukken niet als akte in de zin van artikel 6:159 BW kunnen worden aangemerkt. Van op elkaar aansluitende stukken/akten tussen [wanden & plafond] als overdrager en [geintimeerden c.s.] als overnemer is geen sprake. Het gaat immers om respectievelijk een brief van [wanden & plafond] aan [appellant] , een verslag van een gesprek tussen [appellant] , [geintimeerden c.s.] en [wanden & plafond] , dat in kopie aan [geintimeerden c.s.] is gestuurd, maar door [geintimeerden c.s.] niet is getekend, een brief van [geintimeerden c.s.] aan [appellant] en een brief van [geintimeerden c.s.] aan de voormalige advocaat van [appellant] . De inhoud van deze stukken sluit niet op elkaar aan. Daarnaast kan uit de betreffende stukken niet worden afgeleid dat de wil van [wanden & plafond] en [geintimeerden c.s.] erop was gericht dat de overeenkomst van [wanden & plafond] met [appellant] zou worden overgenomen door [geintimeerden c.s.] , in die zin dat [wanden & plafond] zijn rechtsverhouding tot [appellant] zou overdragen aan [geintimeerden c.s.] (dit nog daargelaten dat uit voormelde stukken niet blijkt wat die rechtsverhouding inhoudt c.q. welke wederzijdse rechten en verplichtingen voortvloeien uit de beweerdelijk over te dragen overeenkomst tussen [wanden & plafond] en [appellant] ). Zo heeft [wanden & plafond] in zijn brief van 5 november 2008 niet medegedeeld dat hij ertussen uit is gevallen, maar heeft hij daarin te kennen gegeven betrokken te worden in het probleem tussen [geintimeerden c.s.] en [appellant] waar hij in principe buiten staat. In die brief wordt met geen woord gerept over een contractsoverneming door [geintimeerden c.s.]

Uit het voormelde gespreksverslag kan niet worden opgemaakt dat [geintimeerden c.s.] tijdens dat gesprek heeft aangegeven zichzelf te beschouwen als opdrachtgever. Integendeel, [appellant] zou blijkens dat gespreksverslag juist hebben aangegeven [wanden & plafond] als formele opdrachtgever te beschouwen. Bovendien brengt de enkele omstandigheid dat iemand zichzelf als opdrachtgever beschouwt nog niet mee dat hij ook daadwerkelijk de opdrachtgever is (geworden).

In het faxbericht van [geintimeerden c.s.] van 11 november 2008 staat vermeld dat [wanden & plafond] heeft aangegeven de opdracht terug te willen geven, dat [geintimeerden c.s.] hiermee akkoord wil gaan en dat dat impliceert dat hij de directe opdrachtgever is van [appellant] . Er staat echter niet vermeld dat [geintimeerden c.s.] ook daadwerkelijk de positie van opdrachtgever heeft overgenomen van [wanden & plafond] . Uit de brief van [geintimeerden c.s.] van 24 maart 2012 zou juist kunnen worden afgeleid dat er geen contractsovername heeft plaatsgevonden. Hierin heeft [geintimeerden c.s.] immers bericht destijds per brief te hebben aangegeven het contract tussen [wanden & plafond] en [appellant] over te nemen, maar dat deze optie door [appellant] is afgewezen en dat [wanden & plafond] de contractspartij is van [appellant] .

7.9.7.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] dan ook onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat tussen [wanden & plafond] en [geintimeerden c.s.] een akte is opgemaakt als bedoeld in artikel 6:159 lid 1 BW. Gelet hierop kan al geen sprake zijn geweest van contractsoverneming. In het midden kan dus worden gelaten of [appellant] hieraan zijn medewerking heeft verleend.

7.10.

Meer subsidiair stelt [appellant] dat [geintimeerden c.s.] de schuld van [wanden & plafond] aan [appellant] uit hoofde van de onderaannemingsovereenkomst heeft overgenomen. Uit artikel 6:155 BW volgt dat er aan drie vereisten dient te worden voldaan, wil er in dit geval sprake zijn van schuldoverneming:

  1. er dient wilsovereenstemming bestaan tussen [wanden & plafond] en [geintimeerden c.s.] over de schuldoverneming;

  2. zowel [wanden & plafond] als [geintimeerden c.s.] dienen [appellant] hiervan op de hoogte te stellen;

  3. [appellant] dient toestemming te geven voor de schuldoverneming.

[appellant] verwijst ook in dit kader naar het faxbericht van [geintimeerden c.s.] van 11 november 2008, in het bijzonder (opnieuw) naar de mededeling van [geintimeerden c.s.] dat [wanden & plafond] de opdracht wil teruggeven, dat [geintimeerden c.s.] dat wil honoreren en dat [wanden & plafond] dus zijn factuurstroom zal aanpassen. Net zomin als hieruit een gezamenlijke wil tot contractsoverneming kon worden afgeleid, kan hieruit worden afgeleid dat [geintimeerden c.s.] en [wanden & plafond] een gezamenlijke wil hadden tot schuldoverneming (dit nog daargelaten dat het niet voor de hand ligt dat [geintimeerden c.s.] enkel de plicht tot betaling van de facturen van [appellant] zou willen overnemen, zonder de daartegenover staande verplichtingen van [appellant] ). Voorts is uit de stukken niet gebleken dat zowel [wanden & plafond] als [geintimeerden c.s.] aan [appellant] heeft medegedeeld dat [geintimeerden c.s.] de schuld van [wanden & plafond] aan [appellant] zou overnemen. Nu aan de eerste twee vereisten al niet is voldaan, kan evenmin sprake zijn van schuldoverneming.

7.11.

Uit het voorgaande volgt dat er geen contractuele band bestaat tussen [geintimeerden c.s.] en [appellant] . Voor dat geval stelt [appellant] zich op het standpunt dat [geintimeerden c.s.] ongerechtvaardigd is verrijkt ten nadele van [appellant] op grond waarvan [geintimeerden c.s.] aan [appellant] schadevergoeding verschuldigd is. Hierop ziet de zesde grief van [appellant] . [appellant] beroept zich hierbij op artikel 6:212 BW.

Voor het bestaan van een recht op schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking moet er sprake zijn van verrijking van [geintimeerden c.s.] die ten koste gaat van [appellant] zonder dat daarvoor een redelijke grond aanwezig is. [appellant] voert aan dat [geintimeerden c.s.] beschikt over een afgebouwd pand, terwijl de door [appellant] verrichte afbouwwerkzaamheden in het pand gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven. Het hof begrijpt [appellant] aldus dat hij stelt dat [geintimeerden c.s.] ongerechtvaardigd is verrijkt met de waarde van de door [appellant] verrichte werkzaamheden in het pand van [geintimeerden c.s.] Naar het oordeel van het hof stelt [appellant] echter onvoldoende concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de gestelde verarming aan de zijde van [appellant] , bestaande uit het hebben verricht van werkzaamheden die niet zijn betaald, gelijk is aan de gestelde verrijking aan de zijde van [geintimeerden c.s.] Dit geldt temeer, nu de kwaliteit van de door [appellant] verrichte werkzaamheden tussen partijen ter discussie staat. Daar komt bij dat de betalingsverplichting van [geintimeerden c.s.] als opdrachtgever jegens [wanden & plafond] als hoofdaannemer niet is komen te vervallen. Gelet op dit een en ander kan niet worden uitgegaan van een verrijking van [geintimeerden c.s.] ten koste van [appellant] , laat staan van een ongerechtvaardigde verrijking. Aldus is evenmin voldaan aan de vereisten voor ongerechtvaardigde verrijking.

7.12.

De vorderingen van [appellant] kunnen dus op geen van de aangevoerde grondslagen worden toegewezen. De grieven 2 tot en met 6 falen. Nu [appellant] met betrekking tot geen van de hiervoor besproken grondslagen heeft voldaan aan zijn stelplicht, wordt niet toegekomen aan bewijslevering.

7.13.

Dit betekent dat ook in hoger beroep niet wordt toegekomen aan de vorderingen van [geintimeerden c.s.] in reconventie, aangezien in hoger beroep de voorwaarde waaronder deze vorderingen zijn ingesteld (toewijzing van de vorderingen van [appellant] ) evenmin is vervuld.

7.14.

De zevende grief heeft geen zelfstandige betekenis en hoeft dus geen afzonderlijke behandeling.

7.15.

Het hof komt tot de slotsom dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellanten c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Deze worden aan de zijde van [geintimeerden c.s.] tot op heden begroot op

€ 718,00 aan griffierecht en € 4.173,00 aan salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten [memorie van antwoord 1 punt, pleidooi 2 punten] maal tarief III).

8 De uitspraak

Het hof:

verklaart de bv niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten c.s.] in de kosten van dit hoger beroep en begroot deze tot op heden aan de zijde van [geintimeerden c.s.] op € 718,00 aan griffierecht en € 3.474,00 aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, D.A.E.M. Hulskes en T.H.M. van Wechem en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 mei 2018.

griffier rolraadsheer