Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:208

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2018
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
20-001314-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:2296, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:2330, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het medeplegen van twee woningovervallen en het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag op een agent. Gevangenisstraf van 16 jaar. Vorderingen van benadeelde partijen toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0077
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001314-15

Uitspraak : 22 januari 2018

TEGENSPRAAK

PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 april 2015 in de strafzaak met parketnummer 02-810905-13 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot herroeping V.I. zaaknummer 99-000165-17 (parketnummers 02-800474-11 en 09-900866-10), tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] ,

thans verblijvende in [verblijfplaats] .

Hoger beroep

De verdachte is bij vonnis van de rechtbank van 10 april 2015 van het onder 1 (overval woning [adres 1] [plaats 1] ), het onder 2 primair (poging levensdelict agent) en het onder 3 primair (overval woning [adres 2] [plaats 1] ) ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek ex artikel 27 Sr. Daarnaast is TBS met dwangverpleging opgelegd. De vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7] zijn geheel toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 (overval woning [adres 1] [plaats 1] ), het onder 2 primair (poging levensdelict agent) en het onder 3 primair (overval woning [adres 2] [plaats 1] ) ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar. Voorts is gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen geheel worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten slotte is toewijzing gevorderd van de vordering waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte wordt herroepen, zodat een gevangenisstraf voor de duur van 57 dagen tenuitvoergelegd dient te worden.

Namens verdachte is betoogd dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde, van het onder 2 ten laste gelegde en van het onder 3 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd en is betoogd dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden afgewezen.

Ten aanzien van de vordering herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 12 november 2012 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag en/of één of meerdere bankpas(sen) en/of één of meerdere horloge(s) en/of (een) mobiele telefoon(s) en/of een handtas met inhoud en/of een fles whisky, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6] (6 jarige zoon), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag en/of één of meerdere bankpas(sen) en/of één of meerdere horloge(s) en/of (een) mobiele telefoon(s) en/of een handtas met inhoud en/of een fles whisky, in elk geval enig goed geheel of ten dele toebehorende aan die [betrokkene 4] en/of die [betrokkene 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- een of meerdere vuurwapen(s) en/of (kap)mes(sen, althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) en/of een op een (kap)mes gelijkend voorwerp ter hand heeft/hebben genomen en/of getoond aan die [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6] en/of (daarbij) dreigend heeft/hebben gezegd: "Geld, geld, waar is het geld. Jullie zijn een transportbedrijf en jullie doen in wiet. Waar is de kluis" en/of "Cash geld" en/of "Je horloge, je horloge" en/of "we gaan niet weg voordat we het geld hebben", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- ( vervolgens) die/dat vuurwapen(s) en/of (kap)mes(sen) aan die [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6] heeft/hebben getoond en daarbij gezegd dat ze onder de dekens op een bed moesten gaan liggen.

2.


hij op of omstreeks 4 januari 2013 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [betrokkene 7] (als motoragent werkzaam bij de regiopolitie Zeeland- West Brabant, althans de politie Midden en West Brabant) van het leven te beroven, met dat opzet die [betrokkene 7] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de borst, althans het bovenlichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging doodslag (in vereniging) werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan door/van enig strafbaar feit, te weten een (poging) overval op een woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats 1] , en welke poging doodslag (in vereniging) werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn medeverdachte(n) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 4 januari 2013 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [betrokkene 7] (motoragent bij de politie Zeeland West Brabant, althans Midden en West Brabant) gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (te weten reagerend op een melding van een overval op een woning in [plaats 1] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [betrokkene 7] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, althans het bovenlichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 januari 2013 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [betrokkene 7] (motoragent bij de Politie Zeeland West Brabant, althans Midden en West Brabant), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening (te weten: reagerend op een melding van een overval te [plaats 1] ), met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de borst, althans het bovenlichaam, heeft gestoken, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3.

hij op of omstreeks 4 januari 2013 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een horloge, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [betrokkene 2] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- met (een) bivakmuts(en) over zijn/hun hoofd de woning van voornoemde [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] is/zijn binnengedrongen en/of

- die [betrokkene 2] meermalen, althans eenmaal, heeft/hebben geprikt/aangeraakt met een stroomstootwapen en/of een of meer stroomsto(o)t(en) met dat stroomstootwapen heeft/hebben gegeven en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [betrokkene 2] heeft/hebben getoond en/of op die [betrokkene 2] heeft/hebben gericht en/of

- die [betrokkene 2] (aldus) heeft/hebben gedwongen om op haar knieën te gaan zitten en/of

- vervolgens de armen van die [betrokkene 2] achter haar rug heeft/hebben vastgebonden door haar handen met tiewraps aan elkaar vast te maken en/of

- die [betrokkene 2] onder bedreiging met dat stroomstootwapen de trap op heeft/hebben laten lopen en/of haar op de overloop heeft/hebben laten knielen en/of

- vervolgens dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de slaap, althans het hoofd, van die [betrokkene 2] heeft/hebben gezet/ geduwd/gehouden en/of

- een of meer ma(a)l(en) tegen die [betrokkene 2] heeft/hebben gezegd: "roep je man" en/of "waar is het geld?" en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht op voornoemde [betrokkene 1] en/of

toen verdachte en/of zijn mededader(s) de woning verliet(en),

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht op voornoemde [betrokkene 3] , die die [betrokkene 1] en/of die [betrokkene 2] te hulp kwam en/of

- die [betrokkene 3] heeft/hebben gedwongen op de grond te gaan liggen en/of

- die [betrokkene 3] meermalen, althans eenmaal, heeft/hebben geprikt/aangeraakt met een stroomstootwapen en/of een of meer stroomsto(o)t(en) met dat stroomstootwapen heeft/hebben gegeven,

terwijl bovenomschreven feit zwaar lichamelijk letsel bij die [betrokkene 1] ten gevolge heeft gehad (te weten: een gebroken rug, althans een gebroken buikwervel).

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 4 januari 2013 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen enig(e) goed(eren) van zijn/hun gading en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft/hebben aangebeld bij de woning van die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of de woning van die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] is/zijn binnengedrongen toen er open werd gedaan,

welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [betrokkene 1] en/of die [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] te dwingen tot de afgifte van enig(e) goed(eren) van zijn/hun gading en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft/hebben aangebeld bij de woning van die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of de woning van die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] zijn/is binnengedrongen toen er open werd gedaan en/of vervolgens geweld heeft/hebben toegepast op en/of met geweld gedreigd heeft/hebben jegens voornoemde [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] ,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- met (een) bivakmuts(en) over zijn/hun hoofd de woning van voornoemde [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] is/zijn binnengedrongen en/of

- die [betrokkene 2] meermalen, althans eenmaal, heeft/hebben geprikt/aangeraakt met een stroomstootwapen en/of een of meer stroomsto(o)t(en) met dat stroomstootwapen heeft/hebben gegeven en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [betrokkene 2] heeft/hebben getoond en/of op die [betrokkene 2] heeft/hebben gericht en/of

- die [betrokkene 2] (aldus) heeft/hebben gedwongen om op haar knieën te gaan zitten en/of

- vervolgens de armen van die [betrokkene 2] achter haar rug heeft/hebben vastgebonden door haar handen met tiewraps aan elkaar vast te maken en/of

- die [betrokkene 2] onder bedreiging met dat stroomstootwapen de trap op heeft/hebben laten lopen en/of haar op de overloop heeft/hebben laten knielen en/of

- vervolgens dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de slaap, althans het hoofd, van die [betrokkene 2] heeft/hebben gezet/ geduwd/gehouden en/of

- een of meer ma(a)l(en) tegen die [betrokkene 2] heeft/hebben gezegd: "roep je man" en/of "waar is het geld?" en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht op voornoemde [betrokkene 1] en/of toen verdachte en/of zijn mededader(s) de woning verliet(en),

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht op voornoemde [betrokkene 3] , die die [betrokkene 1] en/of die [betrokkene 2] te hulp kwam en/of

- die [betrokkene 3] heeft/hebben gedwongen op de grond te gaan liggen en/of

- die [betrokkene 3] meermalen, althans eenmaal, heeft/hebben geprikt/aangeraakt met een stroomstootwapen en/of een of meer stroomsto(o)t(en) met dat stroomstootwapen heeft/hebben gegeven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

en/of

terwijl bovenomschreven feit zwaar lichamelijk letsel bij die [betrokkene 1] ten gevolge heeft gehad (te weten: een gebroken rug, althans een gebroken buikwervel).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 12 november 2012 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen horloges en mobiele telefoons en een handtas met inhoud en een fles whisky, toebehorende aan [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] ,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] (6 jarige zoon), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

en

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 4] en [betrokkene 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag en bankpassen en één horloge toebehorende aan die [betrokkene 4] en/of die [betrokkene 5] ,

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en zijn mededader:

- vuurwapens en een kapmes ter hand hebben genomen en getoond aan die [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en (daarbij) dreigend hebben gezegd: "Geld, geld, waar is het geld. Jullie zijn een transportbedrijf en jullie doen in wiet. Waar is de kluis" en/of "Cash geld" en/of "Je horloge, je horloge" en/of "we gaan niet weg voordat we het geld hebben", en/of

- ( vervolgens) die vuurwapens en dat kapmes aan die [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] hebben getoond en daarbij gezegd dat ze onder de dekens op een bed moesten gaan liggen.

2.

hij op 4 januari 2013 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [betrokkene 7] (als motoragent werkzaam bij de regiopolitie Zeeland- West Brabant, althans de politie Midden en West Brabant) van het leven te beroven, met dat opzet die [betrokkene 7] met een mes in de borst, heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging doodslag in vereniging werd voorafgegaan door enig strafbaar feit, te weten een overval op een woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats 1] , en welke poging doodslag in vereniging werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en zijn medeverdachte straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

3.

hij op 4 januari 2013 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een horloge, toebehorende aan [betrokkene 1] ,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en [betrokkene 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders:

- met bivakmutsen over hun hoofd de woning van voornoemde [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn binnengedrongen en

- die [betrokkene 2] meermalen, hebben geprikt/aangeraakt met een stroomstootwapen en stroomstoten met dat stroomstootwapen hebben gegeven en

- een vuurwapen aan die [betrokkene 2] hebben getoond en op die [betrokkene 2] hebben gericht en

- die [betrokkene 2] hebben gedwongen om op haar knieën te gaan zitten en

- vervolgens de armen van die [betrokkene 2] achter haar rug hebben vastgebonden door haar handen met tiewraps aan elkaar vast te maken en

- die [betrokkene 2] onder bedreiging met dat stroomstootwapen de trap op hebben laten lopen en haar op de overloop hebben laten knielen en

- vervolgens dat vuurwapen, tegen de slaap, van die [betrokkene 2] hebben gezet/ geduwd/gehouden en

- tegen die [betrokkene 2] hebben gezegd: "roep je man" en "waar is het geld?" en

- een vuurwapen hebben gericht op voornoemde [betrokkene 1] en

toen verdachte en zijn mededader de woning verlieten,

- een vuurwapen hebben gericht op voornoemde [betrokkene 3] , die die [betrokkene 1] en die [betrokkene 2] te hulp kwam en

- die [betrokkene 3] hebben gedwongen op de grond te gaan liggen en

- die [betrokkene 3] hebben geprikt met een stroomstootwapen en stroomstoten met dat stroomstootwapen hebben gegeven,

terwijl bovenomschreven feit zwaar lichamelijk letsel bij die [betrokkene 1] ten gevolge heeft gehad (te weten: een gebroken rug).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewijs

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft in het onder 1 ten laste gelegde (overval [adres 1] te [plaats 1] ) gerekwireerd tot een bewezenverklaring, waarbij de advocaat-generaal [medeverdachte 1] en [verdachte] als medeplegers heeft aangemerkt.

De advocaat-generaal acht voorts bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de poging tot gekwalificeerde doodslag zoals ten laste gelegd onder 2 primair hebben medegepleegd. De verdachten wisten van elkaars wapenarsenaal en zij hadden gesproken over de vlucht waarbij [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij tegen de medeverdachte had gezegd dat hij zou schieten als er politieagenten achter hem aan zouden komen. Daarnaast geldt dat zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] een aandeel heeft gehad in het aanvallen en uitschakelen van de politieman zodat ook om die reden sprake was van een wezenlijke, gezamenlijke bijdrage aan het feit, terwijl de verdachten zich daarvan niet hebben gedistantieerd.

Subsidiair, wanneer het hof geen medeplegen zou aannemen, heeft de advocaat-generaal gesteld dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. In dat geval kan volgens de advocaat-generaal niet worden bewezen dat [verdachte] heeft gestoken, maar is [medeverdachte 1] daarvoor verantwoordelijk.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde (overval [adres 2] te [plaats 1] ) heeft de advocaat-generaal zich ten slotte op het standpunt gesteld dat het primaire verwijt bewezen kan worden verklaard, waarbij [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] als medeplegers zijn aan te merken.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is betoogd dat onvoldoende bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen. Kort gezegd is betoogd dat het sporenonderzoek dat is verricht op de plaats delict, niet heeft geleid naar de verdachte: de aangetroffen sjaal is niet van één van de daders geweest nu deze op enige afstand van de overvallen woning is aangetroffen, [betrokkene 5] heeft de sjaal niet herkend als de sjaal van één van de overvallers en heeft bovendien verklaard dat de langste overvaller een sjaal droeg, terwijl het aantreffen van een DNA-mengprofiel waarvan het DNA van [verdachte] deel uitmaakte, geen bewijs oplevert dat de verdachte de sjaal ten tijde van de overval heeft gedragen.

Ook de Facebook foto waarop [verdachte] is afgebeeld met een mes levert geen bewijs op voor het tenlastegelegde. Hetzelfde geldt voor de verklaring van de verklaring van [getuige 1] en [getuige 2] . Ten aanzien van die laatste verklaring geldt bovendien dat die verklaring is ‘van horen zeggen’ en ook is, met een beroep op de uitspraak Vidgen vs. Nederland, gesteld dat de verdediging het ondervragingsrecht ten aanzien van [getuige 2] niet heeft kunnen uitoefenen.

De verklaringen van [medeverdachte 1] zijn onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen en ook het gebruikte schakelbewijs is daarvoor onvoldoende omdat geen sprake is van dusdanig onderscheidende handelingen dat dit gebruikt kan worden.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit is gesteld dat niet [verdachte] , maar [medeverdachte 1] de verbalisant heeft gestoken, zodat [verdachte] daarvan dient te worden vrijgesproken. Bij de politie heeft [betrokkene 7] verklaard dat hij eerst werd aangevallen door een kleinere persoon met een witte jas die hem sloeg en schopte, waarna een tweede, langere, man in een donkere jas tevoorschijn kwam die hem kennelijk stak. Nadien, bij de rechter-commissaris, heeft [betrokkene 7] echter verklaard dat de langste dader een witte jas droeg en de kleinste dader een donkere jas. Die laatste verklaring kan echter niet kloppen en aannemelijk is dat [betrokkene 7] zich heeft vergist in de lengte van de daders en niet in de kleur van de jassen. Daarvoor is steun te vinden in de verklaringen van andere getuigen die [verdachte] en [medeverdachte 1] nabij de plaats delict zagen rennen.

Medeplegen kan niet bewezen worden omdat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking in de totstandkoming of uitvoering van dit feit terwijl [verdachte] evenmin een substantiële rol heeft gehad voor, tijdens of na dat delict. Dat [medeverdachte 1] de agent heeft gestoken kan niet voor rekening van [verdachte] komen, aldus de raadsman.

De verdachte dient volgens de raadsman eveneens van het onder 3 ten laste gelegde vrijgesproken te worden. DNA-bewijs en zendmastgegevens leveren geen bewijs op voor de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit, terwijl de verklaringen van [medeverdachte 1] wisselend zijn en daarmee onbetrouwbaar en niet bruikbaar voor het bewijs. Die verklaringen zijn in ieder geval allerminst overtuigend volgens de raadsman.

Het oordeel van het hof

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde (overval [adres 2] te [plaats 1] ) en het onder 2 primair ten laste gelegde (poging levensdelict agent) 1

Op 4 januari 2013 heeft een overval plaatsgevonden in de woning van de familie [betrokkene 1] -

[betrokkene 2] gelegen aan de [adres 2] te [plaats 1] . Naar aanleiding daarvan is het TGO (Team

Grootschalige Opsporing) ‘ [naam onderzoek A] ’ opgestart.

[betrokkene 2] 2 heeft verklaard dat zij op 4 januari 2013, omstreeks 19.00 uur, de deurbel hoorde

gaan. Ondanks dat [betrokkene 2] een onbekende jongen voor de deur zag staan en een ogenblik

twijfelde, opende zij de deur. Zij werd toen direct door de jongen geprikt met een

stroomstootwapen. De jongen trad versneld haar woning binnen en hij hield daarbij zijn

(rechter) arm gestrekt naar voren. Hij had een bivakmuts op die hij naar beneden trok en

was gekleed in een witte dikke gewatteerde jas. Hij duwde [betrokkene 2] , waardoor zij ten val

kwam in de nabijheid van de toiletdeur. [betrokkene 2] zag vervolgens dat er een andere langere

jongen, die een pistool in zijn (rechter) hand vasthield, arriveerde. Hij was een stuk langer

dan de eerste jongen, vermoedelijk een kop groter. Hij was helemaal in het zwart. Ze had

het idee dat hij een soort panty over zijn ogen had en hij droeg een muts. Deze tweede

jongen ging volgens [betrokkene 2] onmiddellijk naar de bovenverdieping. Toen [betrokkene 2] zich even

later met de kleinere jongen in de woonkamer begaf, werd zij door hem gedwongen om op

haar knieën te gaan zitten en haar handen op haar rug te houden. Vervolgens werden haar

handen aan elkaar gebonden met behulp van tiewraps. Op enig moment vroeg de kleinere

jongen waar de partner van [betrokkene 2] zich bevond. Hij zei volgens [betrokkene 2] : “Boven, meekomen,

waar is je man” en “roep je man, roep je man”. [betrokkene 2] moest haar man meermaals roepen,

op een steeds luidere toon. Tussentijds prikte de kleinere jongen haar meermalen met het

stroomstootwapen. Die jongen duwde [betrokkene 2] daarna de trap op. Op de overloop van de

eerste verdieping werd [betrokkene 2] opnieuw gesommeerd om op haar knieën te gaan zitten. Zij

zag vervolgens de langere jongen uit haar slaapkamer komen lopen en voelde dat hij zijn

vuurwapen tegen haar hoofd, haar slaap, aanduwde. De kleinere jongen vroeg daarna drie

keer: “Waar is het geld, waar is het geld?” [betrokkene 2] hoorde een ogenblik later de langere

jongen zeggen: “Die man is weg.” De kleinere jongen hoorde zij toen de trap afrennen.

[betrokkene 2] stond op en rende naar buiten. Zij zag buiten haar partner [betrokkene 1] op de grond

liggen, die aangaf dat hij pijn aan zijn rug had.

[betrokkene 1] 3 heeft verklaard dat hij op 4 januari 2013 rond 19.00 uur in zijn woning

naar boven was gegaan om een bad te nemen. Toen hij enkele minuten in bad lag, hoorde hij

de bel gaan. Kort daarna hoorde hij zijn vrouw gillen. [betrokkene 1] sprong uit het bad en ging

bovenaan de trap staan om te kijken wat er aan de hand was. Hij zag toen dat beneden twee

mannen met bivakmutsen stonden en dat zijn vrouw tegen de toiletdeur aan hing. Als reactie

daarop schreeuwde [betrokkene 1] naar de mannen. De langste man richtte toen een wapen op

[betrokkene 1] . Deze man zette daarbij zijn voet op een traptrede, mogelijk met de intentie om

naar boven te gaan. [betrokkene 1] rende vervolgens naar zijn slaapkamer. Hij wilde zijn

slaapkamerdeur op slot doen, maar de sleutel zat niet in het slot. [betrokkene 1] besloot toen om

via het dakterras, grenzend aan zijn slaapkamer, naar buiten te gaan en hulp te zoeken. Hij

klom het dak op en kroop naar de zijkant om zich gemakkelijk naar beneden te kunnen laten

zakken. Echter, [betrokkene 1] begon op het dak te glijden, viel naar beneden en brak zijn rug. Direct na zijn val kon hij niet meer lopen en toen hij in het ziekenhuis was, mocht hij zich een aantal dagen absoluut niet bewegen omdat het risico bestond dat hij alsnog een dwarslaesie zou oplopen. [betrokkene 1] is geopereerd en zijn rug is vastgezet.

[betrokkene 1] 4 heeft later, op 14 januari 2013, aan de politie doorgegeven dat een horloge bij de

overval was weggenomen.

Uit de aanwezige geneeskundige verklaring volgt dat [betrokkene 1] een breuk van de

buikwervel had opgelopen en dat hij daaraan was geopereerd op 9 januari 2013. De

geschatte duur van zijn genezing is drie tot zes maanden.5 Het hof merkt hierbij op dat een buikwervel een van de wervels is van de wervelkolom oftewel de ruggengraat.

Uit de verklaring van de getuige [betrokkene 3]6, een buurtbewoner, komt het volgende naar

voren. Op de bewuste avond, vanaf 18.35 uur, was hij buitenshuis bezig om een tweetal

fietsen van zijn fietsendrager af te halen. Al snel zag hij twee mannen vanuit de

[adres 3] in de richting van de [adres 4] lopen. Eén van de mannen was volgens

[betrokkene 3] gekleed in een witte jas. Even later hoorde [betrokkene 3] hysterisch gegil van een vrouw,

welk gegil bleef aanhouden. Hij liep in de richting van de woning waar dit geluid vandaan

leek te komen. Vervolgens liep hij een stukje terug naar de [adres 5] . Hij zag toen een

voor hem bekende buurtbewoner (zijn overbuurman) naakt uit een beukenhaag komen, die

riep: “Doe iets, overval, mijn vrouw is binnen.” De man zakte daarna in elkaar en riep dat

hij pijn had aan zijn rug. [betrokkene 3] liep terug naar de woning van deze buurman, richting de

voordeur. Hij zag dat de voordeur werd geopend door een man die een vuurwapen in zijn

(rechter)hand had. De man strekte zijn arm, richtte het wapen op [betrokkene 3] en zei tot drie maal

toe dat [betrokkene 3] moest gaan liggen. Vervolgens zag [betrokkene 3] een tweede man de woning uit

komen lopen. Op het moment dat [betrokkene 3] bezig was om een liggende houding aan te nemen,

hoorde hij een knetterend geluid en nam hij een prikkend gevoel op zijn hoofd waar. In zijn

ooghoek zag hij dat de tweede man een voorwerp in zijn hand had, in handformaat, voorzien

van een blauw lichtje. Dit leek op een taser. [betrokkene 3] krabbelde op en zag de twee mannen

wegrennen. [betrokkene 3] achtervolgde de mannen enige tijd. Volgens [betrokkene 3] liepen de mannen

richting het [adres 6] . Ter hoogte van de [adres 2] staakte [betrokkene 3] de achtervolging. Hij

zag toen vanuit de parkeerplaats van de [adres 7] een personenauto met hoge snelheid

wegrijden. Dit betrof een zilverkleurige Seat Ibiza, een ouder model.

[betrokkene 3] heeft als signalementen van de overvallers het volgende opgegeven. De man met het

vuurwapen was 1.80 à 1.85 meter lang, had een breed postuur en was ongeveer 20-25 jaar

oud. Deze man droeg een donkerkleurige glimmende driekwart jas, een donkerkleurige

trainingsbroek en een zwarte muts.

De man met de taser was een kop kleiner dan de andere overvaller, had een tenger gezicht

en postuur en was ongeveer 20-25 jaar oud. Deze man droeg volgens [betrokkene 3] een witte

donzen winterjas, een donkerkleurige trainingsbroek en een donkerkleurige muts.

Getuige [getuige 3]7 liet op 4 januari 2013 omstreeks 18.55 uur zijn hond uit. Toen hij

omstreeks 19.10 uur via de [adres 4] de [adres 2] in wilde lopen, trokken twee

mannen zijn aandacht. De eerste man begaf zich in de richting van het adres [adres 2] ,

alwaar de overburen van [getuige 3] woonachtig zijn. De tweede man liep terug de

[adres 4] in. Een ogenblik later hoorde [getuige 3] een luid gegil vanuit de woning van

zijn overburen komen. Dit was een vrouwenstem. Tijdens dit gegil zag [getuige 3] de tweede

man in de richting van de voornoemde woning rennen.

[getuige 3] heeft de twee mannen als volgt omschreven: de eerste man was niet blank, maar

ook niet donker getint. Hij was ongeveer 1.70 meter lang en tussen de 20 en 30 jaar oud. Hij droeg een witte halflange jas, een donkerkleurige broek en een donkerkleurige muts. De tweede man was ongeveer 1.80 meter lang en tussen de 20 en 30 jaar oud. Hij droeg

donkerkleurige kleding, waaronder ook een donkere muts.

Getuige [getuige 4]8, heeft verklaard dat zij op verzoek van haar echtgenoot, [getuige 3] ,

het alarmnummer 112 belde. Terwijl zij het telefoongesprek voerde, liep zij naar buiten. Zij

zag toen [betrokkene 1] (naakt) op straat liggen. Vervolgens zag zij dat twee jongens de woning

van [betrokkene 1] uit renden in de richting van het [adres 6] . De jongens passeerden haar

daarbij.

Volgens [getuige 4] was de eerste persoon ongeveer 1.70 meter lang en droeg hij een zwarte

muts, een donkere broek en een witte gewatteerde winterjas tot over de billen. De tweede

jongen werd door [getuige 4] iets groter ingeschat dan de eerste jongen. Hij was geheel in het

donker gekleed en droeg een zwarte muts.

Verbalisant [betrokkene 7]910 hoorde omstreeks 19.05 uur de melding dat er een overval

was gepleegd op de [adres 2] te [plaats 1] . Hij begaf zich daarop met zijn politiemotor,

gekleed in zijn politiemotorjas, richting de plaats delict. Via de [adres 8] en de

[adres 9] was hij linksaf het [adres 6] , een fietspad, opgereden. Aan zijn rechterzijde

was water en aan de linkerzijde schuttingen met daarvoor bosjes. Hij zag ongeveer

25 meter voor de kruising met de [adres 10] aan de linkerzijde iets wits voorbij schieten.

Hij zag dat dit een persoon was. Hij plaatste zijn motor schuin op het fietspad en richtte de

koplamp van zijn voertuig op de bosschages. Hij zag dat een jongen die vanaf de linkerzijde van zijn motor uit deze bosschages kwam op hem afliep. Deze jongen sloeg [betrokkene 7] tegen zijn helm. Daarop stapte [betrokkene 7] aan de rechterzijde van zijn motor af en begon hij achteruit te lopen. Hij waarschuwde dat hij zijn dienstwapen zou gaan gebruiken. Vervolgens werd [betrokkene 7] door de jongen geschopt. [betrokkene 7] struikelde. Hij zat met zijn gezicht in de richting van de [adres 9] . Hij zag de jongen wegrennen bij hem vandaan, in de richting van de [adres 9] . Op het moment dat [betrokkene 7] opstond, kwam een tweede man tevoorschijn. Dit was op ongeveer twee meter afstand van waar de andere persoon uit de bosjesn was gekomen, twee meter in de richting van de [adres 10] . [betrokkene 7] werd direct aangevallen door deze tweede persoon. [betrokkene 7] voelde daarbij iets in zijn borst. Hij bemerkte dat hij anders begon te ademen en dat hij bloedde. [betrokkene 7] bleek door deze jongen in zijn borst te zijn gestoken. Deze tweede jongen rende weg in dezelfde richting als waar de eerste jongen naar toe ging. Toen [betrokkene 7] naar zijn motor terugkeek zag hij een soort zaklamp liggen. [betrokkene 7] geeft aan dat op dezelfde plaats waar die zaklamp lag, hij ook was neergestoken. De lamp lag er volgens hem niet toe hij was komen aanrijden.

[betrokkene 7] spreekt van een opvallend lengteverschil tussen de twee jongens. De ene jongen was volgens hem 1.70 tot 1.75 meter lang en de andere jongen schatte hij 1.85 tot 1.90 meter lang.

[betrokkene 7] is later nog bij de rechter-commissaris11 gehoord, waar hij eveneens verklaart dat hij door twee personen is aangevallen.

In de geneeskundige verklaring betreffende [betrokkene 7] is opgenomen dat hij op 4 januari

2013 door een arts is onderzocht en dat hij een steekwond aan de thorax heeft opgelopen ter

hoogte van de zesde à zevende rib.12

Door getuige [getuige 5] werd eerst een motoragent gezien, die het [adres 6] opreed.

Daarna zag hij op twee verschillende momenten twee jongens rennen, althans met versnelde

pas de tweede afslag, de [adres 11] in lopen. [getuige 5] spreekt over een langere jongeman

die voorop liep en die zwarte kleding droeg, en daarachter een kleinere jongeman die een

witte jas en een donkerkleurige broek aan had. De kleine jongen had een smal gezicht.

[getuige 5] heeft aangegeven dat hij in dezelfde richting liep als waar de agent naar toe reed,

tussen het bruggetje en de afslag [adres 11] . De jongens kwamen uit de richting waarin hij

de motoragent had zien rijden.13

Getuige [getuige 6] liep vanuit de [adres 8] de [adres 11] in. 25 tot 30

meter voor de kruising met het [adres 6] zag hij een kleinere persoon de [adres 11] in

rennen en daarna meteen een politiebus die over het [adres 6] richting de [adres 10]

reed.14

Verdachte [medeverdachte 1]15 heeft verklaringen afgelegd. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 2] hem op 2 januari 2013 had verteld dat er veel te halen viel in de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] . [medeverdachte 1] had daarop op 3 januari 2013 een medeverdachte (de mede-overvaller) gebeld met de vraag of hij wilde meedoen met het plegen van een overval op die woning. Op diezelfde datum werden door [medeverdachte 1] ook nadere afspraken met de medeverdachte gemaakt, was hij met iemand langs de woning gereden en werd ook de vluchtroute bekeken. Voorafgaande aan de overval waren ook al afspraken gemaakt over de weg te nemen buit. Op 4 januari 2013 was [medeverdachte 1] met de trein vanuit [plaats 2] naar [plaats 1] gereisd. Hij werd

bij het Centraal Station opgehaald met de auto.16 [medeverdachte 1]17 heeft aangegeven dat verdachte

[medeverdachte 3] degene was die hem in een blauwe auto bij het station had opgehaald. [medeverdachte 1] had

vanuit [plaats 2] een tasje meegenomen waarin handschoenen, tiewraps, een muts en een

vuurwapen zaten. Hij zegt dat dit het tasje was dat later door de politie in de Seat werd

aangetroffen. Nadat eerst met de auto snel een jas werd opgehaald dan wel gekocht, reden

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] naar de woning van [medeverdachte 3] . Daar stuurde [medeverdachte 3] [medeverdachte 2] een ping-bericht,

die op zijn beurt liet weten dat hij nog even bezig was bij de kapper. Op enig ogenblik

pingde [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 3] dat de medeverdachte opgehaald kon worden. Vervolgens werd deze jongen door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] opgehaald. Bij de woning van [medeverdachte 3] werd de blauwe

auto omgewisseld voor de grijze Seat. [medeverdachte 1] legde zijn tas met spullen in deze Seat. Met

zijn drieën reden zij naar de kapper. Daar ontmoette [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] was boos, omdat

het de bedoeling was om tijdens etenstijd de overval te plegen en het was uitgelopen bij de

kapper door toedoen van [medeverdachte 2] . Volgens [medeverdachte 1] was de medeverdachte tijdens het kappersbezoek in de grijze Seat blijven zitten. Na de ontmoeting bij de kapper, reden

[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en de medeverdachte met de Seat naar de woning van [medeverdachte 2] om de

taser op te halen. Nadat de taser was opgeladen werden [medeverdachte 1] en de medeverdachte naar de

plaats gereden waar de auto zou staan na de overval. De auto werd toen geparkeerd in een

zijstraat van de [adres 8] en [medeverdachte 1] en de medeverdachte stapten uit om de

woning aan de [adres 2] te overvallen. [medeverdachte 2] zou volgens [medeverdachte 1]18 in de vluchtauto

zijn blijven zitten.

Op enig moment, op weg naar de [adres 2] , werd volgens [medeverdachte 1]19 de geplande overval

nog doorgesproken. [medeverdachte 1] vroeg onder meer hoeveel mensen er in het huis zouden zijn

tijdens de overval. Ook werd afgesproken dat de medeverdachte, die een taser bij zich zou

dragen, zou aanbellen en dat [medeverdachte 1] met een revolver achter hem aan zou gaan. De taser

omschrijft [medeverdachte 1] als een zwarte zaklamp met het woord ‘Police’ erop. [medeverdachte 1]20 heeft ook

verklaard dat tevoren was afgesproken dat de medeverdachte de bewoners zou taseren en

[medeverdachte 1] de bewoners onder schot zou houden. De medeverdachte zou de mensen vastbinden

met de tiewraps.

[medeverdachte 1] 21 heeft over het verloop van de overval aangegeven dat hij, zoals was besproken, als

tweede de woning in rende. Hij verklaart dat de vrouw door de medeverdachte werd

vastgebonden, met haar handen op haar rug, met behulp van de tiewraps. Kort daarna zag hij

een ongeklede man boven staan. [medeverdachte 1] rende daarop naar boven. [medeverdachte 1] zocht naar de

man, maar kon hem niet vinden. [medeverdachte 1] dacht dat de man zich verstopt zou hebben en de

politie zou alarmeren. Even later zag [medeverdachte 1] een raam open staan, waarlangs hij naar buiten

keek. Hij zag toen de naakte man midden op straat liggen met omstanders er om heen.

[medeverdachte 1] en de medeverdachte besloten daarop de woning spoedig te verlaten. Toen [medeverdachte 1]

naar buiten liep, kwam er een man aanlopen die hij al eerder was tegengekomen. De

medeverdachte taserde deze man. Omdat de man achter [medeverdachte 1] en de medeverdachte aan

wilde rennen, richtte [medeverdachte 1] het pistool op hem en zei dat hij niet de held moest spelen.

[medeverdachte 1] 22 en de medeverdachte renden naar de vluchtauto, de Seat, doch niet rechtstreeks.

[medeverdachte 1] had immers al politiesirenes gehoord. Afgesproken was dat de overvallers langs de

auto zouden rennen, dat de auto achter hen aan zou komen en dat zij dan zouden instappen.

De auto stopte volgens [medeverdachte 1] echter niet. Integendeel, de auto reed hen met 100 km/h

voorbij. De overvallers staken toen de straat over en liepen tussen de huizen door.

Uiteindelijk waren zij bij bosschages terechtgekomen, waar ook een fietspad was gelegen.

[medeverdachte 1] zag op enig moment een motoragent aan komen rijden en sprong in de bosjes. Hij

zag dat de agent zijn motor tot stilstand bracht en de koplamp richtte op de medeverdachte.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op dat ogenblik naar de agent toeliep en hem met zijn

revolver een klap tegen zijn helm gaf. Tevens had [medeverdachte 1] de agent een low kick gegeven ten

gevolge waarvan de agent ten val kwam. [medeverdachte 1]23 zag dat de andere dader de agent toen

aanviel. [medeverdachte 1] en de medeverdachte vluchtten weg. Toen zij tussen bomen zaten te

wachten, vertelde de medeverdachte aan [medeverdachte 1] dat hij de motoragent een stoot had

gegeven.

Uit het zesde verhoor van [medeverdachte 1]24 is af te leiden dat de man die [medeverdachte 1] telkens

‘medeverdachte’ heeft genoemd, verdachte [verdachte] is.

[medeverdachte 1] 25 heeft voorts verklaard dat [medeverdachte 2] de chauffeur was van de Seat Ibiza waarmee [medeverdachte 1] en [verdachte] naar de woning zijn gebracht die is gelegen aan de [adres 2] te [plaats 1] .

Verder heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij wist dat [verdachte] een mes en een taser bij zich droeg26 en heeft hij verklaard dat hij tegen [verdachte] heeft gezegd dat hij zou schieten als de agent de achtervolging zou inzetten.27

Ter zitting van de rechtbank heeft [medeverdachte 1]28 verklaard dat hij ten tijde van de overval een bivakmuts en een donkere jas had gedragen. Dat heeft hij in hoger beroep herhaald.29

Voorts heeft [medeverdachte 1] in het kader van de procedure in hoger beroep nog het volgende verklaard:

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 11 juli 2017, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1] :

Vervolgens is [medeverdachte 2] naar de [adres 2] gereden, hij zat achter het stuur.

- Getuigenverklaring van [medeverdachte 1] , afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 8 december 2017, voor zover inhoudende:

Bij de overval bij de woning gelegen aan [adres 2] te [plaats 1] was medeverdachte [medeverdachte 2] chauffeur van de auto en ging medeverdachte [verdachte] met mij mee de woning binnen. [medeverdachte 2] had de gouden tip, daar gingen wij op af.

De voorzitter zegt mij dat ik niet in [plaats 1] woonde en vraagt mij hoe het ging vanaf mijn huis? Ik ben naar [plaats 1] gereisd met het openbaar vervoer. Nadat [medeverdachte 2] uit het huis waar hij woonde een taser had opgehaald, is [medeverdachte 3] afgezet en gingen wij naar de woning die overvallen is. Ik weet niet waar we [medeverdachte 3] hebben afgezet, maar dat was niet bij het woonwagenkamp. Daarna reden wij door naar de omgeving [adres 12] . Daar is de auto gestopt. Wij spraken af dat wij daar na de overval terug zouden komen. Wij gingen te voet verder. De woning was de dag vóór de overval aangewezen door [medeverdachte 2] zelf.

Op een vraag van mr. Poppelaars zeg ik dat [medeverdachte 3] op 4 januari 2013 niet de bestuurder was van de auto. Ook een dag eerder, tijdens de voorverkenning, was [medeverdachte 3] niet de bestuurder van de auto.

Verdachte [medeverdachte 2]30 heeft verklaard dat hij twee keer in de woning van de ouders van zijn

vriendin, genaamd [dochter betrokkene 1] , aan de [adres 2] , was geweest.

Op 4 januari 2013 omstreeks 18.00 uur was [medeverdachte 2] naar kapper [naam kapsalon] op de [adres 13]

gelopen en was hij daar een halfuur tot drie kwartier binnen geweest.

[medeverdachte 2] 31 ging daarna naar de woning van zijn moeder. Voorts heeft [medeverdachte 2] aangegeven dat hij een stroomstootwapen annex zaklamp in zijn bezit had gehad met de woorden ‘politie’ daarop gedrukt, maar ook dat hij deze inmiddels niet meer heeft.

In het dossier bevindt zich een uitwerking van een telefoontap van 2 januari 2013 te

22.29.00

uur, aangaande een telefoongesprek tussen verdachte [medeverdachte 1] en verdachte

[medeverdachte 2] .32

[medeverdachte 2] zegt: “Lees je ping. Ik heb een job voor je. Kijk, er staat in, gewoon dat ik werk voor

je heb en dat je morgen even naar mij moet komen. Deze is gewoon leeg melken vriend. En

ik ga je precies zeggen hoe.”

[medeverdachte 1] zegt: “Oke, dan kom ik morgen jouw kant op.”

Daarop zegt [medeverdachte 2] : “Dat zou ik maar heel snel doen, want deze ken ieder moment gedaan worden als het aan mij ligt.”

Tevens is een tapgesprek beschikbaar, waaruit blijkt dat verdachte [medeverdachte 2] op 4 januari

2013 te 18.07.02 uur – kort voor het tijdstip van de overval – heeft gebeld met zijn moeder.33

[medeverdachte 2] vraagt: “Waar is die zaklamp.”

Zijn moeder antwoordt: “Dat weet ik nie jongen.”

[medeverdachte 2] zegt: “Die heb jij toch, die zwarte.” “Hij ligt niet waar die moet liggen dus daarom

vraag ik waar het is.”

Zijn moeder zegt: “In die tas bij die verwarming.”

De moeder van verdachte [medeverdachte 2] , [getuige 7] , heeft verklaard dat [medeverdachte 2] ongeveer 10 à

15 minuten na het voornoemde telefoongesprek thuis was gekomen om de zaklamp mee te

nemen. [getuige 7] was naar boven gelopen om deze zaklamp voor hem te pakken. Dit betrof

volgens [getuige 7] een zwarte smalle zaklamp.34

Ook is nader onderzoek gedaan naar de Telecomgegevens van de bij de verdachten

[medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] in gebruik zijnde mobiele telefoons.35 Daaruit volgt dat de twee

mobiele telefoons van verdachte [medeverdachte 1] een dag vóór de overval, op 3 januari 2013, vanaf

13.21.04

uur werden geregistreerd op de zendmasten in de onmiddellijke nabijheid van de

toenmalige verblijfplaats van [medeverdachte 1] (de [adres 14] ) te [plaats 2] en de woning van zijn

(ex-)vriendin in diezelfde stad. Vanaf 17.54.10 uur verplaatsten de telefoons zich vanuit

[plaats 2] via de [brug X] en [plaats 3] naar [plaats 1] . Om 19.35.07 uur straalde één

van de telefoons aan op de zendmast op de [adres 15] te [plaats 1] . Daarna verplaatsten beide

telefoons zich vanuit [plaats 1] terug naar [plaats 2] . Omstreeks 20.32.27 uur maakte één van

de telefoons wederom gebruik van de zendmast aan de [adres 14] te [plaats 2] .

Uit het onderzoek naar één van de mobiele telefoons van verdachte [medeverdachte 2] blijkt dat er op

3 januari 2013 vanaf 17.04.54 uur registraties werden gevonden op zendmasten

gestationeerd in de directe nabijheid van de woning van [medeverdachte 2] te [plaats 1] (waaronder de

[adres 15] ). Om 19.38.54 uur werd dezelfde telefoon geregistreerd op een zendmast aan de

[adres 16] te [plaats 1] , welke mast zich kort langs de A16 bevindt. Om 20.19.02 uur vond

registratie plaats op een zendmast aan de [adres 14] te [plaats 2] .

Voorts blijkt uit het onderzoek naar de telefoons in gebruik bij [medeverdachte 1] en [verdachte] dat zij

op 3 januari 2013 over en weer veelvuldig met elkaar hadden ge-sms-t.36

Op 4 januari 2013 straalde de mobiele telefoon van verdachte [verdachte] tot 12.56.20 uur de

zendmast aan in de nabijheid van zijn laatst bekende verblijfplaats te [plaats 4] . Om

14.36.00

uur werd zijn mobiele telefoon geregistreerd op een zendmast aan de [adres 14]

te [plaats 2] , aldus vlakbij de verblijfplaats van verdachte [medeverdachte 1] . Om 16.37.52 uur bleek

dat deze mobiele telefoon was geregistreerd op de zendmast aan de [adres 17] te

[plaats 2] , welke zendmast staat in de onmiddellijke nabijheid van het treinstation. Om

16.50.43

uur straalde de mobiele telefoon van [verdachte] vervolgens de zendmast aan op de

[adres 18] te [plaats 5] . Volgens rapporteur [verbalisant 1] kan uit deze gegevens worden

afgeleid, dat de mobiele telefoon werd verplaatst vanuit [plaats 4] , via [plaats 2] en de

[brug X] in de richting van [plaats 1] . Daarna leek de telefoon te zijn uitgeschakeld, omdat

er niet langer zendmastgegevens werden geregistreerd.

De mobiele telefoons van verdachte [medeverdachte 1] hadden zich op 4 januari 2013 tot 16.37.23 uur

niet verplaatst. Zij straalden aan op zendmasten in de directe nabijheid van de verblijfplaats

van [medeverdachte 1] te [plaats 2] . Om 16.37.23 uur werd één van de telefoons van [medeverdachte 1] geregistreerd op een zendmast aan de [adres 17] te [plaats 2] , aldus – evenals de

telefoon in gebruik bij [verdachte] rondom ditzelfde tijdstip – bij het treinstation. Verder

werden op 4 januari geen zendmastgegevens meer vastgelegd van deze telefoon.

De andere telefoon van [medeverdachte 1] straalde om 17.27.38 uur aan op de

[adres 19] / [adres 20] te [plaats 1] en om 17.29.05 uur op de [adres 21] te [plaats 1] .

Aan de buitenzijde van de woning [adres 2] te [plaats 1] zijn diverse camera’s bevestigd,

waarmee beeldopnames van de overvallers zijn gemaakt op 4 januari 2013 omstreeks 19.00

uur. Verbalisant [verbalisant 2] heeft deze beelden bekeken. Op de beelden van de camera die rechtsboven de voordeur hangt, heeft hij het navolgende gezien37:

Om 19.01.29 uur liep een persoon, dragende een muts, in de richting van de voordeur. [verbalisant 2]

vermeldt dat, gezien de plaats van de camera, het niet anders kan zijn dan dat deze

persoon via de voordeur de woning in ging.

Om 19.01.48 uur kwam uit dezelfde richting als de eerste persoon een tweede persoon

aangerend. Dit betreft een man die was gekleed in een jack met een bontkraag en een broek

met een ‘Nike’-teken. Hij had tevens een bivakmuts op zijn hoofd, waarbij het linker ooggat

werd gebruikt om de mond en de neus door te halen zodat de ogen bedekt waren. Deze man

droeg handschoenen en hield in zijn (rechter) hand een voorwerp gelijkend op een pistool

vast.

Om 19.04.43 uur kwam de man met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand

uit de woning gelopen in de richting van [betrokkene 3] . Te zien is dat deze man met zijn (rechter)

hand ‘wijst’ in de richting van [betrokkene 3] .

Om 19.04.45 uur kwam de eerste man ook de woning uit lopen en hij ging achter de man met het wapen aan.

Omdat verdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij op 4 januari 2013 de kapsalon [naam kapsalon] aan de

[adres 13] te [plaats 1] had bezocht, zijn de camerabeelden van deze kapsalon uitgekeken. Op de

beelden van de camera die in een hoek van de kapperszaak is opgesteld en waarop ook de

toegangsdeur is te zien, is door verbalisant [verbalisant 3] het volgende gezien.38

Om 17.57.58 uur kwam een man de zaak in gelopen, die kort met de kapper sprak en daarna

weer de zaak uitliep.

Om 18.14.46 uur kwam dezelfde man weer de zaak binnen. Hij verdween op de plaats waar

de kapper aan het werk was. [verbalisant 3] herkent deze man als verdachte [medeverdachte 2] .

Om 18.19.36 uur liepen twee mannen de zaak binnen. De voorste man droeg een glimmende

donkere jas voorzien van een capuchon met een bontkraag en een trainingsbroek met op de

broekspijpen emblemen. Het embleem op de linker broekspijp had volgens [verbalisant 3] sterke gelijkenis met het ‘Nike’-logo. Volgens de verbalisant komt de voorste man qua postuur en kleding overeen met de tweede (langere) dader van de overval op de [adres 2] te [plaats 1] . De achterste man wordt door [verbalisant 3] herkend als [medeverdachte 3] . De mannen begaven zich naar de plaats waar [medeverdachte 2] zich ophield. De drie mannen praatten met elkaar.

Uiteindelijk liepen de drie mannen gezamenlijk naar de uitgang. [medeverdachte 2] liep nog even terug

naar de kapper om iets tegen hem te zeggen. Vervolgens liep [medeverdachte 2] naar buiten om

18.25.25

uur.

Eveneens zijn camerabeelden uitgekeken – door verbalisant [verbalisant 4] – van een camera

die is opgesteld op het woonwagenkamp gelegen aan de [adres 22] te [plaats 1] , alwaar

verdachte [medeverdachte 3] woonachtig is.39

Op de beelden is te zien dat op 3 januari 2013 om 18.59 uur een lichtkleurige Seat kwam

aanrijden, die stopte op de rijbaan voor de woning van verdachte [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] stapte enige

seconden later als passagier in deze Seat, welke auto vervolgens wegreed. Om 21.21 uur

kwam een lichtkleurige Seat aanrijden, die stopte op de rijbaan voor de woning van [medeverdachte 3] .

Als bestuurder stapte [medeverdachte 3] uit, die zich naar zijn woning begaf. Als bijrijder stapte

verdachte [medeverdachte 2] uit de auto. [medeverdachte 2] ging achter het stuur van de Seat zitten en verliet het

kamp.

Op de beelden van 4 januari 2013 is volgens [verbalisant 4] te zien dat verdachte [medeverdachte 3] om 18.00 uur zijn woning verliet en in de Seat als bestuurder plaatsnam. Voorts ziet de politieagent nog iemand in de auto zitten. De auto reed daarop weg. Om 19.40 uur kwam

de lichtkleurige Seat wederom aangereden en die stopte voor de woning van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3]

stapte uit als bestuurder en verdachte [medeverdachte 2] als bijrijder. [medeverdachte 2] ging op de bestuurdersplaats zitten en reed weg met de Seat.

In het relaas proces-verbaal is opgenomen dat door de politie tevens onderzoek is gedaan

naar het contact tussen de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] .40 Uit de politiesystemen volgt dat

deze verdachten meerdere malen samen door de politie zijn aangehouden.

Voorts is uit het Herkenningsdienstsysteem van de politie gebleken dat [medeverdachte 1] een blank

uiterlijk heeft en dat hij in 2006 1.85 meter lang zou zijn. Dit met de kanttekening dat

verdachte op 28 juni 2013 heeft aangegeven dat hij 1.90 meter lang is. Uit hetzelfde systeem

blijkt dat verdachte [verdachte] een Zuid-Amerikaans/Zuid-Europees uiterlijk heeft en een

lengte heeft van 1.65 meter.

Door de Unit FTO zijn ook een viertal schoensporen onderzocht, welke op de trap in de

woning aan de [adres 2] zijn aangetroffen. De conclusie van dit onderzoek luidt dat

deze schoensporen mogelijk zijn veroorzaakt door een paar schoenen van het merk Vans

afkomstig van verdachte [medeverdachte 1] .41

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] is opgenomen dat het deze verbalisant ambtshalve bekend is dat verdachte [medeverdachte 2] veelvuldig gebruik maakt van een lichtgekleurde Seat Ibiza, voorzien van het kenteken [kenteken A] .42

Op 4 januari 2013 omstreeks 19.45 uur werd deze Seat – kort na de overval op de

[adres 2] te [plaats 1] – door verbalisant [verbalisant 6] gesignaleerd op de [adres 23] te [plaats 1] .43

De bestuurder bleek te zijn [dochter betrokkene 1] (zijnde de dochter van aangever [betrokkene 1] ) en

de bijrijder was verdachte [medeverdachte 2] . Omdat getuige [betrokkene 3] bij de overval ook een Seat Ibiza

had zien wegrijden, waren beiden ter plaatse aangehouden.

De Seat Ibiza werd op 5 januari 2013 door de verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8]

doorzocht, waarbij op de achterbank een plastic tas werd aangetroffen met als inhoud een

tweetal mutsen, een paar bruine handschoenen en twee in elkaar geluste zwarte tiewraps.44

Deze goederen werden veiliggesteld ten behoeve van een uit te voeren DNA-onderzoek

door het NFI.45

In het desbetreffende NFI-rapport komt naar voren dat op de handvaten van de plastic tas

en de binnenzijde van beide handschoenen DNA-sporen van zowel verdachte [medeverdachte 1] als

verdachte [verdachte] zijn gevonden. Op de binnenzijde van de rand van de ene muts (kleur

blauw) is DNA gevonden van verdachte [medeverdachte 1] . Op de binnenzijde van de rand van de

andere muts (kleur zwart) is DNA aangetroffen van de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] .46

De Unit FTO heeft de twee in elkaar geluste tiewraps, die zich in de voornoemde plastic tas

bevonden, vergeleken met twee tiewraps waarmee aangeefster [betrokkene 2] was gekneveld.47 De tiewraps uit de plastic tas blijken dezelfde afmetingen (voor zover dat kon worden bepaald) en kleur te hebben als de tiewraps waarmee [betrokkene 2] was vastgebonden. Op de vier onderzochte tiewraps is bovendien hetzelfde logo afgebeeld. De uit de plastic tas afkomstige tiewraps zijn voorzien van de nummers ‘05A’ en ‘07A’. De tiewraps die voor [betrokkene 2] waren gebruikt, zijn voorzien van de nummers ‘02A’ en ‘04A’.

Uit het sporenonderzoek van de Unit FTO48 blijkt voorts dat op het [adres 6] op een afstand van enkele meters rechts van de politiemotor van agent [betrokkene 7] – richting de [adres 10] – een gecombineerd(e) zaklamp/stroomstootwapen is aangetroffen. Door politiepersoneel was over dit voorwerp een pylon met plastic zak geplaatst. Daarnaast is bij dit onderzoek door een speurhondengeleider in de bosschages bij het fietspad, tegenover de politiemotor, een bivakmuts gevonden. Op één van de bijgevoegde foto’s – te weten foto 9 – is te zien dat de pylon (waaronder het stroomstootwapen lag) aan de rechterzijde stond van de politiemotor.49 Als omschrijving is bij deze foto gegeven: “politiemotor gezien in de richting van de [adres 10] .”50 Op foto 12 is de locatie afgebeeld waar de bivakmuts werd aangetroffen, namelijk tegenover/schuin links van de politiemotor.51 Verbalisant [verbalisant 9] heeft aangegeven dat de zaklamp c.q. taser op enkele meters van de dienstmotor, aan de kant van de [adres 10] was gelegen.52

Door het NFI53 is een DNA-onderzoek verricht van het aangetroffen stroomstootwapen. Zij

concludeert dat het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering van de voorzijde

van het stroomstootwapen matcht met het DNA-profiel van getuige [betrokkene 3] . Op een door het NFI gemaakte foto54 van het stroomstootwapen is te zien dat dit wapen zwartkleurig is en dat daarop het woord ‘police’ is vermeld.

Voorts is het speeksel aan de binnenzijde rondom het mondgat van de ter plaatse aangetroffen bivakmuts onderzocht door het NFI. Daaruit blijkt dat het speeksel celmateriaal bevat dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 1] , waarbij de hypothese dat [medeverdachte 1] en zijn halfbroer [broer medeverdachte 1] hebben bijgedragen aan het spoor zeer veel waarschijnlijker is dan wanneer alleen [broer medeverdachte 1] en drie andere willekeurige personen aan het spoor hebben bijgedragen.55

Tevens is door het NFI de bivakmuts afkomstig uit de bosschages later nog een tweede

keer onderzocht op de aanwezigheid van haren. Overwegend zijn daarop DNA-sporen van

verdachte [medeverdachte 1] aangetroffen. Daarnaast bevinden zich DNA-sporen van verdachte

[verdachte] op deze bivakmuts.56

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 10] is vermeld dat met hulp van

[betrokkene 7] een compositietekening is gemaakt van de eerste man die hem aanviel, nadat hij met

de koplamp van zijn motor op de bosschages had geschenen.57 Deze compositietekening is

in het dossier gevoegd.58

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde (overval [adres 1] [plaats 1] ) 59

Na de overval op 12 november 2012 op de woning van de familie [betrokkene 5] - [betrokkene 4] gelegen

aan de [adres 1] te [plaats 1] is door de politie het TGO genaamd ‘ [naam onderzoek B] ’ opgestart.

[betrokkene 4] verklaart in haar aangifte60 en haar aanvullende verklaring61 dat zij op

maandag 12 november 2012 omstreeks 17.15 uur vanuit de [adres 24] met haar auto aan

kwam rijden bij haar woning. Zij had de toegangspoort open gelaten omdat haar man

( [betrokkene 5] ) en zoon [betrokkene 6] er aan zouden komen. Zij haalde haar boodschappen uit de auto en

bracht deze naar de keuken. Enkele minuten later werd er aan de voordeur gebeld. Op het

moment dat [betrokkene 4] de deur opende, kwamen er twee mannen op een opdringerige wijze

haar woning binnen.

[betrokkene 4] omschrijft de eerste dader als volgt: hij had een lengte van ongeveer 1.85 meter, had

twee hechtpleisters onder zijn ogen bevestigd, droeg een bordeaux rode broek en hield een

groot tweeloops geweer vast.

Over de tweede dader heeft zij het volgende gezegd: kleiner dan de eerste dader, ongeveer

1.70

à 1.75 meter lang, was in het bezit van een kapmes en een zwart vuurwapen.

De eerste (langere) dader riep: “Geld, geld, waar is het geld. Jullie zijn een transportbedrijf

en jullie doen in weed. Waar is de kluis?” Zij was in de hal door haar knieën gezakt. De

lange dader had toen op anderhalve meter afstand het geweer op haar hoofd gericht en zij

moest naar de keuken. Vervolgens kwamen [betrokkene 5] en haar zoontje [betrokkene 6] van zes jaar

binnen. [betrokkene 5] moest in de hal op de grond gaan zitten. Daarna werden [betrokkene 4] ,

[betrokkene 5] en hun zoon gedirigeerd naar de ouderslaapkamer op de eerste verdieping. Het

gezin moest op bed gaan liggen en het dekbed over hun hoofden leggen, terwijl de

overvallers bleven vragen om geld en de kluis. Er werd geroepen: “Geld, geld, cash.”

[betrokkene 5] gaf zijn polshorloge af alsmede een bedrag aan contant geld dat hij in zijn zak

had en een mapje inhoudende diverse bankpasjes en creditcards.

De kleinere dader was volgens [betrokkene 4] agressiever. Hij kraste met zijn kapmes in een deur.

[betrokkene 4] hoorde op een bepaald ogenblik in de slaapkamer de lange dader tegen de kleine

dader zeggen: “Ik ga het huis doorzoeken, jij blijft hier.” Daarop werd door één van de twee

mannen gezegd: “Ik hou jullie onder schot, haal maar niets uit.”

De woning werd geheel doorzocht. Op enig moment werd door de mannen om tape

gevraagd en werd aangegeven dat zij touw bij zich hadden om het gezin vast te binden.

Kort daarna verlieten de mannen de woning.

[betrokkene 4] heeft ook vermeld dat de daders nog een handtas hadden meegenomen, evenals een

fles whisky.

Uit de goederenbijlage62 blijkt bovendien dat er vier horloges en twee IPhones waren

weggenomen.

Voorts heeft [betrokkene 4]63 aangegeven dat zij van haar oppas had vernomen dat het alarm (dat is

aangelegd op het terrein van de woning) was afgegaan in de nacht van zaterdag op zondag

– voorafgaand aan de dag van de overval – om 01.00 uur en om 02.00 uur, en dat zowel door de vader van die oppas als [betrokkene 4] zelf was gezien dat het riet bij een hek in de achtertuin was plat gedrukt.

Met [betrokkene 4] is een sequentiële combi-fotobewijsconfrontatie64 gehouden. Zij heeft verklaard

dat de persoon op foto 3 en 17 één van de daders zou kunnen zijn. De persoon op nummer 3

dan nog iets meer dan die op nummer 17. De foto van [verdachte] stond op nummer 3.

Aangever [betrokkene 5]65 heeft verklaard dat hij op 12 november 2012 na zijn werk samen

met zijn zoontje thuiskwam en dat hij gestommel vanuit de keuken hoorde. Vervolgens zag

hij in de keuken zijn vrouw en twee onbekende mannen staan.

De eerste man had een lengte van 1.80 à 1.85 meter, was ongeveer 25 jaar oud. Hij droeg

een gebreide gebroken wit met bruin/zwart gekleurde ijsmuts met flappen over de oren, een

zwarte sjaal en een bordeaux rode broek. Onder beide ogen waren witte pleisters geplakt. Als wapen gebruikte deze man een dubbelloops jachtgeweer.

[betrokkene 5] schat de lengte van de tweede man op 1.70 meter. Hij was 20 tot 24 jaar en droeg

een zwarte bivakmuts. Hij gebruikte een bijzonder mes met twee scherpe zijden en een

zwart pistool. [betrokkene 5] had dit pistool enkele malen horen klikken, waarbij de tweede man

zei dat het ‘fully loaded’ was.

De langere man richtte het jachtgeweer op [betrokkene 5] en zei “je horloge, je horloge”.

[betrokkene 5] gooide daarop zijn horloge naar deze man en de man pakte het op. Vervolgens

riep de man naar [betrokkene 5] dat hij de daders naar de kluis moest brengen. De langere man

gebaarde met de loop van het geweer en dreef [betrokkene 5] als het ware voor zich uit naar de

trap. [betrokkene 5] liep naar boven, gevolgd door de langere man, [betrokkene 4] , zoontje [betrokkene 6] en de

kleinere man. Boven in de ouderslaapkamer vroeg de eerste man [betrokkene 5] om hem geld te

geven. [betrokkene 5] had € 400,00 tot € 500,00 in zijn zakken zitten en gaf dat aan de langere

man. Door de langere man werd vervolgens gezegd dat het gezin op bed moest gaan liggen.

De kleinere man hield zijn mes en pistool continue in zijn handen vast en zwaaide er mee.

Beide mannen bleven telkens roepen om de kluis. De langere man zei tegen de kleinere man

dat hij het gezin onder schot moest houden en herhaalde dit meermalen. De langere dader

liep meermalen de slaapkamer in en uit en liep steeds naar een ander deel van de woning,

terwijl de kleinere dader de mensen onder schot hield. Op enig moment werd het gezin

gedwongen om onder de dekens te gaan liggen. De langere dader zei “we gaan niet weg

voordat we het geld hebben”. De daders discussieerden over de wijze waarop zij het gezin

zouden vastbinden. Enige tijd later vertrokken beide daders gezamenlijk.

In een aanvullende verklaring van [betrokkene 5]66 komt naar voren dat hij na de overval midden

op straat een zwarte sjaal zag liggen, op ongeveer tien meter afstand van de poort van zijn

oprit. Deze sjaal lag er volgens [betrokkene 5] niet toen hij bij zijn woning arriveerde.

Voorts heeft [betrokkene 5]67 aangegeven dat hij op de dag van de overval van zijn tuinman had

vernomen dat aan de achterzijde van de tuin duidelijk te zien was dat iemand over het hek

was geklommen. Te zien was dat er iemand op het hek had gestaan en dat de aldaar

aanwezige takken van beplantingen als het ware uit elkaar waren getrokken.

[getuige 8] 68 heeft verklaard dat zij van zaterdag 10 november 2012 op zondag

11 november 2012 bij de familie [betrokkene 5] / [betrokkene 4] was gaan oppassen. Zij was die nacht

om 00.30 uur in de woning van de familie naar bed gegaan. Zij werd rond 02.00 uur wakker

van het alarm, verbonden met een ‘lus’ in de tuin, dat in werking was getreden.

Getuige [getuige 9]69, wonende aan de [adres buren betrokkene 4, 5, 6] , heeft beelden van zijn

bewakingscamera’s bekeken. Daarop was volgens hem te zien dat in de nacht van 10 op

11 november 2012 rond 02.00 uur drie mannen door de [straat adres 1] liepen. De mannen

begaven zich in de richting van de woning van [betrokkene 5] , althans in de richting van de

[adres 24] . Na ongeveer een half uur tot drie kwartier liepen zij, blijkens de beelden, weer

terug. Een van de mannen was rond de 1.90 meter en had een bruine drie kwart jas aan, de

anderen waren tussen 1.70 en 1.80 meter.

Ten aanzien van de overval had [getuige 9] op zijn camerabeelden waargenomen dat er

twee mannen over de openbare weg in de richting van de woning van [betrokkene 5] , althans in

de richting van de [adres 24] liepen. Dit betrof een grotere en een kleinere persoon.

Volgens [getuige 9] kwamen de posturen van deze mannen overeen met die van de

mannen die hij op de beelden van een dag daarvoor had gezien. De mannen waren niet meer

teruggelopen.

De beelden70 van 12 november 2012 zijn eveneens bekeken door verbalisant [verbalisant 11] . Ook

zij onderscheidde twee personen op de beelden die behoorlijk in lengte verschillen.

Omstreeks 17.23 uur liepen deze twee personen vanuit de [adres 25] in de richting van

de overvallen woning. Omstreeks 17.24 uur liepen zijn voorbij het toegangshek van het

perceel [adres buren betrokkene 4, 5, 6] in de richting van de [adres 1] . Door [verbalisant 11] is voorts

gezien dat omstreeks 17.55 uur aangever [betrokkene 5] alarm slaat bij zijn buren van

huisnummer [adres buren betrokkene 4, 5, 6] .

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 12]71 is opgenomen dat hij op

11 november 2012 omstreeks 02.30 uur op de [adres 26] te [plaats 1] een grijze Seat Ibiza,

voorzien van het kenteken [kenteken A] , zag rijden. Dit voertuig werd een stopteken gegeven.

Als bestuurder van de Seat herkende [verbalisant 12] ambtshalve verdachte [medeverdachte 3] . [verbalisant 12]

hoorde zijn collega [verbalisant 13] zeggen dat de bijrijder de hem ambtshalve bekende

verdachte [medeverdachte 2] betrof. De inzittende bleek verdachte [medeverdachte 1] te zijn. [medeverdachte 1] had een traan

tatoeage onder zijn linkeroog. Hij droeg zwart/grijze Vans schoenen en een zwarte halflange

jas met capuchon en had een plastic tas bij zich inhoudende diverse kledingstukken,

waaronder een zwart/witte muts met oorflappen en een rode (trainings)broek.

Uit de verklaring van [medeverdachte 1]72 is af te leiden dat hij samen met [medeverdachte 2] en ‘een ander’ in de

nacht van 11 op 12 november 2012 op de [adres 26] te [plaats 1] door de politie is

gecontroleerd.

De voornoemde Seat Ibiza werd wederom op 12 november 2012 te [plaats 1] gesignaleerd, te

weten omstreeks 18.01 uur – kort na de overval – op de [adres 25] komende vanuit de

[adres 24] . Dit blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 14] en

[verbalisant 15] .73 Nadat de Seat tot stilstand was gebracht, werd door de verbalisanten

gezien dat verdachte [medeverdachte 3] de bestuurder van de auto was en verdachte [medeverdachte 2] de bijrijder.

Uit het proces-verbaal sporenonderzoek van de Unit FTO74 volgt dat nabij de overvallen

woning, midden op de [straat adres 1] een zwarte fleecesjaal is aangetroffen. Volgens de

plaatselijke politie was dat op de vluchtroute van de daders. Daarnaast zijn in de overvallen

woning een aantal schoensporen aangetroffen, waaronder twee schoensporen in de

badkamer.

Omstreeks 18.00 uur – derhalve kort na de overval – waren de verbalisanten [verbalisant 16] en

[verbalisant 17] 75 vanaf de kruising [adres 24] de [adres 1] opgereden. Zij zagen enkele

meters voor de oprit van nummer [adres 1] een zwarte sjaal liggen, midden op straat.

[verbalisant 16] zag tevens dat zijn collega [verbalisant 18] , in zijn hoedanigheid als hondengeleider, ter

plaatse kwam en met zijn hond een geurspoor probeerde op te pakken. [verbalisant 18] had

aangegeven dat de hond een spoor had uitgelopen vanaf de plaats delict, over de

[straat adres 1] , linksaf de [adres 24] en dat dit spoor eindigde op de [adres 24] . De

hond was aldaar het geurspoor kwijtgeraakt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van voornoemde verbalisant [verbalisant 18]76 volgt dat hij

omstreeks 18.15 uur bij de [straat adres 1] aan kwam. [verbalisant 18] was vervolgens met zijn hond

vanuit de [straat adres 1] in de richting van de [adres 27] gelopen, omdat in de

richting van de [adres 27] een sjaal was aangetroffen. [verbalisant 18] was met de hond de

sjaal voorbij gelopen. In de richting van de [adres 24] begon de hond zwaarder te ademen,

hetgeen voor [verbalisant 18] een teken was dat hij op het spoor van verse menselijke geur zat. De

hond liep de [straat adres 1] af en linksaf de [adres 24] op. [verbalisant 18] nam waar dat zijn hond

nog altijd zwaar ademde. Ook trok hij hard aan de lijn. Dit betekende volgens [verbalisant 18] dat

de hond op een spoor van menselijke geur zat. De hond liep door tot op de naast de rijbaan

gelegen groenstrook van ongeveer 150 meter. Hij stopte bij een toegangshek, dat van een

hondensportvereniging bleek te zijn. [verbalisant 18] zag en voelde dat de hond stopte met aan de lijn

te trekken en met zwaar te ademen. Dit was voor [verbalisant 18] het teken dat de hond vanaf dit punt

geen spoor van verse menselijke geur meer had.

Omstreeks 19:00 uur was [verbalisant 18] met zijn hond vanaf de [adres 24] het terrein van de

hondensportvereniging opgegaan. [verbalisant 18] zag dat de hond de bosschages in dook en dat hij bij een hek uitkwam dat het terrein scheidde van de tuin van de [adres 1] . [verbalisant 18] zag dat de hond daar een spoor van menselijke geur aantrof en weer hard aan de lijn begon te trekken. Hij zag dat de hond parallel aan het hek van de tuin in de richting van de

[adres 27] liep, dat de hond zwaar ademde en in de hoek van hek dat de tuin van

[adres 1] met de [straat adres 1] zelf scheidt, tegen het hek opsprong. Dit was

voor [verbalisant 18] een teken dat de hond een spoor van menselijke geur rook.

De voornoemde fleecesjaal is door het NFI bemonsterd77 en vergeleken78 met de DNA

profielen van een viertal personen. Uit dit onderzoek blijkt dat op beide zijden van de sjaal,

telkens op het middenstuk, een DNA- mengprofiel van (hoofdzakelijk) de verdachten

[medeverdachte 1] en [verdachte] is gevonden, met een matchkans van één op dertig miljoen.

De twee schoensporen, afkomstig uit de badkamer, zijn door de Unit FTO79 qua profiel en

afmeting vergeleken met de zolen van een paar sneakers van het merk Vans toebehorende

aan verdachte [medeverdachte 1] . Door FTO wordt geconcludeerd dat het ene spoor is veroorzaakt met

een schoen, soortgelijk aan de linkerschoen van [medeverdachte 1] en dat het andere spoor is

veroorzaakt met een schoen, soortgelijk aan de rechterschoen van [medeverdachte 1] .

Door verbalisant [verbalisant 19]80 is een onderzoek ingesteld aan de inbeslaggenomen mobiele

telefoon van verdachte [medeverdachte 2] . Bij dit onderzoek is een foto aangetroffen van een geweer

voorzien van een afgezaagde loop.

Deze foto is voorgehouden aan de aangevers [betrokkene 4]81 en [betrokkene 5] .82 Beiden hebben

verklaard dat het vuurwapen op de foto sprekend lijkt op het vuurwapen dat gebruikt werd

gedurende de overval. [betrokkene 5] heeft daarbij opgemerkt dat hij het vuurwapen herkent aan

de vorm van het handvat en aan de korte loop.

In het dossier is een tapgesprek83 aanwezig van 11 april 2013, gevoerd tussen verdachte

[verdachte] en [getuige 10] . In dit gesprek zei [verdachte] dat hij [getuige 10] iets heel belangrijks ging

vragen en dat dit echt snel moest gebeuren omdat er iemand bij de politie zou moeten

komen. [verdachte] zei dat [getuige 10] online moest gaan en gaf aan dat hij twee foto’s van

[verdachte] moest wissen waarop hij met ‘dat grote dinges’ staat en waarop hij met zijn

‘mattie’ was afgebeeld. Ook moest [getuige 10] een gesprek met [bijnaam medeverdachte 1] wissen, de hele

geschiedenis, evenals de gesprekken tussen [verdachte] en [getuige 10] .

Getuige [getuige 10]84 heeft de inhoud van het aangehaalde telefoongesprek met [verdachte]

d.d. 11 april 2013 bevestigd. [getuige 10] heeft verklaard dat er een foto gewist moest worden,

waarop [verdachte] met een machete, een mes, was afgebeeld. Ook was het de bedoeling dat

een foto gewist zou worden waarop [verdachte] samen met [bijnaam medeverdachte 1] ofwel [bijnaam medeverdachte 1] was te zien.

Verder had [getuige 10] de opdracht gekregen om de profielfoto van [verdachte] met de machete die

op facebook stond te verwijderen. De mattie, de vriend, van [verdachte] heet volgens [getuige 10]

[bijnaam medeverdachte 1] , omdat hij een traantje onder zijn linker oog had laten tatoeëren. Deze vriend zou

woonachtig zijn in [plaats 2] .

Het hof heeft acht geslagen op de (profiel)foto85 in het dossier, waarop – volgens verbalisanten [verbalisant 19]86 en [verbalisant 20]87 – [verdachte] is te zien die een machete in zijn handen

omhoog houdt.

Er ligt voorts een proces-verbaal van bevindingen88 inhoudende een getuigenverhoor van

[getuige 2] , zijnde de zus van verdachte [verdachte] . Zij was zelf gaan informeren in het

‘milieu’ om te weten te komen wat zich had afgespeeld. Zij had vernomen dat beide

overvallen door de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] zouden zijn gepleegd en dat deze

verdachten telkens de helft van het buitgemaakte geld zouden mogen houden. Getuige

[getuige 2] refereerde aan de zaak waarbij een man ( [betrokkene 1] ) uit het bad was gesprongen (de

overval op de [adres 2] ) en dat de schoonzoon van deze man ( [medeverdachte 2] ) de opdrachtgever

was voor beide overvallen. Tevens gaf getuige [getuige 2] aan dat verdachte [verdachte] in het

bezit was van een machete die bij een overval was gebruikt.

In een drietal getapte telefoongesprekken89 die [getuige 2] gevoerd heeft met onder meer

haar vader [getuige 11] en [getuige 12] , maakt zij kenbaar maakt dat verdachte [verdachte] en

[medeverdachte 1] bij de overvallen waren betrokken.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van de tenlastegelegde overval op de woning gelegen aan

de [adres 2] te [plaats 1]

Het hof acht, gelet op de bovenstaande feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en beschouwd, feit 3 primair wettig en overtuigend kan worden bewezen.

[verdachte] heeft tezamen met anderen de overval op de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] gepleegd, waarbij een horloge is weggenomen. [medeverdachte 1] heeft het feit bekend. Het hof stelt vast dat de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen op essentiële onderdelen met elkaar overeenkomen, namelijk voor zover het betreft de personen die betrokken zijn geweest bij de overval en de handelingen die die personen daarbij hebben verricht. De verklaringen van [medeverdachte 1] vinden bovendien bevestiging in andere, objectieve, bewijsmiddelen, zoals de diverse camerabeelden, de aangehaalde telefoongesprekken, de resultaten van de DNA-onderzoeken, de bevindingen van de verbalisanten en de telecomgegevens. Nu het relaas van [medeverdachte 1] wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen, volgt het hof (grotendeels) de verklaringen van [medeverdachte 1] . Het hof heeft, anders dan de raadsman, dan ook geen reden om te twijfelen aan die verklaringen.

Het hof is van oordeel dat verdachte [verdachte] als de kleinere persoon in de witte jas

bij deze overval betrokken is en samen met [medeverdachte 1] in de woning is geweest. Dit vloeit niet

alleen voort uit de verklaringen van [medeverdachte 1] , maar ook uit de door de aangevers en de

getuigen opgegeven signalementen van de twee overvallers in vergelijking tot de gegevens

van de verdachten [medeverdachte 1] (lang) en [verdachte] (klein) volgens het Herkenningsdienstsysteem.

Daarnaast zijn er DNA-sporen van [verdachte] aanwezig op de handvatten van de plastic tas, de handschoenen en de muts afkomstig uit de Seat Ibiza met welke auto [medeverdachte 1] en [verdachte] in de nabijheid van de woning zijn afgezet. Bovendien wijzen de telecomgegevens van

4 januari 2013 uit dat [verdachte] tegen het tijdstip van de overval – ongeveer gelijktijdig met

[medeverdachte 1] – met de trein van [plaats 2] naar [plaats 1] is gereisd.

Naar het oordeel van het hof kan worden vastgesteld dat verdachte [medeverdachte 2] als derde

persoon betrokken is geweest bij de overval. Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 2] kan worden aangemerkt als initiatiefnemer van de onder 1 ten laste gelegde overval. Hij is immers degene die [medeverdachte 1] heeft benaderd voor het plegen van een overval met de mededeling dat hij een ‘job’ wist waar het gewoon ging om ‘leeg melken’, waarbij [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] precies zou zeggen hoe dat moest gebeuren. Het hof stelt vast dat zonder het initiatief van [medeverdachte 2] de betreffende overval niet gepleegd zou zijn.

Daar komt nog bij dat [medeverdachte 2] tijdens de voorverkenning op 3 januari 2014 heeft aangewezen welke woning het doelwit betrof en waar de vluchtroutes waren. Bovendien was de verdachte ook op 4 januari 2013 betrokken bij de overval. Nadat [medeverdachte 3] [medeverdachte 1] had opgehaald werd immers contact opgenomen met [medeverdachte 2] , waarna [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zich meldden bij kapsalon [naam kapsalon] , waar [medeverdachte 2] zich op dat moment bevond. Daaruit volgt dat [medeverdachte 2] fungeerde als ‘aanspreekpunt’ voor de medeverdachten.

Vervolgens hebben zij de door medeverdachte [verdachte] bij de overval gebruikte taser opgehaald in de woning waar [medeverdachte 2] verbleef. [medeverdachte 2] heeft zich ook na dit moment niet gedistantieerd, want hij fungeerde als chauffeur van de vluchtauto en wachtte tijdens de overval tot [medeverdachte 1] en [verdachte] terug zouden komen.

Het hof is voorts van oordeel dat het door [betrokkene 1] opgelopen letsel kwalificeert als zwaar lichamelijk letsel. De medische verklaring relateert dat de geschatte duur van de genezing 3 tot 6 maanden is. Uit de aangifte van [betrokkene 1] blijkt dat hij direct na zijn val van het dak niet meer kon lopen, dat hij zich een aantal dagen absoluut niet mocht bewegen omdat het risico bestond dat hij alsnog een dwarslaesie zou oplopen en dat hij nadien is geopereerd waarbij zijn rug is vastgezet. Naar algemeen spraakgebruik leiden deze vaststellingen het hof ertoe dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij [betrokkene 1] .

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het steekincident aangaande [betrokkene 7]

Het hof is van oordeel dat uit de hiervóór genoemde bewijsmiddelen tevens volgt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] kort na de overval aan de [adres 2] te [plaats 1] , tijdens hun vlucht, de confrontatie met motoragent [betrokkene 7] zijn aangegaan, waarbij [betrokkene 7] in zijn borststreek is gestoken. DNA-onderzoek aan het ter plaatse van het steekincident gevonden stroomstootwapen heeft uitgewezen dat de overval en het steekincident aan elkaar gelinkt kunnen worden. Zoals uit de opgenomen bewijsmiddelen volgt, was bij de overval op de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] sprake van één langere dader en één kleinere dader, terwijl [betrokkene 7] eveneens heeft verklaard dat hij is aangevallen door één langere persoon en één kleinere persoon.

Het hof heeft geconstateerd dat de door [betrokkene 7] tegenover de politie afgelegde verklaring en de nadien tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring niet geheel met elkaar overeen komen. Bij de politie heeft [betrokkene 7] verklaard dat hij eerst werd aangevallen door een kleinere persoon met een witte jas die hem sloeg en schopte, waarna [betrokkene 7] struikelde en waarna een tweede, langere, man in een donkere jas tevoorschijn kwam die hem kennelijk stak. Nadien, bij de rechter-commissaris, heeft [betrokkene 7] echter verklaard dat de langste dader als eerste uit de bosjes kwam en een witte jas droeg en de kleinste dader als tweede uit de bosjes kwam en een donkere jas droeg.

Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 1] en [verdachte] zich tezamen en in vereniging hebben schuldig gemaakt aan poging tot gekwalificeerde doodslag van [betrokkene 7] . In dat verband stelt het hof voorop dat medeplegen een nauwe en bewuste samenwerking vereist tussen de plegers van een strafbaar feit, waarbij de plegers een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht leveren aan dat strafbare feit. Bij zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.90

[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben zich, voorafgaand aan het geweld tegen verbalisant [betrokkene 7] , schuldig gemaakt aan het medeplegen van een zeer ernstig feit, bestaande uit een gewelddadige woningoverval. Inherent aan het medeplegen van een dergelijk feit is de vlucht die daarop volgt. Tijdens die vlucht hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] zich samen in de bosschages schuil gehouden en vervolgens na elkaar geweld gebruikt tegen de ter plaatse gekomen [betrokkene 7] met het doel hun vlucht mogelijk te maken en te verzekeren dat het buitgemaakte horloge werd behouden. [medeverdachte 1] wist dat [verdachte] een stroomstootwapen en een mes bij zich had, terwijl [verdachte] wist dat [medeverdachte 1] beschikte over een pistool. Bovendien heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij tegen [verdachte] had gezegd dat hij zou schieten als een agent achter hen aan zou komen. Uit die verklaring blijkt eveneens dat [medeverdachte 1] bereid was om geweld te gebruiken om te bewerkstelligen dat de vlucht mogelijk zou blijven en te voorkomen dat de buit gemaakte horloge zou worden ontnomen. Dat zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] bereid waren tot het gebruiken van geweld blijkt bovendien evident uit de omstandigheid dat zij [betrokkene 7] beiden, om de beurt, hebben aangevallen, zoals volgt uit de verklaring die [betrokkene 7] bij de politie heeft afgelegd, uit zijn verklaring tegenover de rechter-commissaris en uit de verklaring van [medeverdachte 1] op dit punt.

Het hof is derhalve van oordeel dat [medeverdachte 1] en [verdachte] door het meenemen van de betreffende wapens en door direct achter elkaar geweld te gebruiken beiden een voldoende intellectuele en materiële bijdrage hebben geleverd aan de poging tot gekwalificeerde doodslag op [betrokkene 7] . Medeplegen is dan ook bewezen. Het verweer van de raadsman faalt.

[betrokkene 7] is met een mes in de borststreek gestoken. Naar algemene ervaringsregels geldt dat dit gedeelte van het menselijk lichaam zeer kwetsbaar is, nu zich daar vitale organen bevinden. Blijkens de medische inlichtingen is [betrokkene 7] een steekwond in de thorax toegebracht. De aard van de gedraging brengt met zich dat willens en wetens de aanmerkelijke kans is aanvaard dat [betrokkene 7] zou komen te overlijden; dat eventuele gevolg is op de koop toe genomen. Het is aan de dikke jas van [betrokkene 7] te danken dat het letsel beperkt is gebleven.

Het hof acht, anders dan de raadsman, gelet op al het voorgaande bewezen dat sprake is van het medeplegen van een poging gekwalificeerde doodslag op [betrokkene 7] .

Bewijsoverwegingen ten aanzien van de tenlastegelegde overval op de woning gelegen aan

de [adres 1] te [plaats 1]

Uit de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, volgt naar het oordeel van het hof dat [medeverdachte 1] en [verdachte] eveneens zijn aan te merken als de overvallers op de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] .

Op de nabij de plaats delict aangetroffen fleecesjaal zijn sporen aangetroffen van [medeverdachte 1] en [verdachte] , terwijl de in de woning aangetroffen schoensporen mogelijk van [medeverdachte 1] afkomstig zijn. Daar komt bij dat aangever [betrokkene 4] [verdachte] heeft herkend. Ook de omstandigheid dat verdachte [verdachte] op (profiel)foto’s (op facebook) is afgebeeld met een karakteristiek mes (een machete) en dat bij de overval een soortgelijk wapen is gebruikt, levert een belangrijke aanwijzing op voor de betrokkenheid van [verdachte] bij de overval. Het is in dit verband opmerkelijk dat [verdachte] zijn vriend [getuige 10] opdracht heeft gegeven om juist die foto’s

– waarop [verdachte] met een machete was afgebeeld – te verwijderen.

Daarnaast heeft het hof geconstateerd dat sterke overeenkomsten bestaan tussen de

kledingstukken die door verbalisant [verbalisant 12] bij verdachte [medeverdachte 1] in een plastic tas zijn

aangetroffen en de kledingstukken die de langste dader van overval volgens aangevers [betrokkene 4] en [betrokkene 5] heeft gedragen, te weten een (bordeaux) rode trainingsbroek en een zwart/wit gekleurde ijsmuts met oorflappen.

Voorts volgt uit de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] dat de langste dader pleisters onder zijn ogen had aangebracht, terwijl [medeverdachte 1] onder zijn linkeroog een tatoeage (een traan) heeft en deze mogelijk heeft willen verhullen door middel van die pleisters.

Ten slotte is het hof van oordeel dat het bewijs dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de overval op de [adres 1] te [plaats 1] hebben medegepleegd eveneens volgt uit essentiële overeenkomsten in de werkwijze van deze overval met de overval aan de [adres 2] te [plaats 1] . Dit betreft de volgende punten:

- Een dag vóór de overvallen heeft een voorverkenning plaatsgevonden van de woningen en

de omgeving.

[betrokkene 4] en [betrokkene 5] verklaren dat het alarmsysteem een dag voor de overval is afgegaan en

dat was geconstateerd dat recentelijk één of meerdere personen aan de achterzijde van de

tuin over het hek waren geklommen en de tuin hadden betreden. Die verklaringen worden

ondersteund door de verklaring van de oppas [getuige 8] , de bevindingen van verbalisant

[verbalisant 12] , de camerabeelden van buurman [getuige 9] en de bevindingen van verbalisant

[verbalisant 18] . Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] , het getapte telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]

van 2 januari 2013 en het onderzoek naar de telecomgegevens volgt naar het oordeel van het hof dat ook de dag vóór de overval op de woning aan de [adres 2] sprake is

geweest van een voorverkenning.

- De tijdstippen van de overvallen komen nagenoeg overeen.

De woning aan de [adres 1] is omstreeks 17.20 uur overvallen. Weliswaar zijn de

daders de woning aan de [adres 2] omstreeks 19.00 uur binnen getreden, maar is het

volgens [medeverdachte 1] de intentie geweest om die woning al eerder – rond etenstijd – te overvallen. Dat dit niet is gebeurd, is te wijten aan een uitgelopen kappersbezoek van [medeverdachte 2] .

- In beide zaken is door de overvallers eerst aangebeld bij de voordeur van de woning en bij

het openen van deze deur door de bewoner zijn de overvallers direct en op een opdringerige

wijze naar binnen gegaan. Dit blijkt in beide zaken uit de aangiftes van de overvallen personen.

- Telkens is sprake geweest van een opmerkelijk lengteverschil tussen de twee mannen die

de woningen zijn binnendrongen.

In de zaak van de overval op de [adres 2] wordt door de aangevers [betrokkene 1] , [betrokkene 2] ,

[betrokkene 3] , [betrokkene 7] , alsmede door de getuigen [getuige 3] , [getuige 5] gesproken over een lange en een

kleine dader. Uit het Herkenningssysteem van de politie blijkt van een lengteverschil van

minimaal 20 cm tussen de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] .

In de zaak van de overval op de [adres 1] hebben de aangevers [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ,

evenals de getuige [getuige 9] aangegeven dat de daders een langere man en een kleine

man betreffen. Bovendien zijn volgens getuige [getuige 9] en verbalisant [verbalisant 11] op de

camerabeelden van de [adres buren betrokkene 4, 5, 6] vlak voorafgaand aan de overval te zien dat een

grotere en een kleine persoon zich in de richting de woning van de familie [betrokkene 5] hebben

begeven.

- De lange dader heeft steeds een vuurwapen ter hand genomen en de kleine dader een

andersoortig wapen, al dan niet in combinatie met een vuurwapen.

Zo heeft de lange dader bij de overval op de [adres 2] gebruik gemaakt van een

revolver en de kleine dader van een taser, blijkens de verklaringen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en

[medeverdachte 1] . De lange dader heeft bij de overval op de [adres 1] een jachtgeweer

gebruikt en de kleine dader heeft een machete en een pistool gehanteerd. Dit volgt uit de

verklaringen van de aangevers [betrokkene 4] en [betrokkene 5] .

- In beide zaken is/zijn de bewoner(s) gesommeerd om naar de eerste verdieping te gaan,

gezien de aangiften van [betrokkene 2] (in de zaak [adres 2] ) en van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] (in de

zaak [adres 1] ).

- De lange dader heeft hij beide overvallen de woningen doorzocht, terwijl de kleine dader

bij het/de slachtoffer(s) is gebleven.

In de zaak betreffende de overval op de [adres 2] volgt dit uit de verklaring van [betrokkene 2] .

In de zaak van de [adres 1] is door aangeefster [betrokkene 4] verklaard dat op enig moment

door de lange dader expliciet tegen de kleine dader was gezegd dat hij het huis zou gaan

doorzoeken en dat de kleine in de slaapkamer bij de slachtoffers moest blijven.

- De daders hebben het/de slachtoffer(s) die zich in de woningen bevonden vastgebonden,

althans zijn dit van plan zijn geweest. Bij de overval in de [adres 2] is het slachtoffer dat

zich in de woning bevond gekneveld. Tijdens de overval in de [adres 1] hebben de

daders om tape gevraagd en aangegeven dat zij touw bij zich hadden om de slachtoffers vast

te binden.

- In de directe omgeving van de plaats delict is telkens kort na de overval een grijze Seat

Ibiza gezien. In de zaak [adres 2] heeft [betrokkene 3] na een kortdurende achtervolging van de

overvallers een dergelijke auto met hoge snelheid zien wegrijden vanuit de parkeerplaats

aan de [adres 7] . In die zaak is bovendien vastgesteld dat de Seat Ibiza als vluchtauto

moet worden aangemerkt. In de zaak [adres 1] hebben de verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 15]

de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op 12 november 2012 om 18.01 uur – kort na de

overval – in de nabijheid van de [straat adres 1] (in de [adres 24] ) in de Seat Ibiza zien

rijden.

Gelet op hetgeen hierboven is beschreven en vergeleken, acht het hof wettig en

overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de overval op de woning aan de

[adres 1] hebben gepleegd. Naar het oordeel van het hof zijn ten aanzien van

beide overvallen overeenkomsten op een zodanig groot aantal essentiële punten aan de orde,

dat ook het medeplegen van de overval op de [adres 1] voldoende wettig en

overtuigend bewezen is. Daar komt bij dat het bewijs voor dit feit niet enkel steunt op dit zogenoemde schakelbewijs, maar bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Zo valt uit de verklaring van buurman [getuige 9] af te leiden dat de daders in de richting van de [adres 24] moeten zijn gevlucht. Dit stemt ook overeen met de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 18] en [verbalisant 16] . [verbalisant 16] heeft aangegeven dat [verbalisant 18] met zijn speurhond vanaf de plaats van de sjaal het spoor is uitgelopen over de [straat adres 1] linksaf de [adres 24] in en dat de hond daar het spoor is kwijtgeraakt. De vluchtroute moet dan ook vanaf nummer [adres 1] richting [adres 24] zijn geweest en op die route is ook de betreffende sjaal gevonden. Het hof gaat er, anders dan de raadsman, gelet ook op de daarop aangetroffen DNA-mengprofielen, van uit dat deze sjaal van één van de daders toebehoort.

Daarnaast volgt uit de tapgesprekken van [getuige 2] dat zij stelt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] bij de overvallen betrokken waren. Het hof is in dat verband, anders dan de raadsman, van oordeel dat het in artikel 6 lid 1 en lid 3 onder d EVRM neergelegde ondervragingsrecht niet is geschonden. [getuige 2] is zowel bij de rechtercommissaris als bij de raadsheer-commissaris gehoord. Tegenover de rechter-commissaris heeft zij vragen van de verdediging beantwoord, maar heeft zij geweigerd nadere informatie over haar bronnen te geven. Bij de raadsheer-commissaris heeft zij zich op haar verschoningsrecht beroepen. Dat [getuige 2] de vragen bij de rechter-commissaris niet naar tevredenheid van de verdediging heeft beantwoord doet niet af aan de omstandigheid dat de verdediging in staat is gesteld haar nader te horen. Het hof overweegt voorts het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde niet slechts is gebaseerd op de verklaring van de getuige [getuige 2] , maar tevens op in het dossier andere objectieve bewijsmiddelen waaruit de betrokkenheid van [verdachte] bij dat feit blijkt, zoals hiervoor is opgesomd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

eendaadse samenloop van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid te verzekeren, hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De advocaat-generaal heeft de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar geëist. Volgens de advocaat-generaal is dat een passende straf vanwege de ernst van de feiten en de gevolgen die deze feiten hebben gehad voor de slachtoffers. Daarnaast heeft de advocaat-generaal daarbij rekening gehouden met de documentatie van de verdachte. Anders dan in eerste aanleg opgelegd, is in hoger beroep geen TBS met dwangverpleging geëist omdat, kort gezegd, de laatstelijk over de verdachte opgemaakte rapportage dat niet aangewezen acht.

De raadsman heeft, voor het geval het hof tot een integrale of gedeeltelijke bewezenverklaring komt, betoogd dat in de laatste NIFP-rapportage zoals opgemaakt door het Pieter Baan Centrum niet wordt geadviseerd om de TBS-maatregel op te leggen, omdat de persoonlijkheidsproblematiek nog niet is verhard en er mogelijkheden zijn voor de verdachte om zich positief te ontwikkelen. Deze ontwikkeling is de laatste jaren in detentie reeds ingezet.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van twee woningovervallen.

Bij de overval aan de [adres 1] te [plaats 1] was, naast twee volwassenen, tijdens de overval hun destijds 6-jarige zoontje aanwezig. Er is gedreigd met een vuurwapen en een kapmes en de buit bestond onder meer uit horloges, mobiele telefoons en een handtas met inhoud. Deze overval eindigde ermee dat de slachtoffers werden opgesloten in één van hun eigen slaapkamers.

Bij de overval aan de [adres 2] te [plaats 1] is slechts een horloge buit gemaakt. Daarbij is fors geweld gebruikt jegens 3 slachtoffers. Niet alleen is gedreigd met een vuurwapen, maar ook werd mevrouw [betrokkene 2] , direct nadat zij de voordeur had geopend en ook nadien, getaserd terwijl de ter plaatse gekomen buurman [betrokkene 3] eveneens werd getaserd. [betrokkene 2] werd bovendien vastgebonden met tiewraps en de heer [betrokkene 1] brak bij zijn vlucht zijn rug.

Onder meer uit de (schriftelijke) slachtofferverklaringen is gebleken is dat de woningovervallen grote gevolgen hebben gehad voor de slachtoffers, welke gevolgen zij tot op heden ondervinden. De familie [betrokkene 5] heeft lange tijd niet thuis durven slapen en zelfs overwogen hun woning te verkopen, terwijl alle gezinsleden psychische hulp nodig hebben gehad. Ook de gevolgen voor de familie [betrokkene 1] - [betrokkene 2] en buurtgenoot [betrokkene 3] waren groot. Ter terechtzitting van het hof is gebleken dat [betrokkene 2] psychologische hulp nodig heeft gehad en het nog steeds moeilijk heeft met hetgeen is gebeurd. [betrokkene 1] moest lange tijd revalideren naar aanleiding van het letsel aan zijn rug en was daarnaast onder behandeling van een psycholoog, terwijl de overval ook [betrokkene 3] angstgevoelens heeft bezorgd en heeft gemaakt dat hij slecht sliep en zich slecht kon concentreren op zijn werk.

De verdachte heeft zich bij het plegen van de feiten in het geheel niet bekommerd over de gevolgen die zijn handelen zou hebben voor de slachtoffers, maar zich enkel laten leiden door zijn eigen geldelijk gewin.

Daar komt bij dat is bewezenverklaard dat de verdachte samen met de medeverdachte heeft gepoogd de motoragent, die naar aanleiding van een melding van de woningoverval aan de [adres 2] te [plaats 1] ter plaatse kwam, van het leven te beroven met het doel om te vluchten en aldus te voorkomen dat hij en zijn mededader zou worden opgepakt voor het feit en de buit zou moeten teruggeven. De motoragent is in zijn borst gestoken, enkel om de vlucht van de verdachten mogelijk te maken na de overval aan de [adres 2] te [plaats 1] . Dat de agent daarbij het leven zou kunnen laten heeft de verdachte er niet van weerhouden het feit te plegen. De betreffende agent heeft nog maanden na het feit moeite gehad met ademen en ook heeft hij gemeld nog geregeld terug te denken aan het feit. Het plegen van dergelijke strafbare feiten veroorzaakt daarnaast gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De verdachte is aan dit alles voorbij gegaan en heeft zich slechts laten leiden door zijn eigen belangen.

Voorts is bij de strafoplegging ten nadele van de verdachte meegewogen dat uit het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 augustus 2017 volgt dat de verdachte reeds meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het plegen van vermogens- en geweldsdelicten, waarvoor hij ook reeds eerder gevangenisstraf heeft uitgezeten.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte geldt dat daarover in het verleden meerdere rapporten zijn opgemaakt. Het meest recente NIFP-rapport, opgemaakt door psychiater H.T.J. Boerboom en psycholoog E.J. Muller, dateert van 8 maart 2017 en is opgemaakt naar aanleiding van een opname van de verdachte in het Pieter Baan Centrum. Geconcludeerd is dat de verdachte lijdende is aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Desondanks zijn er volgens de onderzoekers geen aanwijzingen voor verstoorde controlefuncties, problemen in de oordeelsvorming, een verminderd vermogen zijn emoties te reguleren of anderszins substantiële affectieve tekorten. Daarmee is niet gebleken van enige beperking in het kunnen maken van vrije keuzes en het kunnen beseffen van de ongeoorloofdheid van deze (anti)sociale keuzes. Onderzoekers hebben om die reden geadviseerd het ten laste gelegde, indien bewezen, volledig toe te rekenen aan de verdachte.

Onderzoekers stellen voorts dat verdachte in staat verondersteld mag worden in de toekomst anders keuzes te maken. Hij wordt daarin niet substantieel door pathologie beperkt. Verder is vastgesteld dat de problematiek van de verdachte niet verhard is en dat verdachte mede door de moeizame levensomstandigheden, het gebrek aan continuïteit en huisvesting en (jeugd)detentie qua ontwikkeling heeft stilgestaan. Onderzoekers zien nog mogelijkheden voor verdachte om zich te ontwikkelen en adviseren om die reden geen behandeling in een strafrechtelijk kader. Het hof maakt die overwegingen tot de zijne en is, gelet daarop en met de advocaat-generaal, van oordeel dat thans geen aanleiding bestaat om de maatregel van TBS aan de verdachte op te leggen.

Het hof stelt op grond van voornoemd rapport vast dat de ten laste gelegde feiten volledig aan de verdachte kunnen worden toegerekend en dat geen reden bestaat om de aan de verdachte op leggen straf te matigen. Het hof heeft voorts ten nadele van de verdachte in de strafoplegging meegewogen de omstandigheid dat hij zich in de strafprocedure voortdurend heeft beroepen op zijn zwijgrecht en aldus geen openheid van zaken heeft willen geven of verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn daden.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn gepleegd en de persoon van de verdachte met zich brengen dat op zichzelf het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 17 jaar passend is.

Het hof heeft echter geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. In dat verband blijkt uit het dossier het volgende:

  • -

    De feiten dateren van 12 november 2012, respectievelijk 4 januari 2013.

  • -

    De verdachte is in verzekering gesteld op 28 mei 2013.

  • -

    Het vonnis van de rechtbank is gewezen op 10 april 2015.

  • -

    Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld op 22 april 2015.

  • -

    De verdachte heeft hoger beroep ingesteld op 23 april 2015.

  • -

    Het dossier is bij het hof binnengekomen op 22 oktober 2015.

  • -

    De eerste zitting bij het hof vond plaats op 9 juni 2015. Vervolgens vonden zittingen plaats op 25 augustus 2015, 17 november 2015, 9 februari 2016, 3 mei 2016, 28 juni 2016, 6 september 2016, 29 november 2016, 14 februari 2017, 9 mei 2017, 25 juli 2017, 17 oktober 2017, 8 december 2017 en ten behoeve van de sluiting van het onderzoek op 8 januari 2018.

  • -

    Het arrest van het hof is gewezen op 22 januari 2018.

In eerste aanleg is de zaak niet afgedaan binnen 16 maanden na het moment waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Tussen het instellen van het hoger beroep door het openbaar ministerie en de verdachte, op 22 respectievelijk 23 april 2015, en het wijzen van het arrest door het hof op 22 januari 2018 is voorts een periode van 2 jaar en 9 maanden verstreken. Het hof zal daarom volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

De benadeelde partij [betrokkene 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 7.000,00 ter zake van geleden immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte niet aansprakelijk is voor de schade omdat hij vrijgesproken dient te worden van het onder 3 ten laste gelegde. De vordering dient daarom te worden afgewezen.

Nu uit het voorgaande volgt dat het hof tot een bewezenverklaring is gekomen, behoeft de stelling van de raadsman geen bespreking. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [betrokkene 1] als gevolg van verdachtes onder 3 primair bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2]

De benadeelde partij [betrokkene 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.500,00 ter zake van geleden immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte niet aansprakelijk is voor de schade omdat hij vrijgesproken dient te worden van het onder 3 ten laste gelegde. De vordering dient daarom te worden afgewezen.

Nu uit het voorgaande volgt dat het hof tot een bewezenverklaring is gekomen, behoeft de stelling van de raadsman geen bespreking. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [betrokkene 2] als gevolg van verdachtes onder 3 primair bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 3]

De benadeelde partij [betrokkene 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.311,40, ter zake van € 711,40 geleden materiële schade en € 600,00 geleden immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte niet aansprakelijk is voor de schade omdat hij vrijgesproken dient te worden van het onder 3 ten laste gelegde. De vordering dient daarom te worden afgewezen.

Nu uit het voorgaande volgt dat het hof tot een bewezenverklaring is gekomen, behoeft de stelling van de raadsman geen bespreking. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [betrokkene 3] als gevolg van verdachtes onder 3 primair bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 7]

De benadeelde partij [betrokkene 7] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.920,56. Deze bedraagt € 2.920,56, ter zake van € 420,56 geleden materiële schade en € 2.500,00 geleden immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte niet aansprakelijk is voor de schade omdat hij vrijgesproken dient te worden van het onder 2 ten laste gelegde. De vordering dient daarom te worden afgewezen.

Nu uit het voorgaande volgt dat het hof tot een bewezenverklaring is gekomen, behoeft de stelling van de raadsman geen bespreking. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [betrokkene 7] als gevolg van verdachtes onder 2 primair bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 5]

De benadeelde partij [betrokkene 5] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.500,00 ter zake van geleden immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte niet aansprakelijk is voor de schade omdat hij vrijgesproken dient te worden van het onder 1 ten laste gelegde. De vordering dient daarom te worden afgewezen.

Nu uit het voorgaande volgt dat het hof tot een bewezenverklaring is gekomen, behoeft de stelling van de raadsman geen bespreking. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [betrokkene 5] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 4]

De benadeelde partij [betrokkene 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.500,00 ter zake van geleden immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte niet aansprakelijk is voor de schade omdat hij vrijgesproken dient te worden van het onder 1 ten laste gelegde. De vordering dient daarom te worden afgewezen.

Nu uit het voorgaande volgt dat het hof tot een bewezenverklaring is gekomen, behoeft de stelling van de raadsman geen bespreking. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [betrokkene 4] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 6]

De benadeelde partij [betrokkene 6] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.500,00 ter zake van geleden immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte niet aansprakelijk is voor de schade omdat hij vrijgesproken dient te worden van het onder 1 ten laste gelegde. De vordering dient daarom te worden afgewezen.

Nu uit het voorgaande volgt dat het hof tot een bewezenverklaring is gekomen, behoeft de stelling van de raadsman geen bespreking. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [betrokkene 6] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering tot herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling

Bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Breda van 11 oktober 2011, parketnummers

02-800474-11 en 09-900886-10, is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden en is de tenuitvoerlegging bevolen van een bij vonnis van 14 februari 2011 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Op 21 mei 2012 is de verdachte voorwaardelijk in vrijheid gesteld met een proeftijd van 57 dagen (v.i.-periode).

Op 2 juli 2013 heeft het openbaar ministerie in het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend, te weten voor de duur van 57 dagen, op grond dat verdachte de algemene voorwaarde gesteld bij deze voorwaardelijke invrijheidstelling heeft geschonden. De vordering is door de rechtbank geheel toegewezen.

De raadsman heeft zich ten aanzien van deze vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Nu is gebleken dat de verdachte zich gedurende zijn voorwaardelijke invrijheidstelling heeft schuldig gemaakt aan nieuwe strafbare feiten, zoals hiervoor bewezenverklaard, zal het hof de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toewijzen en bepalen dat het gedeelte van de vrijheidsstraf die als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd alsnog moeten worden ondergaan, te weten 57 dagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 15j, 36f, 45, 55, 57, 63, 288, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 1] ter zake van het onder 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.000,00 (zevenduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 1] , ter zake van het onder 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.000,00 (zevenduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 70 (zeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 2] ter zake van het onder 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 2] , ter zake van het onder 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 55 (vijfenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 3] ter zake van het onder 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.311,40 (duizend driehonderdelf euro en veertig cent) bestaande uit € 711,40 (zevenhonderdelf euro en veertig cent) materiële schade en € 600,00 (zeshonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 4 januari 2013.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 3] , ter zake van het onder 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.311,40 (duizend driehonderdelf euro en veertig cent) bestaande uit

€ 711,40 (zevenhonderdelf euro en veertig cent) materiële schade en € 600,00 (zeshonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 (dertien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 4 januari 2013.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 7]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 7] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.920,56 (tweeduizend negenhonderdtwintig euro en zesenvijftig cent) bestaande uit € 420,56 (vierhonderdtwintig euro en zesenvijftig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 7] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.920,56 (tweeduizend negenhonderdtwintig euro en zesenvijftig cent) bestaande uit € 420,56 (vierhonderdtwintig euro en zesenvijftig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 29 (negenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 5] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 5] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 55 (vijfenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 4] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 4] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 55 (vijfenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 6] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.000,00 (zevenduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 6] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.000,00 (zevenduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 70 (zeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat het gedeelte van de bij van vonnis van de rechtbank te Breda van 14 februari 2011 onder parketnummers 02-800474-11 en 09-900886-10 opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel wordt ondergaan.

Aldus gewezen door

mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 22 januari 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer 20130003868 (TGO [naam onderzoek A] ) van politie Midden- en West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 1663.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 2] , pag. 173, 176, 177 en 178.

3 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [betrokkene 1] , pagina 185 en 186.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 192.

5 Het geschrift, zijnde de geneeskundige verklaring betreffende [betrokkene 1] van dr. Van Beurden, d.d. 16 januari 2013, pagina 189.

6 Het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 3] , pagina 195, 196 en 197.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , pagina 280 en 281.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , pagina 282 en 283.

9 Het proces-verbaal verhoor aangever [betrokkene 7] , pagina 254 en 255.

10 Het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 7] , pagina 247 en 248.

11 Het verhoor van [betrokkene 7] bij de rechter-commissaris d.d. 27 januari 2014.

12 Het geschrift, zijnde de geneeskundige verklaring betreffende [betrokkene 7] , pagina 251.

13 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , pagina 292 en 293.

14 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] , pagina 301.

15 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 1325 en 1326.

16 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 1286.

17 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 1326, 1327.

18 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 1329.

19 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 1286 en 1287.

20 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 1327.

21 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 1286.

22 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 1328.

23 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 1286.

24 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 1343 en 1344.

25 De verklaring van getuige [medeverdachte 1] afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 8 december 2017.

26 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 1328.

27 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 1286.

28 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 26 januari 2015.

29 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 8 december 2017.

30 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , pagina 1410 en 1412.

31 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , pagina 1419, 1420 en 1425.

32 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 570 tot en met 572.

33 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 415 en 417.

34 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] , pagina 1007.

35 Het geschrift, zijnde bevindingen verwerking verkeersgegevens door [verbalisant 1] , d.d. 18 september 2013, pagina 579, 580, 584, 586, 587, 588, 589, 590, 592, 593 en 594.

36 Het geschrift, zijnde bevindingen verwerking verkeersgegevens door [verbalisant 1] , d.d. 18 september 2013, pagina 586 tot en met 589.

37 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 356 en 357.

38 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 648 tot en met 650.

39 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 601 tot en met 603.

40 Het relaas proces-verbaal, pagina 36.

41 Het proces-verbaal van de Unit FTO, pagina 55 en 58 van de FTO-map.

42 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 359.

43 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 373.

44 Het proces-verbaal doorzoeking voertuig, pagina 420 en 421.

45 Het geschrift, zijnde een aanvraag onderzoek NFl, pagina 116 van de FTO-map.

46 Het geschrift, zijnde het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van ing. M.J.W. Pouwels van het NFI, d.d. 2 mei 2013, pagina 181, 182, 183 en 185 van de FTO-map.

47 Het proces-verbaal van het onderzoek aan de kabelbinders, pagina 52 van de FTO-map.

48 Het proces-verbaal van onderzoek [adres 6] , pagina 227.

49 Het geschrift, zijnde foto 9 die de politiemotor gezien in de richting van de [adres 10] afbeeldt, pagina 235.

50 Het proces-verbaal van onderzoek [adres 6] , pagina 230.

51 Het geschrift, zijnde foto 12 die de plaats afbeeldt waar de bivakmuts werd aangetroffen, pagina 236.

52 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 216.

53 Het geschrift, zijnde het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek door ing. M.J.W. Pouwels van het NFI, d.d. 5 maart 2013, pagina 155 van de FTO-map.

54 Het geschrift, zijnde de tweede foto waarop het stroomstootwapen is afgebeeld, als bijlage bij het NFI-rapport van 14 januari 2013, pagina 122 van de FTO-map.

55 Het geschrift, zijnde het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek door ing. M.J.W. Pouwels van het NFI, d.d. 5 maart 2013, pagina 150, 156 en 157 van de FTO-map.

56 Het geschrift, zijnde het aanvullend onderzoek naar biologische sporen, haaronderzoek en DNA -onderzoek door ing. M.J.W. Pouwels van het NH, d.d. 22 april 2013, pagina 171 en 172 van de FTO-map.

57 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 469.

58 Het geschrift, zijnde een compositietekening, pagina 470.

59 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer 202m12033/202ml2034 (onderzoek [naam onderzoek B] ) van politie Midden- en West- Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 4436.

60 Het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 4] , pagina 85 tot en met 87.

61 Het proces-verbaal van verhoor aangeefster [betrokkene 4] , pagina 104 en 105.

62 Het geschrift, zijnde een goederenbijlage bij het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 4] , pagina 91 en 92.

63 Het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 4] , pagina 86.

64 Het proces-verbaal tonen selectie bij sequentiële combi-fotobewijsconfrontatie met getuige [betrokkene 4] , pagina 301 t/m 303.

65 Het proces-verbaal van verhoor aangever [betrokkene 5] , pagina 111 tot en met 113.

66 Het proces-verbaal van verhoor aangever [betrokkene 5] , pagina 124 en 125.

67 Het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 5] , pagina 110.

68 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 8] , pagina 238 en 239.

69 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] , pagina 153 en 155.

70 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 207 t/m 209.

71 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 877 en 878. Het nagekomen proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 januari 2015.

72 Het proces-verbaal van bevindingen betreffende een verhoor van [medeverdachte 1] , pagina 832 en 833.

73 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 141.

74 Het proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 213.

75 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 136 en 137. Het geschrift, zijnde het fotoblad van de plaats delict en de directe omgeving, pagina 135.

76 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 138 en 139.

77 Het geschrift, zijnde het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van drs. B.J. Blankers van het NFI, d.d. 21 februari 2013, pagina 222.

78 Het geschrift, zijnde het aanvullend DNA-onderzoek van drs. B.J. Blankers van het NFI, d.d. 12 april 2013, pagina 225.

79 Het geschrift, zijnde het formulier inname goederen t.b.v. sporenvergelijkend onderzoek van de Unit FTO, d.d. 8 juli 2013, pagina 828 en 829.

80 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 859.

81 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 861.

82 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 863.

83 Het geschrift, zijnde een tapgesprek d.d. 11 april 2013 tussen [verdachte] en [getuige 10] , pagina 1801.

84 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] , pagina 561 en 564.

85 De geschriften, zijnde foto’s van verdachte [verdachte] met een machete, pagina 1953 en 1955.

86 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 1952.

87 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 1954.

88 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 529.

89 De geschriften, zijnde getapte telefoongesprekken van 28 mei 2013 en 4 juni 2013, pagina 390 t/m 392, 412 t/m 415 en 448 t/m 451.

90 HR 7 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1318.