Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:207

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
200.196.332_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:2160, Overig
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:4271
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:1024
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Toepassing HR 10 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:411). Tevens toepassing artikel 226 Rv in verband met verlies hoedanigheid advocaat.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 226
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/0
JERF 2018/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.196.332/01

arrest van 23 januari 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] (België),

appellante,

advocaat: aanvankelijk mr. R.A.G. Smeets te Maastricht,

thans niet langer door een advocaat vertegenwoordigd,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.S.J.H. van den Bronk te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 juni 2016 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen vonnis van 9 maart 2016 tussen appellante - [appellante] - (alsmede [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ) als eisers in conventie, verweerders in reconventie en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/03/194295/HA ZA 14-440)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 7 juni 2016;

- de memorie van grieven van [appellante] van 13 september 2016 met producties;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 25 oktober 2016.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

  1. Op [datum] 2005 is overleden de heer [erflater] (verder: de erflater), de vader van [appellante] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (gezamenlijk verder: [appellante] c.s.), en de toenmalig levenspartner van [geïntimeerde] .

  2. De erflater heeft over zijn nalatenschap beschikt bij testament van 11 mei 2004. Hierin heeft de erflater [geïntimeerde] tot zijn enige erfgenaam benoemd en heeft hij aan zijn kinderen, [appellante] c.s., een bedrag in contanten gelegateerd gelijk aan ieders legitieme portie in de nalatenschap en tevens bepaald dat het legaat pas opeisbaar is bij overlijden van [geïntimeerde] , en bij verschillende omstandigheden van financiële aard die zich thans niet voordoen.

  3. Voorts heeft de erflater hierin bepaald dat de vaststelling van de grootte van het legaat en de waardering van de goederen en schulden van de nalatenschap moet geschieden in onderling overleg. [geïntimeerde] is benoemd tot executeur van de nalatenschap.

  4. Partijen zijn er tot op heden niet in geslaagd om overeenstemming te bereiken over de bepaling van de omvang van de nalatenschap en de waardering van de legaten. [appellante] c.s. stellen dat [geïntimeerde] bij de samenstelling en de waardering van de nalatenschap bewust naar een negatief saldo toewerkt.

  5. Op 16 mei 2012 is ten overstaan van notaris [notaris] te [plaats 1] een boedelbeschrijving opgemaakt, voorzien van een vermelding van de eed als bedoeld in artikel 674 sub 7 Rv. [appellante] c.s. betwisten de juistheid van de door [geïntimeerde] opgemaakte notariële boedelbeschrijving.

4.2

Bij dagvaarding van 14 juli 2014 hebben [appellante] c.s. de onderhavige procedure tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt. In deze procedure stellen zij dat de nalatenschap van de erflater een hogere waarde vertegenwoordigt dan door [geïntimeerde] vermeld, hetgeen gevolgen heeft voor de omvang van de legitieme portie waarop de aan hen gelegateerde bedragen zijn gebaseerd. Ook achten zij de door [geïntimeerde] verstrekte informatie niet toereikend. Op grond daarvan vorderden zij in eerste aanleg in conventie, samengevat:

I. vaststelling van de verdeling van de nalatenschap, zoals verwoord in de inleidende dagvaarding;

II. een verklaring voor recht dat de onroerende zaak aan [adres] te [plaats 2] onderdeel uitmaakt van de nalatenschap en dat hieraan een waarde wordt toegekend van € 900.000,=;

III. een verklaring voor recht dat de omvang van de nalatenschap is als omschreven in de inleidende dagvaarding en vaststelling van de legitieme portie van [appellante] c.s. waarop [appellante] c.s. na het overlijden van [geïntimeerde] aanspraak kunnen maken;

IV. veroordeling van [geïntimeerde] om opgave te doen van alle activa en passiva van de nalatenschap, op verbeurte van een dwangsom.

[geïntimeerde] heeft deze vorderingen betwist. In reconventie vorderde zij, samengevat, vaststelling van de waarde en de samenstelling van de nalatenschap overeenkomstig productie 1 bij conclusie van antwoord, in die zin dat de nalatenschap een negatieve waarde heeft en [appellante] c.s. daarom niets hebben te vorderen op grond van hun aanspraken uit hun legaten.

[appellante] c.s. hebben deze vordering op hun beurt bestreden.

4.3

De rechtbank heeft een comparitie van partijen bepaald, die op 28 november 2014 heeft plaatsgevonden. Bij eindvonnis van 9 maart 2016 heeft de rechtbank in conventie en in reconventie de waarde van de aanspraken van [appellante] c.s. uit hun legaten vastgesteld op nihil, met veroordeling van [appellante] c.s. in de proceskosten met nakosten, en met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

4.4

[appellante] woont in België, zodat het geschil internationale aspecten heeft. De rechtbank is terecht en onbestreden uitgegaan van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en van toepasselijkheid van Nederlands recht.

4.5

Alleen [appellante] is in hoger beroep gekomen. Zij verlangt alsnog toewijzing van de vorderingen in conventie. [appellante] heeft haar mede-eisers in conventie/mede-verweerders in reconventie, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , niet in het geding betrokken. In verband hiermee overweegt het hof het volgende.

4.6

De vorderingen in de onderhavige procedure betreffen een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Het gaat daarbij om een beslissing die in dezelfde zin moet luiden ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen. Bij arrest van 10 maart 2017 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:411) beslist dat in een procedure over een processueel ondeelbare rechtsverhouding alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure moeten worden betrokken. Indien daarvan sprake is, kan de rechter slechts een beslissing geven in een geding waarin alle bij de rechtsverhouding betrokkenen partij zijn zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. Laat degene die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding na om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter ook ambtshalve de gelegenheid te geven om de niet opgeroepen personen/persoon alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv (r.o. 3.6.1). Aangezien in dit geval het herstel op deze wijze nog mogelijk is, zal het hof dienovereenkomstig handelen (r.o. 3.7.2).

4.7

Daarnaast geldt het volgende. Het is het hof ambtshalve bekend dat de advocaat van [appellante] , mr. R.A.G. Smeets, sinds 28 april 2017 (nadat op 22 november 2016 dagbepaling arrest in deze zaak had plaatsgevonden) als advocaat is geschrapt. Dat heeft tot gevolg dat na het uitspreken van dit arrest het geding ingevolge het bepaalde in artikel 226 Rv van rechtswege is geschorst en de procedure ambtshalve zal worden doorgehaald. Partijen kunnen op de voet van artikel 228 Rv het geding hervatten in de stand waarin dit zich thans bevindt. Voor [appellante] geldt daarbij dat zij moet worden vertegenwoordigd door een andere advocaat en daartoe opnieuw een advocaat moet stellen omdat zij bij het hof niet in persoon kan procederen.

5 De uitspraak

Het hof:

stelt [appellante] in de gelegenheid [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv;

houdt iedere verdere beslissing aan;

verstaat dat na het uitspreken van dit arrest het geding ex artikel 226 Rv van rechtswege is geschorst;

bepaalt dat de procedure ambtshalve wordt doorgehaald.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en A.J. Henzen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 januari 2018.

griffier rolraadsheer