Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1979

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
200.232.297_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:12459
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:12769
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling.

Ondertoezichtstelling vernietigen. Geen actuele ontwikkelingsbedreiging. Ouders strijden en moeder kampt met psychiatrische problematiek: met de kinderen gaat het echter goed. Kinderen, 15 en 17 jaar oud, vertonen bovendien weerstand tegen ondertoezichtstelling. Ondertoezichtstelling niet effectief gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 8 mei 2018

Zaaknummer : 200.232.297/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/03/235432 / JE RK 17-1018 en C/03/235434 / JE RK 17-1019

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S. Smeets,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    [belanghebbende] , hierna: de moeder, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. J.I.L. Laumans;

  • -

    de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio [regio], hierna: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 18 december 2017, zoals hersteld bij beschikking van 27 december 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 januari 2018, heeft de vader verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal worden beëindigd.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 maart 2018, heeft de moeder verzocht het verzoek de vader niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 april 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Smeets;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mr. [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Laumans;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

2.4.

Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

[minderjarige 2] is niet verschenen, omdat hij vanwege een studiereis in het buitenland verbleef.

2.5.1.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 18 december 2017;

  • -

    productie 9, overgelegd door de advocaat van de vader, ingekomen ter griffie van het hof op 5 februari 2018;

  • -

    het V-formulier van 26 maart 2018 met bijlagen van de advocaat van de vader;

  • -

    het V-formulier van 27 maart 2018 met één bijlage van de advocaat van de moeder;

  • -

    het V-formulier van 28 maart 2018 met één bijlage van de advocaat van de vader;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de moeder overgelegde stukken pleitnota.

2.5.2.

De advocaat van de moeder, mr. Laumans, heeft ter zitting verzocht om het in september 2017 door de GI opgestelde gezinsplan in het geding te brengen. Mr. Laumans heeft toegelicht dat zij hierin zelf arceringen heeft aangebracht om aan te tonen op welke punten dit gezinsplan afwijkt van het gezinsplan van maart 2018 dat wél onderdeel uitmaakt van het procesdossier. Nadat het hof de zitting kort heeft geschorst om zich te beraden, heeft het hof partijen en belanghebbenden medegedeeld dat dit door de vrouw bewerkte gezinsplan niet in de procedure zal worden betrokken. Het hof acht dit in strijd met de goede procesorde, nu de advocaat van de vader, mr. Smeets, zich hier niet op heeft kunnen voorbereiden en dit stuk bovendien in een veel eerder stadium in de procedure ingebracht had kunnen worden.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] .

De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vader en bezoeken de moeder regelmatig.

3.2.

De raad heeft de rechtbank verzocht om een ondertoezichtstelling van de kinderen voor de duur van 12 maanden.

Bij beschikking van 15 juni 2017 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van 19 juni 2017 tot 19 december 2017. Voor de overige termijn is het verzoek aangehouden.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 18 december 2017, zoals hersteld bij beschikking van 27 december 2017, heeft de rechtbank de kinderen onder toezicht gesteld van de GI tot 19 juni 2018 (en daarmee, nu de raad in het inleidend verzoekschrift had verzocht om een ondertoezichtstelling voor de duur van 12 maanden en verder in het licht van hetgeen al eerder was overwogen in bovengenoemde beschikking van 15 juni 2017, voor de resterende periode van 19 december 2017 tot 19 juni 2018).

3.4.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. In zijn appelschrift voert hij, kort samengevat en voor zover thans relevant, het volgende aan.

Het gaat goed met de kinderen, zij ontwikkelen zich leeftijdsadequaat en gaan naar school. Zij hebben rust en stabiliteit gevonden sinds zij bij de vader wonen. De kinderen voelen zich fijn en veilig bij de vader en zij willen rust. Zij willen niet gedwongen worden tot verplichte hulpverlening, gesprekken of therapie. De kinderen hebben zich verzet tegen een voortzetting van de ondertoezichtstelling. De kinderen hebben behoefte om hun eigen keuzes te maken na een voor hen zeer onrustige periode vol spanning en stress. De vader betwist dat de kinderen klem zitten en dat zij zich in een loyaliteitsconflict tussen de ouders zouden bevinden.

De doelen die binnen de ondertoezichtstelling zijn gesteld, zijn grotendeels behaald. Het enige doel dat nog niet is bereikt is ‘het gevoel van veiligheid van de kinderen bij de moeder is niet langer aangetast’. Dit doel valt niet te bereiken met een ondertoezichtstelling.

De ondertoezichtstelling is aangewend voor een onrechtmatig doel, namelijk het kunnen bieden van gedwongen hulpverlening aan de ouders zonder dat er dienaangaande sprake was van een ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen.

De vader laat de kinderen vrij om een onbezorgd contact met de moeder te hebben. De vader beïnvloedt de kinderen niet. De kinderen zijn oud en wijs genoeg om zelfstandig een beeld over de moeder te vormen.

3.5.

De moeder voert in het verweerschrift, kort samengevat, het volgende aan.

Uit de houding van de vader blijkt juist de strijd tussen de ouders en de noodzaak van continuering van de ondertoezichtstelling. Dat de kinderen in hun dagelijks functioneren geen problemen vertonen, wil niet zeggen dat het goed gaat met hen. De moeder maakt zich zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige 2] .

Er is geen enkel doel behaald van de ondertoezichtstelling. Als de ondertoezichtstelling wordt stopgezet, houden de kinderen een negatief beeld over aan de hulpverlening, hetgeen de moeder zorgelijk zou vinden.

Kort na het geven van de beschikking voorlopige voorzieningen is de vader zonder overleg met de moeder met de kinderen naar [woonplaats van de vader] vertrokken en heeft hij de kinderen daar ingeschreven op een school. Met ingang van het schooljaar 2017-2018 heeft hij de kinderen, zonder overleg met de moeder, ingeschreven op een andere school in [woonplaats van de vader] . Over belangrijke zaken (zoals school) vindt tussen de ouders geen overleg/samenwerking plaats. De vader bepaalt eenzijdig hoe de vakanties worden ingevuld en de moeder moet zich daar maar bij neerleggen. Het gedrag van de vader heeft een weerslag op de wijze waarop de kinderen met de moeder omgaan.

Het contact tussen de ouders verloopt nog steeds slecht en ongelijkwaardig. Dat beetje wat wel lukt, komt met name door de bemoeienissen van de GI. Het is van groot belang dat de ondertoezichtstelling niet wordt beëindigd.

3.6.

De raad heeft ter zitting verklaard dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich goed ontwikkelen en dat het weliswaar slimme en wat oudere kinderen zijn, maar dat dat niet wegneemt dat zij nog wel minderjarig zijn. De ouders zouden gezamenlijk moeten regelen hoe de dingen gaan voor de kinderen. De kinderen hebben last van de strijd tussen hun ouders en de raad zou het wenselijk vinden indien de kinderen hulp en begeleiding zouden krijgen bij het leren inrichten van hun leven met deze ouders. De kinderen stellen zich echter weinig open voor de hulp die hun binnen de ondertoezichtstelling kan worden geboden. De bereidheid om mee te werken is onvoldoende. Op nogal wat punten kan getwijfeld worden aan de zin van de ondertoezichtstelling, aldus de raad.

3.7.

De GI heeft ter zitting verklaard de indruk te hebben dat de kinderen veilig opgroeien bij de vader. Hoewel er irritaties bestaan tussen de ouders, hebben de kinderen frequent contact met de moeder. De GI ziet binnen het kader van de ondertoezichtstelling geen taak meer voor zichzelf weggelegd.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

  1. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

  2. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.8.2.

Het ingrijpende karakter van de ondertoezichtstelling brengt mee dat een ernstige bedreiging als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW eerst valt aan te nemen wanneer in de actuele situatie van het kind concrete en niet mis te verstane aanwijzingen voor die bedreiging aan de dag treden. De enkele mogelijkheid van een bedreiging voor de ontwikkeling van het kind biedt onvoldoende basis voor de toepassing van de maatregel van ondertoezichtstelling. Een ondertoezichtstelling is een laatste, uiterste, middel en de ontwikkelingsbedreiging dient op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge

behandeling naar voren komt voldoende concreet te worden gemaakt.

3.8.3.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een zeer turbulente tijd hebben doorgemaakt. Zij hebben te kampen met een moeder die bekend is met ernstige psychiatrische problematiek. Sinds november 2015 heeft de moeder een aantal psychoses gehad (de laatste in februari 2018) en bij herhaling hebben deze psychoses geleid tot gedwongen opnames. [minderjarige 1] is getuige geweest van een psychose van de moeder. Verder is door de jaren heen – na een conflictueuze echtscheiding – de onderlinge verstandhouding en de communicatie tussen de ouders ernstig verstoord geraakt. Dit alles ging in 2017 bovendien gepaard met een verhuizing van de kinderen naar hun vader te [woonplaats van de vader] nadat de kinderen voorheen altijd hun hoofdverblijfplaats bij de moeder in [woonplaats] hadden.

Ondanks deze ingrijpende gebeurtenissen waarmee de kinderen zijn – en thans nog worden – geconfronteerd, lijken de kinderen zich op dit moment goed te ontwikkelen en hebben zij geen gedragsproblemen.

3.8.4.

Het hof overweegt, anders dan de rechtbank, dat in ieder geval [minderjarige 1] in staat lijkt om zelf een objectief beeld te vormen over haar moeder. [minderjarige 1] heeft tijdens het kindgesprek verklaard dat zij regelmatig contact heeft met haar moeder en dat zij zelf een manier heeft gevonden om met haar moeder om te gaan als zij “gek gedrag” vertoont. [minderjarige 1] beseft dat haar moeder ziek is en dat zij niets kan doen aan dit gedrag.

[minderjarige 1] heeft over de ondertoezichtstelling verklaard dat zij niet weet wat de GI nog voor haar, en evenmin voor [minderjarige 2] , kan betekenen. De GI heeft dit ter zitting in hoger beroep onderschreven door te verklaren dat haar rol is uitgespeeld.

3.8.5.

Zoals reeds door het hof overwogen, moet er voor een ondertoezichtstelling sprake zijn van een concrete bedreiging. Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat er op dit moment en ten tijde van de bestreden beschikking onvoldoende aanwijzingen bestaan/bestonden om een ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen aan te nemen, die een ondertoezichtstelling rechtvaardig(d)en. Het neemt hierbij tevens in aanmerking dat er geen zorgen zijn over de (dagelijkse) verzorging en opvoeding van de kinderen door de vader.

Onder de huidige omstandigheden beschouwt het hof een ondertoezichtstelling als een te vergaand middel dat bovendien bij deze kinderen zijn doel voorbij schiet, nu beide kinderen – thans 17 en 15 jaar oud – zich immers verzetten zich tegen de ondertoezichtstelling. Het hof overweegt tot slot dat de ondertoezichtstelling de afgelopen periode niet heeft kunnen bijdragen aan een oplossing van de ernstige communicatieproblemen en het gebrek aan vertrouwen in elkaar tussen de ouders onderling. Ook op dit punt is de ondertoezichtstelling onvoldoende effectief gebleken.

3.8.6.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW, noch ten tijde van de bestreden beschikking noch op dit moment. Dit leidt ertoe dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd en de ondertoezichtstelling zal worden beëindigd.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 18 december 2017, zoals hersteld bij beschikking van 27 december 2017;

en, in zoverre, opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de kinderen voor wat betreft de (resterende) periode van 19 december 2017 tot 19 juni 2018;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, C.D.M. Lamers en L.Th.L.G. Pellis en is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.