Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1978

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
200.206.591_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:4936, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Renvooiprocedure. Beslag op toekomstige vordering. Reikwijdte artikel 475 lid 1 Rv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2018/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.206.591/01

arrest van 8 mei 2018

in de zaak van

[de bank] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. A. Robustella te Ede,

tegen:

[advocaten] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.J. van der Knijff te Breda,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 november 2016 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen vonnis van 3 augustus 2016 tussen appellante - [appellante] - en zeven andere (rechts)personen als verweerders en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/305374 / HA ZA 15-631)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 20 januari 2016.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 2 november 2016;

- de memorie van grieven van [appellante] van 21 maart 2017;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 30 mei 2017.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1

De vaststelling van de feiten in het eindvonnis van 3 augustus 2016 onder 3.1 is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling is hierna opgenomen. Hierin wordt met [appellante] c.s. gedoeld op de acht partijen die in eerste aanleg de wederpartij van [geïntimeerde] vormden en waarvan alleen [appellante] in hoger beroep is gekomen.

  1. [appellante] c.s. hebben in de periode januari 2009/januari 2014 bij verschillende exploten krachtens artikel 475 Rv executoriaal derdenbeslag gelegd voor verschillende geldvorderingen op de heer [derde] op - voor zover hier van belang - alle vorderingen die [derde] op dat moment had of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zou verkrijgen op zijn werkgever, de besloten vennootschap [de vennootschap] (hierna: [de vennootschap] ). De exploten zijn alle uitgebracht op een moment dat [derde] op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst was van [de vennootschap] .

  2. In juni 2014 is een Sociaal Plan tot stand gekomen tussen [de vennootschap] en verschillende vakbonden. In het Sociaal Plan is overeengekomen dat [de vennootschap] ‘boventallige’ werknemers een voorstel zal doen (in de vorm van een concept-beëindigingsovereenkomst) ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met het aanbod om een in het Sociaal Plan bepaalde vergoeding te betalen. Op grond van het Sociaal Plan hebben [de vennootschap] en [derde] een beëindigingsovereenkomst gesloten, waarbij [de vennootschap] zich heeft verbonden om aan [derde] een vergoeding van € 19.700,44 te betalen.

  3. Bij exploot van 28 augustus 2014, nadat [de vennootschap] en [derde] de voormelde beëindigingsovereenkomst hadden gesloten, heeft [geïntimeerde] krachtens artikel 475 Rv executoriaal derdenbeslag gelegd voor een geldvordering op [derde] van € 3.824,06, vermeerderd met rente en kosten, op al hetgeen [derde] van [de vennootschap] op dat moment te vorderen had of uit een ten tijde van het beslag bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zou verkrijgen op zijn werkgever, waaronder expliciet de vordering die [derde] zou verkrijgen uit hoofde van het eindigen van zijn arbeidsovereenkomst met [de vennootschap] .

  4. Op verzoek van [geïntimeerde] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij beschikking van 29 juni 2015 een rechter-commissaris benoemd ten overstaan van wie de verdeling zal plaatsvinden van de door [de vennootschap] aan [derde] verschuldigde beëindigingsvergoeding van € 19.700,44.

  5. Bij beschikking van 22 juli 2015 heeft de rechter-commissaris vastgesteld dat uit de beëindigingsvergoeding de vordering van [geïntimeerde] integraal dient te worden voldaan en dat het na voldoening resterende bedrag aan [derde] zal worden uitbetaald. De rechter-commissaris heeft daarnaast een dag en tijdstip bepaald waarop belanghebbenden tegenspraak kunnen doen.

  6. [appellante] c.s. hebben op de door de rechter-commissaris bepaalde dag tegenspraak gedaan. In het proces-verbaal van rangregeling is vermeld dat [appellante] c.s. worden toegelaten in de rangregeling. De rechter-commissaris heeft de zaak op grond van artikel 486 lid 1 Rv naar de zitting van de rechtbank verwezen teneinde op het geschil te beslissen.

3.2

In de onderhavige procedure vorderde [geïntimeerde] in eerste aanleg een bevel dat de beslagen beëindigingsvergoeding exclusief aangewend dient te worden om daaruit de vordering van [geïntimeerde] op [derde] te voldoen, met veroordeling van [appellante] c.s. in de kosten van de procedure, vermeerderd met rente. Deze vordering is door [appellante] c.s. gemotiveerd bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 20 januari 2016 een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 14 juni 2016 plaatsgevonden. Bij eindvonnis van 3 augustus 2016 heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] toegewezen met veroordeling van [appellante] c.s. in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het vonnis.

3.3

Tegen het eindvonnis van 3 augustus 2016 heeft alleen [appellante] hoger beroep ingesteld. [appellante] heeft tegen dat vonnis twee grieven aangevoerd. Grief I betreft het oordeel van de rechtbank dat voor de beëindigingsvergoeding die [de vennootschap] aan [derde] diende te betalen niet geldt dat deze rechtstreeks voortvloeit uit de rechtsverhouding zoals deze tussen [de vennootschap] en [derde] bestond ten tijde van het door [appellante] gelegde executoriaal beslag. Volgens [appellante] is dat wel het geval en leidt dat ertoe dat de vordering van [geïntimeerde] alsnog afgewezen moet worden. Grief II betreft de beslissing op de vordering van [geïntimeerde] en op de proceskosten.

3.4

Partijen zijn het erover eens dat de kern van het geschil is gelegen in de toepassing van artikel 475 lid 1 Rv op de beëindigingsvergoeding. Deze bepaling houdt de voorwaarden in voor onder meer executoriaal beslag onder derden op vorderingen die de geëxecuteerde (in dit geval: [derde] ) op derden (in dit geval: [de vennootschap] ) mocht hebben of uit een ten tijde van het beslag (in dit geval: gelegd door [appellante] ) reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen. Volgens [appellante] vloeit de beëindigingsvergoeding rechtstreeks voort uit de rechtsverhouding tussen [derde] en [de vennootschap] , namelijk de arbeidsovereenkomst die met de beëindigingsovereenkomst op grond van het Sociaal Plan is geëindigd. Volgens [geïntimeerde] vloeit de vordering van [derde] op [de vennootschap] niet voort uit de arbeidsovereenkomst maar uit de beëindigingsovereenkomst, zodat geen sprake is van een vordering die [derde] ten tijde van het beslag door [appellante] had op [de vennootschap] of die [derde] rechtstreeks uit een toen bestaande rechtsverhouding zou verkrijgen. Als de rechtsverhouding waaruit de aanspraak op de beëindigingsvergoeding voortkomt, is volgens [geïntimeerde] alleen de beëindigingsovereenkomst zelf aan te merken en die bestond nog niet ten tijde van het executoriaal beslag door [appellante] , terwijl uit de rechtsverhouding die toen wel bestond, de arbeidsovereenkomst, die aanspraak niet rechtstreeks voortvloeit. De vraag is daarom hoe in dit geval artikel 475 lid 1 Rv begrepen dient te worden.

3.5

De parlementaire geschiedenis van deze bepaling bevat onder meer de volgende passages:

“Aangestipt werd al dat in artikel 475 lid 1 ook is aangegeven in hoeverre ook toekomstige vorderingen onder het beslag vallen. De gekozen maatstaf eist dat de vordering rechtstreeks zal worden verkregen uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding. Dit komt neer op een handhaving van wat valt af te leiden uit de huidige rechtspraak, zij het dat deze in verband met de terminologie van de huidige wet hier juist spreekt van “reeds bestaande vorderingen”; men zie H.R. 7 juni 1929, N.J. 1929, 1285 en 25 februari 1932, N.J. 1932, 301. Een vordering uit huur of pacht of uit een andere overeenkomst die tot bepaalde toekomstige betalingen verplicht, valt onder het beslag, wanneer de overeenkomst reeds op het tijdstip van het beslag was tot stand gekomen.” (MvT, Parl. Gesch. blz. 155).

“In aansluiting daarop is dan ook zowel het huidige als het nieuwe beslag- en executierecht aldus ingericht dat slechts conservatoir en executoriaal beslag op de tegenwoordige goederen van de schuldenaar is toegelaten, zulks wat het nieuwe recht betreft met één beperkte uitzondering in het door de commissie aangehaalde art. 475 Rv.” (…) “De rechtspraak van de Hoge Raad betreffende beslag op vorderingen gaat immers vooralsnog uit van de hoofdregel dat een derdenbeslag slechts op het tijdstip van het beslag bestaande vorderingen treft. Wel heeft de Hoge Raad ten aanzien van de vraag of een vordering reeds bestaat in zoverre blijk gegeven van een ruime opvatting dat daartoe voldoende is dat de vordering haar “onmiddellijke grondslag” vindt in een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding (H.R. 25 februari 1932, N.J. 1932, 301).” (MvA II, Parl Gesch. blz. 157).

“Ter zake van de gronden waarop is gekozen voor voortzetting van de rechtspraak voor wat betreft het beslag op toekomstige vorderingen, wordt op het volgende gewezen. Enerzijds is het niet wenselijk geoordeeld om beslag op toekomstige vorderingen op ruime schaal toe te staan. Bij de andere beslagvormen is beslag op toekomstige goederen in het geheel niet mogelijk, ook waar overdracht bij voorbaat als toekomstig goed wél is toegestaan. Een zodanig beslag zou neerkomen op een blokkering gedurende langere tijd van het toekomstige vermogen van de schuldenaar, dat deze voor zijn bedrijfsvoering of voor andere toekomstige voorzieningen nodig heeft. Een zodanige blokkering is een te ingrijpende maatregel geacht.” (MvA I, Parl. Gesch. blz. 159).

3.6

Het hof leidt uit de parlementaire geschiedenis van artikel 475 lid 1 Rv, in het bijzonder de hiervoor aangehaalde passages, het volgende af. De wetgever heeft met deze bepaling niet beoogd af te wijken van de hoofdregel dat derdenbeslag alleen bestaande vorderingen treft, met dien verstande dat daaronder op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad mede zijn begrepen vorderingen die hun onmiddellijke grondslag vinden in een reeds bestaande rechtsverhouding. Deze ruime opvatting van het begrip ‘bestaande vorderingen’ is in artikel 475 lid 1 Rv terug te vinden in het begrip ‘rechtstreeks’ in artikel 475 lid 1 Rv. Hiermee is beoogd de reeds geldende interpretatie te handhaven en niet om deze te verruimen, zodat met deze bepaling beslag op toekomstige vorderingen (nog steeds) daartoe beperkt blijft. Wetgeving noch rechtspraak van de Hoge Raad hebben nadien voor een verdere uitbreiding van de mogelijkheden van beslag op toekomstige vorderingen geleid.

3.7

Wanneer de bestaande rechtsverhouding waaruit vorderingen voortvloeien die voor derdenbeslag in aanmerking zouden kunnen komen een arbeidsovereenkomst betreft, vallen binnen het bereik van artikel 475 lid 1 Rv de toekomstige loonbetalingen. Deze voldoen aan de hiervoor vermelde strekking van deze bepaling. De arbeidsovereenkomst voorziet in die betalingen gedurende de looptijd van de overeenkomst. In dit geval voorziet de arbeidsovereenkomst tussen [de vennootschap] en [derde] niet in de beëindiging ervan vanwege de voorgenomen sluiting van de vestiging waar [derde] werkzaam was door middel van een beëindigingsovereenkomst op basis van een Sociaal Plan. De beëindigingsovereenkomst heeft betrekking op de arbeidsovereenkomst in die zin dat zonder de arbeidsovereenkomst ook geen sprake zou zijn geweest van enige overeenkomst ter beëindiging ervan. Dat betekent echter niet dat de vordering tot betaling van een beëindigingsvergoeding die [derde] op grond van de beëindigingsovereenkomst in juni 2014 op [de vennootschap] heeft gekregen aangemerkt die te worden als een vordering die rechtsreeks voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 475 lid 1 Rv en die daardoor zou worden getroffen door de beslagen in de daaraan voorafgaande periode door (onder meer) [appellante] ten laste van [derde] zijn gelegd. De beëindigingsvergoeding valt naar het oordeel van het hof niet onder de vorderingen die getroffen worden door die beslagen, aangezien deze niet behoort tot de toekomstige vorderingen waarop artikel 475 lid 1 Rv in de hiervoor weergegeven interpretatie van die bepaling mede ziet. Op het moment waarop [appellante] c.s. hun beslagen legden, bestond de beëindigingsovereenkomst nog niet. Op dat moment bestond alleen de arbeidsovereenkomst en daaruit vloeide de beëindigingsvergoeding, zoals gezegd, nu juist niet rechtstreeks voort.

3.8

De consequentie van het voorgaande is dat het verweer van [appellante] tegen de vordering van [geïntimeerde] in deze procedure reeds hierop strandt. [appellante] kan ten aanzien van de beëindigingsvergoeding geen rechten ontlenen aan de door haar gelegde beslagen zodat ook de overige argumenten en stellingen van [appellante] , zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, niet tot een ander resultaat kunnen leiden. Het hof komt hiermee tot dezelfde conclusie als de rechtbank in het eindvonnis van 3 augustus 2016, zodat beide daartegen gerichte grieven van [appellante] worden verworpen en dit vonnis wordt bekrachtigd. [appellante] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het eindvonnis van 3 augustus 2016, waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak begroot op € 718,= aan griffierecht en op € 1.074,= aan salaris advocaat, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dit arrest tot aan de voldoening.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 mei 2018.

griffier rolraadsheer