Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1854

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
200.213.005_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:7272, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbitrageclausule leidt, ondanks aanvankelijke betwisting van het bestaan ervan door een eerdere advocaat van de wederpartij, tot onbevoegdheid gewone rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2018/57
NTHR 2018, afl. 4, p. 218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.213.005/01

arrest van 1 mei 2018

in de zaak van

[appellante] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] (Turkije),

appellante,

advocaat: mr. H.J. Sepers te Brielle,

tegen:

1 V.O.F. [v.o.f.] ,

en haar vennoten:

2. [vennoot 1] ,

3. [vennoot 2],

4. [vennoot 3] ,

gevestigd/wonende te [vestigingsplaats/woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. J.J.T. van Stiphout te Helmond.

op het bij exploot van dagvaarding van 4 januari 2017 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gewezen vonnis van 14 december 2016 tussen appellante - [appellante] - als eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak en verweerster in het incident en geïntimeerden - [geïntimeerde c.s.] - als gedaagden in conventie, eisers in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak en eiseres in het incident.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/310037 / HA ZA 16-451)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 4 januari 2017;

- de memorie van grieven van [appellante] van 4 april 2017 met producties;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde c.s.] van 13 juni 2017 met een productie;

- de akte van [appellante] van 25 juli 2017;

- de antwoordakte van [geïntimeerde c.s.] van 22 augustus 2017.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

3.1

Het gaat in dit hoger beroep, samengevat, om het volgende.

  1. [appellante] is producent en exporteur van gedroogd fruit. [geïntimeerde c.s.] drijft een groothandel in voedingsmiddelen.

  2. Na overleg tussen partijen over de bestelling door [geïntimeerde c.s.] van een partij gedroogde [vijgen] vijgen heeft [appellante] op 21 december 2015 per e-mail een overzicht van die bestelling naar [geïntimeerde c.s.] gestuurd, die dat overzicht op 22 december 2015 ondertekend heeft terug gefaxt.

  3. [appellante] heeft daarop conform deze bestelling een door haarzelf getekende koopovereenkomst d.d. 22 december 2015 toegestuurd, met het verzoek deze getekend terug te faxen. In de koopovereenkomst is opgenomen dat de daarin genoemde voorwaarden van toepassing zijn indien de overeenkomst niet binnen 15 dagen ondertekend wordt geretourneerd. Dat laatste is hier het geval.

  4. De koopovereenkomst bevat de bepaling dat arbitrage is aangewezen voor ieder geschil tussen partijen dat voortvloeit uit de overeenkomst of daarmee verband houdt.

  5. De partij gedroogde [vijgen] vijgen is op 29 december 2015 naar [geïntimeerde c.s.] verscheept.

  6. [geïntimeerde c.s.] heeft de partij ontvangen maar deze niet betaald.

  7. In verband met het uitblijven van betaling heeft [appellante] op 13 en 16 juni 2016 ten laste van [geïntimeerde c.s.] conservatoire (derden) beslagen doen leggen.

3.2

Bij dagvaarding van 27 juni 2016 heeft [appellante] de onderhavige procedure tegen [geïntimeerde c.s.] aanhangig gemaakt. In deze dagvaarding stelt [appellante] , kort gezegd, dat zij de partij gedroogde [vijgen] vijgen voor een prijs van € 35.856,= aan [geïntimeerde c.s.] heeft geleverd, maar dat [geïntimeerde c.s.] in gebreke is gebleven de koopprijs te voldoen. Op grond daarvan vorderde [appellante] , samengevat, veroordeling van [geïntimeerde c.s.] tot betaling van het bedrag van € 35.856,=, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 10 maart 2016, met veroordeling van [geïntimeerde c.s.] in de proceskosten met rente en nakosten.

[geïntimeerde c.s.] heeft de vordering van [appellante] bestreden, een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen en, voor het geval deze exceptie geen doel treft, in voorwaardelijke reconventie tegenvorderingen ingesteld. De exceptie van onbevoegdheid baseert [geïntimeerde c.s.] op het arbitragebeding in de koopovereenkomst.

3.3

In het vonnis van 14 december 2016 heeft de rechtbank vastgesteld dat [appellante] een conclusie van antwoord in het incident heeft genomen en deze vervolgens heeft ingetrokken. De (nieuwe/andere) conclusie van antwoord in het incident is door de rolrechter geweigerd. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] niet van antwoord heeft geconcludeerd in het bevoegdheidsincident zodat zij geen verweer heeft gevoerd tegen de incidentele vordering. De rechtbank heeft geoordeeld dat de incidentele vordering moet worden toegewezen omdat de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen en [appellante] veroordeeld in de kosten van het incident en van de hoofdzaak (het griffierecht).

3.4

Grief 1 van [appellante] richt zich tegen de beslissing van de rechtbank om zich op grond van het arbitragebeding onbevoegd te verklaren om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen. Grief 2 betreft de proceskostenveroordeling in het incident en in de hoofdzaak. [appellante] vordert bepaling dat de rechtbank bevoegd is, veroordeling van [geïntimeerde c.s.] in de werkelijk gemaakte advocaatkosten, vergoeding van de door haar betaalde proceskosten met rente en veroordeling van [geïntimeerde c.s.] in de proceskosten met nakosten.

3.5

[geïntimeerde c.s.] heeft de grieven van [appellante] en haar vordering zoals geformuleerd in de memorie van grieven bestreden. In haar memorie van antwoord concludeert [geïntimeerde c.s.] tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, tot verklaring voor recht dat alle gelegde beslagen zijn opgeheven en tot veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep met nakosten en wettelijke rente. Onder de gevorderde kosten zijn begrepen de kosten van een deskundige ten bedrage van € 2.813,95; dit betreft een voorlopig deskundigenbericht dat op verzoek van [geïntimeerde c.s.] is uitgebracht over de kwaliteit van de geleverde vijgen. Die post heeft [appellante] bij akte bestreden.

3.6

[appellante] is gevestigd in Turkije, zodat het geschil internationale aspecten heeft. Met betrekking tot de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vordering kennis te nemen, is de rechtbank er terecht en onbestreden van uitgegaan dat dit het geval is (r.o. 2.1). De vraag is vervolgens of het arbitragebeding ertoe leidt dat die rechter zich onbevoegd moet verklaren.

3.7

Het hof overweegt hierover het volgende. Tussen partijen is (thans) niet in geschil dat het arbitragebeding deel uitmaakt van de tussen hen gesloten koopovereenkomst en dat dit beding op zich meebrengt dat voor de beslechting van eventuele geschillen tussen partijen uitsluitend arbitrage is aangewezen. Volgens [appellante] blijkt uit de correspondentie die voorafgaande aan de dagvaarding in eerste aanleg tussen de (toenmalige) advocaten van partijen is gevoerd, dat partijen zijn overeengekomen de kwestie niet door middel van arbitrage te laten beslechten. Deze correspondentie is confraterneel van aard en om die reden heeft [appellante] de conclusie van antwoord in het incident, waar de correspondentie bijgevoegd was, ingetrokken. In hoger beroep heeft [appellante] , met instemming van de Deken, hier alsnog een beroep op gedaan. Naar het oordeel van het hof kan aan die correspondentie niet de conclusie worden verbonden dat tussen partijen is overeengekomen dat van arbitrage zou worden afgezien en dat de rechter geadieerd zou worden. De advocaat van [appellante] heeft aan de toenmalige advocaat van [geïntimeerde c.s.] de vraag voorgelegd wat diens standpunt was over de vraag of het geschil al dan niet aan arbitrage onderworpen diende te worden. De toenmalige advocaat van [geïntimeerde c.s.] heeft daarop als zijn standpunt kenbaar gemaakt dat tussen partijen geen arbitrage was overeengekomen en, subsidiair, dat het NAI hiertoe niet bevoegd is. Dat standpunt wordt door (de huidige advocaat van) [geïntimeerde c.s.] niet langer ingenomen. Voor dat standpunt zijn ook nergens steekhoudende argumenten aangevoerd of gebleken. De vertolking ervan kan niet worden aangemerkt als een instemming met het afzien van arbitrage of als een voorstel daartoe. [geïntimeerde c.s.] betwist ook dat op dit punt tussen partijen een bepaalde afspraak is gemaakt. [appellante] heeft voor het overige geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat partijen de gestelde afspraak hebben gemaakt, terwijl ook een daarop voldoende toegespitst bewijsaanbod van de kant van [appellante] ontbreekt.

3.8

[appellante] heeft in haar toelichting op grief 1 verder aangevoerd dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [geïntimeerde c.s.] geen beroep zou doen op de arbitrageclausule nu haar advocaat stelde dat geen arbitrage was overeengekomen. Het hof kan [appellante] hierin niet volgen. [appellante] was - terecht – de opvatting toegedaan dat tussen partijen een arbitragebeding gold. Wanneer zij op haar vraag daarover het antwoord krijgt dat geen arbitrage is afgesproken, ligt het op haar weg om daarover uitsluitsel te vragen en zich ervan te vergewissen dat [geïntimeerde c.s.] inderdaad geen beroep op het arbitragebeding zou doen. Dat is evenwel niet gebeurd, waardoor [appellante] er (nog) niet gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat zij het arbitragebeding in een procedure voor de rechtbank niet alsnog tegengeworpen zou krijgen. [appellante] verwijt [geïntimeerde c.s.] een onbehoorlijk procesbeleid te voeren, maar voor dat verwijt bestaat naar het oordeel van het hof onvoldoende grond. Na de ontkenning van een overeenkomst tot arbitrage door de toenmalige advocaat van [geïntimeerde c.s.] behoefde [geïntimeerde c.s.] zich niet het recht te ontzeggen om alsnog het standpunt van [appellante] daarover te onderschrijven en een beroep op het arbitragebeding te doen. Door [geïntimeerde c.s.] is geen afstand gedaan van het recht om dat te doen, terwijl evenmin volgehouden kan worden dat dit als onbehoorlijk procesbeleid aangemerkt zou moeten worden. [appellante] had deze situatie kunnen voorkomen en kan, nu zij dat heeft nagelaten, aan [geïntimeerde c.s.] niet het beroep op het arbitragebeding ontzeggen.

3.9

[appellante] heeft ten slotte aangevoerd dat [geïntimeerde c.s.] zelf is uitgegaan van de bevoegdheid van de rechtbank door een voorlopig deskundigenbericht te verzoeken. Voor deze stelling bestaat geen wettelijke grondslag, gelet op artikel 1022b Rv, waarin is bepaald dat een overeenkomst tot arbitrage niet belet dat een partij de gewone rechter verzoekt (onder meer) een voorlopig deskundigenbericht te bevelen.

3.10

Een en ander brengt het hof tot de conclusie dat grief 1 verworpen dient te worden. Dit betekent dat toewijzing van de incidentele vordering van [geïntimeerde c.s.] tot onbevoegd verklaring in stand blijft.

3.11

Grief 2 betreft de proceskostenveroordelingen in het incident en in de hoofdzaak. Uit de verwerping van grief 1 volgt dat deze proceskostenveroordelingen in stand dienen te blijven. Voor terugbetaling van eventueel door [appellante] betaalde proceskosten bestaat geen grond, terwijl ook voor vergoeding van werkelijk gemaakt advocaatkosten geen grond aanwezig is. Grief 2 wordt eveneens verworpen.

3.12

Nu beide grieven zijn verworpen, zal het vonnis van 14 december 2016 worden bekrachtigd met veroordeling van [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep.

3.13

In de conclusie van haar memorie van antwoord vermeldt [geïntimeerde c.s.] als vordering een verklaring voor recht dat de gelegde beslagen zijn opgeheven. Het hof gaat ervan uit dat hier sprake is van een verschrijving aangezien een dergelijke vordering die verband houdt met de over en weer ingestelde vorderingen in de hoofdzaak en die overigens in het geheel niet is toegelicht, thuishoort in de hoofdzaak en niet in dit incident inzake de (on)bevoegdheid van de gewone rechter. Dat laatste geldt ook voor de kosten van het voorlopig deskundigenbericht die [geïntimeerde c.s.] wil onderbrengen bij de proceskosten in dit incident.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 14 december 2016 waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde c.s.] begroot op € 1.952,= aan griffierecht, op € 1.611,= aan salaris advocaat, en wat betreft de nakosten op € 199,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 299,= indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit arrest tot aan de voldoening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 mei 2018.

griffier rolraadsheer