Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1845

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
200.199.124_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afwikkeling eenvoudige gemeenschap en vorderingen tussen ex-samenlevers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.199.124/01

arrest van 1 mei 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. F.A. Geevers te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. M. Hofland te Breda,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 september 2016 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 20 januari 2016 en 8 juni 2016, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda gewezen tussen de man als eiser in conventie, verweerder in reconventie en de vrouw als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/305838 / HA ZA 15-658)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met productie;

  • -

    de akte van de zijde van de vrouw;

  • -

    de antwoordakte van de zijde van de man.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Partijen hebben vanaf maart 1999 tot 1 maart 2015 een affectieve relatie gehad.

Op 15 februari 2000 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst bevat – voor zover in hoger beroep van belang – de volgende bepalingen:

Gemeenschappelijke huishouding

Artikel 2.

(…)

bPartijen verplichten zich naar evenredigheid van hun netto inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

Onder netto inkomen wordt verstaan het begrip inkomen als bedoeld in de Wet op de Inkomstenbelasting 1964, verminderd met de daarover verschuldigde belasting op inkomen, premieheffing-volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen.

cHet hiervoor in lid b bedoelde gedeelte van het netto-inkomen (of zoveel meer als partijen wensen) wordt gestort op een gemeenschappelijke bank- en/of girorekening en/of in een gemeenschappelijke kas.

Deze gemeenschappelijke bank- en/of girorekening en/of deze gemeenschappelijke kas wordt/worden op naam van beide partijen gesteld; zij zijn daarin ieder voor de helft gerechtigd.

(…)

eIndien het inkomen van partijen niet toereikend is, is iedere partij gehouden naar evenredigheid van zijn/haar netto-vermogen het tekort aan te vullen.

Onder netto vermogen wordt verstaan het begrip vermogen als bedoeld in de Wet op de Vermogensbelasting 1964 verminderd met de daarover verschuldigde belasting op vermogen.

Artikel 3.

(…)

cIndien ter financiering van de door partijen gezamenlijk bewoonde woning en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding een geldlening is aangegaan, wordt de rente gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding (…)

Draagplicht

Artikel 4.

Behoudens het hiervoor bepaalde worden de schulden van partijen gedragen door degene die deze heeft doen ontstaan.

(…)

Gemeenschappelijk bewoonde woning

Artikel 6.

(…)

dIndien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning in mede-eigendom wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan zijn/haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor de helft van het meerdere een vordering hebben op de andere partij. Deze vordering is eerst opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij beëindiging van deze overeenkomst. De vordering zal geen rente dragen.

(…)

Verdeling gemeenschappelijke goederen

Artikel 8.

a. aIndien de overeenkomst eindigt in onderling overleg, door de opzegging als bedoeld in artikel 7 lid a. of lid c. dienen de gemeenschappelijke goederen zo spoedig mogelijk door partijen bij helfte te worden verdeeld.”

3.1.2.

Partijen hebben op 15 februari 2000 de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] (hierna: de woning) in eigendom verkregen.

De vrouw heeft de woning op 15 april 2015 verlaten. De eigendom van de woning is op 30 juni 2015 overgedragen aan derden.

3.1.3.

De man heeft in verband met zijn vermeende vorderingen op de vrouw conservatoir beslag gelegd op het aan de vrouw toekomende deel van de overwaarde van de woning en op haar bankrekeningen.

3.1.4.

De man is directeur-grootaandeelhouder van [de vennootschap 1] (hierna: de BV van de man) en eigenaar van de eenmanszaak [de eenmanszaak] (hierna: de eenmanszaak).

De vrouw was directeur-grootaandeelhouder van [de vennootschap 2] (hierna: de BV van de vrouw.

3.2.1.

De man heeft de vrouw op 13 juli 2015 gedagvaard. Bij de rechtbank heeft de man – kort samengevat – veroordeling van de vrouw tot betaling aan hem van € 80.821,80 te vermeerderen met de wettelijke rente, gevorderd. Aan deze vordering heeft de man – samengevat en voor zover in hoger beroep van belang – het volgende ten grondslag gelegd:

- de door de man gedane investeringen in de woning (vordering sub a);

- een geldlening van de BV van de man (vordering sub b);

- de gedane geldopnames ten laste van de eenmanszaak (vordering sub c);

- de gebruikte spaargelden (vordering sub d);

- een gesloten kredietovereenkomst (vordering sub e);

- de verdeling van de inboedel (vordering sub h).

3.2.2.

De vrouw heeft deze vordering en de grondslagen daarvoor weersproken. Zij heeft daarbij een beroep gedaan op rechtsverwerking aan de zijde van de man en “de redelijkheid en billijkheid”. Daarnaast heeft de vrouw een vordering in reconventie ingesteld. Zij heeft veroordeling van de man tot betaling aan haar van € 20.241,08 te vermeerderen met de wettelijke rente (over een bedrag van € 12.741,08) en contractuele rente (over een bedrag van € 7.500,--) gevorderd. Aan deze vordering heeft de vrouw – samengevat en voor zover in hoger beroep van belang – het bestaan van een drietal geldleningen (ter grootte van respectievelijk € 7.500,--, € 2.420,-- en € 3.078,12 – vorderingen sub l, m en n) en een daaruit voortvloeiend vergoedingsrecht ten grondslag gelegd.

3.2.3.

De man heeft de vordering in reconventie weersproken.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 20 januari 2016 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 8 april 2016.

3.3.2.

In het eindvonnis van 8 juni 2016 heeft de rechtbank (samengevat en voor zover in hoger beroep va belang) de vorderingen van de man onder a, b, c, d en e afgewezen. Over de inboedel (vordering onder h) heeft de rechtbank als volgt overwogen:

“3.28. Partijen zijn ter comparitie overeengekomen dat de vrouw de fiets, het tuingereedschap en de kerststal aan de man zal doen toekomen alsmede de boeken en de miniatuurauto’s zodra zij deze gevonden heeft. De rechtbank vertrouwt erop dat de vrouw deze afspraak nakomt. Het opleggen van een dwangsom blijft derhalve achterwege.”

De reconventionele vordering van de vrouw sub l (geldlening € 7.500,--) is toegewezen omdat de man heeft erkend dit bedrag schuldig te zijn aan de vrouw. De vorderingen sub m en n (de geldleningen van € 2.420,-- en € 3.078,12) zijn afgewezen.

De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd.

3.4.1.

De man heeft tijdig in hoger beroep ingesteld. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis van 8 juni 2016 en opnieuw rechtdoende, gevorderd veroordeling van de vrouw:
i) om binnen twee weken na betekening van het te wijzen arrest:

  1. tegen behoorlijk bewijs van betaling aan de man te voldoen € 71.768,--, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 juli 2015 of een door het hof te bepalen datum;

  2. op straffe van een dwangsom van € 7.500,-- indien de vrouw geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft bij nakoming van het te wijzen arrest, aan de man af te geven onderstaande zaken, in de staat waarin deze zich bevonden in april 2015:

- de fiets;

- het volledige tuingereedschap (waaronder de elektrische grasmaaier en een trimmer);

- een krat en tas met boeken;

- een kerststal;

- miniatuurauto’s;

- speelgoed afkomstig van de familie van de man;

- de door de moeder van de man aan de dochter van partijen gegeven poppen;

ii) in de kosten van de procedure in beide instanties.

De man heeft hiertoe zeven (1 tot en met 7) grieven aangevoerd. Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre de vorderingen van de man toewijsbaar zijn.

3.4.2.

De vrouw heeft de grieven bestreden. Voorts heeft zij incidenteel appel ingesteld. Zij heeft in principaal appel geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep van de man en bekrachtiging van het bestreden vonnis in conventie.

In incidenteel appel heeft zij geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis in reconventie onder 4.9. en opnieuw rechtdoende:

- tot veroordeling van de man om binnen twee weken na betekening van het te wijzen arrest en tegen behoorlijk bewijs van betaling aan haar te voldoen € 5.498,12, althans een door het hof te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 23 december 2015 of een door het hof te bepalen datum.

De vrouw heeft hiertoe één grief (I) aangevoerd.

3.4.3.

De man heeft de grief in het incidenteel appel bestreden.

3.5.1.

De grieven hebben betrekking op:

  • -

    de investeringen in de woning (grief 1);

  • -

    de geldopnames door de eenmanszaak (grief 2);

  • -

    de geldlening door de BV van de man (grief 3);

  • -

    de spaargelden (grief 4);

  • -

    de kredietovereenkomst (grief 5);

  • -

    de inboedel (grief 6);

  • -

    de geldlening van € 7.500,-- (grief 7);

  • -

    de geldleningen van € 2.420,-- en € 3.078,12 (grief I)

Gelet op de onderlinge samenhang zal het hof grief 7 in het principaal appel en grief I in het incidenteel appel gezamenlijk bespreken.

3.5.2.

De man heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 20 januari 2016 en het vonnis van 8 juni 2016. Tegen het vonnis van 20 januari 2016 heeft hij geen grieven gericht, zodat hij in zoverre niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

De investeringen in de woning (grief 1)

3.6.1.

De eerste grief is gericht tegen de rov. 3.6. tot en met 3.8. van het bestreden vonnis.

De man vorderde bij de rechtbank veroordeling van de vrouw tot betaling van € 6.672,50 aan hem vanwege door hem, uit privémiddelen, gedane investeringen in de woning. Partijen zouden een afspraak hebben dat de man uit de verkoopopbrengst van de woning een bedrag van € 11.344,50 zou toekomen. De vrouw betwistte de door de man gestelde afspraak en de gestelde investeringen met privémiddelen in de woning.

De rechtbank oordeelde, samengevat, dat de man zijn vordering alsmede de gestelde afspraak, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd. Deze vordering is afgewezen.

3.6.2.

De man legt aan zijn grief het volgende ten grondslag.

Op 30 juni 2000 heeft de man de eigendom van zijn woning aan de [adres 2] te
[plaats 2] overgedragen aan een derde. De overwaarde van die woning bedroeg € 11.622,19. Deze overwaarde is door de notaris overgemaakt naar de gezamenlijke bankrekening van partijen ( [gezamenlijke bankrekeningnummer van partijen] ). In eerste aanleg heeft de man abusievelijk de helft van dit bedrag gevorderd. Thans vordert hij veroordeling van de vrouw tot betaling aan hem van dit gehele bedrag. Dit bedrag is besteed aan verfraaiingen c.q. verbeteringen van de woning.

Partijen hadden destijds afgesproken dat de overwaarde van die woning zou worden gebruikt om te investeren in de gezamenlijke woning en dat de man bij verkoop van de gezamenlijke woning “eerst recht zou hebben op volledige vergoeding van dat bedrag”. Dit blijkt uit de verklaring van de bij de verkoop van die woning en de aankoop van de gezamenlijke woning van partijen betrokken makelaar (productie D).

De man kan geen stukken overleggen waaruit blijkt dat het bedrag op de gezamenlijke rekening van partijen is ontvangen en hoe het bedrag destijds exact is aangewend, omdat de vrouw de administratie onder zich houdt. Afschriften uit het jaar 2000 kan de man niet meer verkrijgen. Voor zover noodzakelijk biedt de man getuigenbewijs aan waarbij hij als mogelijke getuigen zichzelf, de makelaar en de vrouw noemt.

3.6.3.

De vrouw heeft de grief weersproken. Zij stelt dat het bedrag van € 11.622,19 door de notaris (productie 26 eerste aanleg) is overgemaakt naar de privérekening van de man ( [privérekening van de man] ). De man legt geen stukken over waaruit blijkt dat vanuit zijn privévermogen investeringen zijn gedaan in de woning. Dit was overigens niet nodig omdat de woning “instapklaar” was en geen grote investeringen nodig waren. De vrouw verwijst hiervoor naar een verklaring van de vorige eigenaar (productie E).

3.6.4.

Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief het volgende voorop.

3.6.4.1. Ingevolge art. 150 Rv rust op de man een stelplicht voor wat betreft i) zijn stelling dat hij met privémiddelen € 11.622,19 in de woning heeft geïnvesteerd en ii) zijn stelling dat partijen een afspraak hadden dat hem dit bedrag bij voorrang toekwam in geval van verkoop van de woning. Gelet hierop diende de man alle feiten te stellen die benodigd zijn voor het intreden van het door hem beoogde rechtsgevolg en deze feitelijke stellingen tevens voldoende concreet te onderbouwen. Indien de man aan zijn stelplicht heeft voldaan, dan hoeft hij de door hem gestelde feiten slechts te bewijzen (art. 150 Rv), wanneer de vrouw deze feiten in voldoende mate heeft betwist.

Het hof is van oordeel dat de man ook in hoger beroep niet aan de op hem rustende stelplicht heeft voldaan, mede bezien in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw. Het hof overweegt daartoe als volgt.

3.6.4.2. Onduidelijk is op welk bankrekeningnummer het bedrag van € 11.622,19 (waarvan niet in geschil is dat dit enkel aan de man toekwam) is overgemaakt; bankafschriften van de rekeningen van partijen waaruit dit kan blijken ontbreken en de afrekening van de notaris vermeldt, anders dan de vrouw betoogt, geen rekeningnummer waarnaar dit bedrag zou zijn overgemaakt. Deze onduidelijkheid kan echter de man noch de vrouw baten. Het geschil gaat immers over de vraag of de man met privémiddelen heeft geïnvesteerd (curs. hof) in de woning (en vervolgens, indien dit kan worden vastgesteld, of de man daarvoor een vergoedingsrecht toekwam).

3.6.4.3. De man heeft gesteld dat de vrouw de administratie onder zich heeft en hij ook (via de bank) geen rekeningoverzichten meer kan verkrijgen en daarom moet worden geoordeeld dat hij aan zijn stelplicht heeft voldaan. Die stelling berust op een onjuiste rechtsopvatting van het bepaalde in art. 150 Rv. De man diende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, in ieder geval enige (verificatoire) concrete onderbouwing van zijn stelling(en) in het geding te brengen. Daarbij kon gedacht worden aan facturen van de aan de woning aangebrachte verfraaiingen c.q. verbeteringen en alsmede enige andere aanwijzingen (bijvoorbeeld een bouwkundig rapport of verkoopbrochure van de woning waaruit volgde dat verbeteringen van de woning noodzakelijk waren). De man heeft dit nagelaten. De man heeft zelfs nagelaten te vermelden welke verfraaiingen c.q. verbeteringen in de woning zijn aangebracht , zodat het hof geen enkel beeld heeft waaraan het bedrag van € 11.622,19 is besteed. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat de man voornoemd bedrag (volledig) heeft geïnvesteerd in de woning (hierbij zij er overigens nog op gewezen dat ook niet is vast te stellenen of deze gestelde verfraaiingen c.q. verbeteringen wel aan te merken zijn als investeringen in de zin van de afspraak waarop de man zich beroept; ook dat heeft de vrouw betwist).

Nu de man niet heeft voldaan aan zijn stelplicht voor wat betreft de investeringen in de woning (zijn eerste stelling) komt het hof niet toe aan het bewijsaanbod van de man. De eerste grief faalt.

De geldopnames door de eenmanszaak (grief 2)

3.7.1.

In eerste aanleg vorderde man op grond van art. 3 lid c samenlevingsovereenkomst € 29.978,07 (€ 49.073,67 + wettelijke rente € 8.882,46 / 2) omdat in 2010 de rekening-courant van zijn eenmanszaak is aangesproken voor de kosten van de huishouding van partijen. De vrouw heeft de toepasselijkheid van art. 3 lid c betwist. Voorts heeft zij betoogd dat de man onvoldoende heeft gesteld en zijn vordering niet heeft onderbouwd.

De rechtbank oordeelde (in rov. 3.14) dat niet art. 3 lid c maar art. 2 lid b van de samenlevingsovereenkomst van toepassing is. Hiertoe overwoog de rechtbank:

“De eenmanszaak heeft immers geen afgescheiden vermogen ten aanzien waarvan de man een schuld in rekening-courant kan aangaan. De gelden gegenereerd met de eenmanszaak, waarvan de man stelt dat deze aan de huishouding zijn besteed, kunnen dan ook slechts worden opgevat als inkomsten in de zin van artikel 2.”

Op grond van art. 2 is volgens de rechtbank aanleiding tot vergoeding aan de ander, wanneer een partij meer heeft bijgedragen dan waartoe hij moest bijdragen. Die afrekening heeft niet periodiek plaatsgevonden. De rechtbank oordeelde vervolgens:

“Het is in strijd met de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheerst, dat de man daar thans op terug zou kunnen komen.”

Voor zover de vordering van de man zou zien op het laatste jaar voorafgaand aan de datum van de dagvaarding overwoog de rechtbank:

“dat de man volstrekt niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de hoogte van zijn inkomen uit de eenmanszaak is geweest, zodat de rechtbank niet kan beoordelen of de besteding daarvan naar evenredigheid is geschied in relatie tot het inkomen van de vrouw als bedoeld in artikel 2. Het daartoe door de man als productie 28 in het geding gebrachte, zelf opgestelde, overzicht is in dit verband onvoldoende. De rechtbank kan hieruit het door de man gevorderde bedrag, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet herleiden.”

De rechtbank is aan het niet gespecificeerde bewijsaanbod van de man voorbij gegaan en de vordering is afgewezen.

3.7.2.

De grief van de man richt zich tegen rov. 3.14. en in het bijzonder de afwijzing van de vordering. De man legt aan zijn grief het volgende ten grondslag.

De samenlevingsovereenkomst van partijen bevatte de verplichting om naar rato van het inkomen bij te dragen aan de gezamenlijke kosten van de huishouding en, als het inkomen ontoereikend was, dat tekort aan te vullen (art. 2 lid e). De overeenkomst bevat geen bepaling voor de onderlinge afrekening tussen partijen, maar wel dat partijen bij het einde van de overeenkomst de gezamenlijke goederen (inclusief de schulden) bij helfte delen (art. 8a).

Het gezamenlijk inkomen van partijen was ontoereikend om de kosten van de huishouding te dekken. Vanuit de eenmanszaak zijn tekorten aangevuld. Indien de ene partij meer heeft bijgedragen dan hetgeen waartoe hij moest bijdragen, is sprake van een vergoedingsrecht. Het ligt niet voor de hand tussentijds onderling “af te rekenen” om de volgende rekenen:

  • -

    er zijn geen afspraken gemaakt over tussentijdse vergoedingen;

  • -

    de samenlevingsovereenkomst bevat een verrekenbeding dat gaat gelden bij het einde van de overeenkomst;

  • -

    sprake was van een structureel tekort en dan ligt het niet voor de hand dat partijen onderlinge vorderingen gaan berekenen.

Het is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid als de man achteraf zijn aanspraken kenbaar maakt. De vrouw wist dat sprake was van tekorten en dat de man die tekorten aanzuiverde, terwijl de vrouw gelden overmaakte naar haar privéspaarrekening in plaats van naar de gezamenlijke betaalrekening van partijen. In 2013 heeft de vrouw circa € 10.000,-- naar haar privérekening overgeboekt, terwijl de man ongeveer € 8.000,-- vanuit zijn ondernemingen heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding (producties E). In totaal heeft de man vanuit zijn eenmanszaak € 49.073,67 bijgedragen aan de kosten van de huishouding. Beiden waren gehouden om naar rato van hun inkomen tekorten aan te vullen; de man heeft derhalve meer bijgedragen dan hij behoorde te doen. De vrouw dient de man de helft van voornoemd bedrag (€ 24.536,--) te vergoeden. Voor zover nodig doet de man een bewijsaanbod van zijn stelling dat partijen meer hebben uitgegeven dan zij ontvingen en gebruik hebben gemaakt van gelden uit hun ondernemingen en in het bijzonder uit de ondernemingen van de man.

3.7.3.

De vrouw heeft de grief bestreden. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De man heeft nagelaten inzichtelijk te maken wat zijn inkomen uit zijn eenmanszaak is geweest. Het hof kan daarom niet beoordelen of de besteding daarvan naar evenredigheid is geschied in relatie tot het inkomen van de vrouw. De man genereerde vanuit meerdere bronnen inkomsten waardoor de inkomenspositie van de man voor de vrouw niet inzichtelijk was. Een verdeling van de kosten van de huishouding betreft een verdeling naar rato van het inkomen en geen verdeling bij helfte zoals de man blijkens zijn grief voorstaat.

Indien de man direct geld aan derden heeft betaald, heeft hij hiermee een andere invulling gegeven aan hetgeen partijen in art. 2 van de samenlevingsovereenkomst zijn overeengekomen.

De omstandigheid dat partijen niet tussentijds hebben afgerekend kan de vrouw niet worden tegengeworpen noch verweten. Onderlinge verrekening dient periodiek plaats te vinden na het verstrijken van ieder kalenderjaar. In geval van een structureel tekort ter dekking waarvan de man het krediet in zijn eenmanszaak aansprak, lag het op de weg van de man de vrouw daar op te wijzen, zodat partijen passende maatregelen hadden kunnen treffen.

De lijst met uitgaven (productie E) die zijn gedaan ten laste van de eenmanszaak betreft uitgaven over de periode van 2010 tot en met 2013.

3.7.4.

Het hof overweegt als volgt.

De man stelt, kort gezegd, dat hij € 49.073,67 uit zijn eenmanszaak heeft bijgedragen aan de huishouding. In geschil is of de man op grond van die betaling een vordering van € 24.536,-- heeft op de vrouw krachtens het bepaalde in de samenlevingsovereenkomst.

De rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door de tussen hen gesloten samenlevingsovereenkomst. In deze samenlevingsovereenkomst zijn partijen in art. 2 overeengekomen dat zij zich verplichten naar evenredigheid van hun netto inkomen bij te dragen in de kosten (en tekorten) van de gemeenschappelijke huishouding. Dit betekent dat slechts voor zover een van partijen meer aan de kosten van de huishouding heeft bijgedragen dan waartoe die partij op grond van de hoogte van diens netto inkomen in relatie tot de kosten van de huishouding was gehouden, een vorderingsrecht ontstaat.

Voor zover al juist zou zijn dat de bedragen die de man in zijn productie E heeft opgesomd alle ten goede zouden zijn gekomen aan de kosten van de huishouding van partijen (hetgeen door de vrouw voor wat betreft de geldopnamen en de betaling inkomstenbelasting 2009 is betwist), is het enkel doen van die uitgaven (ongeacht of dit noodzakelijk was omdat partijen “op grote voet leefden”) onvoldoende om een vorderingsrecht van de man te kunnen vaststellen. De man, op wie krachtens het bepaalde in art. 150 Rv de stelplicht (en indien hij hieraan heeft voldaan en de vrouw zijn stellingen genoegzaam heeft betwist ook de bewijslast) rust (het hof verwijst naar zijn rov. 3.6.4.1. hiervóór), heeft hiertoe onvoldoende gesteld. Hij heeft immers in ieder geval nagelaten de omvang van zijn totale netto inkomen en de totale omvang van de kosten van de huishouding op te geven, zodat het hof niet kan vaststellen of sprake is van een bijdrage van de man (vanuit zijn eenmanszaak) die het evenredig aandeel waartoe de man gehouden is te boven gaat (in relatie tot het inkomen van de vrouw) en, indien dit het geval is, voor welk gedeelte. Reeds op deze grond faalt de tweede grief en behoeft deze grief geen nadere bespreking en komt het hof niet toe aan het bewijsaanbod van de man.

De geldlening door de BV van de man (grief 3)

3.8.1.

De derde grief richt zich tegen de rov. 3.9. tot en met 3.11. van het bestreden vonnis. In eerste aanleg vorderde de man € 33.554,78 (de helft van € 58.779,93 vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 3 samenlevingsovereenkomst). De inkomsten ten tijde van de samenleving waren volgens de man onvoldoende om de kosten van de huishouding te voldoen. Vanuit de rekening-courant van de BV van de man is € 28.449,-- overgemaakt naar de gezamenlijke rekening van partijen, € 175,-- naar de privérekening van de vrouw en € 30.155,93 aan derden. De vrouw heeft de vordering van de man weersproken.

De rechtbank overwoog:

“De man vordert thans een vergoeding van de vrouw voor de helft van die schuld op grond van artikel 3 lid c van de samenlevingsovereenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bewoordingen van artikel 3 lid c voor geen andere uitleg vatbaar dan dat dit artikel ziet op roerende zaken die door partijen zijn aangeschaft ten behoeve van de huishouding, waarbij te denken valt aan een auto, witgoed, meubels en dergelijke. Dit blijkt ook uit de overige bewoordingen van artikel 3 lid c waarin wordt gesproken over aflossing naar deelgerechtigdheid in de eigendom van deze zaken. Uit het overzicht dat de man als productie 24 in het geding heeft gebracht blijkt, naast een aantal onduidelijke bestedingen, wel van uitgaven in de supermarkt en geldopnames in de vakantie, maar niet van aanschaf van zaken in voornoemde zin. Het algemene bewijsaanbod van de man wordt gepasseerd. Dit betekent dat de vordering sub b van de man wordt afgewezen.”

3.8.2.

De man bestrijdt voornoemd oordeel. Hij voert hiertoe het volgende aan.

Wanneer een van de partners meer bijdraagt dan waartoe hij op basis van de inkomensverhouding gehouden is, is reden voor onderlinge verrekening. De redelijkheid en billijkheid verzetten zich er niet tegen dat die verrekening achteraf, over een periode van vijf jaren, plaatsvindt.

De man heeft uit zijn BV van 2010 tot en met 2015 betalingen ter grootte van € 58.779,93 gedaan voor de huishouding van partijen. De man verwijst hiervoor naar zijn productie G (een overzicht van de betalingen) en productie 24 eerste aanleg (bankrekeningoverzichten).

Deze betalingen zijn gelijk te stellen aan “inkomen” van de man zoals bedoeld in art. 2 van de samenlevingsovereenkomst.

De schuld is – ten minste voor de helft – door de vrouw veroorzaakt. Zij was, net zoals de man, verantwoordelijk voor de omvang van de kosten van de huishouding en voor het feit dat die kosten te hoog waren. Zij was ermee bekend dat extra gelden uit de BV van de man werden gebruikt om de kosten van de huishouding te bestrijden. Bovendien heeft zij ervoor gezorgd dat geld ongebruikt bleef (het hof begrijpt: doordat zij gelden overmaakte naar haar privérekening). De vrouw heeft de schuld van € 58.779,93 daarom (mede) doen ontstaan. Zij dient deze schuld voor ten minste de helft te dragen krachtens het bepaalde in art. 4 van de samenlevingsovereenkomst.

Beide partijen waren gehouden om naar rato van hun inkomen de ontstane tekorten aan te vullen (art. 2 lid e) en de man heeft meer bijgedragen dan hij behoorde te doen. De “naar rato bijdragen” komt in dit geval neer op een verdeling bij helfte, zodat de vrouw € 29.389,-- aan de man moet voldoen.

3.8.3.

De vrouw handhaaft ten aanzien van deze vordering haar standpunt zoals verwoord in rov. 3.7.3. dat er kort gezegd op neer komt dat de man niet inzichtelijk heeft gemaakt wat zijn inkomen (uit de BV) is geweest, zodat het hof niet kan beoordelen of de besteding daarvan naar evenredigheid is geschied in relatie tot het inkomen van de vrouw. Bovendien bevat de door de man opgestelde lijst (productie G) bevat onjuistheden en onduidelijkheden.

Voorts voert de vrouw aan dat de BV een afgescheiden vermogen heeft en dat de schuld van de BV niet in enige gemeenschap van goederen valt. De man is aansprakelijk voor de aflossing van de schuld van de BV en kan deze schuld niet (voor de helft) op de vrouw verhalen.

Ten slotte ontkent de vrouw dat zij bekend was met het aanwenden van extra gelden uit de BV van de man om de kosten van de huishouding te bestrijden. Het inkomsten- en uitgavenpatroon van de man was voor haar onduidelijk. De uitgaven ten laste van zijn BV zijn een eigen keuze van de man geweest. De vrouw is niet verantwoordelijk voor het ontstaan van de rekening-courantschuld van de man aan zijn BV.

3.8.4.

Het hof overweegt als volgt.

In geschil is of de man ten laste van zijn BV (door het opbouwen van een rekening-courantschuld) uitgaven voor de kosten van de huishouding van partijen heeft gedaan ter grootte van € 58.779,93 en voorts of hij daarom op grond van de samenlevingsovereenkomst een vordering op de vrouw heeft ter grootte van de helft van dat bedrag.

3.8.4.1. Uit de grief van de man leidt het hof af dat de man een tweetal grondslagen voor zijn vordering aanvoert: het bepaalde in art. 2 onder b (partijen moeten naar evenredigheid van hun netto inkomen een bijdrage leveren aan de kosten van de huishouding) en het bepaalde in art. 4 (schulden van partijen worden gedragen door degene die deze heeft doen ontstaan).

Artikel 2 lid b samenlevingsovereenkomst

3.8.4.2. Voor wat betreft de door de man gedane uitgaven ten laste van zijn BV heeft hetgeen te gelden dat het hof reeds heeft overwogen ten aanzien van de uitgaven ten laste van de eenmanszaak. Het hof verwijst naar zijn rov. 3.7.4. hiervóór. In zoverre faalt grief 3.

Artikel 4 samenlevingsovereenkomst

3.8.4.3. Artikel 4 vormt een uitzondering op voorgaande bepalingen: “Behoudens het hiervoor bepaalde worden schulden van partijen gedragen door degene die deze heeft doen ontstaan”. Voorgaande bepalingen (de artikelen 3 en 4) hebben betrekking op de kosten van de huishouding.

Voor zover dit artikel van toepassing zou zijn, en derhalve sprake zou zijn van andere schulden dan schulden die verband houden met de kosten van de huishouding, kan het beroep van de man op deze bepaling hem niet baten. Het artikel bepaalt immers dat iedere partij draagplichtig is voor de schulden die hij of zij is aangegaan. Niet in geschil is dat de man de rekening-courantverhouding met zijn BV is aangegaan. De rekening-courant heeft de man aldus doen ontstaan. Dat dit (en wel voor een bedrag van € 58.779,93) mogelijk door toedoen van de vrouw is geschied, is door de vrouw gemotiveerd weersproken en door de man niet genoegzaam onderbouwd, zodat dit – nog daargelaten of art. 4 grondslag biedt voor de mogelijkheid dat schulden die zijn aangegaan door de man krachtens die bepaling bij helfte moeten worden gedragen door de vrouw – niet is komen vast te staan. Grief 3 faalt daarom.

De spaargelden (grief 4)

3.9.1.

In eerste aanleg heeft de man gesteld dat van de gezamenlijke spaarrekening bij de ING een bedrag van € 14.834,-- is doorgestort naar de privérekening van de vrouw ( [de privérekening van de vrouw] ). De vrouw heeft € 5.740,-- teruggestort naar de gezamenlijke rekening. Volgens de man dient het restant (€ 9.094,--) op grond van art. 2 van de samenlevingsovereenkomst bij helfte te worden verdeeld. De man vordert € 4.547,--.

De rechtbank heeft die vordering afgewezen. Zij overwoog hiertoe als volgt (rov. 3.16):

“In het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw acht de rechtbank de enkele stelling van de man dat er € 14.834,= is gestort op de privérekening van de vrouw onvoldoende (met stukken) onderbouwd. de man verwijst ter onderbouwing van zijn vordering naar een door hem zelf opgesteld overzicht, maar hieruit kan zonder nadere toelichting en specificatie niet worden afgeleid dat het betreffende bedrag is overgemaakt naar de vrouw. Nu de man niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, komt de rechtbank niet toe aan een bewijsopdracht.”

3.9.2.

De man betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn vordering heeft afgewezen. Hij voert hiertoe het volgende aan. Uit productie H blijkt dat tussen maart 2012 en februari 2015 in totaal 18 overboekingen van de gezamenlijke rekening naar de privérekening van de vrouw hebben plaatsgevonden. De totale waarde daarvan bedroeg € 14.834,--. In diezelfde periode zijn er 10 overboekingen geweest van de rekening van de vrouw naar de gezamenlijke rekening van partijen voor een bedrag van € 5.740,--.

De vrouw heeft geld onttrokken aan het huishouden. De helft van het totale bedrag dat de vrouw naar zichzelf heeft overgemaakt (€ 14.834,-- -/- € 5.740,-- / 2 = € 4.547) dient de vrouw aan de man te voldoen.

3.9.3.

De vrouw stelt dat de man in hoger beroep enkel dezelfde lijst met overboekingen overlegt als in eerste aanleg. Die lijst bevat onjuiste informatie.

3.9.4.1. Het hof stelt op grond van de overgelegde afschriften van de gezamenlijke bankrekening van partijen ( [gezamenlijke bankrekeningnummer van partijen] ) vast dat de volgende bedragen aan de vrouw zijn overgemaakt:

  • -

    1 maart 2012 € 500,--

  • -

    11 september 2012 € 4.250,--

  • -

    21 februari 2013 € 1.850,--

  • -

    5 maart 2013 € 100,--

  • -

    27 maart 2013 € 10,--

  • -

    15 april 2013 € 100,--

  • -

    17 mei 2013 € 430,--

  • -

    6 juni 2013 € 3.000,--

  • -

    19 augustus 2013 € 150,--

  • -

    30 september 2013 € 75,--

  • -

    20 februari 2014 € 50,--

  • -

    2 april 2014 € 100,--

  • -

    21 mei 2014 € 40,--

  • -

    30 mei 2014 € 139,--

  • -

    30 mei 2014 € 250,--

  • -

    18 juni 2014 € 90,--

  • -

    13 februari 2015 € 1.900,--

  • -

    19 december 2015 € 1.800,--

Totaal € 14.834,--

Door de vrouw zijn de volgende bedragen van haar privérekening naar de gezamenlijke rekening overgemaakt:

  • -

    21 september 2012 € 400,--

  • -

    17 oktober 2012 € 500,--

  • -

    31 oktober 2012 € 500,--

  • -

    28 november 2012 € 1.200,--

  • -

    4 december 2012 € 300,--

  • -

    28 december 2012 € 600,--

  • -

    1 februari 2013 € 500,--

  • -

    21 februari 2013 € 1.200,--

  • -

    25 maart 2013 € 500,--

  • -

    18 juni 2014 € 40,--

Totaal € 5.740,--

3.9.4.2. De vrouw heeft een aantal overboekingen gemotiveerd betwist. Het gaat om de volgende overboekingen. Het hof oordeelt hierover als volgt.

Overboeking 21 maart (het hof begrijpt: februari) 2013 € 1.850,--

De vrouw betwist dat dit bedrag naar haar privérekening is overgemaakt, maar dat verweer kan niet slagen nu uit het afschrift betaalrekening blijkt dat op 21 februari 2013 € 1.850,-- is overgemaakt naar bankrekeningnummer [de privérekening van de vrouw] , het privérekeningnummer van de vrouw.

Overboeking 21 (het hof begrijpt: 11) september 2012 € 4.250,--

De vrouw stelt dat dit de ontslagvergoeding van de vrouw betreft. Nu uit dit afschrift betaalrekening blijkt dat op dezelfde data aan de vrouw een ontslagvergoeding van € 4.362,99 is overgemaakt, afkomstig van haar voormalige werkgever [de voormalige werkgever van de vrouw] , moet het ervoor worden gehouden dat het door haar overgeboekte bedrag van € 4.250,-- afkomstig is van de haar toekomende ontslagvergoeding waartoe de man niet was gerechtigd.

Overboeking 21 februari 2013 € 1.850,--

De stelling van de vrouw dat deze overboeking het salaris van de vrouw betrof dat volgens haar per abuis op de gezamenlijke rekening was gestort, volgt uit het betreffende afschrift. Op 21 februari 2013 is vanuit de BV van de man een bedrag van € 1.850,-- met de vermelding “cross” overgemaakt naar de gezamenlijke rekening van partijen. Nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij werkzaamheden heeft verricht voor Cross, moet het ervoor worden gehouden dat het bedrag van € 1.850,-- haar salaris betrof. De man is niet gerechtigd tot dit bedrag.

Overboeking 6 juni 2013 € 3.000,--

Deze overboeking betrof volgens de vrouw een gedeelte van de opbrengst van verkoop van de auto van de man. De totale verkoopopbrengst bedroeg € 3.750,--. De vrouw vermoedt weliswaar dat partijen hebben afgesproken dat deze opbrengst tijdelijk op de spaarrekening (kennelijk de spaarrekening van de vrouw) zou worden geparkeerd, maar die betwisting van de stelling van de man dat de vrouw ten onrechte bedragen naar zichzelf heeft overgemaakt, acht het hof van onvoldoende gewicht temeer nu het de auto van de man betrof. De man is derhalve mede gerechtigd tot dit bedrag.

Overboeking 19 december 2014 € 1.800,--

Van deze overboeking meent de vrouw zich te herinneren dat het de teruggave inkomstenbelasting 2011 betrof. Nu deze stelling niet door de vrouw op enige wijze is onderbouwd, treft dit verweer geen doel. De man is derhalve mede gerechtigd tot voornoemd bedrag.

Overboeking 13 februari 2015 € 1.900,--

Uit het afschrift van de betaalrekening d.d. 17 februari 2015 blijkt dat de belastingdienst op 13 februari 2015 ten titel van teruggaaf IB/PVV ten behoeve van de vrouw (“ [geïntimeerde] ”) een bedrag van € 2.903,-- heeft overgemaakt naar de gezamenlijke bankrekening van partijen. De vrouw heeft hiervan op dezelfde datum, zo heeft zij gesteld en zo volgt ook uit voornoemd afschrift, een bedrag van € 1.900,-- overgemaakt naar haar privérekening. Tot dat bedrag is de man naar het oordeel van het hof niet gerechtigd.

Saldi spaarrekening

De vrouw heeft ten slotte betoogd – althans zo begrijpt het hof haar betoog – dat de gelden die zij heeft overgemaakt van de gezamenlijke bankrekening naar haar privérekening zijn uitgegeven aan de kosten van de huishouding en de kinderen en daarmee zijn verbruikt (productie 11 bij conclusie van antwoord tevens houdende verzoek in reconventie). Productie 11 betreft een veelheid aan bankafschriften. Zonder nadere toelichting (zoals een verwijzing naar relevante betalingen), die ontbreekt, is het hof niet in staat vast te stellen in hoeverre de vrouw de door zichzelf naar haar privérekening overgemaakte gelden (volledig) heeft aangewend voor de kosten van de huishouding en kinderen. Dit verweer kan derhalve geen doel treffen.

3.9.4.3. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de vrouw de volgende bedragen van de gezamenlijke rekening heeft overgeboekt naar haar privérekening zonder daartoe, met uitsluiting van de man, gerechtigd te zijn:

  • -

    1 maart 2012 € 500,--

  • -

    5 maart 2013 € 100,--

  • -

    27 maart 2013 € 10,--

  • -

    15 april 2013 € 100,--

  • -

    17 mei 2013 € 430,--

  • -

    6 juni 2013 € 3.000,--

  • -

    19 augustus 2013 € 150,--

  • -

    30 september 2013 € 75,--

  • -

    20 februari 2014 € 50,--

  • -

    2 april 2014 € 100,--

  • -

    21 mei 2014 € 40,--

  • -

    30 mei 2014 € 139,--

  • -

    30 mei 2014 € 250,--

  • -

    18 juni 2014 € 90,--

  • -

    19 december 2015 € 1.800,--

Totaal € 6.834,--

De vrouw heeft reeds een bedrag van € 5.740,-- naar de gezamenlijke bankrekening overgemaakt. Dientengevolge is de man nog gerechtigd tot een bedrag van € 547,-- (€ 6.834 -/- € 5.740 = 1.094 / 2 = 547,--). De vrouw zal worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan de man, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in dezen te wijzen arrest. De vierde grief slaagt gedeeltelijk.

De kredietovereenkomst (grief 5)

3.10.1.

De vijfde grief richt zich tegen de rov. 3.17. en 3.18. van het bestreden vonnis. Hierin overwoog de rechtbank, naar aanleiding van de vordering van de man tot veroordeling van de vrouw om de helft van een openstaand saldo (€ 6.289,98 / 2 = € 3.144,99) van een door de man in 1999 afgesloten Variabel Krediet bij de ING Bank (nr. [rekening variabel krediet in de ING Bank] ) aan hem te voldoen als volgt:

“De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat het krediet alleen door de man is aangegaan en enkel op zijn naam staat. De man vordert thans een vergoeding van de vrouw voor de helft van die schuld op grond van artikel 3 lid c van de samenlevingsovereenkomst. Zoals hiervoor onder 3.11 is overwogen ziet dit artikel op roerende zaken die door partijen zijn aangeschaft ten behoeve van de huishouding. De man heeft echter nagelaten enig begin van onderbouwing te geven voor de stelling dat het krediet is aangewend voor dergelijke zaken. De vordering wordt afgewezen.”

3.10.2.

De man heeft schulden gemaakt om te kunnen voorzien in de kosten van de huishouding. Hij heeft een “Variabel Doorlopend Krediet” afgesloten dat tijdens het uiteengaan van partijen opgenomen was voor een bedrag van € 6.289,98 (productie 1 bij dagvaarding eerste aanleg). De vrouw dient de man de helft van dit saldo te vergoeden.

3.10.3.

De vrouw heeft de grief weersproken.

3.10.4.

Het hof oordeelt als volgt.

Voor zover de man zijn vordering ook in hoger beroep baseert op het bepaalde in art. 3 lid c van de samenlevingsovereenkomst, kan dit de man niet baten. Artikel 3 lid c heeft blijkens het oordeel van de rechtbank waartegen geen grief is gericht betrekking op roerende zaken die door partijen zijn aangeschaft ten behoeve van hun gemeenschappelijke huishouding. De man heeft nagelaten inzichtelijk te maken dat het doorlopend krediet is aangewend voor de aanschaf van dergelijke zaken. Reeds daarom faalt in zoverre grief 5.

Voor zover de man zijn vordering heeft gebaseerd op het bepaalde in art. 2 van de samenlevingsovereenkomst, verwijst het hof naar zijn rov. 3.7.4. De man heeft nagelaten de omvang van zijn totale netto inkomen en de totale omvang van de kosten van de huishouding zodat het hof niet kan vaststellen of sprake is van een bijdrage van de man (vanuit het doorlopend krediet) die het evenredig aandeel waartoe de man gehouden is te boven gaat (in relatie tot het inkomen van de vrouw) en, indien dit het geval is, voor welk gedeelte. Grief 5 faalt daarom.

De geldleningen (grief 7 en grief I)

3.11.1.

Het principaal appel heeft betrekking op een geldlening van € 7.500,--. Het incidenteel appel heeft betrekking op een tweetal geldleningen van resp. € 2.420,-- en € 3.078,12. De rechtbank heeft de reconventionele vordering van de vrouw van € 7.500,-- toegewezen. Over de vorderingen van € 2.420,-- en € 3.078,-- heeft de rechtbank geoordeeld – kort gezegd – dat de vrouw niet aan de op haar rustende stelplicht heeft voldaan.

De geldlening van € 7.500,-- (overeenkomst van geldlening tussen de vrouw als geldgever en de man als geldnemer)

3.11.1.

De man betoogt met zijn laatste (7) grief dat deze overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen onder invloed van dwaling (art. 6:228 BW). In april 2014 bestond geen noodzaak om een geldleningsovereenkomst aan te gaan. Als de man toen had geweten dat het saldo van de privé spaarrekening van de vrouw ruim € 14.000,-- bedroeg, dan zou hij geen overeenkomst van geldlening hebben gesloten. De man vernietigt in zijn memorie van grieven de overeenkomst van geldlening, zodat de vordering van de vrouw in reconventie moet worden afgewezen.

3.11.2.

De vrouw heeft de grief weersproken.

3.11.3.

Het hof overweegt als volgt.

Het beroep van de man op dwaling treft geen doel. Het enkele feit dat de man stelt dat hij bij het aangaan van de overeenkomst niet een juiste voorstelling van zaken had, heeft in het algemeen geen invloed heeft op de geldigheid van die overeenkomst (TM, Parl. Gesch. 6, p. 900). Voor een rechtsgeldig beroep op dwaling dient op grond van art. 6:228 lid 1 BW aan de volgende vereisten te zijn voldaan: de dwaling is te wijten aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten óf de wederpartij had de dwalende in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, behoren in te lichten óf er is sprake van wederzijdse dwaling. De man heeft op geen enkele wijze toegelicht of en in hoeverre aan voornoemde vereisten is voldaan. Het hof ziet ook niet in waarom er geen noodzaak was voor de man om geld van de vrouw te lenen (omdat de vrouw een bedrag van € 14.000,-- op haar privé spaarrekening had); het wezen van een geldlening is immers dat geld uit het vermogen van de een ter beschikking wordt gesteld aan de ander). Naar het oordeel van het hof heeft de man daarom onvoldoende gesteld om een beroep op dwaling te kunnen honoreren. De zevende grief van de man faalt.

De geldleningen van € 2.420,-- en € 3.078,12

3.11.4.

De vrouw betoogt met haar grief in het incidenteel appel dat haar BV een tweetal bedragen (€ 2.420,-- en € 3.078,12) voor de man heeft voldaan. De BV van de vrouw heeft haar vorderingen op de man gecedeerd aan de vrouw. De door de vrouw ten behoeve van de man betaalde facturen hebben betrekking op werkzaamheden die zijn verricht door [groep accountants en belastingadviseurs] Groep accountants en belastingadviseurs (hierna: [groep accountants en belastingadviseurs] ) voor de BV en de eenmanszaak van de man (productie H). Door [groep accountants en belastingadviseurs] zijn, ook nog na het eerste gesprek dat de man met [groep accountants en belastingadviseurs] heeft gevoerd, nadere werkzaamheden voor de man verricht (productie L).

Voorts heeft de man de lening van € 2.420,-- erkend in een e-mail (d.d. 3 juli 2014) aan de accountant van partijen, de heer [accountant van partijen] (productie I).

De geldlening van € 3.078,12 blijkt uit de omschrijving bij de overboeking van dit bedrag aan de accountant en de bijbehorende e-mail van de vrouw d.d. 8 april 2015 (productie J).

3.11.5.

De man voert ter bestrijding van de grief van de vrouw het volgende aan.

Hij heeft [groep accountants en belastingadviseurs] , na een eerste opdracht op grond waarvan hij aan [groep accountants en belastingadviseurs] € 7.500,-- zou voldoen (en waarvoor een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen) geen aanvullende opdracht verstrekt en geen (aanvullende) toestemming gegeven om hem te factureren. Door [groep accountants en belastingadviseurs] zijn geen werkzaamheden voor de man verricht en hij is niet bereid te betalen voor niet verrichte werkzaamheden (productie I).

De man betwist dat tussen hem en de BV van de vrouw een geldleningsovereenkomst is gesloten voor de bedragen van € 2.420,-- en/of € 3.078,--.

De door de vrouw ingenomen stellingen zijn onjuist, zijn niet onderbouwd en kunnen ook niet worden afgeleid uit de wel door haar overgelegde stukken.

geldlening € 2.420,--

[groep accountants en belastingadviseurs] heeft een tweetal voorschotnota’s van elk € 2.420,-- in rekening gebracht (d.d. 24 juni 2014 en 9 september 2014). De vrouw legt van beide facturen geen bewijs van betaling over. Betwist wordt dat zij de betreffende facturen heeft voldaan.

De verhouding tussen deze twee facturen en de overige facturen is onduidelijk. Uit de facturen volgt verder niet dat de werkzaamheden door [groep accountants en belastingadviseurs] ten behoeve van de onderneming van de man zijn gedaan. De facturen hebben betrekking op werkzaamheden waarvan de man betwist dat die verricht zijn en waartoe hij in ieder geval geen opdracht heeft gegeven.

geldlening € 3.078,--

Uit de gedingstukken volgt weliswaar dat de vrouw een bedrag van € 3.078,-- aan [groep accountants en belastingadviseurs] heeft betaald, maar niet blijkt dat de gefactureerde werkzaamheden ook zijn verricht. De man betwist dat de gefactureerde werkzaamheden zijn verricht en hij daartoe opdracht heeft gegeven. Niet blijkt dat partijen een geldleningsovereenkomst hebben gesloten. Ten slotte blijkt dat alle facturen zijn gericht aan de BV van de man. Het is denkbaar dat de BV van de vrouw een vordering heeft verkregen door die facturen namens de BV van de man te voldoen. Die vordering is dan echter niet gebaseerd op een geldleningsovereenkomst en kan dan niet anders zijn dan een vordering op de BV van de man.

3.11.6.

Het hof laat bij de beoordeling van deze grief het door de man in zijn antwoordakte onder de randnummers 1 tot en met 8 buiten beschouwing wegens strijd met de twee-conclusieregel, nu het de man in de antwoordakte nog enkel was toegelaten te reageren op de door de vrouw bij akte nog in het geding gebrachte producties.

3.11.7.

In de kern genomen, gaat het geschil om de beantwoording van de vraag of tussen partijen een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen, nu de vrouw een dergelijke overeenkomst ten grondslag heeft gelegd aan haar vordering. In dat kader is niet relevant of [groep accountants en belastingadviseurs] al dan niet werkzaamheden in opdracht van de man en ten gunste van de man heeft uitgevoerd.

Ingevolge het bepaalde in art. 150 Rv rust op de vrouw de stelplicht. Zij dient derhalve alle feiten (het bestaan van een overeenkomst van geldlening tussen haar BV en de man die aan haar is gecedeerd) te stellen die benodigd zijn voor het intreden van het door haar beoogde rechtsgevolg en deze feitelijke stellingen tevens voldoende concreet te onderbouwen.

3.11.8.

De vrouw heeft naar het oordeel van het hof voor wat betreft het gevorderde bedrag van € 2.420,-- niet aan haar stelplicht voldaan nu zij heeft nagelaten te onderbouwen op wie zij een vordering heeft; op de man in privé en/of zijn BV en/of zijn eenmanszaak. Haar stelling dat zij de bedragen van € 2.420,-- en € 3.078,-- “voor de man heeft voldaan en bij vordering van cessie aan haar heeft overgedragen” biedt daarin immers geen inzicht. Ook de door de vrouw overgelegde e-mail van de heer [medewerker van de groep accountants en belastingadviseurs] van [groep accountants en belastingadviseurs] (productie H) kan hierover geen helderheid verschaffen nu de accountant ook in het midden laat of de werkzaamheden voor de man als privépersoon en/of voor zijn onderneming(en) zijn verricht (“werkzaamheden welke verricht zijn ten behoeve van de heer [appellant] dan wel zijn B.V.’s [appellant] en [de eenmanszaak] ” en “voor rechtstreeks te factureren werkzaamheden aan de heer [appellant] dan wel zijn B.V’s”).

Voor wat betreft het gevorderde bedrag van € 3.078,12 volgt wel uit voornoemde productie dat de door de vrouw verrichte betaling betrekking had op facturen gericht aan de BV van de man. Dat kan betekenen dat de vrouw (nu de cessie van deze vordering door haar BV aan de vrouw niet in geschil is) een vordering heeft op de BV van de man, maar zonder toelichting die ontbreekt, is niet in te zien dat zij daarmee een vordering heeft op de man in privé. Dat de man (in zijn hoedanigheid van statutair directeur van de BV) een overeenkomst van geldlening heeft gesloten met de vrouw, maar dat hij (in privé) op grond waarvan hij verplicht is de schuld van de BV aan de vrouw te voldoen, is weliswaar ook nog gesteld door de vrouw (althans zo begrijpt het hof haar grief), maar zij heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd.

De vrouw heeft derhalve niet voldaan aan de op haar rustende stelplicht. Het hof komt daarom niet toe aan het bewijsaanbod van de vrouw. Het incidenteel appel treft geen doel.

De inboedel (grief 6)

3.12.1.

Ter comparitie zijn partijen overeengekomen dat de vrouw de fiets, het tuingereedschap, de kerststal, de boeken en de miniatuurauto’s aan de vrouw zal doen toekomen, zodra zij deze gevonden heeft. De man heeft deze zaken nog niet ontvangen en vordert daarom veroordeling van de vrouw tot afgifte daarvan op straffe van een eenmalige dwangsom van € 7.500,--. Deze zaken dienen te worden afgegeven in de staat waarin deze zin in april 2015 bevonden.

3.12.2.

De vrouw voert aan dat zij de kerststal in december 2016 aan de man heeft geretourneerd. Verder heeft zij de man op 25 april 2016, bij monde van haar advocaat, gemeld dat zij de fiets aan hem wil afgeven. De man heeft hier niet op gereageerd. Het tuingereedschap, de miniatuurauto’s van de man, het speelgoed, de poppen en de boeken van de man zijn niet (meer) in het bezit van de vrouw.

3.12.3.

Het hof overweegt dat partijen ter comparitie in eerste aanleg zijn overeengekomen dat “de vrouw de fiets, het tuingereedschap en de kerststal aan de man zal doen toekomen alsmede de boeken en de miniatuurauto’s zodra zij deze gevonden heeft”. Thans kan niet kan worden vastgesteld dat de vrouw de roerende zaken waarvan de man afgifte vordert heeft gevonden of (nog) onder zich heeft. De vrouw kan daarom niet worden veroordeeld tot afgifte daarvan (en zelfs al zou komen vast te staan dat de vrouw deze zaken wel in haar bezit had, ook dan kan zij niet tot afgifte van de goederen in 2018 in de staat waarin deze zich in 2015 bevonden, worden veroordeeld). Aan de beoordeling van de vraag of grond bestaat voor het verbinden van een dwangsom aan die veroordeling komt het hof derhalve niet toe. Grief 6 faalt.

de proceskosten

3.13.

De vrouw vordert veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties. Die vordering heeft zij niet onderbouwd en in hetgeen partijen hebben aangevoerd ziet het hof geen aanleiding af te wijken van het in art. art. 237 jo. art. 353 Rv bepaalde. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Het hof zal met toepassing voornoemde bepalingen de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten in beide instanties draagt.

conclusie

3.14.

Uit al het voorgaande volgt dat het incidenteel appel faalt en het principaal appel gedeeltelijk slaagt. Het hof zal dienovereenkomstig het bestreden vonnis bekrachtigen en aanvullen.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van 20 januari 2016 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda;

bekrachtigt het beroepen vonnis 8 juni 2016 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda;

en in aanvulling daarop opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van € 547,-- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van het wijzen van dit arrest tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 mei 2018.

griffier rolraadsheer