Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1835

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
28-06-2018
Zaaknummer
15/00889-GHK, 15/00890-GHK, 15/00944-GHK, 15/00945-GHK, 16/03813-GHK, 16/03814-GHK, 16/03832-GHK, 16/03833-GHK
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:4000, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6163, Overig
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Art. 8:42 Awb. Art. 8:45 Awb. Art. 8:29 Awb. Art. 67 AWR. Art. 30 tot en met 34 Wetboek van Strafvordering. Artikel 149a en 149b Wetboek van Strafvordering. Artikel 315 Wetboek van Strafvordering. Art. 365 Wetboek van Strafvordering. Art. 11 Wet openbaarheid van bestuur. Pre-weegdocument.

Het Hof vraagt op de voet van art. 8:45 Awb bij de Officier van Justitie een zogenoemd pre-weegdocument op. De Officier van Justitie beroept zich (primair) op geheimhouding en (subsidiair) op beperkte kennisneming.

- Belanghebbende geeft geen toestemming ex art. 8:29, vijfde lid Awb voor beperkte kennisneming (wel kennisneming door de Kamer die de hoofdzaak beslist, maar geen kennisneming door procespartijen).

- De omstandigheid dat de Officier van Justitie het pre-weegdocument als een intern stuk beschouwt vormt geen gewichtige reden. Aan het recht van belanghebbende om kennis te nemen van het stuk in ongeschoonde vorm kan geen afbreuk worden gedaan door stukken van het etiket ‘intern’ te voorzien.

- Anders dan volgt uit HR 16 juni 2009, 08/04027, ECLI:NL:HR:2009:BI1430 voor de strafprocedure hoeft een belanghebbende in een belastingprocedure niet uit te leggen en te onderbouwen, althans niet verdergaand dan dat er enige relevantie is voor, en enig verband is met, de zaak, waarom hij (en de belastingrechter) wél moet(en) kunnen beschikken over de stukken.

- Het beroep van de Officier van Justitie op de uitzonderingsgronden in de Wob faalt. Uit artikel 8:29, tweede lid Awb volgt, dat belanghebbende minimaal recht op heeft op informatie (stukken) waarop derden recht hebben op grond van de Wob. Voor geheimhouding op de voet van artikel 8:29 Awb moet een sterkere grond aanwezig zijn dan de redenen waarom krachtens de Wob een verzoek om informatie kan worden geweigerd. Immers, bij de Wob gaat het om algemene openbaarmaking aan derden, terwijl het in het kader van artikel 8:29 Awb gaat om bekendmaking aan belanghebbende in de belastingprocedure van (delen van) stukken, die op zijn (eigen) zaak betrekking hebben.

- Toepassing van artikel 8:45 Awb doet geen afbreuk aan de regeling in het Wetboek van Strafvordering voor de bepaling welke processtukken behoren tot het strafdossier, indien het gaat om stukken die geen deel uitmaken van het strafdossier dat aan de strafrechter is voorgelegd. Met betrekking tot de niet aan de strafrechter voorgelegde stukken uit het strafdossier wordt met de toepassing van artikel 8:45 Awb geen inbreuk gemaakt op de aan de strafrechter in artikel 365, vierde en vijfde lid WSv toebedeelde exclusieve bevoegdheid te bepalen welke stukken uit het strafdossier aan derden worden verstrekt (vgl. ABRvS 20 april 2011, 201010133/1/H3, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1879).

- De geheimhoudingskamer schoont zelf het pre-weegdocument minder dan de Officier van Justitie wenst. Omdat de Officier van Justitie op grond van artikel 8.45, tweede lid Awb verplicht is het door de hoofdkamer opgevraagde pre-weegdocument te overleggen, en mede gelet op de omstandigheid dat de in artikel 8.31 Awb bedoelde sanctie niet geldt voor de Officier van Justitie, zal de geheimhoudingskamer de Officier van Justitie niet in de gelegenheid stellen een minder geschoonde versie, overeenkomstig de beslissing van de geheimhoudingskamer, te overleggen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-06-2018
FutD 2018-1770
V-N Vandaag 2018/1416
V-N 2018/40.16 met annotatie van Redactie
NLF 2018/1745 met annotatie van Khadija Bozia
NTFR 2018/1891 met annotatie van Mr. M.B. Weijers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige belastingkamer, optredende, en hierna aangeduid, als ‘geheimhoudingskamer’

Kenmerken: 15/00889-GHK, 15/00890-GHK, 15/00944-GHK, 15/00945-GHK,

16/03813-GHK, 16/03814-GHK, 16/03832-GHK, 16/03833-GHK.

Tussenuitspraak ex artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de hoger beroepen van

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 juni 2015, nummers AWB 13/7302 en 13/7303, en

de uitspraak van de Rechtbank van 29 september 2016, nummers BRE 14/6750 en 15/2507,

in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

en (voor wat betreft de onderhavige procedures voor de geheimhoudingskamer)

de Officier van Justitie (van het Functioneel Parket Handhavingseenheid Den Bosch),

hierna: de OvJ,

betreffende de aan belanghebbende over de jaren 2008 tot en met 2011 opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV).

1 Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2008 tot en met 2011 aanslagen in de IB/PVV opgelegd, waarbij heffingsrente in rekening is gebracht. Voor het jaar 2010 is tevens een vergrijpboete aan belanghebbende opgelegd.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar, zijn de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2008 en 2009 verminderd, de aanslagen voor de jaren 2010 en 2011 gehandhaafd en is de vergrijpboete vernietigd.

1.3.

Belanghebbende is in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van respectievelijk € 88 (2 maal € 44) en € 90 (2 maal € 45). De Rechtbank heeft de uitspraken op bezwaar voor alle jaren vernietigd en de aanslagen, en de heffingsrente dienovereenkomstig, verminderd.

1.4.

Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van het Hof van belanghebbende een griffierecht geheven van respectievelijk € 123 en € 124.

1.5.

Het hoger beroep van belanghebbende voor de jaren 2008 en 2009 staat bij het Hof geregistreerd onder de kenmerken 15/00889 (IB/PVV 2008) en 15/00890 (IB/PVV 2009). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Ook de Inspecteur heeft voor de jaren 2008 en 2009 hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Het hoger beroep van de Inspecteur voor 2008 en 2009 staat bij het Hof geregistreerd onder de kenmerken 15/00944 (IB/PVV 2008) en 15/00945 (IB/PVV 2009).

1.6.

Het hoger beroep van belanghebbende voor de jaren 2010 en 2011 staat bij het Hof geregistreerd onder de kenmerken 16/03813 (IB/PVV 2010) en 16/03814 (IB/PVV 2011). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Ook de Inspecteur heeft voor de jaren 2010 en 2011 hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Het hoger beroep van de Inspecteur voor 2010 en 2011 staat bij het Hof geregistreerd onder de kenmerken 16/03832 (IB/PVV 2010) en 16/03833 (IB/PVV 2011).

1.7.

Het hoger beroep van belanghebbende voor het jaar 2012 staat bij het Hof geregistreerd onder kenmerk 17/00356 (IB/PVV 2012). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Ook de Inspecteur heeft voor het jaar 2012 hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Het hoger beroep van de Inspecteur staat bij het Hof geregistreerd onder kenmerk 17/00394 (IB/PVV 2012). Deze hoger beroepen voor het jaar 2012 zijn buiten de onderhavige procedures van de geheimhoudingskamer gebleven.

1.8.

Op 22 september 2016 heeft een onderzoek ter zitting plaatsgevonden in de zaken met de nummers 15/00889, 15/00890, 15/00944 en 15/00945. Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek geschorst.

1.9.

Vervolgens heeft een nader onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 8 februari 2017 in de zaken met de nummers 15/00889, 15/00890, 15/00944, 15/00945, 16/0813, 16/03814, 16/03832 en 16/03833. Aan het einde van die zitting heeft het Hof het onderzoek wederom geschorst, ditmaal om de Inspecteur in de gelegenheid te stellen in te brengen:

a. a) een zogenaamd pre-weegdocument (een formulier van de FIOD betreffende de inventarisatie van de haalbaarheid van strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende) en

b) een verklaring van mevrouw [A] , werkzaam bij de Belastingdienst, over de door haar (in 2007 gedane melding over) ontvangen informatie betreffende belanghebbende.

1.10.

De Inspecteur heeft bij brief van 7 maart 2017 het Hof bericht dat hij het pre-weegdocument heeft opgevraagd bij de OvJ. De Inspecteur heeft verder meegedeeld geen verklaring van mevrouw [A] te hebben aangetroffen, maar wel een notitie van de eveneens bij de Belastingdienst werkzame heer [B] , met dagtekening 20 december 2007. Deze notitie heeft de Inspecteur aan het Hof overgelegd in plaats van de verklaring van mevrouw [A] .

1.11.

Bij brief van 6 april 2017 heeft de Inspecteur de afwijzende reactie van de OvJ op zijn verzoek om overlegging van het pre-weegdocument aan het Hof overgelegd.

1.12.

Bij brieven van 13 en 21 april 2017 heeft het Hof rechtstreeks aan de OvJ gevraagd om, gelet op het bepaalde in artikel 8:45 van de Awb, het pre-weegdocument over te leggen. Het Hof heeft de OvJ erop gewezen dat hij desgewenst een beroep kan doen op het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb.

1.13.

Vervolgens heeft belanghebbende bij brief van 26 april 2017 aan het Hof laten weten dat hij de verklaring van mevrouw [A] inmiddels ook zelf bij de Inspecteur heeft opgevraagd, maar dat deze verklaring niet aan hem is verstrekt. Belanghebbende acht deze verklaring een op de zaak betrekking hebbend stuk, waarover hij de beschikking dient te krijgen, en verzoekt het Hof (nogmaals) aan de Inspecteur te vragen deze verklaring in te brengen.

1.14.

De OvJ heeft bij schrijven van 10 mei 2017 een ongeschoonde en een geschoonde versie van het pre-weegdocument aan de geheimhoudingskamer van het Hof doen toekomen. Voor wat betreft dit document verzoekt hij primair om geheimhouding en subsidiair om beperkte kennisneming. Voor wat betreft de geschoonde variant van het document is het niet de bedoeling van de OvJ dat deze aan ‘de hoofdkamer’ (en belanghebbende) verstrekt wordt; de geschoonde variant is enkel bijgevoegd voor het geval de geheimhoudingskamer het verzoek om geheimhouding van het gehele document afwijst.

1.15.

Bij brief van 23 mei 2017 heeft het Hof aan belanghebbende meegedeeld dat het Hof reeds eerder de Inspecteur heeft verzocht de verklaring van mevrouw [A] in te brengen en dat de Inspecteur daarop reeds heeft gereageerd. Verder heeft het Hof aan belanghebbende meegedeeld dat de OvJ ten aanzien van het gevraagde pre-weegdocument een beroep heeft gedaan op geheimhouding.

1.16.

Het Hof heeft de onderhavige procedures vervolgens in handen gesteld van de geheimhoudingskamer.

1.17.

Bij brief van 9 juni 2017 heeft belanghebbende wederom aan het Hof gevraagd aan de Inspecteur te verzoeken de verklaring van mevrouw [A] te verstrekken, vergezeld van de daaraan voorafgaande klikbrief/informatie.

1.18.

Het Hof heeft belanghebbende bij brief van 22 juni 2017 meegedeeld dat zijn brief van 9 juni 2017 pas door ‘de hoofdkamer’ in behandeling zal worden genomen nadat de geheimhoudingskamer heeft geoordeeld in haar tussenuitspraak.

1.19.

Bij brief van 12 juli 2017 van de geheimhoudingskamer is aan belanghebbende gevraagd te reageren op het verzoek om geheimhouding van de OvJ van het pre-weegdocument alsmede op het niet verstrekken van de door belanghebbende gevraagde verklaring van mevrouw [A] door de Inspecteur.

1.20.

Bij brief van 21 juli 2017 heeft belanghebbende gesteld dat een pre-weegdocument onder verantwoording en met kennis en wetenschap van de Inspecteur wordt opgesteld en daarna door de Inspecteur aan de OvJ ter beschikking worden gesteld. Volgens belanghebbende was het dan ook aan de Inspecteur en niet aan de OvJ om het document aan het Hof en belanghebbende over te leggen, is door de OvJ ten onrechte een beroep op geheimhouding gedaan en dient het document alsnog te worden overgelegd. Belanghebbende verzet zich ertegen dat enkel het de Kamer van het Hof, die in de hoofdzaak zal beslissen, op de voet van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis zou nemen van het document en belanghebbende niet (beperkte kennisneming). Overigens vraagt belanghebbende om opheldering over de vraag of er één of meerdere klikbrieven ten grondslag hebben gelegen aan het door de Belastingdienst gestarte onderzoek naar belanghebbende (samenhangend met de verklaring van mevrouw [A] ).

1.21.

Bij brief aan de Inspecteur van 20 september 2017 heeft de geheimhoudingskamer gevraagd of in de onderhavige zaken sprake is van één of meerdere klikbrieven. Indien de Inspecteur beschikt over een andere klikbrief dan die van 8 juni 2010, wordt hij verzocht deze over te leggen, al dan niet met een beroep op geheimhouding.

1.22.

Vervolgens heeft de geheimhoudingskamer, op verzoek van de Inspecteur, bij brief van 29 september 2017 het schrijven van de OvJ van 10 mei 2017 in kopie aan de Inspecteur doen toekomen, met de uitdrukkelijke mededeling dat het niet de bedoeling is dat de Inspecteur daarop reageert.

1.23.

De Inspecteur heeft geantwoord bij brief van 12 oktober 2017. In zijn reactie werpt de Inspecteur op dat hij in zijn procespositie is geschaad nu hij het schrijven van 10 mei 2017 van de OvJ niet gelijktijdig met belanghebbende heeft ontvangen en niet in de gelegenheid is gesteld op dit schrijven te reageren. Ten aanzien van de klikbrieven deelt de Inspecteur mee dat sprake is van twee klikbrieven en dat dit ook reeds bekend was bij belanghebbende. De Inspecteur heeft kopieën van de twee klikbrieven als bijlagen bijgevoegd, het betreft de klikbrief van 8 juni 2010 en een ongedateerde klikbrief met foto’s.

1.24.

Belanghebbende heeft bij brief van 8 december 2017 gereageerd op de brief van de Inspecteur, met name op het onderdeel over de klikbrieven. Deze brief is, ter informatie, in afschrift aan de Inspecteur verstrekt.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek om geheimhouding beperkt zich in deze zaken tot het pre-weegdocument, dat de Kamer van het Hof, die de hoofdzaak zal beslissen, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 8:45 van de Awb, bij de OvJ heeft opgevraagd en dat de OvJ primair weigert aan deze Kamer en belanghebbende te verstrekken (geheimhouding). Subsidiair beroept de OvJ zich op beperkte kennisneming (als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb) van het pre-weegdocument, in die zin dat alleen de Kamer van het Hof, die de hoofdzaak zal beslissen, (en niet belanghebbende) kennis mag nemen van het document. Voor het geval zijn primaire en subsidiaire standpunt niet worden gehonoreerd, heeft de OvJ een geschoond exemplaar van het pre-weegdocument aan de geheimhoudingskamer overgelegd dat (uitsluitend in dat geval) aan belanghebbende kan worden verstrekt.

2.2.

In artikel 8:45 van de Awb, is, voor zover van belang, als volgt bepaald:

‘1. De bestuursrechter kan partijen en anderen verzoeken binnen een door hem te bepalen termijn schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden.

2. Bestuursorganen zijn, ook als zij geen partij zijn, verplicht aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, te voldoen. Artikel 8:29 is van overeenkomstige toepassing.’

2.3.

De Kamer van het Hof, die de hoofdzaak zal beslissen, heeft bij brieven van 13 en 21 april 2017 aan de OvJ verzocht om het pre-weegdocument in te zenden. Dit verzoek impliceert dat dit onder de OvJ berustende pre-weegdocument behoort tot de stukken van het geding, waarover de Kamer van het Hof, die de hoofdzaak zal beslissen, de Inspecteur en belanghebbende de beschikking dienen te krijgen. Vervolgens dient door de geheimhoudingskamer de vraag beantwoord te worden of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, die rechtvaardigen dat de OvJ weigert deze stukken over te leggen aan het Hof en de procespartijen (conform het bepaalde in artikel 8:45, tweede lid van de Awb).

3 Beoordeling van het verzoek

3.1.

Om daarover een oordeel te kunnen geven heeft de geheimhoudingskamer kennis genomen van het gehele procesdossier.

Algemeen juridisch kader

3.2.

De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de OvJ op grond van artikel 8:45, eerste en tweede lid, van de Awb, is gehouden op verzoek van de Kamer van het Hof, die de hoofdzaak zal beslissen (hierna: de hoofdkamer), (of de geheimhoudingskamer) een door het Hof opgevraagd stuk aan het Hof te zenden.

3.3.

De omstandigheid dat stukken door het Hof bij een bestuursorgaan zijn opgevraagd en dat het bestuursorgaan verplicht is deze te overleggen, brengt echter niet automatisch mee dat die stukken volledig (dat wil zeggen zonder dat daarin delen onleesbaar zijn gemaakt) aan de hoofdkamer, de Inspecteur en belanghebbende ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:45, tweede lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:29 van de Awb biedt, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of het Hof mede te delen dat uitsluitend de hoofdkamer kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).

3.4.

Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming en het honoreren van een verzoek om geheimhouding is in een geval als bedoeld in artikel 8:45 van de Awb als volgt:

a. Geheimhouding: (delen van de) stukken mogen worden onthouden aan de rechter die in de hoofdzaak beslist en aan procespartijen; zowel de rechter die in de hoofdzaak beslist als procespartijen nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding). (Weigering als bedoeld in het eerste lid van artikel 8:29 van de Awb om (delen van de) stukken aan zowel de rechter die in de hoofdzaak beslist als aan procespartijen over te leggen is gerechtvaardigd.)

b. Beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar procespartijen kunnen geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die in de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming).

In artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb is bepaald, dat de variant ‘beperkte kennisneming’ alleen is toegestaan met toestemming van procespartijen. (Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 26 juni 2014, 13/00377-GHK en 13/00471-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:1944.)

3.5.

Belanghebbende heeft de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming, om de hoofdkamer wél van het pre-weegdocument kennis te laten nemen en belanghebbende zelf niet, niet verleend. Hieruit volgt reeds dat het verzoek van de OvJ in dit geval uitsluitend opgevat dient te worden als een verzoek om geheimhouding en niet als een verzoek om beperkte kennisneming. Alhoewel uit de brief van de Inspecteur van 12 oktober 2017 kan worden opgemaakt dat ook de Inspecteur geen toestemming voor beperkte kennisneming wil verlenen, kan dit in het midden blijven omdat reeds uit de door belanghebbende geweigerde toestemming voor beperkte kennisneming volgt dat variant b van beperkte kennisneming niet mogelijk is.

3.6.

Beslissend bij de vraag of de OvJ zich terecht op deze geheimhouding beroept is niet of het stuk voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel is en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn (Hoge Raad 23 mei 2014, 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182, r.o. 3.3.3). Slechts indien de door de OvJ voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van het stuk - dat houdt in: het belang van belanghebbende bij kennisneming van het stuk in ongeschoonde vorm - is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.

3.7.

De geheimhoudingskamer wijst er voorts nog op dat indien de belangenafweging ertoe leidt dat bepaalde stukken voor belanghebbende geheim dienen te blijven, hieruit voortvloeiende problemen voor belanghebbende in de door de belastingrechter (in de hoofdzaak) toegepaste procedure moeten worden gecompenseerd. Dit kan bijvoorbeeld en onder omstandigheden tot uitdrukking komen in de bewijslastverdeling.

3.8.

De onder 3.6 verwoorde belangenafweging moet plaatsvinden in de concrete aan de geheimhoudingskamer voorgelegde zaak en na kennisneming door de geheimhoudingskamer, die de afweging moet maken, van het gehele dossier.

Op de zaak betrekking hebbende stukken, artikel 8:42 van de Awb: een vraagstuk voor de hoofdkamer of voor de geheimhoudingskamer?

3.9.

Uit het procesdossier en de brief van belanghebbende van 21 juli 2017 aan de geheimhoudingskamer heeft de geheimhoudingskamer opgemaakt dat er onduidelijkheid was ten aanzien van de vraag of er sprake was van één klikbrief of meerdere klikbrieven.

3.10.

Om deze reden heeft de geheimhoudingskamer bij brief van 20 september 2017 de Inspecteur verzocht daaromtrent duidelijkheid te verschaffen en de Inspecteur verzocht de (nog) niet tot het procesdossier behorende klikbrieven te overleggen.

3.11.

De Inspecteur heeft in zijn brief van 12 oktober 2017 geantwoord dat het de taak is van de hoofdkamer om onderzoek te doen naar de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb en niet van de geheimhoudingskamer. Desalniettemin heeft de Inspecteur geantwoord dat er twee klikbrieven waren en heeft hij deze (ongeschoond) overgelegd.

3.12.

De geheimhoudingskamer stelt voorop, dat als uitgangspunt geldt dat de beoordeling van de vraag of stukken op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb, moet plaatsvinden aan de hand van de ongeschoonde stukken. Immers, als door de belastingrechter geen kennis wordt genomen van de inhoud van de ongeschoonde stukken weet hij niet wat daarin staat en kan hij - in de regel - ook niet beoordelen of de stukken op de zaak betrekking hebben. De geheimhoudingskamer wijst hierbij op: Hoge Raad 15 november 2013, 12/00606, ECLI:NL:HR:2013:1129; Hoge Raad 10 april 2015, 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874 en Hof ’s-Hertogenbosch 27 juli 2017, 16/00008-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2017:3632.

3.13.

Het onder 3.12 vermelde uitgangspunt brengt met zich dat het meer op de weg van geheimhoudingskamer dan van de hoofdkamer ligt om onderzoek te doen naar de vraag of alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. Anders zou het risico ontstaan dat na de beslissing van de geheimhoudingskamer (over bepaalde stukken) de hoofdkamer tot het oordeel komt dat nog (steeds) stukken ontbreken, welke moeten worden overgelegd, en dat de Inspecteur vervolgens deze stukken met een beroep op artikel 8:29 van de Awb weigert te overleggen, zodat de zaak wederom naar de geheimhoudingskamer moet worden verwezen. Dat is veel te omslachtig. Bovendien kan de geheimhoudingskamer, bij de nu toegepaste werkwijze, meteen kennis nemen van de ongeschoonde stukken, indien een beroep op artikel 8:29 van de Awb wordt gedaan voor de nog over te leggen stukken.

De verklaring van mevrouw [A]

3.14.

De Inspecteur heeft bij brief van 7 maart 2017 meegedeeld geen verklaring van mevrouw [A] te hebben aangetroffen, waardoor deze niet door hem kan worden overgelegd. De geheimhoudingskamer heeft onvoldoende aanknopingspunten gevonden om tot het oordeel te kunnen komen dat de Inspecteur wel over deze verklaring beschikt, maar deze niet wenst te overleggen.

Het pre-weegdocument

3.15.

Gelet op het verzoek in de zin van artikel 8:45, eerste lid, van de Awb van de hoofdkamer om de beschikking te krijgen over het pre-weegdocument, is de hoofdkamer kennelijk van oordeel dat kennisneming van het stuk van belang kan zijn voor de beslissing van het geschil en dient dit stuk te behoren tot de stukken van het geding. Het bepaalde in artikel 8:45, eerste en tweede lid, van de Awb brengt met zich dat de OvJ, als bestuursorgaan, in beginsel verplicht is het pre-weegdocument (ongeschoond) aan de hoofdkamer en procespartijen te verstrekken.

3.16.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, die rechtvaardigen dat de OvJ weigert dit stuk in het geding te brengen.

Door de OvJ aangevoerde redenen voor geheimhouding

Intern stuk

3.17.

De OvJ heeft als reden voor geheimhouding aangevoerd dat het pre-weegdocument een intern stuk betreft, ten aanzien waarvan de Hoge Raad in het kader van een strafprocedure heeft bepaald dat het niet behoort tot het procesdossier. Slechts wanneer zwaarwegende argumenten worden aangevoerd, kunnen de beginselen van een behoorlijke procesorde met zich meebrengen dat deze interne stukken alsnog aan de strafrechter moeten worden overgelegd (HR 16 juni 2009, 08/04027, ECLI:NL:HR:2009:BI1430).

3.18.

De geheimhoudingskamer is van oordeel dat indien de OvJ bedoeld zou hebben dat de aan de stukken gegeven kwalificatie ‘intern’ eraan in de weg zou staan de stukken aan belanghebbende te openbaren, het volgende geldt. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat de OvJ aan het uit het artikel 8:45 van de Awb in samenhang met artikel 8:42 van de Awb voortvloeiende recht van belanghebbende op kennisneming van een, door het Hof opgevraagd, stuk in ongeschoonde vorm geen afbreuk kan doen door stukken van het etiket ‘intern’ te voorzien. (Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 10 november 2017, 16/00063-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2017:4838.)

Geen belang voor het Hof/belanghebbende om het document te verkrijgen

3.19.

De OvJ voert aan, dat de strafkamer van de Rechtbank Limburg bij beschikking van 16 maart 2017 (op de voet van artikel 183, derde lid Wetboek van Strafvordering (hierna: WSv)) reeds heeft beslist dat het pre-weegdocument niet behoort tot de processtukken van het strafdossier en niet aan de verdediging van belanghebbende behoeft te worden overgelegd. Voorts betoogt de OvJ dat het pre-weegdocument, opgemaakt door de afdeling account van de FIOD, de weerslag is van het onderzoek naar de haalbaarheid van een strafrechtelijk onderzoek. Daarna wordt in het tripartite overleg beslist of de zaak daadwerkelijk strafrechtelijk wordt onderzocht.

3.20.

De OvJ stelt verder dat de uitleg in het pre-weegdocument van de feiten en omstandigheden die tot een redelijk vermoeden van schuld hebben geleid, zijn terug te vinden in het strafdossier, dat in handen is gesteld van (de verdediging van) belanghebbende. Het strafdossier is gericht op de vervolging van commune delicten (verduistering, oplichting en valsheid in geschrift). In het pre-weegdocument is geen fiscaal relevante informatie opgenomen die van belang kan zijn voor de handhaving van de belastingwetgeving.

Het strafrechtelijk onderzoek was niet gericht op de fiscaliteit, om welke reden het strafdossier ook niet ter beschikking is gesteld van de Inspecteur. In het pre-weegdocument zijn geen vastleggingen opgenomen van interne besprekingen tussen de Belastingdienst en de FIOD, anders dan die in het strafdossier staan vermeld.

3.21.

De omstandigheid dat belanghebbende zou beschikken over het strafdossier (zie 3.19) levert geen gewichtige reden voor geheimhouding op. Zelfs als belanghebbende beschikt over het strafdossier, is in ieder geval duidelijk dat belanghebbende niet beschikt over het pre-weegdocument, omdat dit document niet behoort tot het ((ook) aan de strafrechter voorgelegde) strafdossier, zodat hij niet in staat is het pre-weegdocument over te leggen aan de hoofdkamer. De hoofdkamer heeft de OvJ verzocht om de beschikking te krijgen over het pre-weegdocument, waardoor het document in de onderhavige procedures behoort tot de stukken van het geding.

3.22.

In belastingprocedures geldt verder een andere hoofdregel dan kennelijk in het strafproces: namelijk, belanghebbende heeft recht op kennisneming van het stuk in ongeschoonde vorm, indien dit stuk behoort tot de stukken van het geding. Ook ten aanzien van de onder de Inspecteur berustende op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van Awb geldt de hoofdregel dat belanghebbende recht heeft op kennisneming van die stukken in ongeschoonde vorm. Anders dan volgt uit HR 16 juni 2009, 08/04027, ECLI:NL:HR:2009:BI1430, hoeft een belanghebbende in een belastingprocedure niet uit te leggen en te onderbouwen, althans niet verdergaand dan dat er enige relevantie is voor, en enig verband is met, de zaak, waarom hij (en de belastingrechter) wél moet(en) kunnen beschikken over het betreffende stuk. Dit is overigens ook een schier onmogelijke taak als een belanghebbende van dat stuk nog geen kennis heeft kunnen nemen en niet weet wat daar in staat (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 april 2004, 03/02778, ECLI:NL:GHSHE:2004:AP0827, r.o. 6.33 en zie artikel 34, tweede lid WSv). Daarom geldt dat:

(1) beslissend bij de vraag of een bestuursorgaan zich terecht op geheimhouding beroept is niet of het stuk voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel is en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn (Hoge Raad 23 mei 2014, 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182, r.o. 3.3.3 en zie verder onder 3.6);

(2) de beoordeling van de vraag of stukken geheim mogen worden gehouden moet plaatsvinden aan de hand van de ongeschoonde stukken. Immers, als door de belastingrechter geen kennis wordt genomen van de inhoud van de ongeschoonde stukken weet hij niet wat daarin staat en kan hij - in de regel - ook geen oordeel vellen over de vraag of een bestuursorgaan zich terecht beroept op gewichtige redenen voor geheimhouding. (Vgl. Hoge Raad 15 november 2013, 12/00606, ECLI:NL:HR:2013:1129; Hoge Raad 10 april 2015, 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874 en Hof ’s-Hertogenbosch 27 juli 2017, 16/00008-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2017:3632).

Beroep op het bepaalde in de Wet Openbaarheid Bestuur (hierna: Wob)

3.23.

De OvJ hecht grote waarde aan het feit dat de werkwijze bij de totstandkoming van de keuze (waarmee wordt bedoeld: de managementafweging) voor het instellen van een strafrechtelijk onderzoek zo veel mogelijk onttrokken blijft aan de openbaarheid en andere procespartijen. Door in onderhavige zaak het Openbaar Ministerie ertoe bewegen dit document onverkort over te leggen wordt een precedent geschapen dat mogelijk verstrekkende gevolgen heeft voor de werkwijze van opsporing en vervolging zoals die thans plaatsvindt. De OvJ is van mening dat hij met een beroep op zowel artikel 10, tweede lid,

onder c, als art 10, tweede lid, onder g, van de Wob, het verstrekken van het pre-weegdocument kan weigeren. Het beroep op art 10, tweede lid, onder c, van de Wob ziet op het feit dat het betreffende document verband houdt met de strafzaak die nog lopend is en nog niet inhoudelijk door de rechter is behandeld. Ook zou een deel van de interne werkwijze hiermee blootgelegd worden. Het beroep op art 10, tweede lid, onder g, van de Wob ziet op het feit dat het OM onevenredig benadeeld zou worden indien het hier bedoelde document (onverkort) aan de verdediging ter beschikking zou worden gesteld. Dit omdat hiermee tevens een precedent zou worden geschapen met betrekking tot het opvragen en verkrijgen van dit of deze soort sturingsdocumenten. De OvJ wijst in dit verband op CBb 15 juni 2005, AWB 05/47, ECLI:NL:CBB:2005:AT8605.

3.24.

Artikel 8:29, tweede lid van de Awb luidt als volgt:

‘Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.’.

3.25.

Uit artikel 8:29, tweede lid van de Awb volgt, dat belanghebbende minimaal recht op heeft op informatie (stukken) waarop derden recht hebben op grond van de Wob. Voor geheimhouding op de voet van artikel 8:29 van de Awb moet een sterkere grond aanwezig zijn dan de redenen waarom krachtens de Wob een verzoek om informatie kan worden geweigerd. Immers, bij de Wob gaat het om algemene openbaarmaking aan derden, terwijl het in het kader van artikel 8:29 van de Awb gaat om bekendmaking aan belanghebbende in de belastingprocedure van (delen van) stukken, die op zijn (eigen) zaak betrekking hebben. Anders geformuleerd: de Wob geeft in het kader van artikel 8.29 van de Awb slechts een minimumgrens aan en is verder niet relevant. De geheimhoudingskamer wijst voor een uitgebreide onderbouwing hiervan naar:

- voorzieningenrechter Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 19 april 2004, 03/02778, ECLI:NL:GHSHE:2004:AP0827;

- Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 maart 2011, 04/01636-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2011:BP8132;

- Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 17 mei 2011, 04/02823-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ5564;

- Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 augustus 2011, 04/01492-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2011:BT8255;

- Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 3 april 2014,

13/00800-GHK en 13/00801-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:1033;

- Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 juni 2014, 10/00499-GHK en 10/00500-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:1714.

3.26.

Het beroep van de OvJ op de uitzonderingsgronden in de Wob faalt dan ook.

Verhouding artikel 8.45 van de Awb in samenhang met 8:29 van de Awb en WSv

3.27.

Alhoewel de OvJ niet heeft gesteld, dat bepalingen in het WSv rechtvaardigen dat hij weigert het pre-weegdocument te overleggen of dat die bepalingen een gewichtige reden voor geheimhouding opleveren, overweegt de geheimhoudingskamer (ambtshalve) als volgt.

3.28.

Het is vaste jurisprudentie van de ABRvS, dat artikel 365 van het WSv een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter is, die prevaleert boven de Wob. In deze zaak komt de vraag op of bepalingen in het WSv een bijzondere regeling vormen met een uitputtend karakter, die prevaleert boven het bepaalde in artikel 8:45 van de Awb. Een regeling is uitputtend, indien zij ertoe strekt te voorkomen dat door de afzonderlijke toepassing van een andere regeling in een wet in formele zin (in dit geval: de Awb) afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van de materiële bepalingen in een bijzondere wet (in dit geval: het WSv).

3.29.

In artikel 30 tot en met 34 van het WSv, artikel 149a en 149b van het WSv en artikel 315 van het WSv is geregeld welke processtukken behoren tot het strafdossier.

3.30.

De geheimhoudingskamer is van oordeel, dat de toepassing van artikel 8:45 van de Awb geen afbreuk doet aan de onder 3.29 bedoelde bepalingen, indien het gaat om stukken die geen deel uitmaken van het strafdossier dat aan de strafrechter is voorgelegd. Met betrekking tot deze niet aan de strafrechter voorgelegde stukken uit het strafdossier wordt met de toepassing van artikel 8:45 van de Awb geen inbreuk gemaakt op de aan de strafrechter in artikel 365, vierde en vijfde lid van het WSv toebedeelde exclusieve bevoegdheid te bepalen welke stukken uit het strafdossier aan derden worden verstrekt (vgl. ABRvS 20 april 2011, 201010133/1/H3, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1879 en vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 17 april 2015, 13/00937, ECLI:NL:GHSHE:2015:1390 bevestigd bij HR 13 mei 2016, 15/02399, ECLI:NL:HR:2016:830).

3.31.

Indien het pre-weegdocument wel tot het strafdossier dat aan de strafrechter is voorgelegd had behoord, had de hoofdkamer zich moeten richten tot de strafrechter.

3.32.

Uit het vorenstaande volgt, dat aan het verstrekken van het pre-weegdocument door de OvJ, bepalingen in het WSv niet in de weg staan.

Bescherming persoonsgegevens van derden, controle-strategische redenen

3.33.

De OvJ heeft overigens aangevoerd dat het pre-weegdocument gegevens en inlichtingen bevat die van belang kunnen zijn voor een strafvorderlijke beslissing, waaronder ook gevoelige, niet geverifieerde informatie en persoonsgegevens. Het bevat veel interne informatie, waaronder ook gevoelige en vertrouwelijke informatie omtrent posities van derden, vermogensposities van verdachten, interne risico-analyses en beslagmogelijkheden. Het is niet de bedoeling dat dit soort informatie breed bij verdachten of het publiek bekend wordt, omdat dit gevaar met zich meebrengt voor deze personen en het nog lopende en toekomstige onderzoek. In het belang van de goede uitvoering van opsporings- en vervolgingstaken heeft het Openbaar Ministerie er alle belang bij dat dit soort informatie niet naar buiten komt. Zoals overwogen onder 3.22 heeft de OvJ in het kader van het beroep op de Wob zijn belang bij geheimhouding als volgt omschreven: de OvJ hecht grote waarde aan het feit dat de werkwijze bij de totstandkoming van de keuze (waarmee wordt bedoeld: de managementafweging) voor het instellen van een strafrechtelijk onderzoek zo veel mogelijk onttrokken blijft aan de openbaarheid en andere procespartijen. Door in onderhavige zaak het Openbaar Ministerie ertoe bewegen dit document onverkort over te leggen wordt een precedent geschapen dat mogelijk verstrekkende gevolgen heeft voor de werkwijze van opsporing en vervolging zoals die thans plaatsvindt.

3.34.

Na lezing van het ongeschoonde pre-weegdocument constateert de geheimhoudingskamer dat in de door de OvJ overgelegde geschoonde versie te veel is geschoond. De OvJ heeft ongeschoond gelaten de casusbeschrijving op p. 1 tot en met p. 3 en de uitgebreide casusbeschrijving op p. 6 tot en met p. 9.

3.35.

De OvJ heeft het intakeformulier van 7 april 2011 geheel geschoond. Het betreft informatie die reeds blijkt uit het procesdossier. Ten aanzien van de informatie op dit formulier is het belang van de OvJ bij geheimhouding niet zwaarwegend en aanzienlijk en weegt dat dit belang niet aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van deze informatie. Voor het geheim houden van het intakeformulier ontbreekt een gewichtige reden.

3.36.

De OvJ heeft de datum van het pre-weegdocument, die voor de beslissing door de belastingrechter van belang is, geschoond. Deze datum is 1 maart 2011. Het tripartite overleg vond blijkens het OPV-1 SGL plaats op 7 april 2011 en 9 juni 2011. Voor het schonen van deze datum en de overige gegevens op p. 1 ontbreekt een gewichtige reden.

3.37.

Op p. 3 en 4, onder 2, zijn namen geschoond, die ruimschoots voorkomen in de tot het procesdossier behorende stukken. Voor het schonen van deze namen ontbreekt een gewichtige reden, nu deze namen reeds bekend zijn.

3.38.

Hetgeen is geschoond op p. 4 en 5, onder 3, is reeds terug te vinden in de tot het procesdossier behorende OPV-1 SGL en EPV-2 SZO / [C] B.V.. Voor het schonen van deze gegevens ontbreekt een gewichtige reden, nu deze gegevens reeds bekend zijn.

3.39.

Hetgeen is geschoond op p. 6, onder 9, betreft de verwerking van het pre-weegdocument en bevat geen controle-strategische en onderzoekstechnische redenen. Er is geen gewichtige reden dit te schonen.

3.40.

Voor de op p. 9 en p. 10, onder ‘Nadere malversaties’, geschoonde passages geldt dat de daarin opgenomen gegevens in de tot het procesdossier behorende stukken grotendeels voorkomen. Met uitzondering van de passages onder de laatste twee gedachtestreepjes op p. 10. Voor het schonen van de overige gegevens ontbreekt een gewichtige reden, nu deze reeds bekend zijn. Voor de passages onder de laatste twee gedachtestreepjes op p. 10 geldt dat het belang van de OvJ bij bescherming van persoonsgegevens in dit geval zwaarwegend en aanzienlijk is en dat dit belang aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van deze passages. Voor het schonen van deze passages is er een gewichtige reden.

3.41.

Hetgeen is geschoond op p. 10, onder 2, ‘Toets ATV-richtlijn’, betreft criteria, die reeds bekend zijn uit de zogenoemde ATV-richtlijn (in 2011 al geheten AAFD-richtlijn). Voor criteria voor strafvervolging die reeds algemeen bekend zijn is er geen gewichtige reden om deze geheim te houden.

3.42.

Voor de vijfde tot en met zesde alinea op p. 3 (beginnend met ‘Te’ tot en met ‘goed’) is de geheimhoudingskamer van oordeel, dat het belang van de OvJ bij interne meningsvorming omtrent de afweging al dan niet strafrechtelijk te vervolgen, in dit geval zwaarwegend en aanzienlijk is en dat dit belang aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van deze passages. Voor geheimhouding van deze passages is er derhalve een gewichtige reden.

3.43.

Voor de gegevens op p. 5 en p. 6, onder 4 tot en met 8, is de geheimhoudingskamer van oordeel, dat het belang van de OvJ bij een effectief onderzoek en een effectieve onderzoeks-/controle-strategie, in dit geval zwaarwegend en aanzienlijk is en dat dit belang aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van deze passages. Voor geheimhouding van deze passages is er derhalve een gewichtige reden.

3.44.

Met betrekking tot de door de OvJ uitgesproken vrees voor precedentwerking, geldt dat elk stuk waarvoor een beroep op artikel 8:29 van de Awb wordt gedaan op zijn eigen merites moet worden beoordeeld. Elk geval staat op zich. Terzijde merkt de geheimhoudingskamer op, dat de geheimhoudingskamer de door de OvJ gememoreerde gevoelige en vertrouwelijke informatie omtrent posities van derden, vermogensposities van verdachten, interne risico-analyses en beslagmogelijkheden in het onderhavige pre-weegdocument nauwelijks heeft aangetroffen.

Slot

3.45.

In zijn brief van 12 oktober 2017 heeft de Inspecteur erover geklaagd, dat hij door de geheimhoudingskamer, anders dan belanghebbende, niet in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten over (de motivering van) het verzoek tot geheimhouding van de OvJ. De Inspecteur is van mening, dat in relatie tot de OvJ de Inspecteur en belanghebbende gelijk zijn. De Inspecteur meent dat partijen die gelijk zouden moeten zijn door de geheimhoudingskamer ongelijk worden behandeld, omdat belanghebbende wel en hij niet mag reageren op het verzoek tot geheimhouding van de OvJ. De geheimhoudingskamer overweegt dat belanghebbende heeft verzocht om overlegging van het pre-weegdocument, dat vervolgens door het Hof (de hoofdkamer) bij de OvJ is opgevraagd. De discussie omtrent de geheimhouding op de voet van artikel 8:29 van de Awb speelt zich af tussen de OvJ, belanghebbende en het Hof (de geheimhoudingskamer). Voor de Inspecteur is daarin geen rol weggelegd.

3.46.

Uit al vorenoverwogene volgt, dat het verzoek van de OvJ om geheimhouding van (delen van) van het pre-weegdocument deels gerechtvaardigd is. Gelet op de omstandigheid dat de OvJ op grond van artikel 8:45, tweede lid van de Awb verplicht is het door de hoofdkamer opgevraagde pre-weegdocument te overleggen, en mede gelet op de omstandigheid dat de in artikel 8:31 van de Awb bedoelde sanctie niet geldt voor de OvJ, zal de geheimhoudingskamer de OvJ niet in de gelegenheid stellen een minder geschoonde versie, overeenkomstig hetgeen hiervoor is beslist, te overleggen. De geheimhoudingskamer zal het pre-weegdocument schonen overeenkomstig hetgeen hiervoor is beslist. De geheimhoudingskamer zal deze door de geheimhoudingskamer geschoonde versie bij de stukken van het geding voegen en deze versie verstrekken aan de OvJ, de Inspecteur en belanghebbende.

3.47.

Het voorgaande leidt tot de hierna volgende beslissing.

4 Beslissing

De geheimhoudingskamer:

- verstaat dat de door de OvJ aangevoerde redenen voor geheimhouding van het aan de geheimhoudingskamer overgelegde stuk deels gewichtige redenen zijn en dat de verzochte geheimhouding deels gerechtvaardigd is;

- gelast dat de griffier een afschrift van deze uitspraak (ook) zendt aan de Officier van Justitie;

- gelast de griffier de door de geheimhoudingskamer geschoonde versie bij de stukken van het geding te voegen en deze versie te verstrekken aan de Officier van Justitie, de Inspecteur en belanghebbende;

- verwijst de zaken naar de meervoudige Kamer die de hoofdzaken behandelt en stelt het procesdossier, met uitzondering van het aan de geheimhoudingskamer overgelegde ongeschoonde en het door de OvJ geschoonde pre-weegdocument, maar inclusief het door de geheimhoudingskamer geschoonde pre-weegdocument, ter beschikking aan die Kamer.

Aldus gedaan op 19 april 2018 door P. Fortuin, voorzitter, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Rechtsmiddel

Tegen tussenbeslissingen stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie dan wel een ander rechtsmiddel open. Tegen dergelijke beslissingen van de Rechtbank of het Gerechtshof kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het hoger beroep respectievelijk het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van
14 september 2007, nr. 43 294, ECLI:NL:HR:2007:BB3489).