Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1828

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
17/00582 en 17/00583
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Rechtbank heeft de beroepen terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat gemachtigde, ondanks herhaaldelijk verzoek, geen uittreksel Kamer van Koophandel heeft overgelegd. Een dergelijk verzuim in de beroepsfase kan niet in hoger beroep worden hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-07-2018
FutD 2018-1996
FutD 2018-1995
V-N Vandaag 2018/1580
V-N 2018/41.25.16
NTFR 2018/1890 met annotatie van V.S. Huygen van Dyck-Jagersma
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 17/00582 en 17/00583

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] V.O.F.,

gevestigd te [plaats 1] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraken van de Rechtbank Oost-Brabant van 1 augustus 2017, nummers SHE 17/137 en 17/138, in de gedingen tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Sint Anthonis,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna vermelde beschikkingen en aanslagen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) een WOZ-beschikking gegeven, waarbij de waarde van de onroerende zaak [adres] 10-A te [plaats 1] (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 januari 2014, voor het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 is bepaald op € 238.000. Tegelijkertijd zijn aan belanghebbende ter zake van de onroerende zaak aanslagen in de onroerende-zaakbelasting over het jaar 2015 opgelegd, welke aanslagen in één geschrift zijn verenigd met de beschikking. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de waarde van de onroerende zaak verminderd tot € 212.000 en de aanslagen dienovereenkomstig verminderd.

1.2.

Aan belanghebbende is voorts in het kader van de Wet WOZ een WOZ-beschikking gegeven, waarbij de waarde van de onroerende zaak per de peildatum 1 januari 2015, voor het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 is bepaald op € 195.000. Tegelijkertijd zijn aan belanghebbende ter zake van de onroerende zaak aanslagen in de onroerendezaakbelasting over het jaar 2016 opgelegd, welke aanslagen in één geschrift zijn verenigd met de beschikking. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de waarde van de onroerende zaak en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is van de in 1.1 en 1.2 vermelde uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende in elk van de zaken een griffierecht geheven van € 334. De Rechtbank heeft de beroepen, bij in één geschrift verenigde uitspraken, niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.

Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 501. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 1 maart 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , adviseur te [plaats 2] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, mevrouw [B] en de heer [C] .

1.6.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is een vennootschap onder firma. Haar vennoten zijn de heer [D] , mevrouw [E] (hierna gezamenlijk te noemen: de heer en mevrouw [D en E] ), [bedrijf] BV en mevrouw [F] (hierna: mevrouw [F] ). Bestuurders van [bedrijf] BV zijn de heer en mevrouw [D en E] . In het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 17 januari 2017 betreffende belanghebbende is opgenomen dat ieder van de vier vennoten bevoegd is tot een bedrag van € 10.000.

2.2.

De heer [A] (hierna: de heer [A] of gemachtigde) heeft namens belanghebbende bij brieven van 10 januari 2017 beroep ingesteld tegen de respectievelijk onder 1.1 en 1.2 vermelde uitspraken op bezwaar. Bij de beroepschriften zijn volmachten gevoegd, inhoudende dat de heer en mevrouw [D en E] , [bedrijf] BV en mevrouw [F] , de heer [A] machtigen om namens belanghebbende beroepschriften in te dienen betreffende de “WOZ-beschikking / aanslagbiljet 2015” en de “WOZ-beschikking / aanslagbiljet 2016” ten name van belanghebbende. De volmachten zijn namens belanghebbende ondertekend door de drie natuurlijk personen, namelijk de heer en mevrouw [D en E] en mevrouw [F] en gedateerd op 12 november 2015 respectievelijk 12 februari 2016.

2.3.

Bij brieven van 12 en 13 januari 2017 deelt de Rechtbank aan de heer [A] mede dat de beroepschriften niet aan de voorwaarden voldoen die aan een beroepschrift worden gesteld. In deze brieven is voorts, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“U moet:

(…)

x een schriftelijke machtiging toesturen waaruit blijkt dat u ge(vol)machtigd bent beroep in te stellen (niet ouder dan één jaar).

x stukken toesturen waaruit blijkt dat degene die de machtiging heeft afgegeven daartoe binnen het ondernemingsverband bevoegd is (bijv. blijkend uit statuten, uittreksel uit het handelsregister (niet ouder dan één jaar) of vennootschapsakte).

(…)
Ik verzoek u zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen vier weken na de datum van verzending van deze brief de hierboven aangekruiste informatie aan mij toe te sturen.

(…)

Voldoet u niet aan dit verzoek (…) dan kan de rechtbank uw beroep niet‑ontvankelijk verklaren. Dat wil zeggen dat uw beroep niet inhoudelijk wordt beoordeeld en dat de procedure wordt beëindigd.”

2.4.

Bij brief van 2 februari 2017 dient de heer [A] twee nieuwe volmachten in en een recent uittreksel van de Kamer van Koophandel van belanghebbende. De volmachten houden, net als de in 2.2 genoemde volmachten, in dat de heer en mevrouw [D en E] , [bedrijf] BV en mevrouw [F] , de heer [A] machtigen om namens belanghebbende beroepschriften in te dienen betreffende de “WOZ-beschikking / aanslagbiljet 2015” en de “WOZ-beschikking / aanslagbiljet 2016” ten name van belanghebbende. De volmachten zijn namens belanghebbende ondertekend door de drie natuurlijke personen, namelijk de heer en mevrouw [D en E] en mevrouw [F] en gedateerd op 18 januari 2017.

2.5.

Bij brieven van 7 juni 2017 deelt de Rechtbank opnieuw aan de heer [A] mede dat de beroepschriften niet aan de voorwaarden voldoen die aan een beroepschrift worden gesteld. In deze brieven is voorts, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“U moet:

(…)

x een uittreksel van de B.V. toesturen (niet ouder dan één jaar) en een handtekening van de bevoegde persoon van die B.V., dat samen met de drie eerdergenoemde personen gemachtigde [A] [belanghebbende] V.O.F. in rechte vertegenwoordigt.
(…)
Ik verzoek u zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen vier weken na de datum van verzending van deze brief de hierboven aangekruiste informatie aan mij toe te sturen.

(…)

Voldoet u niet aan dit verzoek (…) dan kan de rechtbank uw beroep niet‑ontvankelijk verklaren. Dat wil zeggen dat uw beroep niet inhoudelijk wordt beoordeeld en dat de procedure wordt beëindigd.”

2.6.

Bij brief van 9 juni 2017 reageert de heer [A] op deze brief van de Rechtbank en dient hij dezelfde stukken in als de stukken die hij bij zijn brief van 2 februari 2017 had ingediend.

2.7.

De Rechtbank stuurt de heer [A] op 4 juli 2017 de volgende brief:

“Op 10 januari 2015 [Hof: bedoeld zal zijn “2017”] hebt u bij de rechtbank namens [belanghebbende] VOF beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar van 20 december 2016 (WOZ-beschikkingen 2015 en 2016 inzake het object [adres] 10A te [plaats 1] ) van de heffingsambtenaar van de gemeente Sint Anthonis. De beroepen staat gepland voor de zitting van 21 juli 2017.

Bij uw beroepen van 10 januari 2017 hebt u een volmacht overgelegd. Bij brief van 12 januari 2017 heeft de rechtbank u verzocht de in deze brief aangekruiste verzuimen te herstellen. Daarbij heeft de rechtbank u er op gewezen dat indien u niet binnen vier weken aan dat verzoek voldoet uw beroepen niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard. In reactie hierop hebt u op 2 februari 2017 de rechtbank een aantal stukken doen toekomen.

Bij brief van 7 juni 2017 heeft de rechtbank u opnieuw verzocht de in de deze brief aangekruiste verzuimen te herstellen. Daarbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk vermeld welke stukken ontbraken waarmee kan worden vastgesteld of u gemachtigd bent [belanghebbende] VOF in rechte te vertegenwoordigen. Daarbij heeft de rechtbank u er op gewezen dat indien u niet binnen vier weken aan dat verzoek voldoet uw beroepen niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard. In reactie hierop hebt u op 9 juni 2017 nogmaals de stukken van 2 februari 2017 aan de rechtbank gezonden. Uit deze de door u toegezonden stukken blijkt nog steeds niet dat u de juiste stukken hebt overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat u gemachtigd bent namens [belanghebbende] VOF beroep in te stellen.

De rechtbank wijst u er op dat, gelet op het voorgaande, bij de behandeling van de beroepen alleen de ontvankelijkheid van de beroepen aan de orde zal komen.

(…)”

2.8.

Bij brief van 6 juli 2017 reageert de heer [A] , voor zover hier van belang, als volgt:

“In navolging van uw brief de dato 04 juli 2017 doen wij u nogmaals toekomen, de opgevraagde gegevens (…).

De bijlagen betreffen een tweetal volmachten (…) en een uittreksel van de Kamer van Koophandel (…).

Deze gegevens zijn reeds op 02 februari 2017 verstuurd (…).

Uit uw brief begrijpen wij echter, dat dit niet de juiste stukken zouden zijn.

Graag vernemen wij met spoed van u, waarom dit volgens u niet de juiste stukken zijn en waaraan de door u gevraagde stukken precies moeten voldoen.

(…).”

Bij deze brief zijn wederom de twee volmachten van 18 januari 2017 en het uittreksel van de Kamer van Koophandel van belanghebbende gevoegd.

2.9.

De Rechtbank reageert bij brief van 12 juli 2017, voor zover hier van belang, als volgt:

“In reactie op uw brief van 6 juli 2017 wijs ik u op de herstel-verzuimbrief die de rechtbank op 7 juni 2017 aan u heeft doen toekomen. In de brief van 4 juli 2017 is overigens ook op die brief van 7 juni 2017 gewezen, en dat u het in die brief aangekruiste verzuim niet hebt hersteld. (…)”

2.10.

De zitting bij de Rechtbank heeft plaatsgevonden op 21 juli 2017. De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraken van 1 augustus 2017 niet-ontvankelijk verklaard.

2.11.

Bij de hoger beroepschriften heeft de heer [A] , onder meer, een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf] BV overgelegd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I: Heeft de Rechtbank de beroepen terecht niet-ontvankelijk verklaard?

Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord:

II: Zijn de waarden van de onroerende zaak juist, althans niet te hoog, vastgesteld?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend. De Heffingsambtenaar is de tegengestelde mening toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, ontvankelijk- en gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de waarden tot € 80.000, onder dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de Rechtbank.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

In hoger beroep heeft gemachtigde volmachten alsmede uittreksels van de Kamer van Koophandel betreffende belanghebbende en [bedrijf] BV overgelegd. Op basis van de in hoger beroep overgelegde stukken is het Hof van oordeel dat de hoger beroepen ontvankelijk zijn.

Ten aanzien van het geschil

I Ontvankelijkheid beroepen

4.2.

Op grond van artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kunnen partijen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen en kan de rechter van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.3.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de heer [A] geen (afdoende) schriftelijke volmachten heeft overgelegd. Er is volgens de Rechtbank niet aangetoond dat ook de rechtspersoon [bedrijf] BV de heer [A] heeft gemachtigd om belanghebbende te vertegenwoordigen, omdat niet is gebleken wie [bedrijf] BV vertegenwoordigt. Omdat niet is voldaan aan artikel 6:6, aanhef en onderdeel a, van de Awb, heeft de Rechtbank de beroepen vervolgens niet‑ontvankelijk verklaard.

4.4.

Eerst in hoger beroep is komen vast te staan dat de bij de Rechtbank overgelegde volmachten afdoende waren. Immers, uit het eerst in hoger beroep overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf] BV blijkt dat de heer en mevrouw [D en E] de bestuurders van die BV zijn. Nu zij, naast mevrouw [F] , de volmachten hebben ondertekend – kennelijk zowel in hun rol als vennoten van belanghebbende als in hun rol van bestuurders van [bedrijf] BV – staat in hoger beroep vast dat alle vennoten van belanghebbende de heer [A] hebben gemachtigd de beroepschriften in te dienen.

4.5.

Dit laat evenwel onverlet dat in de beroepsfase op basis van de overgelegde stukken niet kon worden vastgesteld wie bevoegd was namens de vennoot [bedrijf] BV de volmacht te geven. Ondanks dat de Rechtbank hier verscheidene keren om heeft verzocht, heeft de heer [A] daar niet aan voldaan. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank van de heer [A] mocht verlangen dat hij een recent uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf] BV zou overleggen. Aan dit oordeel doen niet af de stellingen van de heer [A] dat de Rechtbank eenvoudig zelf het handelsregister had kunnen raadplegen en dat hij bewust het gevraagde uittreksel niet heeft overgelegd omdat in eerdere procedures wel genoegen werd genomen met de aangeleverde gegevens.

4.6.

Naar het oordeel van het Hof is aldus niet voldaan aan een bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep als bedoeld in artikel 6:6 in samenhang met artikel 8:24, tweede lid, van de Awb. Een dergelijk verzuim in de beroepsfase kan niet in hoger beroep worden hersteld. De Rechtbank heeft de beroepen terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.7.

Gemachtigde heeft ter zitting bij het Hof nog gesteld dat uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel betreffende belanghebbende blijkt dat ieder van de vennoten zelfstandig bevoegd is tot een bedrag van € 10.000. In casu hebben (in ieder geval) drie vennoten de volmacht gegeven, terwijl aldus één al voldoende was geweest, aldus gemachtigde.

Deze stelling faalt. Artikel 17 Wetboek van Koophandel regelt de externe vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vennoten van een vennootschap onder firma. Het artikel bepaalt dat elk der vennoten, die daarvan niet is uitgesloten, bevoegd is ten name van de vennootschap te handelen, gelden uit te geven en te ontvangen, en de vennootschap aan derden, en derden aan de vennootschap te verbinden. Rechtshandelingen die geen betrekking hebben op de vennootschap of tot welke de vennoten volgens de overeenkomst onbevoegd zijn, worden hier niet onder begrepen. Belanghebbende is een landbouwfirma. Het voeren van een procedure betreffende de WOZ/OZB is niet een handeling die dienstig is tot verwezenlijking van het doel van de VOF en behoort niet tot de normale bedrijfsuitoefening van de VOF. In dat geval heeft te gelden dat de vennoten slechts gezamenlijk bevoegd zijn de VOF te vertegenwoordigen.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat de hoger beroepen ongegrond zijn; de Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Het Hof komt daarom niet toe aan beantwoording van de tweede vraag.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof:

- verklaart de hoger beroepen ongegrond, en

- bevestigt de uitspraken van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 26 april 2018 door A.J. Kromhout, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.