Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1820

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3586
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:4086, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende woont in Amerika en heeft in het jaar 2012, onder andere, een overbruggingslijfrente-uitkering ontvangen van Aegon Levensverzekering N.V. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat deze uitkering in het jaar 2012 niet in de IB/PVV-heffing betrokken zou worden. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. Belanghebbende heeft door middel van een klachtenbrief uitdrukkelijk en gemotiveerd bij de Inspecteur aan de orde gesteld dat hij de in het jaar 2008 genoten lijfrente-uitkering niet in de aangifte IB/PVV 2008 heeft opgenomen. Naar het oordeel van het Hof kon de omstandigheid dat de Inspecteur desondanks de aangifte IB/PVV 2008 en de aangiften IB/PVV 2009, 2010 en 2011 – waarin de lijfrente-uitkeringen eveneens niet aangegeven waren – heeft gevolgd bij belanghebbende de in rechte te beschermen indruk wekken dat deze gedragslijn berustte op een bewuste standpuntbepaling. Voorts overweegt het Hof dat de aan belanghebbende opgelegde aanslag IB/PVV 2012 overeenkomstig de regeling ter voorkoming van dubbele belasting zoals opgenomen in de nationale regelgeving en het belastingverdrag is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-07-2018
V-N Vandaag 2018/1546
FutD 2018-2149 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2018/42.1.2
NTFR 2018/1886 met annotatie van mr. J. Kastelein
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03586

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] (Verenigde Staten)

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 24 juni 2016, nummer BRE 15/4734, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen aanslag en beschikking belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) met aanslagnummer [aanslagnummer] H.26.01 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.211 (hierna: de aanslag). Gelijktijdig met de aanslag is aan belanghebbende een beschikking belastingrente ter hoogte van € 142 gegeven (hierna: de beschikking belastingrente).

1.2.

De Inspecteur heeft de aanslag en beschikking belastingrente, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 30 maart 2018 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens de Inspecteur, [A] en [B] . Belanghebbende is met kennisgeving aan het Hof niet verschenen.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

Het onderhavige jaar (2012)

2.1.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in het jaar 2012 in de Verenigde Staten.

2.2.

Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar een pensioenuitkering van Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: het ABP) ter hoogte van € 76.229 (hierna: de pensioenuitkering) ontvangen. Het ABP heeft op de pensioenuitkering in het onderhavige jaar een bedrag aan loonheffingen ter hoogte van € 21.663 ingehouden.

2.3.

Voorts heeft belanghebbende in het jaar 2012 een overbruggingslijfrente-uitkering ontvangen van Aegon Levensverzekering N.V. (hierna: Aegon) ter hoogte van € 6.041 (hierna: de lijfrente-uitkering).

2.4.

Belanghebbende en zijn echtgenote beschikken over een, in de Verenigde Staten, gelegen eigen woning (hierna: de eigen woning). Het eigenwoningforfait van de eigen woning bedraagt € 1.680 (hierna: het eigenwoningforfait). Belanghebbende heeft met betrekking tot de ter zake van de eigen woning afgesloten hypothecaire lening in het jaar 2012 een bedrag van € 19.729 aan rente (hierna: de rente) betaald.

2.5.

Belanghebbende heeft in de ter zake van het jaar 2012 ingediende aangifte IB/PVV (hierna: de aangifte), op grond van artikel 2.5 van de Wet IB 2001, gekozen voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige voor de toepassing van deze wet.

2.6.

Belanghebbende heeft in de aangifte als inkomsten uit werk en woning een bedrag van € 52.100 aangegeven, waarbij dit inkomen gevormd wordt door de som van de pensioenuitkering (€ 76.229), het eigenwoningforfait (€ 1.680), de ter zake van de eigen woning betaalde rente (-/- € 19.729) en een aftrek ter zake van specifieke zorgkosten (-/- € 6.080). Belanghebbende heeft de door hem in het jaar 2012 genoten lijfrente-uitkering niet aangegeven.

2.7.

Op 14 november 2014 is, in afwijking van de door belanghebbende ingediende aangifte, aan belanghebbende de aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.211.

2.8.

In de brief van de Inspecteur met dagtekening 19 februari 2015 en titel “Uw bezwaarschrift”, waarin de Inspecteur aankondigt voornemens te zijn af te wijken van de door belanghebbende ingediende aangifte, is met betrekking tot de wijze waarop het belastbaar inkomen ter hoogte van € 58.211 is berekend, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

Stichting Pensioenfonds ABP

€ 76.299

Aegon Levensverzekering

€ 6.041

Totaal

€ 82.340

Saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning

€ - 18.049

Inkomen box 1 vóór persoonsgebonden aftrek

€ 64.291

Persoonsgebonden aftrek box 1 (zorgkosten)

€ 6.080

Inkomen box 1 en tevens verzamelinkomen

€ 58.211

De jaren 2008 tot en met 2011

2.9.

Belanghebbende heeft in de jaren 2008 tot en met 2011, evenals in het onderhavige jaar, een overbruggingslijfrente-uitkering van Aegon ontvangen.

2.10.

Belanghebbende heeft, voor zover in hoger beroep relevant, in de ter zake van het jaar 2008 ingediende aangifte IB/PVV (hierna: de aangifte IB/PVV 2008) die lijfrente-uitkering niet in de aangifte opgenomen.

2.11.

Belanghebbende heeft met betrekking tot de bij het doen van de aangifte IB/PVV 2008 geconstateerde problemen een klachtenbrief met dagtekening 13 maart 2009 (hierna: de klachtenbrief) aan de klachtbehandelaar van de Belastingdienst (hierna: de klachtbehandelaar) doen toekomen. Voor zover in hoger beroep relevant, luidt de klachtenbrief als volgt:

“(…) Op 12 maart 2009 heb ik wederom contact gezocht met de Belastingtelefoon Buitenland. Deze keer gesproken met Mevr. [C] . Zij kon mij melden, dat voornoemde programmafouten bekend waren. Ik moest wel het onbelaste inkomen uit Nederland opgeven (…). De bedragen die vervolgens verschenen in het programma-overzicht waren weliswaar onjuist, maar de Belastingdienst zou in haar berekeningen rekening houden met de vrijstelling in Nederland (…). Ik heb hier mijn sterke twijfel en ongerustheid over uitgesproken. Immers, als de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst hiermee geen rekening zouden houden, zou ik worden geconfronteerd met een wel heel forse (en onterechte) aanslag. De medewerkster gaf aan, dat ik dan altijd nog in beklag kon gaan.

(…)

In het verleden heb ik slechte ervaringen gehad met correspondentie met de Belastingdienst Buitenland (sommige brieven werden in het geheel niet beantwoord). Dit sterkte mij absoluut niet in het vertrouwen dat een en ander in het geval van een onterechte aanslag naar tevredenheid zal worden opgelost.

Ik heb ten einde raad besloten om de vrijgestelde overbruggingslijfrente (het betreft hier 1 maanduitkering van €503,42 van AEGON Nederland NV) maar niet in de aangifte te vermelden. Ik berokken de Nederlandse Staat hiermee geen enkele schade; er wordt immers toch geen belasting of premie volksverzekeringen over geheven. (…)

(…)

Ik beklaag mij over het feit, dat hoewel het bij de Belastingdienst Buitenland bekend is, dat het programma 2008 op bovengenoemde punten niet of onjuist werkt, ik toch dringend werd verzocht inkomen op te geven, dat in Nederland niet is belast. Dit op het gevaar af, dat ik met een onterechte forse aanslag kan worden geconfronteerd, die ik natuurlijk allereerst zou moeten betalen, waarna ik d.m.v. een beklagprocedure maar moet zien het betaalde bedrag plus een door mij berekende teruggave terug te krijgen.

Voorts stel ik er prijs op, toch de Belastingdienst Buitenland te informeren over twee in Nederland onbelaste inkomens, die mijn echtgenote en ik genieten. Ik hoop dit langs deze weg duidelijk te hebben gemaakt. Het aangifteformulier 2008 biedt deze gelegenheid niet zonder dat ik geweldige risico’s loop te worden aangeslagen voor bedragen die elders al worden belast. (…)”.

2.12.

Zowel de aan belanghebbende opgelegde voorlopige aanslag IB/PVV 2008 met dagtekening 5 mei 2009 als de (definitieve) aanslag IB/PVV 2008 met dagtekening 14 januari 2011 zijn, zonder nadere informatie in te winnen bij belanghebbende, conform de aangifte IB/PVV 2008 opgelegd. De door belanghebbende in het jaar 2008 genoten lijfrente-uitkering is derhalve niet in de IB/PVV-heffing betrokken.

2.13.

Belanghebbende heeft ook in de ter zake van de jaren 2009, 2010 en 2011 ingediende aangiften IB/PVV (hierna: de aangiften IB/PVV 2009, 2010 en 2011) de van Aegon ontvangen overbruggingslijfrente-uitkering niet aangegeven.

2.14.

Belanghebbende heeft met betrekking tot de aangifte IB/PVV 2009 en IB/PVV 2010 op 31 maart 2010 respectievelijk 23 maart 2011 telefonisch contact opgenomen met de Belastingtelefoon Buitenland. Belanghebbende heeft tijdens deze telefonische contacten medegedeeld dat hij de in de jaren 2009 en 2010 ontvangen lijfrente-uitkeringen niet in de door hem ter zake van deze jaren in te dienen aangiften IB/PVV zal opnemen omdat de heffing over deze lijfrente-uitkeringen aan de Verenigde Staten is toegewezen.

2.15.

De ter zake van de jaren 2009, 2010 en 2011 aan belanghebbende opgelegde aanslagen IB/PVV (hierna: de aanslagen IB/PVV 2009, 2010 en 2011) zijn, zonder dat de Inspecteur bij belanghebbende nadere informatie heeft ingewonnen, overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangiften opgelegd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de aanslag vastgesteld overeenkomstig de regeling ter voorkoming van dubbele belasting zoals opgenomen in de Wet IB 2001 in verbinding met het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: het UB IB 2001)?

II. Is de aanslag vastgesteld zonder strijd met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb. 1993, 77) (hierna: het belastingverdrag)?

III. Is bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat de door hem in het jaar 2012 genoten lijfrente-uitkering in dit jaar niet tot het belastbare inkomen uit werk en woning zou worden gerekend?

IV. Is de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd?

3.2.

Belanghebbende is van mening dat vraag III bevestigend en de vragen I, II en IV ontkennend beantwoord moeten worden. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het tegen de uitspraak van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur, vermindering van de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.100 en dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag III

4.1.

Het Hof zal, om redenen van proceseconomie, beginnen met de behandeling van vraag III. Dit betreft de vraag of bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de door hem in het jaar 2012 genoten lijfrente-uitkering in het desbetreffende jaar niet tot het belastbare inkomen uit werk en woning zou worden gerekend.

4.2.

Belanghebbende wijst ter onderbouwing van zijn beroep op het vertrouwensbeginsel, onder andere, op de door hem ingediende klachtenbrief (zie onderdeel 2.11), een toezegging van de klachtenbehandelaar, het feit dat de aanslag IB/PVV 2008 conform de aangifte IB/PVV 2008 is opgelegd, de omstandigheid dat hij telefonisch aan medewerkers van de Belastingdienst heeft medegedeeld dat hij de in de jaren 2009 en 2010 ontvangen lijfrente-uitkeringen niet heeft opgenomen in de aangiften IB/PVV 2009 en 2010 en de omstandigheid dat de Inspecteur de aanslagen IB/PVV 2009, 2010 en 2011 conform de door belanghebbende ingediende aangiften heeft ingediend.

4.3.

De Inspecteur betwist dat aan belanghebbende (in het verleden) een toezegging is gedaan waaraan belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat de lijfrente-uitkering in het jaar 2012 niet in de IB/PVV-heffing zou worden betrokken. Voorts betwist de Inspecteur dat bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen kan zijn gewekt dat de omstandigheid dat de Inspecteur de door belanghebbende ingediende aangiften IB/PVV 2008 tot en met 2011 heeft gevolgd, het gevolg is van een bewuste standpuntbepaling.

4.4.

Naar het oordeel van het Hof slaagt belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel.

4.5.

Het Hof legt aan dit oordeel ten grondslag dat belanghebbende in de klachtenbrief uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld dat hij – ten einde raad – de door hem in het jaar 2008 genoten lijfrente-uitkering niet in de aangifte IB/PVV 2008 heeft opgenomen, omdat volgens belanghebbende sprake is van een fout in het door de Belastingdienst gehanteerde aangifteprogramma waardoor ten onrechte IB/PVV werd berekend over deze uitkering. Gelet op de omstandigheid dat de klachtenbehandelaar – zoals de Inspecteur ter zitting heeft verklaard – namens de Inspecteur en onder diens verantwoordelijkheid handelt, heeft belanghebbende met voornoemde klachtenbrief uitdrukkelijk en gemotiveerd bij de Inspecteur aan de orde gesteld dat en met welke reden hij de lijfrente-uitkering in het desbetreffende jaar niet in de aangifte IB/PVV 2008 heeft aangegeven. Aangezien de klachtenbrief moet worden aangemerkt als het uitdrukkelijk en gemotiveerd bij de Inspecteur onder de aandacht brengen van de relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de lijfrente-uitkering, kan de inhoud van de door belanghebbende bedoelde telefonische contacten in het midden blijven.

4.6.

Belanghebbende mocht er, gelet op de door hem aan de klachtenbehandelaar door middel van de klachtenbrief met dagtekening 13 maart 2009 verstrekte inlichtingen, op vertrouwen dat de Inspecteur op het moment van het opleggen van de voorlopige aanslag IB/PVV 2008 op 5 mei 2009, althans in ieder geval op het moment van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2008 op 14 januari 2011, op de hoogte was van het feit dat en waarom hij de in dat jaar genoten lijfrente-uitkering niet in de aangifte IB/PVV 2008 had aangegeven. Gelet op de omstandigheid dat de Inspecteur, desondanks, de voorlopige aanslag IB/PVV 2008 en de aanslag IB/PVV 2008 overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV 2008 heeft opgelegd, kon bij belanghebbende de in rechte te beschermen indruk ontstaan dat deze gedragslijn berustte op een bewuste standpuntbepaling (vgl. Hoge Raad 13 december 1989, nr. 25.077, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, BNB 1990/119).

4.7.

Aan het voorgaande doet niet af dat de Inspecteur ter zitting heeft verklaard dat hij op het moment van het opleggen van de voorlopige aanslag IB/PVV 2008 (5 mei 2009) en de aanslag IB/PVV 2008 (14 januari 2011) niet op de hoogte was van de materiële inhoud van de klachtenbrief en dat hij pas geruime tijd later, namelijk door middel van het door belanghebbende tegen de onderhavige aanslag bij brief met dagtekening 13 december 2014 gemaakt bezwaar, hiervan kennis heeft genomen. Naar het oordeel van het Hof dient deze omstandigheid – die kennelijk het gevolg is van de interne organisatie binnen de Belastingdienst – voor rekening en risico van de Inspecteur te blijven, aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende van deze omstandigheid op de hoogte was.

4.8.

Het Hof voegt hieraan toe dat deze gedragslijn – namelijk het volgen van de door belanghebbende ingediende aangiften IB/PVV waarin de lijfrente-uitkering niet is aangegeven – ook gedurende de jaren 2009, 2010 en 2011 is voorgezet. Gelet op deze bestendige gedragslijn van de Inspecteur, welke bij belanghebbende, mede gelet op de afhandeling van het jaar 2008 na de klachtenbrief, de schijn van een bewuste standpuntbepaling door de Inspecteur heeft kunnen wekken, mocht belanghebbende erop vertrouwen dat de lijfrente-uitkering ook in het jaar 2012 niet in de heffing van IB/PVV zou worden betrokken.

4.9.

Gesteld noch gebleken is dat het door voornoemde gedragslijn gewekte in rechte te beschermen vertrouwen voorafgaande aan het opleggen van de aanslag IB/PVV 2012 is opgezegd. Het Hof beantwoordt vraag III derhalve bevestigend.

4.10.

Gelet op het voorgaande dient de aanslag verminderd te worden tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ter hoogte van € 52.100. Het Hof zal hierna bij de beantwoording van vraag I en II ingaan op de vraag of Nederland op grond van de nationale regeling respectievelijk het belastingverdrag een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting dient te verlenen.

Vragen I en II

4.11.

Bij beantwoording van de vragen I en II stelt het Hof voorop dat, gezien hetgeen hiervóór is overwogen, met betrekking tot de lijfrente-uitkering geen sprake is van een dubbele belastingheffing.

4.12.

Met betrekking tot de belastbare inkomsten uit eigen woning stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de Inspecteur deze inkomsten ten onrechte heeft aangemerkt als niet in Nederland te belasten inkomensbestanddelen in de zin van artikel 2, lid 1, van het UB IB 2001 juncto artikel 3, lid 1, van het UB IB 2001. Belanghebbende legt aan dit standpunt ten grondslag dat Nederland in het onderhavige jaar wel degelijk IB/PVV heeft geheven over de voordelen uit de eigen woning, door het eigenwoningforfait als bedoeld in artikel 3.112 van de Wet IB 2001 in de belastingheffing te betrekken.

4.13.

Het Hof stelt met betrekking tot de belastingheffing over de belastbare inkomsten uit eigen woning voorop dat op grond van artikel 6, lid 1, van het belastingverdrag het heffingsrecht over de in de Verenigde Staten gelegen woning is toegewezen aan de Verenigde Staten.

4.14.

Aangezien belanghebbende op grond van artikel 2.5 van de Wet IB 2001 gekozen heeft voor toepassing van de regels van de Wet IB 2001 voor binnenlandse belastingplichtigen wordt echter, in beginsel, het door belanghebbende genoten wereldinkomen belast, met dien verstande dat, voor zover relevant, op grond van artikel 2, lid 1, van het UB IB 2001 voorkoming van dubbele belasting wordt verleend voor de belasting die betrekking heeft op niet in Nederland te belasten inkomensbestanddelen. Uit artikel 3, lid 1, van het UB IB 2001 volgt dat de vermindering ter zake van niet in Nederland te belasten inkomstenbestanddelen gelijk is aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van de voorkomingsartikelen over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het gezamenlijke bedrag van de niet in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen staat tot het noemerinkomen. Op grond van artikel 3, lid 5, van het UB IB 2001 wordt, voor zover relevant, onder noemerinkomen verstaan het inkomen uit werk en woning verminderd met de persoonsgebonden aftrek.

4.15.

Indien belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het negatieve saldo van het eigenwoningforfait (€ 1.680) en de ter zake van de eigen woning betaalde rente (-/- € 19.729) geen deel uitmaakt van het noemerinkomen als bedoeld in artikel 3, lid 1, van het UB IB 2001 oordeelt het Hof dat belanghebbende geen belang heeft bij deze stelling aangezien deze stelling niet kan leiden tot een vermindering van de onderhavige aanslag. Het saldo van het eigenwoningforfait en de ter zake van de eigen woning betaalde rente is namelijk negatief (-/- € 18.049) en heeft derhalve geleid tot een vermindering van het belastbare inkomen uit werk en woning.

4.16.

Voor zover belanghebbende betoogt dat bij de berekening van het “noemerinkomen” terecht rekening is gehouden met het gesaldeerde (negatieve) saldo van het eigenwoningforfait en de ter zake van de eigen woning betaalde rente, terwijl onder het “niet in Nederland te belasten bestanddeel van het noemerinkomen” uitsluitend het eigenwoningforfait had dienen te worden begrepen, faalt deze stelling. Het Hof legt aan dit oordeel ten grondslag dat in artikel 3, lid 5, van het UB IB 2001 voor de definitie van het begrip “noemerinkomen” wordt verwezen naar het begrip “inkomen uit werk en woning” zoals gedefinieerd in de Wet IB 2001 en op grond van artikel 3.110 van deze wet onder het belastbare inkomen uit eigen woning wordt verstaan het saldo van het eigenwoningforfait en de op die voordelen drukkende aftrekbare kosten, waaronder rentekosten.

4.17.

Gelet op de hierboven opgenomen definitie van het belastbaar inkomen uit eigen woning en ’s Hofs oordeel dat belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel met betrekking tot de lijfrente-uitkering slaagt, bedraagt het noemerinkomen € 52.170 en het niet in Nederland te belasten inkomen -/- € 18.049. Aangezien het niet in Nederland te belasten inkomen negatief is en derhalve geleid heeft tot een lager belastbaar inkomen uit werk en woning dan het geval zou zijn geweest zonder dit niet in Nederland te belasten inkomen, hoeft Nederland op grond van de voorkomingssystematiek zoals opgenomen in het UB IB 2001 geen voorkoming te verlenen.

4.18.

Naar het oordeel van het Hof levert dit geen strijd op met het belastingverdrag. Het Hof legt aan dit oordeel ten grondslag dat in artikel 25, lid 2, van dit belastingverdrag, voor zover relevant, is opgenomen dat indien het heffingsrecht ter zake van een onroerende zaak is toegewezen aan de Verenigde Staten, doch deze onroerende zaak eveneens in Nederland in de belastingheffing wordt betrokken, Nederland voorkoming dient te verlenen, met dien verstande dat deze voorkoming verleend mag worden overeenkomstig de bepalingen zoals opgenomen in de Nederlandse wetgeving (derhalve in het UB IB 2001). De Hoge Raad heeft bij arrest van 31 januari 2014, nr. 12/02201, ECLI:NL:HR:2014:167 geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat bij de toepassing van artikel 2.5 van de Wet IB 2001 het wereldinkomen als uitgangspunt wordt genomen voor het berekenen van het gemiddelde tarief waartegen het Nederlandse inkomen in de heffing wordt betrokken, niet betekent dat Nederland daarmee belasting heft over bestanddelen van het inkomen ter zake waarvan de heffingsbevoegdheid in een belastingverdrag aan een andere staat is toegewezen.

4.19.

Het Hof beantwoord vragen I en II, gelet op het voorgaande, bevestigend.

Vraag IV

4.20.

Belanghebbende heeft voorts betoogd dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd.

4.21.

Gelet op de bevestigende beantwoording van vraag III, hetgeen tot gevolg heeft dat het hoger beroep gegrond verklaard wordt, behoeft vraag IV geen beantwoording meer.

Slot

4.22.

Met betrekking tot de door belanghebbende vóór de zitting geuite wensen om het onderzoek aan het einde van de zitting te schorsen en de zaak aan te houden en hem een proces-verbaal van het onderzoek ter zitting te verschaffen gaat het Hof voorbij, omdat tijdens het onderzoek ter zitting ten aanzien van de vragen I en II, die in voor belanghebbende ongunstige zin worden beslist, niets is besproken. Hetgeen wel is besproken betreft vraag III, die in een voor belanghebbende gunstige zin is beslist, zodat belanghebbende niet is benadeeld door daarop niet te hebben kunnen reageren. Derhalve is er geen aanleiding om belanghebbende in de gelegenheid te stellen nader te laten reageren op hetgeen ter zitting is voorgevallen.

4.23.

Voorts heeft belanghebbende het Hof verzocht de Inspecteur de aanwijzing te geven de aanslag IB/PVV 2013 op een zelfde wijze af te doen als volgt uit het oordeel van het Hof in onderhavige zaak. Aan dit verzoek kan het Hof niet voldoen aangezien de aanslag IB/PVV 2013 niet ter behandeling voor ligt.

Slotsom

4.24.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Het Hof zal het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de Inspecteur vernietigen, de aanslag verminderen tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.100 en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.25.

Omdat de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 respectievelijk € 124 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.26.

Hoewel het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

4.27.

Belanghebbende heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt, en het Hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat hij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.100;

  • -

    bepaalt dat de beschikking belastingrente dienovereenkomstig wordt verminderd; en

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrag van, in totaal, € 169 vergoedt.

Aldus gedaan op 26 april 2018 door P. Fortuin, voorzitter, A.J. Kromhout en P.C. van der Vegt, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.