Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1818

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
15-08-2018
Zaaknummer
200.234.372_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling ex artikel 350 lid 3 aanhef en sub c nu saniet een of meer van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 26 april 2018

Zaaknummer : 200.234.372/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/15/712 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen te Sittard, gemeente Sittard-Geleen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 februari 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 februari 2018, heeft [appellant] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing blijft.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 april 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Bergmans-Jeurissen,

  • -

    mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder,

  • -

    mevrouw [beschermingsbewindvoerder] in haar hoedanigheid van informante, hierna te noemen: de

beschermingsbewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 8 februari 2018;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 26 maart 2018 en 6 april 2018;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 10 april 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit haar uitlating zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan blijkt dat de beschermingsbewindvoerder bekend is met het hoger beroep dat [appellant] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid zij in appel ook gebruik heeft gemaakt, om haar visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

Bij vonnis van 6 oktober 2015 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 18 december 2017 tussentijds beëindigd, nu [appellant] een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert. Bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.2. De saniet is op de hoogte van de regels zoals die gelden in de schuldsaneringsregeling. Zo heeft hij bij de toelating tot de schuldsaneringsregeling een formulier met de regels daarvan ondertekend. Thans blijkt echter dat, ondanks een verhoor bij de rechter-commissaris op 31 mei 2016 en de daaropvolgende afsprakenbrief van 2 juni 2016, kernverplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling, zoals de informatieplicht en de arbeids- en sollicitatieplicht, niet althans onvoldoende zijn nagekomen. Van de saniet wordt, gelet op artikel 327 juncto artikel 105 Faillissementswet, verwacht dat niet alleen alle inlichtingen worden verschaft die door de bewindvoerder of rechter-commissaris worden gevraagd, maar ook die inlichtingen waarvan de saniet weet of behoort te weten dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Gebleken is dat de saniet zelf niets onderneemt en het aan zijn begeleiders overlaat om contact te onderhouden met zijn bewindvoerder (en beschermingsbewindvoerder). In de maanden dat er geen begeleiding is geweest, is er dan ook geen informatie door de saniet verstrekt. De saniet heeft een eigen verantwoordelijkheid om de bewindvoerder van de benodigde informatie te voorzien, ongeacht het wel of niet hebben van begeleiding. De spontane inlichtingenplicht is niet (in voldoende mate) nagekomen.

2.3.

Bij toelating tot de schuldsanering zijn geen medische verklaringen overgelegd waaruit de mate van arbeidsongeschiktheid van de saniet kon worden afgeleid. Aan de saniet is dan ook de volledige arbeids- en sollicitatieplicht opgelegd. Naar aanleiding van het verhoor van 31 mei 2016 heeft de saniet zich laten keuren. Op basis van de rapportage van Argonaut van 22 augustus 2016 is door de rechter-commissaris aan de saniet een arbeidsplicht opgelegd voor 20 uur per week. Per 31 januari 2018 heeft de gemeente aan de saniet de volledige arbeids- en sollicitatieplicht opgelegd en zal er een traject via Baanbrekend Werk worden gestart. De saniet heeft echter gedurende de hele schuldsanering geen sollicitatiebewijzen overgelegd aan de bewindvoerder. Ter zitting heeft de saniet toegegeven niet te hebben gesolliciteerd, omdat het soms druk is in zijn hoofd. Hierdoor is aannemelijk geworden dat de saniet niet heeft voldaan aan zijn arbeids-en sollicitatieplicht.”

3.5.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] ging ervan uit dat de beschermingsbewindvoerder de financiële stukken aan de bewindvoerder zou overleggen. Hij ging er voorts vanuit dat de bewindvoerder alle poststukken las, omdat er sprake is van een postblokkade. [appellant] heeft niet bewust stukken niet overgelegd, mocht er sprake zijn van ontbrekende stukken. Als er informatie niet of niet tijdig door hem is overgelegd, dan komt dit doordat hij de strekking en inhoud van de spontane informatieplicht niet goed heeft begrepen. [appellant] is voorts van oordeel dat hij arbeidsongeschikt is en om die reden niet kan solliciteren. Nu hij arbeidsongeschikt is, is er volgens hem dan ook geen sprake van onwil maar van onmacht. Hij dient voor de tijd dat hij arbeidsongeschikt is, dan ook te worden vrijgesteld van de sollicitatieverplichting. Eventuele tekortkomingen zijn niet toerekenbaar, omdat deze hem niet te verwijten vallen. Voorts is [appellant] van mening dat, indien er sprake zou zijn van enige (toerekenbare) tekortkomingen, die niet van dien aard zijn dat deze een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling kunnen rechtvaardigen. Zijn psychische problematiek maakt immers dat hij niet alleen beperkt is in de mogelijkheid om arbeid te verrichten en dus deel te nemen aan het arbeidsproces, maar het beperkt hem tevens in zijn mogelijkheden om eventuele verplichtingen op grond van de schuldsaneringsregeling na te komen. Het feit dat hij zich onder behandeling heeft gesteld van PsyQ ADHD [vestigingsnaam] , medicatie gebruikt voor zijn ADHD en een beschermingsbewindvoerder en een ambulant begeleider heeft, maakt naar zijn idee dat hij voldoende inspanningen heeft verricht en verricht om eventuele tekortkomingen in de toekomst te voorkomen. Tot slot verzoekt [appellant] subsidiair om een verlenging van zijn schuldsaneringsregeling teneinde alsnog alle kernverplichtingen op een juiste wijze te kunnen nakomen. Hij wordt begeleid, gebruikt medicatie voor zijn ADHD en wil een kans om de schuldsaneringsregeling met goed gevolg af te ronden.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] benadrukt dat hij de door de bewindvoerder geconstateerde tekortkomingen ten aanzien van de nakoming van de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen erkent, maar dat hij, vanwege zijn psychosociale problematiek, deze tekortkomingen niet toerekenbaar acht. Hij heeft een hulpaanvraag bij Triade gedaan en is nu in afwachting van de toewijzing van een begeleider. Daarnaast zou hij via Baanbrekend Werk aan de slag zijn gegaan, ware het niet dat de gemeente Heerlen, waarvan Baanbrekend Werk een onderdeel is, de voorgestelde werkzaamheden bij nader inzien, en mede gebaseerd op de rapportage van Argonaut, toch niet passend (genoeg) vond. [appellant] is hierop voor drie dagen in de week vrijwilligerswerk gaan doen sinds maart 2018, als klusjesman bij een hondentrainingscentrum. Voorts benadrukt hij dat, sinds de beschermingsbewindvoerder zijn financiën beheert, er ook geen nieuwe schulden zijn ontstaan en dat, zodra er een nieuwe begeleider zal zijn, het solliciteren naar verwachting ook weer naar behoren zal worden hervat. Desgevraagd erkent [appellant] dat in de rapportage van Argonaut niet wordt gesteld dat hij in het geheel niet zou kunnen werken. Dat hij desondanks toch niet gesolliciteerd heeft wijt hij aan het feit dat hij zichzelf niet in staat acht om zonder begeleiding gericht te solliciteren. Hij vindt het moeilijk om zelfstandig de juiste vacatures te vinden en aansluitend een kansrijke sollicitatiebrief op te stellen. Voor het feit dat zijn schuldenlast na toelating tot de schuldsaneringsregeling circa
€ 30.000,00 hoger bleek te zijn dan in zijn toelatingsverzoek staat vermeld, heeft [appellant] desgevraagd geen verklaring.

3.7.

De bewindvoerder heeft in haar brief - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] heeft zich gedurende de schuldsaneringsregeling niet, althans onvoldoende, gehouden aan de inlichtingen- en arbeidsplicht. Sinds maart 2017 heeft hij haar op geen enkele manier geïnformeerd over de verrichte sollicitaties. [appellant] is op basis van de bij de bewindvoerder bekende medische gegevens nimmer door de rechter-commissaris volledig vrijgesteld van de arbeidsverplichting, hetgeen ook uitgebreid is gecommuniceerd. Deze arbeidsplicht is ook ter sprake gekomen bij het verhoor en in de op 2 juni 2016 ontvangen afsprakenbrief. De toenmalige begeleidster van [appellant] heeft de arbeidsplicht op een gegeven moment opgepakt en samen met hem een aantal sollicitaties verricht. Nadat deze begeleiding in maart 2017 werd stopgezet zijn er echter geen sollicitatiebewijzen meer overgelegd. [appellant] heeft een medische keuring gehad bij Argonaut. Hierbij werd geconcludeerd dat hij voor 4 uur per dag zou kunnen werken en “op geleide van medische problematiek en behandeling kan het worden uitgebreid”. Verder wordt [appellant] ook door de gemeente Heerlen volgens de laatste beschikking van 31 januari 2018 niet vrijgesteld van de arbeidsplicht. [appellant] heeft geen afdrachtverplichting aan de boedel en hij heeft zijn beschermingsbewindvoerder correct over de inkomsten en uitgaven geïnformeerd.

3.8.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De bewindvoerder acht [appellant] niet saneringsrijp. [appellant] geeft uitsluitend aan dat hij de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling, waaronder de sollicitatieplicht, niet zelfstandig kan nakomen, maar er is door de rechter-commissaris nooit een volledige vrijstelling van deze verplichting verleend. Ook de gemeente Heerlen heeft [appellant] in het kader van zijn uitkering nimmer een dergelijke vrijstelling verleend. [appellant] heeft de bewindvoerder sinds maart 2017, dus al ruim een jaar, ook in het geheel niet meer geïnformeerd. Reeds bij aanvang van de schuldsaneringsregeling was de problematiek van [appellant] bekend, maar er is tot op heden feitelijk niets substantieels ondernomen. Nu [appellant] nog steeds niet concreet heeft aangegeven hoe hij vanaf nu aan de sollicitatieverplichting wil gaan voldoen en er ook nog steeds geen structurele begeleiding van de grond is gekomen, acht de bewindvoerder een verlenging van de schuldsaneringsregeling in wezen ook zinloos.

3.9.

De beschermingsbewindvoerder heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd aangegeven dat de schuldsaneringsregeling van [appellant] financieel bezien naar behoren verloopt: zo zijn er bijvoorbeeld geen nieuwe schulden ontstaan.

3.10.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.10.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw, te beoordelen of er bij [appellant] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door zijn doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

3.10.2.

Vast staat, temeer nu hij zulks bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook nadrukkelijk en bij herhaling heeft erkend, dat [appellant] de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatie- en arbeidsverplichting structureel niet naar behoren nakomt. [appellant] voert aan dat hij vanwege zijn psychosociale problematiek, meer in het bijzonder zijn ADHD-stoornis, niet in staat is om gericht te solliciteren of aan het arbeidsproces deel te nemen. Er is evenwel geen sprake van een door de rechter-commissaris verleende volledige vrijstelling van deze verplichting. Dit terwijl in de door [appellant] zelf overlegde rapportage van Argonaut d.d. 22 augustus 2016 bovendien wordt geconcludeerd dat [appellant] , mits er aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, wel degelijk aan het arbeidsproces kan deelnemen. Dat [appellant] in staat moet worden geacht om, wellicht onder aangepaste omstandigheden, aan het arbeidsproces deel te kunnen nemen kan daarnaast ook worden afgeleid uit het feit dat hij thans drie dagen per week onbetaald vrijwilligerswerk verricht, hetgeen hem naar eigen zeggen goed afgaat en bovendien ook de nodige voldoening geeft. Door niet te solliciteren naar een betaalde arbeidsbetrekking maar daarbij wel drie dagen in de week onbetaald vrijwilligerswerk te verrichten heeft [appellant] de belangen van zijn schuldeisers naar het oordeel van het hof op schromelijke wijze veronachtzaamd. Daargelaten nog het feit dat in het kader van zijn schuldsaneringsregeling de sollicitatie- en arbeidsverplichting vanaf 22 augustus 2016 voor 20 uur per week voor hem van kracht is geweest en hij bij herhaling door zowel de rechter-commissaris als de bewindvoerder nadrukkelijk op zijn tekortkomingen is gewezen.

3.10.3.

Daarnaast is door de bewindvoerder bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevoerd, en door [appellant] onweersproken gelaten, dat [appellant] de bewindvoerder al ruim één jaar niet meer van enige informatie voorziet. Hieruit volgt dat [appellant] de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting eveneens niet naar behoren is nagekomen. Daarbij is het hof bovendien van oordeel dat niet is gebleken dat de geconstateerde tekortkomingen [appellant] niet kunnen worden verweten (vgl. HR 12 juni 2009, NJ 2009, 270). Uit de overlegde medische stukken blijkt in ieder geval niet dat [appellant] niet in staat zou zijn de hiervoor genoemde verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling na te komen.

3.10.4.

Nu, tevens doordat hij bekend is althans redelijkerwijs geacht wordt bekend te zijn met de verplichtingen in het kader van de wettelijke schuldsanering - in welk verband het hof naar de processtukken wijst -, de geconstateerde tekortkomingen [appellant] kunnen worden verweten en het bovendien om meerdere verwijtbare tekortkomingen gaat, acht het hof geen termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling van [appellant] te verlengen. [appellant] lijkt te volharden in zijn gedrag om de nakoming van de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen daar waar mogelijk bij derden te leggen en daarbij zelf zoveel mogelijk langs de zijlijn te blijven staan. Een verhoor bij de rechter-commissaris op 31 mei 2016, een waarschuwingsbrief van 2 juni 2016, een beëindigingszitting op 8 februari 2018, een beëindigingsvonnis van 20 februari 2018, de vele schriftelijke herinneringen en aansporingen van de bewindvoerder noch de aanwezigheid van een beschermingsbewindvoerder hebben hierin ook maar enige verbetering gebracht. [appellant] blijft volharden in zijn niet saneringsgezinde grondhouding en heeft, ook ter zitting in hoger beroep, niets gesteld of aangedragen op grond waarvan voor de nabije toekomst redelijkerwijs enige verbetering kan worden verwacht. Dat zijn schuldsaneringsregeling financieel bezien wel naar verhoren verloopt is naar het oordeel van het hof dan ook geheel de verdienste van de beschermingsbewindvoerder en kan allerminst aan de inspanningen van [appellant] worden toegeschreven.

3.11.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, S.M.A.M. Venhuizen en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2018.