Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1809

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
15-08-2018
Zaaknummer
200.230.491_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging einde schuldsaneringsregeling zonder toekenning schone lei met een verlenging van de looptijd met een periode van (maximaal) 6 maanden teneinde de boedelachterstand geheel in te lopen en maandelijks het salaris van de bewindvoerder te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 26 april 2018

Zaaknummer : 200.230.491/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/14/732

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. J.M. van der Linden te Waddinxveen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 december 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 januari 2018, heeft [appellante] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog te beslissen haar schuldsaneringsregeling te beëindigen met verlening van de schone lei, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof rechtens juist acht.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 april 2018. Bij die gelegenheid is [appellante] , bijgestaan door mr. Van der Linden, gehoord. De heer [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder, is met bericht van verhindering, niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 16 februari 2016 en 6 september 2016;

- de indieningsformulieren met bijlagen van de advocaat van appellant d.d. 10 januari 2018 en 13 april 2018;

- de brieven met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 7 maart 2018 en 5 april 2018;

- de ter zitting in hoger beroep door de advocaat van [appellante] overgelegde stukken, te weten een plan van aanpak met betrekking tot het inlopen van de (eventuele) boedelachterstand alsmede een op 17 april 2018 gedateerde verklaring van de heer [de stiefvader van appellante] (hierna te noemen: [de stiefvader van appellante] ) dat hij van [appellante] met betrekking tot de door hem ten bate van [appellante] gedane betalingen aan Ohra en de boedelrekening geen terugbetaling verlangt en het hier derhalve in beiden gevallen om een gift handelt, alsmede een kopie van het paspoort van [de stiefvader van appellante] voornoemd.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 27 augustus 2014 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnis van 1 september 2017 is de looptijd van de schuldsaneringsregeling met een periode van drie maanden verlengd, uitsluitend teneinde [appellante] de gelegenheid te geven de boedelachterstand in te lopen. Tijdens de verlenging diende [appellante] voorts nog wel het bewindvoerdersalaris (inclusief btw) te voldoen maandelijks te voldoen.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) bij wijze van eindoordeel in verband met het verstrijken van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, geoordeeld dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [appellante] geen “schone lei” is verleend.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“3.4. Vaststaat dat schuldenares de boedelachterstand nog niet heeft afgelost en dat er nog een bedrag van € 685,62 betaald moet worden. Vaststaat derhalve dat schuldenares tekort geschoten is in de op haar rustende afdrachtverplichting. Daar komt bij dat zij de nieuwe schuld aan Ohra heeft verzwegen. De rechtbank acht de mededeling van schuldenares ter zitting dat zij niet op de hoogte was van de schuld ongeloofwaardig. Uit de mail van Ohra aan de bewindvoerder d.d. 4 december 2017 blijkt immers dat schuldenares over de periode augustus 2016 tot en met 1 december 2017 een achterstand in de betalingen van de zorgpremie heeft laten ontstaan tot een totaal bedrag van € 1.282,15, alsmede dat zij daarover diverse malen door Ohra is geïnformeerd. Bovendien heeft het schuldenares in deze lange periode van ruim een jaar ook wel op moeten vallen dat de maandelijkse automatische incasso van de bedragen geen doorgang vond. Daarentegen heeft zij deze nieuwe schuld ter gelegenheid van de eerdere eindzitting van 25 augustus 2017 verzwegen en heeft zij zelfs nadien nog schriftelijk aan de bewindvoerder medegedeeld dat er geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Schuldenares is daarmee tekort geschoten in de op haar rustende informatieverplichting en haar verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het aldus bij schuldenares ontbroken aan de van haar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank acht de tekortkomingen dan ook toerekenbaar aan schuldenares en acht met name de verzwijging van de schuld dermate ernstig dat de schuldsaneringsregeling beëindigd zal worden zonder verlening van de schone lei.”

3.4.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] erkent dat zij een boedelachterstand heeft laten ontstaan. Bij eerder vonnis van 1 september 2017 heeft de rechtbank de schuldsaneringsregeling verlengd met een periode van 3 maanden teneinde haar in de gelegenheid te stellen de boedelachterstand in te lossen. De exacte hoogte van de boedelachterstand was toen nog niet bekend. Uiteindelijk heeft de bewindvoerder de boedelachterstand berekend op € 829,62. [appellante] heeft in de verlenging een bedrag van € 300,00 aan de boedel voldaan. Het is haar niet gelukt de volledige boedelachterstand in te lossen vanwege persoonlijke problemen. Het bedrag van

€ 685,62 dat nog aan de boedel voldaan moest worden is inmiddels op 21 december 2017 overgemaakt op de boedelrekening. Haar stiefvader, [de stiefvader van appellante] , heeft hiervoor zorg gedragen. Uit de jurisprudentie van dit hof volgt dat het hof van oordeel is dat een boedelachterstand in beginsel niet middels een schenking kan worden ingelopen, aangezien een schenking in de boedel valt. Aangezien het hof spreekt over "in beginsel" geeft het hof hiermee aan dat er ruimte kan zijn voor een uitzondering. Gelet op de persoonlijke problematiek, het feit dat de boedelachterstand inmiddels is voldaan, de boedelachterstand niet al te hoog was, [appellante] beschermingsbewind heeft aangevraagd en zij zich aan de overige verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling heeft gehouden, stelt [appellante] zich op het standpunt dat in haar geval een uitzondering op haar plaats is en dat derhalve de boedelachterstand door de schenking van haar stiefvader ingelost kon worden. Het zou te ingrijpend zijn de schone lei te onthouden om de reden dat een relatief kleine boedelachterstand die is ingelost door een derde niet als aflossing wordt bestempeld waardoor er dan nog steeds een boedelachterstand zou zijn. [appellante] was er voorts niet van op de hoogte dat zij een nieuwe schuld had laten ontstaan aan Ohra. Immers, in haar visie heeft zij over de periode augustus 2016 tot en met 1 december 2017 wel haar maandelijkse zorgpremie voldaan. Verder blijkt dat Ohra allerlei openstaande bedragen opvoert welke zien op de periode voordat [appellante] werd toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, waardoor Ohra stelt dat er nog een bedrag voldaan dient te worden van € 1.720,16. Ohra is het natuurlijk niet toegestaan op deze manier te handelen. [appellante] vindt het onbegrijpelijk dat de rechtbank -op basis van een e-mail van Ohra van 4 december 2017, waarin alleen wordt aangegeven dat er een betalingsachterstand is van

€ 1.282,15 over de periode van augustus 2016 tot en met 1 december 2017, zonder dat dit gespecifieerd wordt -, er zondermeer vanuit gaat dat de gestelde betalingsachterstand juist is. Dit temeer nu [appellante] had aangegeven dat zij niet op de hoogte was van een betalingsachterstand. Gelet op het betalingsoverzicht van Ohra staat vast dat [appellante] lopende de schuldsaneringsregeling geen nieuwe schuld heeft laten ontstaan, waardoor dit geen reden meer kan zijn haar de schone lei te onthouden.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellante] benadrukt dat zowel de schuld aan Ohra als het boedeltekort inmiddels door [de stiefvader van appellante] geheel is voldaan en deze vorderingen als zodanig ook niet meer bestaan. Derhalve is [appellante] van mening dat er feitelijk ook niets meer aan de verlening van de zogenoemde schone lei in de weg staat. Mocht het hof evenwel toch van oordeel zijn dat de boedelachterstand, nu deze niet middels een gift van derden kan worden ingelopen, nog immer bestaat, dan verzoekt [appellante] subsidiair om een verlenging van haar schuldsaneringsregeling om deze boedelachterstand alsnog in te lopen. Hiertoe overlegt zij ter zitting in hoger beroep een financieel plan van aanpak. Wanneer [appellante] door het hof wordt voorgehouden dat uit een door haarzelf overgelegd betalingsoverzicht van Ohra blijkt dat zij gedurende een langere periode haar aan Ohra maandelijks verschuldigde ziektekostenpremie niet periodiek en tijdig (volledig) heeft voldaan, stelt de advocaat van [appellante] dat [appellante] , nu zij wel met enige regelmaat betalingen verrichtte, waarschijnlijk op grond daarvan heeft gedacht dat er geen nieuwe schuld aan het ontstaan was. Daarbij komt dat [appellante] , en met name ook haar advocaat, van mening zijn dat het door Ohra verstrekte betalingsoverzicht, vanwege het gebruik van allerlei betalingscodes, dermate onoverzichtelijk is dat hieruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat het om een nieuwe schuld zou gaan, dat wil zeggen een schuld die gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling zou zijn ontstaan. [appellante] blijft in beginsel bij haar standpunt dat de schuld aan Ohra reeds voorafgaand aan haar schuldsaneringsregeling bestond en derhalve dient te worden aangemerkt als een “oude” schuld.

3.6.

De bewindvoerder heeft in zijn brief van 5 april 2018 - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Ten tijde van de zitting tussentijdse beëindiging van 15 december 2017 was sprake van een boedelachterstand van € 685,62. De achterstand is op 21 december 2017 rechtstreeks voldaan door [de stiefvader van appellante] . De boedelachterstand is na de zitting tussentijdse beëindiging van 15 december 2017 ingelost zonder in overleg te treden met de bewindvoerder en/of de rechter-commissaris. Het is onduidelijk of het hier om een schenking of om een nieuwe schuld gaat. De bewindvoerder heeft op 4 december 2017 een mail ontvangen van Ohra waarin wordt bevestigd dat er sprake is van een bovenmatige nieuwe schuld van € 1.282,15. Volgens Ohra is [appellante] diverse keren aangeschreven zonder een reactie van haar te mogen ontvangen. [appellante] heeft deze nieuwe schuld nooit aan de bewindvoerder gemeld. De bewindvoerder heeft op 4 april 2018 telefonisch contact gehad met de afdeling debiteurenbeheer van Ohra. Zij bevestigde dat er wel degelijk sprake was van een nieuwe schuld en dat [de stiefvader van appellante] het bedrag van € 1.282,15 op 21 december 2017 heeft betaald. Het is de bewindvoerder ook nu weer onduidelijk of het hier om een schenking of om een nieuwe schuld gaat. [appellante] stelt voorts dat er beschermingsbewind is aangevraagd. Het bewijs ontbreekt. De bewindvoerder is van mening dat dit een voorwaarde is voor het alsnog verstrekken van de schone lei, daar er gedurende de gehele regeling sprake is geweest van een onstabiele financiële situatie en [appellante] niet zelfstandig in staat is geweest haar financiën voldoende te beheren. De boedelachterstand en de nieuwe schuld zijn inmiddels dus voldaan, weliswaar na de zitting tussentijdse beëindiging op 15 december 2017. Indien [appellante] kan aantonen dat het hier een schenking betreft en er hierdoor geen nieuwe schuld aan [de stiefvader van appellante] is ontstaan (dan zou er slechts sprake zijn van substitutie) en kan aantonen dat er beschermingsbewind is aangevraagd, dan zou voor de bewindvoerder alsnog de schone lei kunnen worden verleend. Beschermingsbewind is echter noodzakelijk om financiële stabiliteit te creëren om te voorkomen dat zij opnieuw in een vergelijkbare situatie belandt. De manco's waar sprake van was bij de eindzitting, zijn na de eindzitting alsnog aangezuiverd en volgens [appellante] is er tevens beschermingsbewind aangevraagd. Wel dienen de bewijsstukken waaruit dit blijkt nog overlegd te worden. Desalniettemin is er heden geen sprake meer van een manco in de nakoming van de verplichtingen. De bewindvoerder ziet dan ook geen reden (meer) om [appellante] de schone lei te ontzeggen en meldt zich af voor de zitting in hoger beroep.

3.7.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.7.1.

Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3.7.2.

Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de schuld van [appellante] aan Ohra, nu deze integraal door [de stiefvader van appellante] op 21 december 2017 is voldaan, als zodanig niet meer bestaat. Het hof merkt hierbij wel op dat, anders dan door [appellante] wordt gesteld, uit het door [appellante] overgelegde betalingsoverzicht van Ohra van 28 december 2017 zonneklaar kan worden herleid dat [appellante] gedurende haar schuldsaneringsregeling haar maandelijkse ziektekostenpremie diverse maanden in de periode augustus 2016- oktober 2017 niet (volledig) heeft voldaan en dat de schuld aan Ohra derhalve wel degelijk voor een aanzienlijk deel dient te worden aangemerkt als een nieuwe schuld. Daarbij is het hof bovendien van oordeel dat [appellante] wist, althans had dienen te onderkennen, dat zij door het niet (volledig) betalen van haar maandelijkse ziektekostenpremie een nieuwe schuld aan het opbouwen was. Nu zij de bewindvoerder hiervan niet in kennis heeft gesteld heeft [appellante] , in ieder geval met betrekking tot het ontstaan en on onbetaald laten van deze schuld, niet naar behoren voldaan aan de in het kader van haar schuldsaneringsregeling op haar rustende haar (spontane) informatieplicht.

3.7.3.

Met betrekking tot de boedelachterstand overweegt het hof voorts als volgt. Een ontstane boedelachterstand kan in beginsel niet middels schenkingen van derden worden ingelopen. Uit artikel 295 lid 1 in samenhang met lid 4, onder a, Fw vloeit immers voort dat schenkingen in beginsel in de boedel vallen. Daarenboven verdragen schenkingen voor inlossing van de boedelachterstand zich in principe niet met de in lid 2 van het hiervoor genoemde artikel opgenomen verplichting van de schuldenaar zelf van zijn inkomen maandelijks afdrachten te doen tot de grens van het in deze te bepalen vrij te laten bedrag. Deze verplichting kan naar het oordeel van het hof in beginsel niet worden “afgekocht” door derden. Dit daargelaten nog, dat zodoende in de schuldsaneringsregeling een ongewenste tweedeling zou ontstaan doordat de ene saniet wél maar de andere saniet niét op schenkingen kan rekenen. Hieruit volgt dat de betaling van [de stiefvader van appellante] aan de boedelrekening dient te worden beschouwd als een schenking welke als zodanig wel aan de boedel dient toe te komen, maar daarbij niet kan in mindering kan worden gebracht op de boedelachterstand. Dit betekent dat de boedelachterstand, door de bewindvoerder op 15 december 2017 vastgesteld op een bedrag van € 685,62, nog immer bestaat. Het betreft hierbij geen tekortkoming die gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing kan blijven, als bedoeld in artikel 354 lid 2 Fw. Gelet op het vorengaande kan er naar het oordeel van het hof op dit moment dan ook (nog) geen sprake zijn van een schone lei.

3.7.4.

Daar staat evenwel tegenover dat [appellante] subsidiair heeft verzocht om gedurende een verlenging van haar schuldsaneringsregeling de boedelachterstand alsnog uit eigen middelen in te mogen inlopen en hiertoe ook een, zij het zeer rudimentair, financieel plan van aanpak heeft overgelegd. Temeer nu [appellante] de overige verplichtingen van de schuldsaneringsregeling klaarblijkelijk naar behoren is nagekomen, acht het hof in dit specifieke geval termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling van [appellante] , nogmaals en voor de duur van zes maanden dan wel zoveel korter totdat de boedelachterstand geheel door [appellante] zal zijn voldaan, te verlengen. Gedurende deze verlenging zal [appellante] , ter verkrijging van een schone lei, niet alleen de boedelachterstand geheel in moeten lopen, maar daarnaast ook iedere maand, steeds tijdig en volledig, het salaris van de bewindvoerder (vermeerderd met de verschuldigde omzetbelasting) dienen te voldoen en de bewindvoerder (spontaan) dienen te informeren met betrekking tot alle zaken waarvan [appellante] weet dan wel dient te beseffen dat deze voor een succesvolle voortzetting van haar reeds tot tweemaal toe verlengde schuldsaneringsregeling van belang (kunnen) zijn. Tot slot mag [appellante] gedurende deze verlenging geen nieuwe schulden laten ontstaan.

3.7.5.

Nu het hof van oordeel is dat een verlenging van (maximaal) zes maanden geïndiceerd is, zal de verlenging thans - gegeven de cassatietermijn van 8 dagen als voortvloeiend uit artikel 355 lid 2 Fw jo 351 lid 5 Fw - duren tot 5 november 2018, nu in de periode 27 november 2017 tot en met 4 mei 2018 gezien de uitspraak van de Hoge Raad van 10 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2935) de verplichtingen uit hoofde van afdeling II van de derde titel van de Faillissementswet voor [appellante] in ieder geval niet gelden. Het hof zal aldus de thans aan de orde zijnde einddatum bepalen.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt voortgezet;

verlengt de termijn van de toepassing van de schuldsaneringsregeling met zes maanden na het eerste moment waarop dit arrest onherroepelijk kan worden, derhalve tot 5 november 2018, dan wel zoveel korter totdat de boedelachterstand geheel zal zijn voldaan;

bepaalt dat schuldenares gedurende de verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling het salaris van de bewindvoerder, te vermeerderen met de verschuldigde omzetbelasting, aan de boedel dient af te dragen.

wijst de zaak terug naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, in verband met de voortzetting van de schuldsaneringsregeling;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, S.M.A.M. Venhuizen en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2018.