Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1784

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
27-04-2018
Zaaknummer
200.210.044_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 26 april 2018

Zaaknummer: 200.210.044/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/313678 / FA RK 16-5332

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J. Sinnema,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.P.E. van Ekelen.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 1 december 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 februari 2017, en aangevuld in de brief van 27 september 2017 van de advocaat van de moeder alsmede ter zitting, heeft de moeder het hof verzocht, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en aan haar alsnog vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing van de minderjarige zoon [minderjarige 2] naar [woonplaats van de moeder] en alsnog te bepalen dat [minderjarige 2] zijn gewone verblijfplaats bij de moeder krijgt.

Voor het geval het hof de gewone verblijfplaats van [minderjarige 2] bij de moeder bepaalt, verzoekt zij het hof een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij [minderjarige 2] en zijn broer [minderjarige 1] elkaar iedere week zien alsmede de helft van de vakanties en de feestdagen.

De moeder wil het halen en brengen voor haar rekening nemen, mits de vader daarvoor financieel wil bijdragen. Voor het geval het hof meent dat [minderjarige 2] niet zijn gewone verblijfplaats bij de moeder dient te hebben, verzoekt zij, een zorg- en contactregeling tussen haar en de kinderen vast te stellen, aldus dat de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag 18:00 uur tot zondagavond 18:00 uur bij haar zullen verblijven, waarbij de moeder op vrijdag de kinderen uit [woonplaats van de vader] haalt en de vader de kinderen op zondag uit [woonplaats van de moeder] ophaalt, dan wel een zorg - en contactregeling zoals het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 maart 2017, heeft de vader verzocht de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar dat verzoek te ontzeggen als ongegrond dan wel onbewezen onder bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 april 2017, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de beschikking waarvan beroep in stand te laten.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Sinnema;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Van Ekelen;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    Jeugdbescherming Brabant (hierna te noemen: de GI), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

2.4.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 3 november 2016;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 18 september 2017;

  • -

    het faxbericht van de advocaat van de moeder d.d. 27 september 2017.

2.6.

Ter zitting van 10 oktober 2017 heeft het hof de behandeling van de zaak voor drie maanden aangehouden teneinde de ouders onder begeleiding van de GI een traject te laten starten ter verbetering van hun onderlinge communicatie en ter bespreking van hun geschilpunten.

2.7.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de rapportage van de GI van 10 januari 2018, ingekomen ter griffie op 11 januari 2018;

- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 24 januari 2018;

- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 26 januari 2018;

- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 22 februari 2018;

- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 13 april 2018;

- het V8-formulier van de advocaat van de vader d.d. 19 april 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben van een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit de relatie van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .

De vader heeft de kinderen erkend.

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

3.2.

Partijen hebben op 13 oktober 2014 een ouderschapsplan ondertekend waarbij zij zijn overeengekomen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben en is er een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen bij de vader verblijven eens per twee weken van vrijdag 19:00 uur tot zondag 17:00 uur. Tevens zijn daarbij afspraken gemaakt ten aanzien van de vakanties en de feestdagen.

3.3.

In het najaar van 2014 is de moeder met de kinderen naar [woonplaats van de moeder] verhuisd. Zij woonde destijds samen met de kinderen bij haar ouders in huis en de kinderen gingen in [woonplaats van de moeder] naar school. Medio november 2014 is zij met de kinderen weer teruggekeerd naar [woonplaats van de vader] .

3.4.

Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats

’s-Hertogenbosch, van 22 augustus 2016 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, de moeder op straffe van verbeurte van een dwangsom verboden tezamen met de kinderen te verhuizen naar [woonplaats van de moeder] dan wel een plaats buiten een straal van 25 kilometer van [woonplaats van de vader] .

3.5.

Bij vonnis in kort geding van voornoemde rechtbank van 18 oktober 2016 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, bepaald dat de kinderen voorlopig toevertrouwd worden aan de vader, zonodig onder veroordeling van de moeder om de kinderen af te geven aan de vader. Verder is door de voorzieningenrechter vervangende toestemming verleend aan de vader om de kinderen in te schrijven op zijn adres te Best.

Tevens is bepaald dat de tussen partijen in het ouderschapsplan van 13 oktober 2014 overeengekomen omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vanaf de datum van dit vonnis zal gelden tussen de moeder en de kinderen.

3.6.

Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 november 2016 zijn de kinderen met ingang van 9 november 2016 voor de duur van één jaar onder toezicht gesteld van de GI.

3.7.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang:

- het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing van de minderjarigen naar [woonplaats van de moeder] ; en

- het voorwaardelijk verzoek van de moeder, primair om de minderjarigen aan haar toe te vertrouwen en subsidiair nakoming van de door de rechtbank bij vonnis van 18 oktober 2016 opgelegde zorgregeling;

afgewezen.

De rechtbank heeft voorts het op 13 oktober 2014 ondertekende ouderschapsplan gewijzigd en bepaald dat het hoofdverblijf van de kinderen voortaan bij de vader zal zijn.

Tot slot heeft de rechtbank het recht op contact van de moeder met de kinderen ontzegd tot een herstellend gesprek tussen de moeder en de kinderen onder regie van de gezinsvoogd heeft plaatsgevonden en de gezinsvoogd van oordeel is dat de contactregeling tussen de moeder en de kinderen hervat kan worden.

3.8.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.9.

De moeder voert in haar beroepschrift, kort samengevat, het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat haar belang bij een verhuizing naar [woonplaats van de moeder] onvoldoende zwaarwegend is en dat zij de verhuizing onvoldoende heeft doordacht en voorbereid. Daarnaast acht de moeder het niet in het belang van de [minderjarige 2] dat hij zijn hoofdverblijf bij de vader heeft. Indien het hof het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vader bepaalt, is het de wens van de moeder om een zodanige verdeling van de zorg - opvoedingstaken vast te stellen dat de kinderen één keer per twee weken van vrijdag tot zondag bij haar verblijven.

3.10.

De vader heeft de grieven van de moeder gemotiveerd betwist.

3.11.

Tijdens de mondelinge behandeling op 10 oktober 2017 zijn door partijen over en weer hun standpunten in de onderhavige zaak besproken met betrekking tot de vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] , de verlening van de vervangende toestemming aan de moeder om met [minderjarige 2] naar [woonplaats van de moeder] te mogen verhuizen alsmede de invulling van de zorg- en contactregeling met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarbij zijn ook de vertegenwoordigers van de raad en de GI aan het woord geweest. Dit alles is vastgelegd in een verkort proces-verbaal. Uit dit proces-verbaal volgt dat het hof de verdere behandeling pro forma voor drie maanden heeft aangehouden. Dit in afwachting van de resultaten van de hierna te noemen rapportage van de GI.

3.12.

Het hof heeft ter zitting aangegeven dat de ouders het aan de kinderen verschuldigd zijn dat zij leren om weer als ouders over en weer met elkaar te communiceren. Daarbij dienen zij de belangen van de kinderen voor ogen te houden. Het is van belang dat zij uiteindelijk gezamenlijk tot besluiten ten aanzien van de kinderen kunnen komen en, in het kader van hetgeen thans voorligt, dat zij gezamenlijk tot een besluit zullen komen ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] . Het hof heeft vervolgens met de ouders afgesproken dat zij onder begeleiding van de GI een traject ingaan om hun onderlinge communicatie te verbeteren en dat zij gezamenlijk zullen bespreken wat het meest in het belang van [minderjarige 2] zal zijn ter zake van zijn hoofdverblijfplaats, een eventuele verhuizing naar [woonplaats van de moeder] en in de invulling van de zorg- en contactregeling met betrekking tot de andere ouder. Tot slot is afgesproken dat de huidige regeling, waarbij de kinderen bij de vader wonen, en de na het recente contactherstel tussen de moeder en de kinderen geldende zorg- en contactregeling gedurende het traject zal worden gehandhaafd.

Het hof heeft de GI verzocht om het hof middels een rapportage over het verloop en de resultaten van voornoemd traject te informeren.

3.13.

Uit de rapportage van de GI volgt dat de ouders hun medewerking hebben verleend aan de ingezette hulpverlening. Dit heeft echter niet de gewenste resultaten opgeleverd. Het lukt de ouders niet om zonder strijd met elkaar te communiceren. De belangen van de kinderen worden hierdoor snel uit het oog verloren. De ouders komen niet tot een gezamenlijk besluit ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] . De vader wenst dat [minderjarige 2] bij hem blijft wonen, de moeder ziet graag dat [minderjarige 2] bij haar komt wonen. In het gesprek met de GI heeft [minderjarige 2] aangegeven dat hij bij de moeder wil wonen, maar dat hij dan de vader en [minderjarige 1] zal missen.

Uit de rapportage van de GI volgt dat er nog geen rapportage betreffende [minderjarige 2] bekend is vanuit de inzet van psychotherapie.

Met de ouders zijn vervolgafspraken gemaakt om met Impegno verder te werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie. Voorts is door de GI besproken hoe de zorg- en contactregeling met betrekking tot de andere ouder er in de toekomst uit kan zien. De vader verzoekt om handhaving van de huidige regeling, de moeder wenst meer contact met [minderjarige 2] . Zij wil [minderjarige 2] bijvoorbeeld op de vrijdagmorgen (voor een omgangsweekend van de kinderen bij haar) naar school brengen.

3.14.

Uit de brief van 24 januari 2018 heeft de moeder als reactie op de rapportage van de GI, kort samengevat, verklaard haar standpunten in hoger beroep te handhaven. Primair verzoekt zij het hof het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij haar te bepalen en een omgangsregeling vast te leggen zodat de kinderen elkaar ieder weekend kunnen zien. Subsidiair, indien het hof van oordeel is dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader dient te blijven, verzoekt de moeder het hof een omgangsregeling tussen haar en de kinderen vast te stellen waarbij de moeder de kinderen één keer per twee weken een weekend bij zich heeft en daarnaast de helft van de vakanties en feestdagen. De moeder verzoekt het hof daarnaast om in dat laatste geval vast te leggen dat de moeder voorafgaand aan het omgangsweekend [minderjarige 2] op de vrijdagmorgen naar school brengt.

3.15.

De vader verzoekt het hof, in zijn reactie d.d. 26 januari 2018 op de rapportage van de GI, de verzoeken van de moeder af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

3.16.

Uit het bericht van 22 februari 2018 volgt dat de GI op 19 februari 2018 heeft besloten de ondertoezichtstelling van de kinderen niet te verlengen.

3.17.

Het hof heeft vervolgens, mede gelet op het verzoek van de moeder in haar brief van

24 januari 2018 alsmede haar eerdere verzoek daartoe, aanleiding gezien om naast (opnieuw) [minderjarige 1] ook [minderjarige 2] in de gelegenheid te stellen zijn mening kenbaar te maken. Zij hebben hier allebei gebruik van gemaakt en zijn op 7 maart 2018 buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Van hetgeen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens dit kindgesprek hebben verklaard is aan partijen een kort verslag verzonden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop binnen een week te reageren.

3.18.

Beide partijen hebben op het verslag van het kindgesprek gereageerd. Voor zover partijen daarnaast ook nog nieuwe informatie hebben verstrekt of nieuwe stukken hebben overgelegd, gaat het hof daaraan voorbij. Partijen hebben immers enkel de gelegenheid gekregen op het verslag van het kindgesprek te reageren en niet om de discussie verder voort te zetten met nieuwe gegevens.

Hoofdverblijfplaats

3.19.

Uit de stukken is gebleken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen volgt dat de moeder zich permanent heeft gevestigd in [woonplaats van de moeder] en daar wil blijven wonen. Zij volgt een cursus en heeft zicht op werk. Tevens geniet de moeder steun vanuit haar sociale netwerk.

De situatie van het gezin is de afgelopen jaren aan meerdere wijzigingen onderhevig geweest. Tijdens een periode is er bovendien geen contact is geweest tussen de moeder en de kinderen. Medio april 2017 is daar een kentering in gekomen en is het contact hersteld.

Ter zitting is gebleken dat er thans tussen de moeder en de kinderen één keer in de twee weken een weekend contact is, ook brengen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de helft van de vakanties met de moeder door.

3.19.1.

Nu het de ouders niet is gelukt om, overeenkomstig hetgeen door de raad en de GI ter zitting naar voren is gebracht, in het belang van de kinderen gezamenlijk een beslissing te nemen omtrent het hoofdverblijf van [minderjarige 2] dan wel de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder, liggen deze ter beoordeling van het hof voor.

Het hof overweegt als volgt.

3.19.2.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.19.3.

Het gegeven dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een onrustige en een onvoorspelbare opvoedomgeving opgroeiden was medio september 2016 reden voor een raadsonderzoek.

De ouders hadden toen al jaren ruzie, waar de kinderen getuige van waren. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 november 2016 is vervolgens conform het verzoek van de raad een ondertoezichtstelling uitgesproken aangezien de ouders onvoldoende in staat waren om op een constructieve wijze samen te werken, tot een oplossing te komen en vrijwillige hulpverlening ontoereikend was.

Uit de brief van de GI d.d. 10 januari 2018 alsmede uit de evaluatie van de GI d.d. 14 februari 2018, waarbij is bepaald dat de ondertoezichtstelling beëindigd kan worden, volgt dat de gezinscoach de dagelijkse routine van de kinderen heeft bijgehouden en ervanuit [minderjarige 2] geen wensen zijn wat dat betreft.

De opvoedingssituatie bij de vader is verbeterd en naar de mening van de jeugdzorgwerker voldoende. De vader werkt goed samen met de gezinscoach. Hij is bereid om, als dit nodig is, zaken aan te passen. Er is voldoende pedagogisch zicht op de opvoedingskwaliteiten van de vader. Hij is duidelijk en biedt structuur. Impgeno zal de vader, ondanks het einde van de ondertoezichstelling, bovendien blijven ondersteunen ten aanzien van de opvoedingssituatie.

Er lijkt verder voldoende vangnet om de jongens heen te zijn op de tijden dat zij alleen thuis zijn; zij kunnen vaak bij de partner van de vader terecht en in geval van nood is de buurvrouw beschikbaar. Ook op school gaat het goed. De zorgen die er waren ten aanzien van [minderjarige 2] om loyaal te kunnen zijn naar de ouders en de opvoedsituatie bij de vader zijn niet meer aanwezig. De ouders diskwalificeren elkaar niet meer waar [minderjarige 2] bij aanwezig is. Ondanks dat de ouders op dit moment moeilijk met elkaar communiceren over ouderzaken kan [minderjarige 2] loyaal zijn naar beide ouders en wordt hij niet meer belast met de strijd tussen de ouders.

3.19.4.

[minderjarige 2] heeft, afgezien van een korte periode in 2014, zijn hele leven in [woonplaats van de vader] gewoond, gaat daar naar school en heeft zijn sociale netwerk in deze omgeving opgebouwd. Met de GI is het hof van oordeel dat hij gebaat is bij duidelijkheid over zijn verblijfplaats en dat stabiliteit ten aanzien van zijn woonplek van belang is om te komen tot een positieve ontwikkeling.

3.19.5.

Het hof begrijpt uit de meest recente stukken dat, ondanks de aanhoudende problemen in de communicatie tussen de ouders en het gegeven dat het door partijen aangegane traject bij de GI om hun onderlinge communicatie te verbeteren niet de gewenste resultaten heeft opgeleverd, het goed gaat met [minderjarige 2] .

Verder is er, in tegenstelling tot hetgeen de moeder in haar brief van 24 januari 2018 heeft gesteld, voldoende zicht op de opvoedingsvaardigheden van de vader en volgt uit de stukken van de GI dat de situatie bij de vader op dit moment voldoende is. Het hof ziet derhalve geen reden om hier een wijziging in te brengen.

Weliswaar komt het voor dat [minderjarige 2] op bepaalde momenten van de dag alleen thuis is en dit niet altijd fijn voor hem is, gebleken is echter dat er vanuit Impegno is aangegeven dat er voldoende vangnet is om de kinderen heen en zij vaak bij de huidige partner van de vader terecht kunnen. In geval van nood is bovendien de buurvrouw van de vader beschikbaar. Voorts hecht het hof belang aan de omstandigheid dat [minderjarige 2] samen met zijn broer opgroeit.

3.19.6.

Het voorgaande maakt dat het hof het in het belang [minderjarige 2] wenselijk acht dat hij zijn hoofdverblijf bij de vader heeft. Dit maakt dat het hof niet toekomt aan de verdere inhoudelijke beoordeling van de grief van de moeder om haar alsnog vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing van [minderjarige 2] naar [woonplaats van de moeder] .

Zorgregeling

3.20.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.20.2.

Tussen partijen is in geschil op welke wijze de verdeling van zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te worden vastgesteld.

3.20.2.

Het hof onderschrijft hetgeen namens de GI in het verweerschrift is aangevoerd en is van oordeel dat er een positief contact van de kinderen met de moeder van belang is voor de identiteitsontwikkeling en autonomieontwikkeling van de kinderen.

Verder is gebleken dat het contact tussen de moeder en de kinderen sinds april 2017 is hersteld en sindsdien de kinderen een weekend per veertien dagen alsook de helft van de vakanties bij de moeder in [woonplaats van de moeder] verblijven.

De moeder heeft ondersteuning gekregen van Yorneo in de opvoeding en het hof begrijpt dat zowel de moeder als de kinderen genieten van de tijd die zij samen doorbrengen.

Niet gebleken is dat, zoals de vader stelt in zijn verweerschrift, de kinderen de reis van [woonplaats van de vader] naar [woonplaats van de moeder] als belastend ervaren.

Het hof zal dan ook, in tegenstelling tot hetgeen de vader verzoekt in zijn brief van 26 januari 2018 om de verzoeken van de moeder af te wijzen, de bestaande verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastleggen. Aanvullend bepaalt het hof dat de verdeling ten aanzien van de vakanties tevens van toepassing zal zijn op de feestdagen.

Het hof gaat daarbij voorbij aan het subsidiaire verzoek van de moeder, gedaan in haar brief van 24 januari 2018, om aanvullend vast te leggen dat zij voorafgaand aan het omgangsweekend [minderjarige 2] op de vrijdagmorgen naar school brengt.

Weliswaar begrijpt het hof deze wens van de moeder om op die manier betrokken te blijven bij de school van [minderjarige 2] , het is onduidelijk op welke manier dat zich zal verhouden tot het ophalen van beide kinderen door de moeder voor het daarop aansluitende weekend op de vrijdagmiddag om 18:00 uur. Gezien het belang dat ook de moeder betrokken is bij de school van [minderjarige 2] verwacht het hof van partijen dat zij hier over nadere afspraken zullen maken.

Het hof ziet het als de verantwoordelijkheid van beide ouders dat zij het halen en brengen van de kinderen in onderling overleg zo zullen verdelen dat de een de kinderen haalt en de ander de kinderen brengt.

3.21.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen, doch uitsluitend voor zover het betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 1 december 2016, uitsluitend voor wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt het op 13 oktober 2014 ondertekende ouderschapsplan voor wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en stelt omtrent de verdeling van de zorg - en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot

- [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] en

- [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats]

de volgende regeling vast:
de kinderen verblijven bij de moeder een weekend per twee weken van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen. Partijen zullen in onderling overleg zorg dragen voor het halen en brengen van de kinderen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, J.H.J.M. Mertens-Steeghs, H.J. Witkamp en is op 26 april 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier