Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1756

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
20-003334-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot moord. Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij naar het slachtoffer is gegaan enkel om deze te bedreigen en dat hij daarvoor een niet-functionerend en ongeladen wapen heeft meegenomen. Het hof legt aan de verdachte 12 jaren gevangenisstraf op nadat eerder door de rechtbank 8 jaren gevangenisstraf is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003334-16

Uitspraak : 25 april 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 25 oktober 2016, parketnummer 01-880509-15 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 05-025625-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

thans verblijvende in [detentie adres] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen onder aanvulling van de bewijsmiddelen met de verklaring die verdachte op 14 maart 2018 bij de politie heeft afgelegd en de verklaring van verdachte in hoger beroep, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte terzake de primair ten laste gelegde poging tot moord te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 jaren met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal de toewijzing gevorderd van een bedrag aan immateriële schade van

€ 7.500,- en aan materiële schade van € 1.200, - (nota [naam nota] ) met vergoeding van de wettelijke rente en met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering. De advocaat-generaal heeft voorts de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De verdediging heeft een vrijspraakverweer gevoerd terzake het primair ten laste gelegde en heeft – subsidiair – een voorwaardelijk getuigenverzoek gedaan. Verder heeft de verdediging verweer gevoerd tegen de vordering van de benadeelde partij, tegen de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf en tegen de opgelegde straf.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 augustus 2015 te Boekel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, een (automatisch) vuurwapen op die [slachtoffer] heeft gericht (gehouden) en/of de trekker van dat vuurwapen heeft overgehaald en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal dat vuurwapen heeft doorgeladen, althans heeft getracht door te laden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 augustus 2015 te Boekel, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (automatisch) vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] gericht (gehouden) en/of de trekker van dat vuurwapen overgehaald en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal dat vuurwapen doorgeladen, althans getracht door te laden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 augustus 2015 te Boekel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een (automatisch) vuurwapen op die [slachtoffer] heeft gericht en vervolgens meermalen dat vuurwapen heeft getracht door te laden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

A.

De verdediging heeft bepleit dat de handelwijze van verdachte als bedreiging dient te worden gekwalificeerd en dat verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot moord dan wel poging tot doodslag dient te worden vrijgesproken.

Verdachte heeft onder meer verklaard dat hem is gevraagd om tegen betaling aangever [slachtoffer] (hof: hierna telkens: [slachtoffer] ) bang te maken. Verdachte moest met [slachtoffer] een gesprek aangaan om hem te waarschuwen dat hij moest stoppen met de ruzie in zijn directe omgeving. Aan verdachte is toen een vuurwapen gegeven waarvan hem op voorhand is getoond dat het niet werkte en dat er geen patronen in zaten. Verdachte heeft verklaard dat hij dat wapen alleen bij zich had om dit aan [slachtoffer] te tonen wanneer het uit de hand zou lopen. [slachtoffer] zou namelijk niet bang zijn aangelegd. Verdachte zou vervolgens tegen [slachtoffer] hebben gezegd “dat hij weg moest met zijn bedrijf” en “dat hij moest ophouden met pesterijen in zijn directe omgeving”. Omdat [slachtoffer] van deze woorden niet onder de indruk zou zijn geraakt en agressief jegens verdachte zou hebben gereageerd, heeft verdachte het wapen op [slachtoffer] gericht en daaraan handelingen verricht enkel met het doel [slachtoffer] schrik aan te jagen en niet met de bedoeling hem te doden, hetgeen ook niet mogelijk was omdat het wapen niet functioneerde en geen kogels bevatte.

B.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde dient te worden vastgesteld of verdachte het voornemen had om [slachtoffer] van het leven te beroven, of sprake was van voorbedachte raad en of het voornemen van verdachte zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.

C.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen1:

Uit het proces-verbaal van aangifte2 blijkt dat aangever [slachtoffer] eigenaar is van een varkensbedrijf/veehouderij met verschillende vestigingen in Boekel en omgeving.

Op 15 augustus 2015 is [slachtoffer] omstreeks 13:15 uur naar de vestiging gegaan die is gelegen aan [vestigingsadres] te Boekel. Omstreeks 14:24 uur heeft [slachtoffer] besloten naar huis te gaan. [slachtoffer] is in zijn auto gestapt, heeft de auto buiten de poort van zijn bedrijf gezet en is uitgestapt om de poort ‘op automatisch’ te zetten. Op het moment dat [slachtoffer] de poort uitreed zag hij buiten de poort op ongeveer 5 meter afstand een man bij een scooter staan. Op het moment dat [slachtoffer] met de poort bezig was zag hij dat die man op hem af kwam lopen. Deze man sprak [slachtoffer] aan en zei dat zijn scooter het niet meer deed en vroeg aan [slachtoffer] of deze misschien een kabeltje voor zijn scooter had.

[slachtoffer] is met de man naar diens scooter gelopen. De man liep voorop en [slachtoffer] liep op ongeveer twee meter achter hem. [slachtoffer] zag dat het zadel van de scooter openstond en kon daarin een witte doek zien liggen.

[slachtoffer] zag vervolgens dat die man meteen naar die doek greep en een wapen dat volgens [slachtoffer] leek op een Uzi3, eronder vandaan haalde. [slachtoffer] zag duidelijk een langere patroonhouder aan de onderzijde van het wapen. De man hield direct het wapen voor zijn borst met de loop in de richting van [slachtoffer] . [slachtoffer] zag dat de man verwoede pogingen deed om het wapen kennelijk door te laden. De man probeerde meerdere malen een pin aan de zijkant van het wapen naar achteren te trekken. De man zei niets meer, de man heeft geen woord meer gezegd. [slachtoffer] schrok en dacht dat hij ‘eraan ging’. [slachtoffer] is via de achterzijde van de auto naar de rechterkant van zijn auto gelopen en vervolgens de weg overgestoken en het maisveld ingerend. Toen [slachtoffer] de man op de scooter hoorde wegrijden heeft hij 112 gebeld.

[slachtoffer] heeft voorts verklaard dat vanaf het moment dat de man naar diens scooter liep, de man geen woord meer tegen [slachtoffer] heeft gezegd. De man heeft zich omgedraaid en [slachtoffer] zag meteen dat de man een wapen vast had en dat hij probeerde het wapen door te laden. De man heeft geen woord gezegd en was alleen maar met het wapen bezig. Toen [slachtoffer] is weggerend, zag hij dat de man een stukje met hem meeliep en hoorde hij dat de man maar bleef proberen het wapen door te laden.4 Het hof heeft geen reden om aan de voor het bewijs gebruikte verklaring van aangever [slachtoffer] te twijfelen.

Uit het proces-verbaal van verhoor van verdachte5 en uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep6 blijkt dat hij op 15 augustus 2015 met zijn scooter naar Boekel is gereden en daar van een persoon een wapen, gewikkeld in een kussensloop, heeft ontvangen. Verdachte heeft die kussensloop met daarin het wapen in de buddyseat van zijn scooter gestopt en is vervolgens naar het adres van aangever gereden. Verdachte heeft bij het bedrijf van [slachtoffer] rondgereden totdat hij [slachtoffer] zag (blz. 5). Toen verdachte [slachtoffer] het terrein van zijn bedrijf zag oprijden, heeft hij gewacht totdat [slachtoffer] terugkwam (blz. 6). Toen verdachte op [slachtoffer] aan het wachten was, heeft hij de buddyseat van zijn scooter geopend en het wapen uit de kussensloop gehaald en onder de kussensloop weer in de buddyseat teruggelegd, zodat hij het wapen sneller en makkelijker kon pakken. Verdachte is, toen hij [slachtoffer] uit zijn auto zag stappen, op hem toegelopen en heeft hem gevraagd of hij een kabeltje voor zijn scooter had. Dit deed hij met het doel om [slachtoffer] dichter bij de scooter en het daarin gereed liggende wapen te krijgen. Verdachte heeft, toen hij bij de scooter kwam, het wapen uit de buddyseat gepakt en vervolgens op [slachtoffer] gericht en heeft toen meermalen daarmee handelingen verricht door aan een pin aan de zijkant van het wapen te trekken. Na het incident is verdachte weggereden en heeft het wapen en de scooter in een oud-ijzervernietiger gezet.

C.

Uit het vorenstaande volgt dat verdachte:

- met een wapen gehuld in een kussensloop in de buddyseat van zijn scooter naar het bedrijf van [slachtoffer] is gereden;

- daar net zolang op zijn scooter heeft rondgereden totdat hij [slachtoffer] zag;

- enige tijd op [slachtoffer] heeft staan wachten;

- gedurende dit wachten het wapen uit de kussensloop heeft gehaald en onder de kussensloop in de buddyseat van zijn scooter heeft gelegd en de buddyseat van zijn scooter open heeft laten staan zodat hij dit wapen makkelijker en sneller kon pakken;

- nadat [slachtoffer] uit zijn auto was gestapt op [slachtoffer] is toegelopen en, met het doel om [slachtoffer] dichter bij zijn scooter en het daarin gelegen wapen te krijgen, [slachtoffer] met een smoes heeft meegelokt naar zijn scooter;

- onderweg naar zijn scooter niets meer tegen [slachtoffer] heeft gezegd;

- aangekomen bij de scooter direct en zonder iets te zeggen het wapen uit de buddyseat heeft gepakt, de loop op [slachtoffer] heeft gericht en daarbij meerdere malen handelingen aan het wapen heeft verricht die door [slachtoffer] worden omschreven als het trachten het wapen door te laden;

- tijdens deze handelingen niets tegen [slachtoffer] heeft gezegd;

- nadat [slachtoffer] was weggevlucht nog een klein stukje achter hem is aangegaan, ondertussen trachtend zijn wapen door te laden;

- hierna op de scooter is weggereden en dezelfde dag de scooter en het wapen in een oud-ijzervernietiger heeft gezet.

Het hof is van oordeel dat voormelde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienen te worden aangemerkt als een poging om [slachtoffer] van het leven te beroven en dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

Uit het pakken van het vuurwapen uit de openstaande buddyseat, het richten van dat wapen op [slachtoffer] en het meerdere malen verrichten van handelingen aan dat wapen die door [slachtoffer] worden beschreven als het trachten het wapen door te laden, leidt het hof af dat verdachte voornemens was [slachtoffer] van het leven te beroven maar dat het wapen op dat moment weigerde.

Uit de omstandigheid dat verdachte zich vooraf heeft voorzien van een vuurwapen, met het wapen naar de plaats van het delict is gereden, [slachtoffer] heeft opgewacht, het wapen voor direct gebruik in de geopende buddyseat van zijn scooter gereed heeft gelegd en [slachtoffer] bewust naar de scooter en daarmee naar het gereed liggende wapen heeft gelokt om vervolgens het wapen te pakken, op [slachtoffer] te richten en te trachten het wapen door te laden, leidt het hof af dat verdachte heeft gehandeld ‘na kalm beraad en rustig overleg’ en daarmee met de voor een bewezenverklaring van moord vereiste voorbedachte raad. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Aan de door de raadsman gestelde contra-indicaties (samengevat) dat verdachte niet wist hoe [slachtoffer] eruit zag, verdachte op een gewone scooter en niet op een motorscooter reed, geen helm droeg, niet bekwaam was voor zo’n opdracht, oogcontact maakte met voorbijgangers, ‘en plein public’ stond en [naam] met een mogelijk motief niet zover zou gaan om verdachte in te schakelen, kent het hof geen dusdanig gewicht toe dat deze moeten leiden tot een andersluidende conclusie.

Het voorgaande houdt in dat het hof geen geloof hecht aan de verklaring van verdachte dat hij naar [slachtoffer] is gegaan enkel om deze te bedreigen, dat hij daarvoor een niet-functionerend en ongeladen wapen heeft meegenomen en dat hij dat wapen enkel op [slachtoffer] heeft gericht omdat deze niet onder de indruk zou zijn van zijn dreigementen en agressief jegens verdachte zou hebben gereageerd.

Verdachte komt met deze verklaring pas nadat hij door de rechtbank is veroordeeld voor een poging tot moord. Verdachte heeft, na daarover meerdere malen bevraagd te zijn, geweigerd de naam van de opdrachtgever te noemen zodat zijn verklaring op geen enkele wijze verifieerbaar is. Voorts stelt verdachte dat hij het wapen heeft weggemaakt zodat ook in dit opzicht zijn verklaring dat het wapen niet zou functioneren en geen patronen zou bevatten, niet kan worden getoetst. Verdachte is bovendien weinig specifiek omtrent de gestelde dreigementen. Op vragen van het hof is verdachte daarover in algemeenheden blijven steken. Bovendien is zijn verklaring over het uiten van de dreigementen regelrecht in strijd met de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte, toen hij bij de scooter kwam, niets heeft gezegd en onmiddellijk het wapen uit de buddyseat heeft gepakt en op [slachtoffer] heeft gericht. Verdachte was enkel bezig met het trachten het wapen door te laden en is nog achter [slachtoffer] aan gelopen.

Nu het hof geen geloof hecht aan de verklaring van verdachte dat hij enkel de bedoeling had [slachtoffer] te bedreigen verwerpt het hof het hierover gevoerde verweer. Hetgeen de verdediging overigens heeft aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel.

D.

Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging en acht, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de primair ten laste gelegde poging tot moord heeft begaan.

Voorwaardelijk getuigenverzoek

De verdediging heeft het verzoek gedaan om [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te horen voor het geval het hof tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde zou komen. Deze getuigen heeft verdachte in zijn verklaring bij de politie op 14 maart 2018 genoemd als degenen aan wie hij zijn verhaal zou hebben verteld.

Het hof wijst dit getuigenverzoek af omdat de noodzaak tot het horen van deze getuigen ontbreekt.

Zo het al juist zou zijn dat verdachte aan hen heeft verteld dat het enkel de bedoeling zou zijn geweest om [slachtoffer] te bedreigen, dan nog acht het hof het horen van [getuige 1] en [getuige 2] niet noodzakelijk, nu deze getuigen enkel kunnen verklaren over hetgeen verdachte zelf aan hen heeft verteld. Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat het hof aan deze verklaring van verdachte geen geloof hecht en dat die verklaring in strijd is met hetgeen door aangever [slachtoffer] is verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot moord.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijk duur met zich brengt, omdat met oplegging van een andere straf de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, onvoldoende tot uitdrukking komt.

Verdachte is met een vuurwapen naar [slachtoffer] gereden, heeft hem opgewacht en heeft ondertussen het wapen zodanig gereed gelegd dat hij dit onmiddellijk kon pakken. Verdachte heeft vervolgens [slachtoffer] met een smoes naar de scooter gelokt waarin het wapen lag, heeft het wapen gepakt, op [slachtoffer] gericht en zonder iets te zeggen meermalen doorladingshandelingen met het wapen verricht en is met het wapen nog achter de vluchtende [slachtoffer] aangegaan.

Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een poging tot moord op die [slachtoffer] .

Poging tot moord is een van de ernstigste strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht, waarvan de gevolgen het slachtoffer vaak gedurende lange tijd blijven achtervolgen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] d.d. 3 oktober 2016 blijkt welke impact het handelen van verdachte op hem en op zijn familie heeft gehad.

Hoewel verdachte blijkens het uittreksel justitiele documentatie niet eerder terzake een soortgelijk feit is veroordeeld, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 8 jaren onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde.

Het hof zal de advocaat-generaal volgen in zijn strafeis en aan verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 315.735,38, bestaande uit een bedrag van

€ 308.235,28 aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 7.500,- aan immateriële schadevergoeding. Verder heeft de benadeelde partij vergoeding van proceskosten gevorderd van € 2.500,-.

De gehele schadevordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. Ook de gevorderde proceskosten zijn niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering en voor de gevorderde proceskosten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Het betreft immateriële schade die het hof vaststelt op het gevorderde bedrag van € 7.500,- minus de navolgende kosten waarbij de bijlagen verwijzen naar de bijlagen bij het voegingsformulier:

-contributies Taekwondo (“Voor de mentale kracht en zelfvertrouwen”) bestaande uit een bedrag van (€ 65,- + € 25,- + € 140,- =) € 230,- (bijlage A);

-factuur [naam hotel] (“Weekend weg met het hele gezin om met elkaar te praten en ontspanning”) bestaande uit een bedrag van € 1.438,80 (bijlage B);

-factuur [naam bedrijf] (“camera installeren voor veilig gevoel”) bestaande uit een bedrag van (€ 1.702,17 + € 375,64 =) € 2.077,81 (bijlage C).

Het hof is van oordeel dat voormelde kosten niet als immateriële schade kunnen worden aangemerkt zodat als toe te kennen immateriële schadevergoeding een bedrag wordt toegewezen van ( € 7.500,- -/- € 230,- -/- € 1.438,80 -/- € 2.077,81 =) € 3.753,39, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2015.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien onder meer niet op eenvoudige wijze vast te stellen is het rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde en de overige gevorderde schade. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 3.753,39. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag en vermeerderd met de wettelijke rente, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor de duur van 47 dagen zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Proceskosten

In het voegingsformulier heeft de benadeelde partij aan proceskosten een bedrag van

€ 2.500,- gevorderd. De benadeelde partij heeft bij deze vordering in hoger beroep gepersisteerd en heeft niet de proceskosten in hoger beroep gevorderd.

Het hof stelt voorop dat uitgangspunt is dat de proceskosten van de benadeelde partij worden vastgesteld overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief. Het hof ziet in deze zaak geen aanleiding om daarvan af te wijken. Anders dan gevorderd stelt het hof de proceskosten vast overeenkomstig het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven waarbij krachtens tarief VI (tarief geldt met betrekking tot zaken van een geldswaarde van

€ 195.000,- tot € 390.000,-) ieder punt wordt gewaardeerd op € 2.000,-.

Voor het opstellen en indienen van het voegingsformulier en de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg kent het hof telkens een punt toe, zodat aan proceskosten zal worden toegewezen een bedrag van ( 2 x € 2.000,- =) € 4.000,-.

Vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 12 juni 2015 onder parketnummer 05-025625-15. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.753,39 (drieduizend zevenhonderddrieënvijftig euro en negenendertig cent) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 augustus 2015.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.753,39 (drieduizend zevenhonderddrieënvijftig euro en negenendertig cent) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 47 (zevenenveertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 augustus 2015.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 4.000,00 (vierduizend euro).

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 12 juni 2015, parketnummer 05-025625-15, te weten van gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Aldus gewezen door:

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. M.L.P. van Cruchten en mr. E.F.G.M. Gelderman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. Van der Meijs, griffier,

en op 25 april 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, district ’s-Hertogenbosch, districtsrecherche, opgesteld door verbalisant [naam verbalisant] , brigadier van politie, proces-verbaalnummer 2015182484, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1 t/m 743.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 15 augustus 2015, p. 104 e.v.

3 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 122-123.

4 Aanvullend proces-verbaal verhoor aangever d.d. 28 januari 2016, p. 296 e.v.

5 Proces-verbaal verhoor van verdachte d.d. 14 maart 2018.

6 Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 11 april 2018.