Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1755

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
200.198.401_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad, gepleegd door de koper van een tweede hands trekker jegens de (bestolen) eigenaar van die trekker, doordat door de koper geen onderzoek is gedaan naar de herkomst van de trekker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.198.401/01

arrest van 24 april 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. L.J.J. van Asseldonk te Tilburg,

tegen

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. V.H. Jurgens te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 augustus 2016 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 25 november 2015 en 4 mei 2016, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda gewezen tussen [appellant] alsmede [derde 1] en [derde 2] als gedaagden en [geïntimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/296122 HA ZA 15-162)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar het tussenvonnis van 24 juni 2015.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

Tussen [geïntimeerde] als lessor enerzijds en [de vennootschap 2] , gevestigd in [vestigingsplaats] (België) en/of [de vennootschap 3] , gevestigd te [vestigingsplaats] als lessee anderzijds is een leaseovereenkomst gesloten met betrekking tot een trekker (een vrachtwagen zonder oplegger) van het merk Mercedes Benz, type Actros 1844 met een Belgisch kenteken. De leaseovereenkomst werd aangegaan voor een periode van 72 maanden.

De lessee werd bij deze overeenkomst vertegenwoordigd door de heer [derde 3] (hierna: [derde 3] ).

In artikel 5 van de op de leaseovereenkomst toepasselijke mantelovereenkomst is opgenomen dat de lessee niet bevoegd is om het leaseobject te vervreemden.

Tijdens de looptijd van de leaseovereenkomst zijn [de vennootschap 2] , [derde 3] en [de vennootschap 3] gefailleerd.

Omdat de leasetermijnen niet meer werden betaald heeft [geïntimeerde] de trekker opgeëist bij [derde 3] . Deze bleek de trekker niet meer in bezit te hebben.

3.2

[geïntimeerde] heeft [derde 2] , alsmede [derde 1] (hierna te noemen: [derde 1] ) en [appellant] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade als gevolg van het verdwijnen van de trekker. Zij baseerde haar aansprakelijkheid op de stelling dat [derde 1] , al dan niet in zijn hoedanigheid van bestuurder van [derde 2] , en [appellant] de trekker in januari 2012 illegaal hebben gekocht en doorverkocht en zodoende de trekker aan de beschikkingsmacht van [geïntimeerde] hebben onttrokken.

3.3.

In eerste aanleg stelde [geïntimeerde] zich op het standpunt dat [derde 3] de trekker begin januari 2012 op een parkeerplaats langs de snelweg tussen [plaats 1] en [plaats 2] aan [derde 1] heeft verkocht tegen betaling van een bedrag van € 12.500,- en dat [derde 1] vervolgens op 18 januari 2012 de trekker voor € 15.000,- weer heeft doorverkocht aan [de vennootschap 4] die daarbij werd vertegenwoordigd door haar bestuurder [appellant] .

3.4.1.

[geïntimeerde] vorderde in eerste aanleg, na vermeerdering van haar eis:

Primair:

[derde 1] , [appellant] en [derde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan haar

van een bedrag van € 33.500,- aan hoofdsom, te vermeerderen met een bedrag ad

€ 1.110,- aan buitengerechtelijke kosten en te vermeerderen met een bedrag ad € 173,47

aan wettelijke rente tot en met 10 december 2014 en te vermeerderen met de wettelijke rente

vanaf 11 december 2014 tot aan de dag van algehele voldoening.

Subsidiair:

• [derde 1] en [derde 2] te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 15.000,-,

te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2012 tot aan de dag van

volledige betaling.

• [appellant] te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 20.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag van volledige betaling.

Zowel primair als subsidiair:

• [derde 1] , [appellant] en [derde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde]

van de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

• Alles met waarmerking van het in dezen te wijzen vonnis met een Europese

Executoriale titel conform EG-Richtlijn nr. 805/2004.

3.4.2.

[geïntimeerde] baseerde haar primaire vordering op onrechtmatige daad; haar subsidiaire vordering baseerde zij op ongerechtvaardigde verrijking.

3.5.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 25 november 2015 geoordeeld dat zowel [derde 1] als [appellant] niet te goeder trouw zijn geweest bij de aankoop en doorverkoop van de trekker en daardoor onrechtmatig jegens [geïntimeerde] hebben gehandeld, zodat de primaire vordering van [geïntimeerde] , voor zover gericht tegen [derde 1] en [appellant] , toewijsbaar is.

Het verweer van [derde 1] en [appellant] dat het causaal verband ontbreekt tussen de door [geïntimeerde] gestelde schade en het onrechtmatig handelen van [derde 1] en [appellant] is door de rechtbank verworpen.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis – ter vaststelling van de schade – [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld opgave te doen van de waarde van de trekker per augustus 2014.

In het eindvonnis van 4 mei 2016 heeft de rechtbank vervolgens [derde 1] en [appellant] hoofdelijk veroordeeld om aan [geïntimeerde] een schadevergoeding te betalen van 29.205,- met wettelijke rente. De vordering tot betaling van buitengerechtelijk kosten is door de rechtbank afgewezen. [derde 1] en [appellant] zijn hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] .

De vordering van [geïntimeerde] jegens [derde 2] is door de rechtbank in zijn geheel afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten.

3.6.

[appellant] kan zich niet verenigen met de vonnissen van 25 november 2015 en 4 mei 2016 en heeft 8 grieven tegen die vonnissen aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

[geïntimeerde] heeft incidenteel geappelleerd en twee grieven aangevoerd tegen de feitenvaststelling in het tussenvonnis van 25 november 2015. Zij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen van 25 november 2015 en 4 mei 2016 met verbetering van de rechtsgronden en rechtsoverwegingen en met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

3.7.1.

[geïntimeerde] voert in haar incidenteel appel aan dat – anders dan zij in eerste aanleg heeft gesteld – [derde 3] de trekker in januari 2012 niet aan [derde 1] heeft verkocht maar heeft “meegegeven” aan [derde 1] als tussenpersoon omdat de trekker tijdelijk zou zijn verhuurd aan “een bevriende relatie”. Ten bewijze van deze stelling heeft [geïntimeerde] als productie 1 bij haar memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel een schriftelijke verklaring van [derde 3] in het geding gebracht.

3.7.2.

Het hof gaat aan deze – door [appellant] betwiste – stelling voorbij. Niet alleen is deze nieuwe stelling van [geïntimeerde] buitengewoon vaag en niet onderbouwd (zo is niet vermeld wie de “bevriende relatie” was en ontbreekt een huurovereenkomst waaruit de tijdelijke verhuur zou kunnen blijken) maar bovendien is deze nieuwe stelling in strijd met de eerdere stelling van [geïntimeerde] in eerste aanleg (inhoudende dat [derde 3] begin 2012 de trekker aan [derde 1] heeft verkocht voor € 12.500,-) welke stelling blijkens de inleidende dagvaarding was gebaseerd op gesprekken van [geïntimeerde] met [derde 3] en [derde 1] .

Het voorgaande betekent dat de incidentele grieven van [geïntimeerde] falen.

3.8.

[geïntimeerde] betwist in hoger beroep (onder randnummers 15, 16 en 17 van haar memorie) ook dat [appellant] de trekker op 18 januari 2012 van [derde 1] heeft gekocht en voor € 20.000,- weer heeft doorverkocht.

Niet duidelijk is wat de strekking is van deze betwisting. Aangenomen moet worden dat [geïntimeerde] niet bedoeld heeft te betwisten dat [appellant] de trekker heeft gekocht en weer heeft doorverkocht, aangezien dat handelen van [appellant] door [geïntimeerde] ten grondslag is gelegd aan haar vorderingen jegens [appellant] . Het hof neemt aan dat [geïntimeerde] de bedragen wenst te betwisten waarvoor [appellant] de trekker heeft gekocht respectievelijk heeft doorverkocht.

Wat betreft het aankoopbedrag ad € 15.000,- acht het hof die betwisting onvoldoende gemotiveerd, dit gelet op de stellingen van [geïntimeerde] zelf in eerste aanleg die onder meer zijn gebaseerd op een gesprek met [derde 1] en op de door [geïntimeerde] zelf overgelegde productie 4 bij inleidende dagvaarding (een door [derde 1] en [appellant] ondertekende inkoopverklaring met betrekking tot de trekker waarin het aankoopbedrag van € 15.000,- is vermeld).

Wat betreft het bedrag van € 20.000,- waarvoor [appellant] de trekker zou hebben doorverkocht aan “een derde” is het hof van oordeel dat – gelet op de betwisting van [geïntimeerde] en op het ontbreken van enige onderbouwing door [appellant] van dat bedrag – niet als vaststaand kan worden aangenomen dat [appellant] de trekker inderdaad voor een bedrag van € 20.000,- heeft doorverkocht.

3.9.

De grieven 1 en 3 van [appellant] zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] bij de aankoop en doorverkoop van de trekker niet te goeder trouw is geweest en daardoor onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld.

Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het bij de aankoop en doorverkoop door [appellant] gaat om persoonlijk handelen van [appellant] en niet om gedragingen die betrekking hebben op zijn taakvervulling als bestuurder van [de vennootschap 4] .

Het hof zal eerst een oordeel geven over de grieven 1 en 3 en beoordelen of [appellant] (in hoedanigheid van bestuurder van [de vennootschap 4] dan wel persoonlijk handelend) onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld.

3.10.1.

De rechtbank heeft terecht voorop gesteld dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van een onrechtmatige daad aan de zijde van [appellant] beoordeeld moet worden of [appellant] ten tijde van de aan- en verkoop van de trekker niet te goeder trouw was en dat de stelplicht en bewijslast op dit punt bij [geïntimeerde] ligt. Dit uitgangspunt volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, onder meer HR 4 april 1986, NJ 1986, 810, waarin de Hoge Raad heeft overwogen: “Voor goede trouw, vereist voor een beroep op dit artikel (art. 2014 oud BW, thans art 3:86 in samenhang met art. 3:11 BW, opm. hof), is niet alleen nodig dat de verkrijger ten tijde van de levering de onbevoegdheid van zijn voorman niet kende, maar ook dat niet gezegd kan worden dat hij die onbevoegdheid toen behoorde te kennen. Met het oog op dit laatste dient hij naar de bevoegdheid van zijn voorman het onderzoek in te stellen dat in de gegeven omstandigheden van hem kan worden verlangd.”

3.10.2.

Het hof acht voor de beoordeling van het handelen van [appellant] de volgende feiten en omstandigheden van belang:

- de trekker is [door [appellant] , in welke hoedanigheid ook, in januari 2012 van [derde 1] gekocht voor een bedrag van € 15.000,- terwijl de marktwaarde volgens [geïntimeerde] op dat moment € 33.500,- bedroeg. [geïntimeerde] baseert die marktwaarde op een vijftal facturen (afkomstig van [trucks] trucks in [plaats 3] ) betrekking hebbend op de verkoop (in de periode augustus 2012 tot en met januari 2013) van vijf trekkers van hetzelfde merk en bouwjaar als de door [appellant] gekochte trekker. De vijf facturen betreffen trekkers van het merk Mercedes Benz type Actros 1841 LS, welk type volgens [geïntimeerde] vergelijkbaar is met het door [appellant] gekochte type Actros 1844. Ter ondersteuning van haar stellingen heeft [geïntimeerde] als productie 11 bij dagvaarding in eerste aanleg behalve de facturen ook beschrijvingen en foto’s van de verkochte trekkers in het geding gebracht.

[appellant] betwist weliswaar dat de types Acros 1841 LS en Actros 1844 vergelijkbaar zijn, maar enige toelichting op dit punt ontbreekt, zodat het hof aan deze betwisting, als ongemotiveerd, voorbijgaat.

[appellant] stelt weliswaar dat de verkoopprijs van een trekker mede afhankelijk is van de staat van het voertuig, de gereden kilometers en eventuele bijzondere afspraken met de verkoper maar hij stelt niet dat er sprake zou zijn geweest van een slechte staat van de aan hem verkochte trekker en/of van een bijzonder groot aantal gereden kilometers, dan wel, wat de in de vergelijking betrokken trekkers betreft, van bijzondere afspraken met de verkoper.

Evenmin stelt hij dat de prijzen van tweedehands trekkers gedurende de periode waarin de trekkers die in de vergelijking zijn betrokken zijn verkocht (de periode augustus 2012 tot en met januari 2013) in relevante mate afweken van de prijzen in januari 2012 toen [appellant] de trekker kocht.

Het hof gaat er op grond van het voorgaande van uit dat de marktwaarde van de door [appellant] gekochte trekker ten tijde van aankoop in januari 2012 € 33.500,- bedroeg;

- [appellant] is een professionele en ervaren handelaar in allerlei zaken. In zijn conclusie van antwoord in eerste aanleg stelt hij (op blad 2) dat soms door hem ook auto’s, trekkers of vrachtwagentrailers werden gekocht en weer doorverkocht. In zijn memorie van grieven zwakt hij dit weliswaar af door te stellen (onder randnummer 65) dat aan- en verkoop van voertuigen voor hem incidentele handelingen waren, maar naar het oordeel van het hof neemt dit niet weg dat [appellant] zich als professionele en ervaren handelaar in diverse zaken waaronder voertuigen bewust moet zijn geweest van het risico dat de aanbieder van een tweedehands voertuig mogelijk onbevoegd zou zijn tot verkoop. Bovendien moet hij zich er bewust van zijn geweest dat hij de trekker kocht voor een bedrag dat ver onder de marktwaarde lag. Mede van belang in dit verband is dat namens [geïntimeerde] bij gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg onweersproken is gesteld dat de nieuwwaarde van de trekker € 85.000,- was. Gelet op die waarde – die voor [appellant] op eenvoudige wijze te achterhalen moet zijn geweest – en op het feit dat de trekker ten tijde van de aankoop nog maar ruim drie jaar oud was, diende [appellant] extra behoedzaam te zijn toen hij de mogelijkheid kreeg de trekker voor € 15.000,- te kopen;

- [appellant] kocht de trekker van een handelaar die hij niet kende, terwijl het (Belgische) kenteken op naam stond van een Belgisch bedrijf, niet zijnde de verkoper.

3.10.3.

Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat [appellant] in het licht van voormelde feiten en omstandigheden nader onderzoek had moeten doen naar de bevoegdheid tot verkoop van [derde 1] alvorens tot aankoop van de trekker over te gaan. Het hof is verder, net als de rechtbank, van oordeel dat niet is gebleken dat [appellant] aan die onderzoeksplicht heeft voldaan. [appellant] stelt weliswaar in hoger beroep dat hij wel degelijk onderzoek heeft verricht alvorens tot aankoop over te gaan, maar het hof begrijpt dat het onderzoek dat [appellant] stelt te hebben gedaan betrekking had op de prijs van de trekker. Dat hij ook enig onderzoek zou hebben gedaan naar de bevoegdheid van [derde 1] valt in de stellingen van [appellant] niet te lezen. Onder randnummer 82 van zijn memorie van grieven stelt hij wel dat hij telefonisch contact heeft gehad met [de vennootschap 2] , maar in zijn memorie van antwoord in incidenteel appel stelt hij (onder randnummer 11) dat hij géén contact met [derde 3] heeft gehad. Het hof acht dit allemaal te vaag om te kunnen concluderen dat [appellant] enig deugdelijk onderzoek naar de bevoegdheid van [derde 1] heeft gedaan.

Ook overigens acht het hof de stelling van [appellant] dat hij voorafgaande aan de aankoop onderzoek heeft verricht onvoldoende onderbouwd. Om die reden gaat het hof ervan uit dat door [appellant] niet het onderzoek is verricht dat van hem in de geven omstandigheden kon worden verlangd.

3.10.4.

Het voorgaande betekent dat de grieven 1 en 3 van [appellant] falen.

3.11.1.

Grief 2 van [appellant] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het bij de aankoop en doorverkoop van de trekker door [appellant] gaat om persoonlijk handelen van [appellant] en niet om gedragingen die betrekking hebben op zijn taakvervulling als bestuurder van [de vennootschap 4] .

[appellant] stelt zich op het standpunt dat hij bij de aankoop en doorverkoop niet persoonlijk heeft gehandeld, maar als bestuurder van [de vennootschap 4] . Hij verwijst in dit verband naar de inkoopverklaring en het ontvangstbewijs met betrekking tot de aankoop van de trekker (de producties 4 en 5 bij inleidende dagvaarding) en naar de stellingen van [geïntimeerde] in eerste aanleg waarin wordt erkend dat [appellant] bij de aankoop handelde als bestuurder van [de vennootschap 4] . [appellant] wijst er op dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de bestuurder van een vennootschap alléén naast de vennootschap aansprakelijk is indien sprake is van een ernstig persoonlijk verwijt aan de zijde van de bestuurder; volgens [appellant] is daarvan in dit geval geen sprake.

3.11.2.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op grond van de voornoemde producties 4 en 5 bij inleidende dagvaarding dient er naar het oordeel van het hof van uit te worden gegaan dat [appellant] de trekker op 18 januari 2012 heeft gekocht in zijn hoedanigheid van bestuurder van [de vennootschap 4] . Deze vennootschap is op 13 mei 2014 opgehouden te bestaan.

Ook [geïntimeerde] ging er in eerste aanleg – op basis van voormelde stukken en na een gesprek met [derde 1] – van uit dat [appellant] bij de aankoop handelde namens [de vennootschap 4] . Weliswaar stelt [geïntimeerde] thans in hoger beroep dat [appellant] de trekker niet namens zijn vennootschap maar in privé heeft gekocht, maar in het licht van het hiervoor overwogene acht het hof die stelling onvoldoende onderbouwd zodat deze niet kan worden aanvaard.

3.11.3.

Het voorgaande neemt niet weg dat ook een bestuurder die namens zijn vennootschap een tweedehands trekker koopt, onrechtmatig jegens de eigenaar van de trekker kan handelen indien hij bij die aankoop heeft gehandeld in strijd met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsverplichting (HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881).

Naar het oordeel van het hof is daarvan in dit geval sprake. Op basis van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor beschreven onder 3.10.2 moet [appellant] hebben begrepen dat de trekker mogelijk van misdrijf afkomstig was en hij had om die reden onderzoek moeten doen naar de herkomst van de trekker. Door dit niet te doen en door desondanks als tussenhandelaar tot aan- en doorverkoop van de trekker over te gaan heeft hij gehandeld in strijd met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsverplichting jegens [geïntimeerde] als eigenaar van de trekker.

3.11.4.

De conclusie is dat ook de tweede grief van [appellant] faalt.

3.12.1.

Grief 4 van [appellant] richt zich tegen de verwerping door de rechtbank van zijn verweer dat het causaal verband ontbreekt tussen zijn beweerdelijk onrechtmatig handelen en de door [geïntimeerde] gestelde schade. Volgens [appellant] is er niet alleen geen sprake van onrechtmatig handelen van zijn kant, maar bovendien is de door [geïntimeerde] gestelde schade veroorzaakt door de diefstal/verduistering van de trekker en niet door het handelen van [appellant] .

3.12.2.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Zoals hiervoor is overwogen heeft [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] gehandeld door een gestolen/verduisterde trekker te kopen en door te verkopen zonder deugdelijk onderzoek te doen naar de herkomst van de trekker. Door deze aan- en verkoop heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [geïntimeerde] en [geïntimeerde] de mogelijkheid ontnomen om de trekker als haar eigendom op te eisen. Daarmee is het causaal verband tussen het handelen van [appellant] en de schade van [geïntimeerde] gegeven.

Dat ook degene die de trekker heeft gestolen/verduisterd onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld doet aan het voorgaande niet af. Immers: ingevolge artikel 6:99 BW ligt de bewijslast dat de schade in dit geval niet het gevolg is van zijn handelen bij [appellant] . Dergelijk bewijs ontbreekt echter, evenals een voldoende concreet bewijsaanbod op dit punt.

3.12.3.

Het voorgaande betekent dat ook grief 4 faalt. [x]

3.13.1.

De grieven 5 tot en met 8 van [appellant] richten zich tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de hoogte van de aan [geïntimeerde] toegekende schadevergoeding.

De rechtbank heeft in het vonnis van 25 november 2015 geoordeeld dat de schade dient te worden vastgesteld op de waarde van de trekker in het economisch verkeer in augustus 2014, zijnde het moment dat [geïntimeerde] de trekker tevergeefs bij [derde 3] heeft opgeëist zodat op dat moment [geïntimeerde] in haar vermogen is geraakt. In het vonnis van 25 november 2015 heeft de rechtbank [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld een onderbouwde opgave van de waarde van de trekker per augustus 2014 te verstrekken.

In het eindvonnis van 4 mei 2016 heeft de rechtbank vervolgens de waarde van de trekker per augustus 2014 vastgesteld op € 29.205,-, zijnde het gemiddelde van de verkoopprijzen van een tweetal vergelijkbare trekkers (eveneens bouwjaar 2008) in dezelfde periode.

3.13.2.

[appellant] voert in zijn vijfde grief onder meer aan (zo begrijpt het hof) dat voor de waardebepaling niet uitgegaan dient te worden van de waarde van de trekker per augustus 2014, maar van de waarde per augustus 2012.

Gegrondbevinding van dit onderdeel van de grief zou betekenen dat het door [appellant] te betalen bedrag hoger zou worden dan door de rechtbank is vastgesteld. Aangezien een appellant niet slechter mag worden van zijn hoger beroep gaat het hof aan dit verweer voorbij.

3.13.3.

[appellant] voert verder aan dat de door [geïntimeerde] in eerste aanleg als productie 12 bij akte van 23 december 2015 overgelegde facturen van verkochte trekkers betrekking hebben op Mercedes Benz trekkers van het type Actros 1846, terwijl de door [appellant] gekochte Mercedes Benz trekker van het type Actros 1844 was. [appellant] betwist weliswaar dat de types Actros 1844 en Actros 1846 vergelijkbaar zijn, maar hier geldt hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 3.10.2 (eerste gedachtestreepje): tegenover de onderbouwde stelling van [geïntimeerde] op dit punt staat de in het geheel niet onderbouwde betwisting van [appellant] ; het hof gaat om die reden aan deze betwisting als ongemotiveerd voorbij.

3.13.4.

Wat betreft het verweer van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de staat van de door [appellant] gekochte trekker en het aantal daarmee gereden kilometers en evenmin met eventuele bijzondere afspraken tussen koper en verkoper van de in de vergelijking betrokken trekkers, is hetgeen hiervoor onder 3.10.2 (eerste gedachtestreepje) op dit punt is overwogen van overeenkomstige toepassing. Wat betreft de staat en de kilometerstand van de door [appellant] gekochte trekker geldt bovendien dat het voor rekening en risico van [appellant] dient te komen dat die gegevens thans niet meer zijn te achterhalen zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. Het is immers mede aan [appellant] te wijten dat de trekker “verdwenen” is.

3.13.5.

[appellant] heeft een beroep gedaan op matiging van het door hem te betalen bedrag aan schadevergoeding, dit onder verwijzing naar artikel 6:109 lid 1 BW.

Hieromtrent overweegt het hof dat [appellant] weliswaar stelt dat veroordeling tot betaling van het door de rechtbank vastgestelde bedrag voor hem onaanvaardbare (financiële) gevolgen zal hebben, maar enige onderbouwing op dit punt ontbreekt.

Reeds om die reden acht het hof geen grond voor matiging aanwezig.

3.13.6.

Het voorgaande betekent dat de grieven 5 tot en met 8 van [appellant] evenmin doel treffen.

3.14.

Nu geen van de aangevoerde grieven doel treft dienen de vonnissen waarvan beroep te worden bekrachtigd. [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep en [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] op € 1.957,- voor verschotten en op € 1.158,- voor salaris van de advocaat, en wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] op € 579,- voor salaris van de advocaat;

verklaart de voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 april 2018.

griffier rolraadsheer