Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1749

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
200.195.021_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Schade niet aannemelijk gemaakt; ontvreemde sieraden waarover verzekerde, gelet op zijn inkomen, onvoldoende helderheid verschaft en geen eenduidige verklaringen aflegt. 2. Opname in het interne verwijzingsregister (IVR) dient redelijk belang verzekeraar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.195.021/01

arrest van 24 april 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. W.G.M. Vos te Breda,

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M. Bouman te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 juni 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 9 maart 2016, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/303626/HAZA 15-536)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 9 juni 2016;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord tevens incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In deze zaak gaat het – kort samengevat – over het volgende. [appellant] heeft in augustus 2011 een inboedel- en aansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij [handelsnaam van geïntimeerde] , een handelsnaam van [geïntimeerde] . Op 31 juli 2012 is er ingebroken in de woning van [appellant] . [appellant] heeft de volgende dag bij [geïntimeerde] gemeld dat er sieraden en € 1.300,- aan contanten zijn weggenomen. Op 9 augustus 2012 heeft in opdracht van [geïntimeerde] een schade-expert [appellant] bezocht en onderzoek gedaan naar de omvang van de claim. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn claim een kopie van een taxatierapport overgelegd, opgesteld op 26 februari 2010 door [juwelier 1] Juweliers in [plaats] . In het taxatierapport wordt melding gemaakt van verschillende sieraden die in totaal worden getaxeerd op € 23.720,-. Met ingang van 8 augustus 2012 is de polis van [appellant] beëindigd in verband met wanbetaling. Door de schade-expert en bij e-mailberichten van 16 november 2012 en 16 januari 2013 heeft [geïntimeerde] verzocht om over te leggen een kopie van het proces-verbaal van aangifte, aanvullende gegevens over het voormalig bezit of herkomst van de betreffende sieraden en de onderbouwing van de door [appellant] geclaimde waardestijging van de sieraden. Hierop is van [appellant] geen reactie gekomen. Bij brief van 2 april 2013 heeft [geïntimeerde] bericht dat geen schadevergoeding wordt betaald omdat [appellant] onvoldoende medewerking heeft verleend bij de behandeling van de schade en hij zijn schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Omdat [geïntimeerde] twijfels heeft over de juistheid van de schadeclaim, wordt [appellant] intern geregistreerd.

3.2.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd (samengevat):

- een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] op grond van de verzekeringspolis gehouden is tot uitkering van de door [appellant] geleden schade in verband met de woninginbraak, te vermeerderen met de wettelijke rente, waarbij de schade moet worden opgemaakt bij staat;

- [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van

€ 10.000,-;

- [geïntimeerde] te gebieden om binnen twee dagen na betekenis van het vonnis zorg te dragen voor ongedaan making van de interne registratie van [appellant] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag;

- [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2.2.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] , met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en de nakosten.

3.2.3.

De rechtbank heeft de vordering van [appellant] om [geïntimeerde] te gebieden zorg te dragen voor ongedaan making van de interne registratie van [appellant] toegewezen, met dien verstande dat [geïntimeerde] binnen zeven dagen na betekening van het vonnis hiervoor dient zorg te dragen, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat zij hier niet aan voldoet, tot een maximum van € 10.000,-. De overige vorderingen van [appellant] heeft de rechtbank afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en nakosten.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

3.5.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] incidenteel hoger beroep ingesteld en een grief aangevoerd. [geïntimeerde] concludeert tot vernietiging van het vonnis, uitsluitend voor zover de rechtbank heeft bepaald dat [geïntimeerde] de interne registratie ongedaan diende te maken, en opnieuw rechtdoende te bepalen dat [geïntimeerde] de persoonsgegevens opnieuw mag registreren in het interne verwijzingsregister, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het incidenteel hoger beroep.

Onderbouwing van de schade

3.6.

De eerste drie grieven van [appellant] richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] terecht schade heeft geweigerd. Volgens [appellant] had niet van hem verwacht mogen worden dat hij meer feiten had gesteld omtrent de oorsprong van de sieraden. Zijn stellingen dat hij schade heeft geleden van de omvang die hij claimt heeft hij voldoende onderbouwd. Bovendien stelt [appellant] dat hij eenduidig heeft verklaard. In grief 4 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, waardoor er geen grond meer is hem toe te laten tot het leveren van bewijs.

3.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] een inboedelverzekering had bij [geïntimeerde] op 31 juli 2012 en dat een inbraak op die datum heeft plaatsgevonden. [appellant] stelt zich op het standpunt dat hij met overlegging van het proces-verbaal van aangifte, het taxatierapport, een aankoopbon en een overzicht van de aankopen van de sieraden in Turkije voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 31 juli 2012 in het bezit was van de sieraden. [geïntimeerde] meent dat [appellant] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht ter zake van het aantonen van (de omvang van) de schade.

3.8.

Bij de beoordeling van de vraag of [appellant] recht heeft op vergoeding van de geclaimde schade stelt het hof het volgende voorop. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is het aan de verzekerde die aanspraak maakt op uitkering om te stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting door de verzekeraar te bewijzen dat het verzekerde voorval zich heeft voorgedaan en dat hij schade heeft geleden met een bepaalde hoogte. Voor zover het om bij de gestelde inbraak gestolen roerende zaken gaat, kan het soms moeilijk te bewijzen zijn dat men bepaalde goederen bezat en dat deze goederen zijn gestolen. In de rechtspraak is voor die gevallen aanvaard dat de verzekerde moet stellen en bewijzen dat hij eigenaar is van de goederen waarvoor hij een uitkering claimt en dat de goederen gestolen zijn, waarbij aan dat bewijs geen al te zware eisen mogen worden gesteld. De verzekerde zal doorgaans kunnen volstaan met het leveren van bewijs van feiten en/of omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat de goederen zijn eigendom zijn en dat zij zijn gestolen. Onder omstandigheden kan de enkele aangifte van diefstal als voldoende bewijs worden aanvaard. Wel mogen dan hoge eisen worden gesteld aan de volledigheid en consistentie van de verzekerde. Daarbij mag de verzekeraar ook doorvragen, ook naar zaken die de verzekerde niet relevant acht, opdat de verzekeraar de juistheid van de verklaring zoveel mogelijk kan toetsen.

3.9.

[appellant] heeft op 1 augustus 2012 aangifte gedaan van diefstal. Volgens het proces-verbaal van aangifte stond in de woonkamer een deur van een kast open. [appellant] zag dat een koffer, die normaal in de kast staat, op de grond lag en leeg was. Volgens [appellant] zaten in deze koffer een halsketting, een schakelcollier, een Turkse munten schakelcollier, drie schakelarmbanden, 14 rinkelarmbanden, een Turkse munten armband, een munt 2007 met muntrand, 2 ringen met een steen, drie oorbellen en een bedrag van

€ 1.300,- aan contant geld in briefjes van 50 euro. Op 9 augustus 2012 is een schade-expert, in opdracht van [geïntimeerde] , bij [appellant] langs geweest en die heeft geconstateerd dat

- enkel de aktekoffer was gepakt uit de kast, terwijl de kast vol dozen stond;

- de woning niet overhoop was gehaald en er geen andere zaken ontvreemd waren;

- [appellant] een taxatierapport van [juwelier 1] Juweliers uit 2010 overhandigde waarvoor hij stelde € 380,- te hebben betaald;

- [appellant] op het moment van opmaken van het taxatierapport niet verzekerd was;

- volgens [appellant] de sieraden een waardestijging van 40% hadden ondergaan in de afgelopen twee jaren;

- [appellant] het onzin vindt om terug te gaan naar de juwelier voor een actualisatie van de taxatie, maar wel vasthoudt aan de 40% waardestijging;

- [appellant] verklaarde de sieraden in de afgelopen jaren te hebben aangeschaft;

- - [appellant] sinds acht jaar arbeidsongeschikt is als gevolg van een ongeval.

De schade-expert heeft aan [appellant] verzocht om per sieraad aan te geven waar het is gekocht, wanneer het is gekocht en wat hij heeft betaald.

Van [appellant] heeft [geïntimeerde] vervolgens, ondanks het sturen van verschillende herinneringen, niets meer vernomen Op 2 april 2013 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] laten weten dat [appellant] geen schadevergoeding ontvangt omdat hij geen medewerking verleende bij de behandeling van deze schade en [appellant] de schade niet aannemelijk heeft gemaakt.

3.10.

Ruim twee jaar later stuurt [appellant] op 18 december 2014 een mailbericht naar [geïntimeerde] met daarbij gevoegd het proces-verbaal van aangifte, het taxatierapport van [juwelier 1] Juweliers uit 2010, een handgeschreven nota van juwelier [juwelier 2] en diverse zwart/wit-kopieën van sieraden. [appellant] verklaart in zijn bericht dat hij de sieraden door de jaren heen in Turkije heeft aangekocht als bruidsschat voor zijn toekomstige vrouw. Wat de sieraden gekost hebben, weet [appellant] niet meer. Omdat [appellant] een taxatierapport heeft, hebben de nota’s volgens hem geen toegevoegde waarde. In de inleidende dagvaarding verklaart [appellant] dat hij niet over aankoopbonnen beschikt nu het in Turkije niet gebruikelijk is dat deze bonnen worden verstrekt. Tijdens de comparitie heeft [appellant] verklaard dat hij ongeveer de helft van sieraden heeft gekocht voor een gepland huwelijk in 2002, dat niet doorging. [appellant] heeft daarna nog meer sieraden gekocht en dat was bedoeld voor zijn huidige echtgenote. Van de sieraden heeft [appellant] geen nota’s gehad, alleen kassabonnetjes met enkel een bedrag erop of visitekaartjes met een handtekening. De bonnetjes die [appellant] had, is hij kwijtgeraakt. Volgens [appellant] spaarde hij elke maand zo tussen de € 50,- en € 100,-, soms wel € 150,- en zijn de sieraden aangeschaft over een periode van tien jaar.

3.11.

Het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de door hem gestelde schade heeft geleden. [appellant] heeft na de inbraak een taxatierapport van [juwelier 1] Juweliers van 26 februari 2010 aan de schade-expert overhandigd en gesteld dat dit de sieraden waren die hij in bezit had en dat deze sieraden zijn ontvreemd bij de inbraak. Op verzoeken van de schade-expert en [geïntimeerde] om onderbouwing van plaats en tijdstip van aanschaf is vervolgens geruime tijd niets van [appellant] vernomen. Dit terwijl de getaxeerde waarde van € 23.720,- terecht vragen heeft opgeroepen bij de verzekeraar, gelet op de arbeidsongeschiktheid en het daarmee samenhangende inkomen van [appellant] sinds 2004. Voorts stelde [appellant] dat ook een bedrag van € 1.300,- was weggenomen, dat volgens hem eveneens spaargeld betrof. In totaal beschikte [appellant] dus over zo’n € 25.000,-, aan sieraden en contant geld, dat hij via sparen zou hebben vergaard. Anders dan [appellant] betoogt, acht het hof het, evenals de rechtbank, in het kader van de vraag of aannemelijk is dat [appellant] schade heeft geleden, van belang dat [appellant] aannemelijk maakt hoe hij de middelen heeft gehad om de sieraden te verwerven en dat hij de sieraden daadwerkelijk heeft verworven. Het taxatierapport kan een aanwijzing zijn dat [appellant] in 2010 in het bezit was van deze sieraden met een waarde van € 23.720,-, maar dit betreft niet meer dan een aanwijzing en is zeker niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of [appellant] eigenaar was en het bezit had van de sieraden en schade heeft geleden bij de inbraak op 31 juli 2012.

3.12.

[appellant] heeft, ook in hoger beroep, niet inzichtelijk gemaakt hoe zijn inkomsten en lasten zich verhouden tot de gestelde aanschaf van de sieraden. Dit had wel op zijn weg gelegen. De enkele mededeling dat hij voorheen een inkomen had van € 2.250,- bruto per maand en dat zijn huidige inkomen circa € 1.500,- bruto per maand, volstaat in dit verband niet. Te meer, nu [appellant] daarover eenvoudig helderheid had kunnen verschaffen, door middel van overlegging van zijn inkomensgegevens en aangiftes inkomstenbelasting en de daarbij behorende aanslagen.

3.13.

In eerste instantie heeft [appellant] tegenover de schade-expert enkel verklaard dat hij de sieraden de afgelopen jaren heeft aangeschaft. Vervolgens wordt door [appellant] in zijn e-mailbericht van 18 december 2014 verklaard dat hij de sieraden door de jaren heen heeft aangekocht in Turkije voor zijn toekomstige vrouw. Wat de sieraden destijds hebben gekost, zou [appellant] niet meer weten. In de inleidende dagvaarding wordt gesteld dat [appellant] niet over aankoopbonnen beschikt, nu het in Turkije niet gebruikelijk is dat deze bonnen worden verstrekt. Bij de comparitie verklaart [appellant] dat hij wel over kassabonnetjes of visitekaartjes beschikte, maar deze is kwijtgeraakt. In hoger beroep legt [appellant] ten slotte een eigen handgeschreven overzicht over met daarop de aanschaf van verschillende sieraden over verschillende jaren en [appellant] vermeldt daarbij ook aanschafprijzen. Het hof stelt vast dat [appellant] in eerste instantie niets heeft verklaard over de aanschaf van de sieraden in Turkije en het bezit van kassabonnetjes. Pas ruim twee jaar na de inbraak laat [appellant] weten dat de sieraden in Turkije zijn aangeschaft en pas op de comparitie meldt [appellant] dat hij wel over bonnetjes/visitekaartjes beschikte, maar deze is kwijtgeraakt. Van eenduidige verklaringen over de aanschaf van de sieraden door [appellant] is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake. Het in hoger beroep overgelegde overzicht (productie 4 bij de memorie van grieven) kan [appellant] in dit stadium van de procedure zonder nadere uitleg evenmin baten, zeker nu [appellant] zelf in 2014 stelt dat hij niet meer weet wat de sieraden hebben gekost.

3.14.

Al met al is het hof van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden bij de inbraak. Dat door [appellant] ook een aankoopbon is overgelegd van de aanschaf van een ring op 21 oktober 2010 bij [juwelier 2] ten bedrage van € 430,-, leidt er niet toe dat [geïntimeerde] voor dit gedeelte wel tot schade-uitkering had moeten overgaan. Het uitblijven van inzichtelijkheid in de inkomsten en lasten van [appellant] en de niet eenduidige verklaringen over de aanschaf van de sieraden van de zijde van [appellant] , maakt dat [appellant] niet aan de aan een opgave van de schade te stellen eisen van consistentie en volledigheid heeft voldaan. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellant] tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] zijn schade onvoldoende heeft onderbouwd. Aan bewijslevering komt het hof daarom niet toe. Het bewijsaanbod van [appellant] wordt dan ook gepasseerd. De grieven van [appellant] falen.

Opname in het interne verwijzingsregister

3.15.

De grief van [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] de persoonsgegevens van [appellant] dient te verwijderen uit haar interne verwijzingsregister (hierna: IVR). Volgens [geïntimeerde] rechtvaardigen de omstandigheden van de schademelding door [appellant] opname in het IVR. Van opzettelijke misleiding, zoals de rechtbank heeft overwogen, hoeft dan ook geen sprake te zijn. Bovendien voldoet de opname van [appellant] in het IVR aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. [appellant] voert verweer en stelt dat de rechtbank terecht de interne registratie van hem ongedaan heeft gemaakt.

3.16.

Uit de stukken blijkt dat binnen de financiële wereld gebruik wordt gemaakt van een zogenaamd intern en extern waarschuwingssysteem. Het interne waarschuwingssysteem bestaat uit een Gebeurtenissenadministratie gekoppeld aan het IVR. Het externe waarschuwingssysteem wordt gevormd door het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister (EVR). Op de Gebeurtenissenadministratie en het IVR is de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen (GVPFI) van toepassing. Ingevolge artikel 5.5.1 van de GVPFI kunnen, ten behoeve van de veiligheid en integriteit van de financiële sector, persoonsgegevens die betrekking hebben op (onder meer) gebeurtenissen die de zorg en aandacht behoeven van de financiële instelling, worden opgenomen in de Gebeurtenissenadministratie. Uit de toelichting bij artikel 5.5 GVPI volgt dat de persoonsgegevens opgenomen in de Gebeurtenissenadministratie in beginsel alleen mogen gebruikt worden binnen de financiële instelling of de groep waartoe de financiële instelling behoort. Om een oncontroleerbaar gebruik van de persoonsgegevens te voorkomen wordt een beperkte set aan gegevens (naam, adres, woonplaats en geboortedatum) opgenomen in het IVR dat in het kader van onder meer acceptatie en schadeafhandeling door de betreffende afdelingen geraadpleegd mag worden. Indien blijkt dat een betrokkene voorkomt in dit IVR moet contact worden opgenomen met veiligheidszaken, die vervolgens adviseert over de beslissing die moet worden genomen.

3.17.

[geïntimeerde] noemt de volgende redenen voor opname van de persoonsgegevens van [appellant] in het IVR:

- [geïntimeerde] heeft [appellant] meermaals verzocht om stukken ter onderbouwing van zijn schade. Daarop heeft [appellant] niet dan wel zeer laat gereageerd. Bovendien ontbrak bij deze reactie enige onderbouwing van zijn schade. [appellant] heeft het gestelde voormalige bezit van de sieraden en het contante bedrag van € 1.300,- op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt;

- opvallend is dat bij de inbraak uitsluitend de inhoud van een koffer welke zich in een afgesloten inbouwkast in de woning bevond, is weggenomen; andere goederen zijn in de woning achtergebleven;

- [appellant] heeft wisselende verklaringen afgelegd aangaande zijn claim.

Het niet-nakomen van zijn contractuele verplichting om volledige medewerking te verlenen aan de afwikkeling van de schade door [appellant] noemt [geïntimeerde] als extra reden voor opname in het IVR.

3.18.

Het hof stelt voorop dat, zo heeft [geïntimeerde] onweersproken gesteld, de Gebeurtenissenadministratie alleen mag worden gebruikt door [geïntimeerde] en dat de persoonsgegevens van [appellant] dus enkel zijn opgenomen in het IVR (en niet in het EVR). Andere instellingen die geen deel uitmaken van de [geïntimeerde] groep hebben, hetzij direct of indirect, geen toegang tot de gegevens van de geregistreerde betrokkene. Het hof acht de registratie van [appellant] op grond van de door [geïntimeerde] genoemde redenen voldoende voor opname in de Gebeurtenissenadministratie op grond van artikel 5.5.1 van de GVPFI. De eis van opzettelijke misleiding door [appellant] als voorwaarde voor registratie kan niet worden gesteld, gelet op de omschrijving van een gebeurtenis in artikel 5.5.1 GVPI en de daarbij gegeven toelichting. De interne registratie van [appellant] leidt er enkel toe dat [geïntimeerde] bij toekomstige verzekeringsaanvragen van [appellant] bij [geïntimeerde] , als gevolg van de signalering de acceptatie-afdeling in overleg kan treden met de afdeling veiligheidszaken om na uitwisseling van informatie te beoordelen of zij een verzekeringsovereenkomst wenst aan te gaan met [appellant] . In het licht van de redenen zoals deze door [geïntimeerde] zijn genoemd, is het belang van [geïntimeerde] tot interne registratie niet onredelijk. Deze registratie is evenmin disproportioneel, waarbij van belang is dat de registratie enkel intern bij [geïntimeerde] gevolg heeft. Bij het aangaan van verzekeringen van een andere aanbieder ondervindt [appellant] hier dan ook geen hinder van. De grief in het incidenteel hoger beroep slaagt. Het hof zal de bestreden uitspraak op dit punt vernietigen, waarna [geïntimeerde] (opnieuw) kan overgaan tot registratie van [appellant] in het IVR.

3.19

De slotsom is dat de grieven in het principaal hoger beroep falen en de grief in het incidenteel hoger beroep slaagt. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot de proceskosten in het principaal en incidenteel hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover daarin is beslist dat [geïntimeerde] binnen zeven dagen na betekening van het vonnis de interne registratie van [appellant] ongedaan dient te maken en de daaraan verbonden dwangsom (rov. 5.1 en 5.2);

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in het principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 718,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat, en in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 894,- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, L.S. Frakes en E.H. Schulten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 april 2018.

griffier rolraadsheer