Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1744

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
200.186.101_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:7432, Overig
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindigingsovereenkomst waarin afstand is gedaan van het recht op vernietiging. Werkgever heeft daarmee een beroep op dwaling wegens verzwijging van nevenactiviteiten door werknemer prijsgegeven. Het beroep van werkgever dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om haar geen beroep op dwaling te laten toekomen, wordt verworpen (art. 7:904 BW).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 904
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0505
JAR 2018/127
Prg. 2018/160
RAR 2018/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.186.101/01

arrest van 24 april 2018

in de zaak van

1 [appellante 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [appellant 2],
wonende te [woonplaats] ,

3. [appellante 3],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. [appellante 4],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

tezamen zijnde maten van de maatschap [maatschap 1] ,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. T.G.M. Scheers te Roermond,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. F.G.H.J. Niemarkt te Heerlen,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 november 2015 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 4 februari 2015 en 26 augustus 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht gewezen tussen:

  1. [appellante 1] (appellante sub 1),

  2. [appellante 3] (appellante sub 3),

  3. [maat 1] , wonende te [woonplaats] ,

  4. [appellant 2] , wonende te [woonplaats] (appellant sub 2),

  5. [appellante 4] (appellante sub 4),

tezamen zijnde de maten van de maatschap [maatschap 2] , handelende onder de naam [maatschap 1] , als eisers, en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3019467 CV EXPL 14-5091)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met producties;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

2.2.

In de inleidende dagvaarding in hoger beroep zijn naast de hiervoor genoemde vier appellanten (appellanten 1 tot en met 4) ook als maten van [appellante] vermeld:

5. [maat 2] , wonende te [woonplaats] ,

6. [maat 3] , wonende te [woonplaats] ,

7. [maat 4] , wonende te [woonplaats]”.

2.3.

De advocaat van [appellante] heeft tijdens het pleidooi in hoger beroep aangegeven dat het hoger beroep wordt beperkt tot de appellanten 1 tot en met 4. De advocaat van [geïntimeerde] heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het wegstrepen van voornoemde appellanten 5, 6 en 7. Gelet hierop heeft het hof de zaak met betrekking tot voornoemde appellanten 5, 6 en 7 doorgehaald (art. 246 Rv). De procedure in hoger beroep wordt verder gevoerd tussen appellanten 1 tot en met 4 en [geïntimeerde] .

2.4.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. [geïntimeerde] , geboren op [geboortedatum] 1964, heeft op 28 februari 2007 een arbeidsovereenkomst ondertekend met “maatschap [maatschap 2]” (hierna: [maatschap 2] ). Hij is op 1 april 2007 in dienst getreden als assistent-accountant. In de arbeidsovereenkomst is een relatiebeding (art. 15), een verbod op nevenactiviteiten (art. 16) en een geheimhoudingsbeding (art. 18) opgenomen, met daaraan verbonden boetebedingen.

[geïntimeerde] was laatstelijk werkzaam als assistent-accountant en kantoormanager bij de maatschap [maatschap 1] (hierna: [appellante] ), tegen een loon van € 3.806,- bruto per maand exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.

[geïntimeerde] heeft, na zijn opzegging van de arbeidsovereenkomst, op 31 januari 2013 een beëindigingsovereenkomst gesloten met [appellante] , vertegenwoordigd door [appellante 4] (appellante sub 4). Hierin is overeengekomen:
1.2 Partijen beëindigen met ingang van 1 maart 2013 (hierna: “de Einddatum”) de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. (…)
7. Finale kwijting
7.1. Na volledige en correcte uitvoering en nakoming van deze overeenkomst, behoudens voor wat betreft eventuele verplichtingen van Werknemer met betrekking tot het relatiebeding en geheimhouding, verlenen Partijen elkaar over en weer algehele en finale kwijting van al hetgeen zij uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en/of ter zake van de beëindiging daarvan te vorderen mochten hebben, dan wel te vorderen mochten krijgen. (…)
8.3 Partijen doen uitdrukkelijk afstand van ieder recht om (gedeeltelijke) ontbinding, vernietiging of anderszins (gedeeltelijke) beëindiging van de werking van deze overeenkomst te bewerkstelligen.
8.4. Deze overeenkomst heeft te gelden als een vaststellingsovereenkomst. (…)”.

De advocaat van [appellante] heeft in een brief van 28 februari 2013 aan [geïntimeerde] geschreven:
(…) Cliënten hebben vastgesteld dat u met ingang van 2 februari 2012, zijnde een moment dat u (nog) in dienstverband werkzaam was voor cliënten, op eigen initiatief een concurrerend administratie- en belastingadvieskantoor bent gestart. Deze handeling lijkt strijdig met genoemde bepalingen als opgenomen in uw arbeidsovereenkomst. (…)”.

[geïntimeerde] is met ingang van 1 maart 2013 in dienst getreden bij [Adviseurs] te [plaats] .

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [appellante] in eerste aanleg gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
1. de beëindigingsovereenkomst te vernietigen op grond van dwaling voor wat betreft de finale kwijting (art. 7), althans voor zover in goede justitie te bepalen noodzakelijk is;

2. [geïntimeerde] te veroordelen tot overlegging, althans tot inzage in jaarstukken, aangiftes, facturen en een klantenlijst van [advieskantoor] over de periode van 2012 tot en met 2014;

3. voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] in de periode van 2 februari 2012 tot 1 maart 2013 toerekenbaar tekort is gekomen in de nakoming van het verbod op nevenwerkzaamheden, met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de verbeurde boete van € 5.000,-, en tot betaling van € 5.000,- voor elke overtreding en de door hem veroorzaakte schade;

4. [geïntimeerde] te veroordelen om voor elke overtreding van het relatiebeding een boete te betalen van € 5.000,- en de door hem veroorzaakte schade, en [geïntimeerde] te verbieden om werkzaamheden voor relaties van [appellante] te verrichten;

5. met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.

3.2.2.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 4 februari 2015 heeft de kantonrechter, kort gezegd, geoordeeld dat [appellante] zich niet met succes kan beroepen op dwaling omdat partijen in art. 8.3 van de beëindigingsovereenkomst uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van hun recht om (gedeeltelijke) vernietiging van de overeenkomst te bewerkstelligen.

Daarnaast is overwogen dat partijen zijn overeengekomen dat zij elkaar finaal kwijten voor (toekomstige) vorderingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst, behoudens het relatie- en geheimhoudingsbeding (rov. 4.2.2).
Omdat [appellante] voldoende aannemelijk en concreet had gemaakt ten aanzien van welke relaties het relatiebeding mogelijk zou zijn geschonden (rov 4.9), is [geïntimeerde] veroordeeld om afschriften te verstrekken van de jaarstukken, aangiften, facturen en klantenlijst van [advieskantoor] van 2012 tot en met 2014, op straffe van een dwangsom.

3.3.2.

De kantonrechter heeft in het eindvonnis van 26 augustus 2015, samengevat, overwogen dat [appellante] heeft gesteld dat [geïntimeerde] de hiervoor bedoelde bescheiden tijdig en compleet heeft overgelegd (rov. 4.2) en dat hieruit blijkt dat hij het relatiebeding niet heeft overtreden (rov. 4.3). De vorderingen van [appellante] zijn afgewezen. De aan [geïntimeerde] te vergoeden kosten ex art. 843a Rv zijn begroot op € 125,-. De proceskosten zijn gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

3.4.

[appellante] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en gevorderd om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
1. de beëindigingsovereenkomst te vernietigen op grond van dwaling voor wat betreft de finale kwijting (art. 7), althans voor zover in goede justitie te bepalen noodzakelijk is;

2. voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] in de periode van 2 februari 2012 tot 1 maart 2013 toerekenbaar tekort is gekomen in de nakoming van het verbod op nevenwerkzaamheden, met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de verbeurde boete van € 5.000,-, en tot betaling van € 5.000,- voor elke overtreding en de door hem veroorzaakte schade;
met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

3.5.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Hij heeft in incidenteel hoger beroep vier grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en gevorderd om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
A. eisers in eerste aanleg, voor zover thans appellanten in hoger beroep, alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering in eerste aanleg onder 2, althans deze af te wijzen;

B. eisers in eerste aanleg, voor zover thans appellanten in hoger beroep, hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde] (in totaal € 2.312,44) met rente;

C. met veroordeling van geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep in de proceskosten in eerste aanleg en in principaal en incidenteel hoger beroep.

Ontvankelijkheid

3.6.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat [appellante] als partij was betrokken in de procedure in eerste aanleg. Dat betekent dat zij ontvankelijk is in het hoger beroep.

in principaal hoger beroep

Beëindigingsovereenkomst

3.7.

De grieven van [appellante] richten zich, samengevat, tegen het oordeel van de kantonrechter dat het beroep op dwaling is afgewezen (grieven 1 en 2).
Volgens [appellante] dient de beëindigingsovereenkomst te worden vernietigd wegens dwaling voor wat betreft de finale kwijting (art. 7). [geïntimeerde] heeft vóór het sluiten van de beëindigingsovereenkomst ten onrechte door hem verrichte nevenwerkzaamheden voor zich gehouden. Na het sluiten van de beëindigingsovereenkomst is [appellante] erachter gekomen dat [geïntimeerde] met ingang van 2 februari 2012, dus tijdens zijn dienstverband, een administratie- en belastingadvieskantoor is gestart met de naam “ [advieskantoor] ”.
Hij heeft over de periode van 21 maart 2012 tot en met 6 februari 2013 zestien nota’s vanuit [advieskantoor] naar cliënten gestuurd, met een totale omzet van € 4.565,- exclusief btw.

3.8.

[geïntimeerde] heeft hiertegenover, onder andere, het volgende aangevoerd. Op 30 januari 2013 heeft hij zijn arbeidsovereenkomst opgezegd en aangegeven dat hij een andere baan had gevonden bij [Adviseurs] te [plaats] . Die dag kreeg hij een mededeling dat hij met onmiddellijke ingang zijn werkzaamheden diende te beëindigen, niet verder hoefde te werken en zich de volgende ochtend moest melden bij het hoofdkantoor om een beëindigingsovereenkomst te tekenen. [geïntimeerde] heeft de beëindigingsovereenkomst die middag rond 15:00 uur ontvangen en hij heeft deze overeenkomst de volgende dag rond 09:00 uur op het hoofdkantoor ondertekend. Hij is maximaal 5 tot 10 minuten in het hoofdkantoor aanwezig geweest en daarna direct naar buiten geleid.
Het ging [appellante] alleen om het relatie- en geheimhoudingsbeding. [appellante] , bijgestaan door juridisch deskundigen, heeft zelf het risico genomen dat partijen definitief van elkaar af waren door de finale kwijting, waarop partijen niet meer zouden kunnen terugkomen (art. 8.3 van de beëindigingsovereenkomst).
[geïntimeerde] heeft weliswaar nevenactiviteiten verricht, maar deze zijn bescheiden van aard. Het gaat om een viertal cliënten, in hoofdzaak zzp’ers en starters, die gezien de aard van de werkzaamheden hun werkzaamheden nooit hadden laten verrichten door [appellante] . Het bedrijfsresultaat van [geïntimeerde] was in 2012 € 3.865,- bruto (€ 1.854,- netto) en in 2013 ging het om een honorarium van € 500,- exclusief btw (berekend tot en met 28 februari 2013).

3.9.

Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de beëindigingsovereenkomst moet worden aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst in de zin van art. 7:900 BW.

3.10.

[appellante] heeft met betrekking tot de finale kwijting in de beëindigingsovereenkomst (art. 7) een beroep gedaan op dwaling (art. 6:228 BW). Volgens haar is art. 7 vernietigbaar, omdat [geïntimeerde] haar niet heeft ingelicht over de nevenactiviteiten die hij tijdens zijn dienstverband heeft verricht en zij de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet zo zou zijn aangegaan.
Wat er van dit beroep van [appellante] op dwaling ook zij, al had [geïntimeerde] haar tijdig behoren in te lichten over zijn nevenwerkzaamheden, dan nog geldt het volgende.

3.11.

[geïntimeerde] heeft een beroep gedaan op artikel 8.3 van de beëindigingsovereenkomst.
In dat artikel is, voor zover van belang, bepaald dat partijen uitdrukkelijk afstand doen van ieder recht om (gedeeltelijke) vernietiging van de werking van de overeenkomst te bewerkstelligen.

Daarmee heeft [appellante] , die zelf als professionele partij dit artikel in de beëindigingsovereenkomst heeft opgenomen, haar beroep op dwaling prijsgegeven. Dit artikel heeft een ruime strekking en onthoudt partijen expliciet elke mogelijkheid tot gedeeltelijke vernietiging, dus ook met betrekking tot de finale kwijting. [appellante] heeft geen vernietiging gevorderd van art. 8.3. Anders dan zij heeft betoogd, stuit haar vordering tot vernietiging wegens dwaling in beginsel af op het bepaalde in art. 8.3 van de beëindigingsovereenkomst.

3.12.

[appellante] heeft zich verder nog beroepen op art. 7:904 BW. Volgens haar is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om haar op grond van de beëindigingsovereenkomst geen beroep op dwaling (art. 7) te laten toekomen.

3.13.

Het hof verwerpt dit beroep. [appellante] heeft [geïntimeerde] , nadat hij op 30 januari 2013 zijn arbeidsovereenkomst had opgezegd, meteen vrijgesteld van het verrichten van werk en heeft die middag zelf een beëindigingsovereenkomst opgesteld, waarin partijen elkaar “algehele en finale kwijting” zouden verlenen “van al hetgeen zij uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en/of ter zake van de beëindiging daarvan te vorderen mochten hebben, dan wel te vorderen mochten krijgen.”. [appellante] heeft hierop alleen een uitzondering gemaakt voor het relatie- en geheimhoudingsbeding, maar niet voor het verbod op nevenactiviteiten. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat er geen overleg is gevoerd over de inhoud van de beëindigingsovereenkomst, die hij de volgende ochtend om 09:00 uur al heeft moeten ondertekenen op het hoofdkantoor. Deze gang van zaken is niet of onvoldoende weersproken door [appellante] .

[geïntimeerde] heeft tijdens zijn dienstverband met [appellante] naar zijn zeggen vier zzp’ers en particulieren geholpen met privéaangelegenheden, die zich het hoge tarief van een accountantskantoor niet konden permitteren. Gesteld noch gebleken is dat hij [appellante] bewust heeft willen benadelen. Mede gelet op de relatief geringe hoogte van de omzet van [geïntimeerde] (volgens [appellante] € 4.565,-) is de gebondenheid van [appellante] aan de beëindigingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.
Het door [appellante] gedane beroep op jurisprudentie baat haar niet. In de uitspraken van het hof Amsterdam van 21 maart 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2012:BW7294) en het hof ’s-Hertogenbosch van 29 mei 2012 (ECLI:NL:GHAMS:2017:991) ging het om gevallen waarin geen afstand was gedaan van het recht om de vaststellingsovereenkomst te vernietigen.
In de zaak die ten grondslag lag aan de conclusie van het Parket bij de Hoge Raad van 12 oktober 2012 (ECLI:NL:PHR:2012:BX7588) ging het om de vraag of een bepaald onderwerp van geschil deel uitmaakte van de vaststellingsovereenkomst, terwijl partijen elkaar finale kwijting hadden verleend voor de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst.

In de uitspraak van hof Den Haag van 19 januari 2010 (ECLI:NL:GHSGR:2010:BL2560) ging het om een vordering om, in plaats van de overeenkomst te vernietigen, de gevolgen van de overeenkomst te wijzigen ter opheffing van het nadeel van werkgever bij instandhouding van de overeenkomst (art. 6:230 lid 2 BW).

In de uitspraken van het hof Arnhem van 15 mei 2012 (ECLI:NL:GHARN:2012:BW6429) en het hof Amsterdam van 29 september 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BN2387) was het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om de werkgever te houden aan het overeengekomen afstand van recht, terwijl dat naar het oordeel van het hof in deze zaak gelet op de hiervoor genoemde feiten anders is. De grieven 1 en 2 falen.


Verandering van eis

3.14.

[appellante] heeft tijdens het pleidooi in hoger beroep aangevoerd dat haar beroep subsidiair moet worden gezien als een verzoek tot wijziging van de gevolgen van de overeenkomst, zodanig dat het door [appellante] geleden nadeel wordt opgeheven [het hof begrijpt: overeenkomstig art. 6:230 lid 2 BW]. Verder heeft zij aangevoerd dat al haar argumenten ook gelden ten aanzien van de door [geïntimeerde] aangehaalde elementen uit de beëindigingsovereenkomst, zoals het verbod op ontbinding en vernietiging.

3.15.

Naar het oordeel van het hof is deze eisverandering van [appellante] niet toelaatbaar. Deze verandering is gedaan na haar memorie van grieven in het principaal hoger beroep en haar memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep. Dat betekent dat deze eisverandering in strijd is met de twee conclusie-regel (art. 347 Rv). Een uitzondering op deze regel doet zich niet voor. Daarbij komt dat [geïntimeerde] tijdens het pleidooi niet heeft ingestemd met de eisverandering van [appellante] . Op grond van het voorgaande zal het hof de onderhavige eisvermeerdering buiten beschouwing laten.

3.16.

De slotsom is dat het hof in principaal hoger beroep het bestreden vonnis zal bekrachtigen.

in incidenteel hoger beroep

843a Rv

3.17.

Grief I van [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter in het tussenvonnis van 4 februari 2015, dat [geïntimeerde] is veroordeeld om aan [appellante] afschriften te verschaffen van de door haar gevorderde bescheiden (art. 843a Rv).

3.18.

Nu in het principaal hoger beroep het eindvonnis wordt bekrachtigd en de juistheid van het tussenvonnis daaraan niet toe- of afdoet, behoeft deze grief in het incidenteel appel niet te worden behandeld. Daarbij komt dat [geïntimeerde] voornoemde bescheiden bij exploot van 18 februari 2015 aan [appellante] heeft betekend en inzage al is verleend. Grief I faalt.

3.19.

Grief II heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis, zodat deze grief geen afzonderlijke bespreking behoeft.

3.20.

Grief III richt zich tegen de door de kantonrechter begrote, aan de zijde van [geïntimeerde] gemaakte kosten ex art. 843a Rv van € 125,-. Volgens [geïntimeerde] bedragen de kosten voor juridische bijstand ter uitvoering van het tussenvonnis van 4 februari 2015 € 1.643,71, te vermeerderen met € 90,65 wegens kosten van betekening door de deurwaarder en € 578,08 wegens kosten van hem zelf (in totaal € 2.312,44) te vermeerderen met de wettelijke rente.
Volgens [appellante] bedragen deze kosten niet meer dan € 50,-.

3.21.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ontgaat het hof op welke wijze het maken van afschriften van de bestaande gegevens tot dergelijke exorbitante kosten kan leiden. Het hof zal die kosten (kosten voor het maken van kopieën en kosten advocaat) evenals de kantonrechter begroten op € 125,- inclusief btw. Grief III faalt.

3.22.

Grief IV richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de proceskosten zijn gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze grief slaagt.
Het hof zal bestreden vonnis van 26 augustus 2015 met betrekking tot de proceskosten vernietigen en [appellante] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij alsnog veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerde] .

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.23.

Voor zover partijen bewijs hebben aangeboden, is dat niet ter zake dienend en/of onvoldoende concreet, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

3.24.

Het hof zal het bestreden vonnis van 26 augustus 2015 met betrekking tot de proceskosten vernietigen en [appellante] alsnog veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerde] . Voor het overige zal het hof de bestreden vonnissen bekrachtigen.

3.25.

Het hof zal [appellante] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep veroordelen.

3.26.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 900,- voor salaris gemachtigde overeenkomstig het overzicht van salarissen in rolzaken.
De kosten voor de procedure in principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 311,- voor griffierecht en € 2.682,-voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten x tarief II, € 894,- per punt).
Het hof zal de nakosten begroten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.
De door [geïntimeerde] gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal op de na te melden wijze worden toegewezen.

3.27.

Het hof zal [geïntimeerde] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep veroordelen.

3.28.

Deze kosten zullen aan de zijde van [appellante] worden vastgesteld op € 447,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt x 0,5 tarief II, € 894,- per punt). De door [appellante] gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal worden toegewezen zoals hierna te melden.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het bestreden vonnis van 26 augustus 2015 voor zover dit betrekking heeft op de compensatie van de proceskosten;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van de eerste aanleg en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 900,- aan salaris gemachtigde,

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het principaal hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 311,- aan griffierecht en op € 2.682,- aan salaris advocaat,
en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, en begroot deze kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] op € 447,- aan salaris advocaat,
en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan dit bedrag worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor het overige;

verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, M.E. Smorenburg en A.W. Rutten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 april 2018.

griffier rolraadsheer