Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1687

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
28-06-2018
Zaaknummer
17/00197 en 17/00198
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:8564, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende de in, van de Canadese belastingautoriteiten ontvangen, renseignementen vermelde pensioenbedragen in het jaar 2012 heeft ontvangen. Ingevolge artikel 3.146, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 behoren deze pensioenbedragen in het desbetreffende jaar tot het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende, aangezien gesteld noch gebleken is dat deze bedragen, die deels betrekking hebben op de periode van december 2006 tot en met december 2011, op een eerder moment dan in het jaar 2012 zijn genoten. Naar het oordeel van het Hof maken deze pensioenuitkeringen voorts deel uit van het premie-inkomen voor de volksverzekeringen onderscheidenlijk het bijdrage-inkomen voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Het belastingverdrag tussen Nederland en Canada verzet zich niet tegen heffing over deze pensioenuitkeringen. Voorts faalt het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.146
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1406
Viditax (FutD), 03-07-2018
FutD 2018-1863
V-N 2018/40.25.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 17/00197 en 17/00198

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 31 januari 2017, kenmerken BRE 16/567 en 16/568, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te vermelden belastingaanslagen en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 11 maart 2015 is aan belanghebbende over het jaar 2012 opgelegd de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.400 (hierna: de aanslag IB/PVV). Met dagtekening 11 maart 2015 is aan belanghebbende over het jaar 2012 opgelegd de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, naar een bijdrage-inkomen van € 12.075 (hierna: de aanslag Zvw). Bij in de aanslagbiljetten vervatte beschikkingen is belastingrente in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraken de voornoemde belastingaanslagen (hierna: de aanslagen), alsmede de beschikkingen inzake belastingrente, gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dat beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Beide partijen hebben vervolgens, na een daartoe strekkend verzoek van de griffier, vragen aan door belanghebbende opgeroepen getuigen aan het Hof doen toekomen. Belanghebbende heeft, ten slotte, binnen de in artikel 8:58 van de Awb genoemde termijn, stukken in het geding gebracht die in afschrift zijn verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 30 maart 2018 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de in het proces-verbaal van deze zitting vermelde personen.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van het onderzoek ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting kan in hoger beroep worden uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1.

Belanghebbende, geboren op [geboortedatum] 1941, woonde gedurende het gehele jaar 2012 in Nederland. In de periode 2006 tot en met 2011 heeft belanghebbende in Turkije gewoond.

2.2.

Belanghebbende heeft aangiften voor de IB/PVV en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet gedaan voor het jaar 2012, welke aangiften nadien zijn aangevuld en herzien. In het door belanghebbende met dagtekening 5 maart 2012 [bedoeld zal zijn: 2013; Hof] ingediende aangiftebiljet is, onder de noemer “Pensioen en uitkeringen uit het buitenland” vermeld:

a. Canada Pension Plan (…) Canada € 1.666

b. Old Age Security Pension (…) Canada € 1.264

2.3.

De Inspecteur heeft van de Canadese belastingautoriteiten renseignementen ontvangen betreffende door belanghebbende in het jaar 2012 genoten inkomsten. Volgens de desbetreffende inlichtingen heeft belanghebbende in dat jaar ontvangen:

a. een uit Canada afkomstig pensioen van CAD 13.240, waarop CAD 3.310 Canadese bronbelasting is ingehouden;

b. een uit Canada afkomstig pensioen van CAD 2.266, waarop CAD 339 Canadese bronbelasting is ingehouden.

De euro-equivalenten van de pensioenbedragen zijn, volgens de renseignementen, € 10.310 onderscheidenlijk € 1.765.

2.4.

Bij het vaststellen van de aanslagen is de Inspecteur afgeweken van de onder 2.2 genoemde aangiften. Hij heeft het de onder 2.3 genoemde bedragen geheel tot het belastbare inkomen uit werk en woning respectievelijk het premie-inkomen en het bijdrage-inkomen gerekend. De Inspecteur heeft de onder 2.3 genoemde pensioenbedragen omgerekend naar een totaalbedrag in euro’s van € 12.075. De aanslag IB/PVV is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.400. De aanslag Zvw is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 12.075.

2.5.

Tot de gedingstukken behoort een schrijven met dagtekening 15 oktober 2012 afkomstig van “Service Canada, International Operations”, waarin onder andere het volgende is vermeld:

“(…)

This is to confirm that you are receiving a monthly Old Age Security pension of $ 190.74 CAD, which became effective in December 2006.

(…)

(…) you will receive an arrears payment of $12096.43 CAD.

(…)

You were entitlement to an arrears payment $12096.43 CAD for December 2006 to June 2012 and you asked for quarterly payments. Therefore the payment was held until September 2012 and we issued your first quarterly payment of $572.22 CAD for July 2012 to December 2012 along with the arrears payment.

Your first payment was for $12096.43 + $572.22 = $12668.65 CAD. A non-resident tax of 25% was applied to this payment and you received the balance of $9501.50 CAD (…).

(…)”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslagen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

4.1.

Op grond van de gedingstukken, in het bijzonder de daarin voorkomende renseignementsgegevens, is aannemelijk dat de onder 2.3 genoemde pensioenbedragen in het onderhavige jaar aan belanghebbende zijn uitbetaald. Voorts is, gezien het onder 2.5 genoemde schrijven van “Service Canada, International Operations”, aannemelijk dat het in totaal aan belanghebbende betaalde bedrag aan “Old Age Security pension” gedeeltelijk een nabetaling betreft van pensioenuitkeringen die betrekking hebben op de periode december 2006 tot en met december 2011. Tussen partijen is niet in geschil dat die nabetaling een gevolg is van een administratieve fout bij de voor uitbetaling verantwoordelijke Canadese pensioenverstrekker, die heeft verzuimd belanghebbendes “Old Age Security pension” maandelijks uit te keren met ingang van december 2006. Het Hof acht ook aannemelijk dat de koersverhoudingen aan de hand waarvan de Inspecteur de onder 2.3 genoemde bedragen heeft omgerekend naar euro’s juist zijn, gezien de gerenseigneerde gegevens.

4.2.

Belanghebbende betoogt dat de aanslagen moeten worden verminderd met pensioenbedragen die weliswaar in 2012 zijn ontvangen, maar betrekking hebben op de daaraan voorafgaande periode van december 2006 tot en met december 2011, toen belanghebbende niet in Nederland woonde. De Inspecteur acht een zodanige vermindering niet aangewezen. Belanghebbende betoogt voorts dat er namens de Inspecteur in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt, hetgeen de Inspecteur ontkent.

4.3.

Belanghebbende is in 2012 een binnenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 2.1, lid 1, letter a, van de Wet IB 2001. Tot het belastbare inkomen uit werk en woning van een zodanige belastingplichtige behoren uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een andere mogendheid (zie artikel 3.82, aanhef en letter b, van de Wet IB 2001). Dat is slechts anders voor zover over de desbetreffende pensioenaanspraken een heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting, maar dienaangaande is in het onderhavige geval niets gesteld of gebleken. De door belanghebbende ontvangen pensioenuitkeringen behoren derhalve tot diens belastbare inkomen uit werk en woning, mits zij zijn genoten in de periode waarin belanghebbende een binnenlandse belastingplichtige was.

4.4.

Ingevolge artikel 3.146, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 wordt loon – waaronder, gezien het zojuist overwogene, pensioenuitkeringen als de onderhavige – geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop het is ontvangen.

4.5.

Uit de voornoemde bepalingen volgt dat het in 2012 door belanghebbende ontvangen totaalbedrag van de onder 2.3 genoemde uitkeringen in 2012 tot diens belastbare inkomen uit werk en woning behoort. Gesteld noch gebleken is dat de onderhavige pensioeninkomsten op een eerder moment dan in 2012 zijn genoten. Belanghebbendes stelling dat de aanslagen moeten worden verminderd met pensioenbedragen die weliswaar in 2012 zijn ontvangen, maar betrekking hebben op de daaraan voorafgaande periode van december 2006 tot en met december 2011, toen belanghebbende niet in Nederland woonde, wordt verworpen.

4.6.

Belanghebbende is in het onderhavige jaar, als inwoner van Nederland, verzekerd voor de volksverzekeringen en verzekeringsplichtig voor de Zorgverzekeringswet. Gezien artikel 8, lid 1, van de Wet financiering sociale verzekeringen en artikel 43, lid 1, aanhef en letter a, van de Zorgverzekeringswet (tekst 2012) maken die uitkeringen voorts deel uit van het premie-inkomen voor de heffing van volksverzekeringen onderscheidenlijk het bijdrage-inkomen voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. De stelling van belanghebbende dat ten onrechte tot het premie-inkomen en het bijdrage-inkomen wordt gerekend dat deel van de pensioeninkomsten dat in 2012 is ontvangen en dat ziet op de periode van december 2006 tot en met december 2011 wordt daarom ook verworpen.

4.7.

Het voorgaande is, voor zover het de heffing van inkomstenbelasting betreft, slechts anders voor zover enige verdragsbepaling, in het bijzonder een bepaling uit het belastingverdrag tussen Nederland en Canada (Overeenkomst van 27 mei 1986 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Trb. 1986, 65, zoals laatstelijk gewijzigd bij Protocol Trb. 1997, 258; hierna: het Verdrag), heffing door Nederland over de pensioeninkomsten verbiedt.

4.8.

Ingevolge artikel 18, lid 1, van het Verdrag mogen uit Canada afkomstige pensioenuitkeringen die worden betaald aan een inwoner van Nederland in Nederland worden belast. Ingevolge lid 2 van datzelfde artikel mogen dergelijke pensioenuitkeringen ook in Canada worden belast tegen ten hoogste 15 percent van het brutobedrag van die uitkeringen dat volgens Canadese wetgeving belastbaar is. Pensioenuitkeringen ingevolge de ‘Old Age Security Act’, afkomstig uit Canada en betaald aan een inwoner van Nederland mogen in Canada worden belast (artikel 18, lid 3, van het Verdrag). Ingevolge artikel 22, lid 1, van het Verdrag is Nederland bevoegd om al deze pensioenuitkeringen in de heffingsgrondslag te begrijpen, zij het dat Nederland een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting verleent overeenkomstig de regels van artikel 22, lid 2 (voor uitkeringen ingevolge de ‘Old Age Security Act’), respectievelijk lid 3 (voor overige pensioenuitkeringen), van het Verdrag.

4.9.

Belanghebbende is in het jaar 2012 verdragsinwoner van Nederland. Gelet daarop en de in 4.8 genoemde bepalingen verzet het Verdrag zich niet tegen heffing over de onderhavige pensioenuitkeringen. Dat in die uitkeringen een nabetaling is begrepen van bedragen die normaliter zouden zijn betaald in jaren waarin belanghebbende niet in Nederland woonachtig was, maakt dat niet anders. Aangezien het totaalbedrag van de onder 2.3 genoemde uitkeringen krachtens Nederlandse wetgeving tot het belastbare inkomen in het onderhavige jaar behoort, op de grond dat dat totaalbedrag in het onderhavige jaar door belanghebbende is ontvangen, is er geen grond om dat bedrag niet ook in het onderhavige jaar als pensioenuitkering afkomstig uit Canada aan te merken in de zin van artikel 18 van het Verdrag, gezien artikel 3, lid 2, van het Verdrag. In laatstgenoemd artikellid is vermeld dat voor de toepassing van het Verdrag door een van de verdragstaten elke niet in het Verdrag omschreven uitdrukking de betekenis heeft welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van de staat met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, tenzij de context anders vereist. De bedragen van de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting waarop belanghebbende ingevolge de leden 2 en 3 van artikel 22 van het Verdrag recht heeft, zijn voorts juist berekend.

4.10.

Gezien het voorgaande zijn de aanslagen, alsmede de desbetreffende beschikkingen inzake belastingrente, overeenkomstig de juiste toepassing van de relevante wettelijke en verdragsrechtelijke regels vastgesteld.

4.11.

Wat rest is of de aanslagen desalniettemin moeten worden verminderd wegens belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende heeft zich in dit verband beroepen op – naar het Hof verstaat – vertrouwen dat is gewekt door een ambtenaar van de Belastingdienst, [A] , die belanghebbende zou hebben bijgestaan bij het doen van aangifte voor het onderhavige jaar. Voorts beroept belanghebbende zich op uitlatingen van een andere ambtenaar van de Belastingdienst, [B] , gedaan in het kader van de behandeling van belanghebbendes bezwaar tegen de aanslagen. Ter zitting van het Hof is [A] als getuige gehoord en is [B] , die de Inspecteur tot bijstand vergezelde, bevraagd over de door belanghebbende bedoelde uitlatingen. Tijdens het getuigenverhoor van [A] is duidelijk geworden dat [A] geen herinnering heeft aan enige bijstand aan belanghebbende als hiervóór bedoeld. Gelet daarop is niet aannemelijk dat [A] enige handeling heeft verricht of uitlating heeft gedaan waaraan belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen zou kunnen ontlenen dat de onderhavige pensioenuitkeringen, ten dele, niet belastbaar zijn in 2012. Wat betreft de uitlatingen van [B] geldt dat, zelfs indien zou worden verondersteld dat die zijn gedaan zoals door belanghebbende gesteld, aan die uitlatingen evenmin het in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend dat de aanslagen met enig bedrag zouden moeten worden verminderd. De algemene uitlating van [B] , inhoudende dat een buiten Nederland woonachtige persoon niet verzekerd en premieplichtig is, dan wel de uitlating van [B] dat in het kader van de bezwaarbehandeling nader onderzoek zou worden gedaan, kan bij belanghebbende, bijgestaan door zijn gemachtigde, in redelijkheid niet de indruk hebben gewekt dat de aanslagen zouden worden verminderd. Dat [B] zou hebben toegezegd de aanslagen te verminderen met pensioenuitkeringen die zien op de periode waarin belanghebbende, als buiten Nederland woonachtig, niet in Nederland premieplichtig was, is niet aannemelijk geworden.

Slotsom

4.12.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

Er zijn geen termen aanwezig om de Inspecteur te gelasten tot gehele of gedeeltelijke vergoeding aan belanghebbende van het door hem betaalde griffierecht.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 19 april 2018 door P.C. van der Vegt, voorzitter, P. Fortuin en A.J. Kromhout, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.