Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1684

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
28-06-2018
Zaaknummer
17/00175
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:688, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende claimt giftenaftrek. De Inspecteur legt een navorderingsaanslag op. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur kwade trouw niet aannemelijk heeft gemaakt. Voorts is het Hof van oordeel dat er geen sprake is van een kenbare fout. Het Hof vernietigt de navorderingsaanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1394
Viditax (FutD), 03-07-2018
FutD 2018-1861
V-N 2018/40.25.21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00175

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 9 februari 2017, nummer BRE 16/829, in het geding tussen

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende de hierna te vermelden navorderingsaanslag en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met aanslagnummer [aanslagnummer] H.47.01 over het jaar 2014 een navorderingsaanslag (hierna: de navorderingsaanslag) in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.872, alsmede bij gelijktijdig gegeven beschikkingen een vergrijpboete van € 146 en belastingrente van € 3. De navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking inzake belastingrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslag alsmede de daarop betrekkingen hebbende boetebeschikking en de beschikking inzake belastingrente vernietigd en gelast dat de inspecteur het griffierecht vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 6 maart 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede namens de Inspecteur, [A] en [B] .

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV over de jaren 2009 tot en met 2011 telkens een aftrek van een gift aan de Stichting Voedselbank [plaats] opgenomen ter grootte van de voor die jaren geldende vrijwilligersvergoeding. De Inspecteur heeft deze aftrek over het jaar 2009 toegestaan op grond van een toezegging van de staatssecretaris van Financiën. Over de jaren 2010 en 2011 is de aftrek gecorrigeerd. De Inspecteur heeft bij brief van 6 februari 2012 aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat een aftrek als gift van de bedoelde vrijwilligersvergoeding over de jaren 2010 en verder niet meer aan de orde kan zijn en heeft belanghebbende verzocht met dit standpunt rekening te houden bij het indienen van zijn aangiften.

2.2.

Belanghebbende heeft in 2014 als vrijwilliger werkzaamheden verricht voor de Stichting Voedselbank [plaats] , Stichting het Limburgs Landschap en [E] . De Stichting Voedselbank [plaats] en de Stichting het Limburgs Landschap zijn door de Belastingdienst aangewezen als Algemeen Nut Beogende Instelling (hierna: ANBI). [E] is niet als ANBI aangewezen.

2.3.

Belanghebbende heeft over het jaar 2014 aangifte IB/PVV (hierna: de aangifte) gedaan en, voor zover te dezen van belang, daarin een bedrag van € 1.000 in aftrek op het belastbaar inkomen uit werk en woning gebracht als gift aan de Stichting Voedselbank [plaats] . De Inspecteur heeft naar aanleiding van die aftrek schriftelijk vragen aan belanghebbende gesteld. Zonder de beantwoording van die vragen af te wachten, is met dagtekening 12 juni 2015 de aanslag IB/PVV 2014 overeenkomstig de aangifte opgelegd.

2.4.

Bij brief van 14 juli 2015 heeft belanghebbende gereageerd op de vragenbrief van de Inspecteur betreffende de aangifte. Bij brieven van 16, 17 en 21 juli 2015 heeft de Inspecteur aan belanghebbende gemeld dat de giftenaftrek in de aangifte niet kan worden geaccepteerd en dat hij voornemens is een navorderingsaanslag op te leggen met een vergrijpboete. De Inspecteur heeft met dagtekening 4 september 2015 de navorderingsaanslag met een vergrijpboete van 50% opgelegd, stellende dat er sprake is van (voorwaardelijk) opzet omdat het aan belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.

2.5.

Met dagtekening 16 september 2015 heeft de Inspecteur van belanghebbende een herziene aangifte IB/PVV 2014 ontvangen. Op dezelfde dag heeft belanghebbende bezwaar aangetekend tegen de navorderingsaanslag en hierin heeft belanghebbende naar de bedoelde herziene aangifte verwezen. In de herziene aangifte heeft belanghebbende naast de eerdergenoemde gift van € 1.000 aanvullend giftenaftrek geclaimd in verband met niet-vergoede reiskosten in verband met belanghebbendes vrijwilligerswerk. Met dagtekening 29 december 2015 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslag en daarmee de beschikking inzake belastingrente, alsmede de boetebeschikking terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld.

De Inspecteur is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Belanghebbende is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrond verklaring van het beroep. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) luidt - voor zover van belang - als volgt:

‘1. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

2. Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat:

a. (…);

b. (…);

c. ten gevolge van een fout een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt.

3. De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. (…)‘.

4.2.

Het geschil tussen partijen beperkt zich tot de vraag of de navorderingsaanslag wordt gerechtvaardigd doordat belanghebbende te kwader trouw heeft gehandeld dan wel doordat er sprake is van een fout als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, van artikel 16 van de AWR (hierna: kenbare fout). Tussen partijen is niet in geschil dat de navorderingsaanslag is opgelegd binnen de in het derde lid, van artikel 16 van de AWR genoemde termijn. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de te weinig geheven belasting minder bedraagt dan 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting, een en ander als bedoeld in artikel 16, lid 2, onderdeel c, van de AWR.

4.3.

De Inspecteur stelt primair dat er sprake is van kwade trouw aan de kant van belanghebbende, omdat belanghebbende - gelet op de gesprekken in het verleden die zijn uitgemond in de brief van 6 februari 2012 van de Inspecteur (onderdeel 2.1) - op de hoogte was van de regelgeving omtrent aftrek van giften en hij op de hoogte was van het feit dat de Stichting Voedselbank [plaats] op haar website meldde dat voor activiteiten die ten gunste van de stichting werden verricht geen vergoeding werd verstrekt. Subsidiair stelt de Inspecteur dat er sprake is van een kenbare fout, gelet op de vragenbrief van de Inspecteur (onderdeel 2.3) en de brief van 6 februari 2012 van de Inspecteur.

Het Hof overweegt ter zake als volgt.

4.4.

Van kwade trouw is sprake als de belastingplichtige de inspecteur opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt dan wel de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden (vgl. HR 11 juni 1997, nr. 32.299, ECLI:NL:HR:1997:AA2160, BNB 1997/384). Voor vaststelling van kwade trouw is vereist dat de belastingplichtige er zich bewust van is geweest dat, als zijn aangifte zou worden gevolgd, dit tot gevolg zou hebben dat de belastingschuld op een te laag bedrag zou worden vastgesteld (vgl. onder meer HR 13 augustus 2010, nr. 08/03431, ECLI:NL:HR:2010:BN3830, BNB 2010/296). Van kwade trouw is tevens sprake indien de belastingplichtige zich willens en wetens blootstelt aan de aanmerkelijke kans een onjuiste aangifte te doen (HR 14 juni 2000, nr. 35 263, ECLI:NL:HR:2000:AA6204, BNB 2000/299). Belanghebbende heeft gesteld dat hij de in onderdeel 2.3 bedoelde aftrek heeft geclaimd omdat hij van collega-vrijwilligers had vernomen dat deze over jaren gelegen in de periode 2009 tot en met 2014 een dergelijke aftrek hadden genoten. Belanghebbende had daardoor naar eigen zeggen het idee gekregen dat de Belastingdienst [plaats] wellicht de regels niet goed had geïnterpreteerd dan wel had toegepast, hetgeen hem ertoe heeft gebracht de aftrek in de aangifte op te voeren. De Inspecteur heeft daartegenover slechts aangevoerd dat onbekend is wie die collega-vrijwilligers waren. Dat belanghebbende die namen niet heeft prijsgegeven, laat onverlet dat belanghebbende kennelijk meende dat hij, net als de bedoelde collega-vrijwilligers, aanspraak kon maken op de door hem gewenste giftenaftrek.

Gelet hierop heeft de Inspecteur, op wie de bewijslast rust ter zake van feiten en omstandigheden waaruit de kwade trouw van belanghebbende volgt, die feiten en omstandigheden niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende meende kennelijk dat hij recht had op giftenaftrek omdat die aftrek aan collega-vrijwilligers werd toegestaan, althans de desbetreffende aangiften bij andere eenheden van de Belastingdienst niet werden gecorrigeerd. Daarvan uitgaande, valt niet in te zien dat belanghebbende zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat hij onjuist aangifte deed; hij deed zijn aangifte immers met de gedachte van een beroep op gelijke behandeling. Zoals de Rechtbank reeds heeft geoordeeld kan dat standpunt niet, althans niet zonder meer, als onpleitbaar worden beschouwd.

4.5.

Gelet op hetgeen zojuist is overwogen, kon belanghebbende redelijkerwijs menen dat hij recht had op de door hem gewenste giftenaftrek.

4.6.

Onder de term ‘fout’ als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, van artikel 16 van de AWR vallen in elk geval fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 129, nr. 3, p. 24-25). In vergelijkbare zin r.o. 2.3.6 in het arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2014, nr. 14/00350, ECLI:NL:HR:2014:1528, BNB 2014/203:

‘2.3.6. Dat de behandelende ambtenaren in het onderhavige geval hebben nagelaten de geautomatiseerde afdoening van de aangiften te blokkeren nadat de onjuistheid van deze aangiften bij een boekenonderzoek aan het licht was gekomen, kan niet worden aangemerkt als een verzuim dat voortvloeit uit een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van) de belastingplicht. Dit nalaten is aan te merken als een fout in de ruime en neutrale zin die aan dat begrip toekomt in artikel 16, lid 2, letter c, AWR.‘.

De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de definitieve aanslag IB/PVV 2014 op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Hiermee staat naar ’s Hofs oordeel vast dat in onderhavige situatie sprake is van een fout als bedoeld in artikel 16, lid 2, onderdeel c, van de AWR. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of deze fout voor belanghebbende kenbaar is geweest.

4.7.

Kenbaar moet hier worden opgevat in de gebruikelijke zin van ‘te kennen’, ‘te onderkennen’, ‘te onderscheiden’. Belanghebbende moet als het ware in één oogopslag (hebben) kunnen zien dat de belastingaanslag niet juist is. Van kenbare onjuistheid is geen sprake in gevallen waarin belanghebbende in redelijkheid kon menen dat de aanslag, hoewel tot een te laag bedrag, niettemin op goede gronden is vastgesteld (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 129, nr. 3, p. 24-25). Belanghebbende was - gelet op hetgeen hij heeft gesteld en ter zitting heeft verklaard - van mening dat hij, net als zijn collega-vrijwilligers bij de Voedselbank , recht had op aftrek van de gift aan de Stichting Voedselbank [plaats] en hij had het idee dat de Belastingdienst [plaats] in het verleden de regels niet goed had geïnterpreteerd dan wel had toegepast. Nu de definitieve aanslag IB/PVV 2014 is vastgesteld conform de aangifte, acht het Hof het aannemelijk dat belanghebbende in redelijkheid heeft kunnen menen dat de definitieve aanslag IB/PVV 2014 op goede gronden is vastgesteld. Belanghebbende heeft naar ’s Hofs oordeel ook niet in één oogopslag kunnen zien dat deze aanslag niet juist was. De Inspecteur heeft met hetgeen hij heeft gesteld het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

4.8.

Nu uit het vorenstaande blijkt dat er geen sprake is geweest van kwade trouw noch van een kenbare fout in de zin van artikel 16, lid 2, onderdeel c, van de AWR, is de navorderingsaanslag ten onrechte opgelegd en zijn de boetebeschikking en de beschikking belastingrente ten onrechte afgegeven.

4.9.

Voor zover belanghebbende in hoger beroep heeft betoogd dat hij – naast de in onderdeel 2.3 bedoelde gift – recht heeft op de aanvullende giftenaftrek als bedoeld in onderdeel 2.5 in verband met reiskosten gerelateerd aan belanghebbendes vrijwilligerswerk, merkt het Hof op dat deze aanvullende giftenaftrek geen onderdeel uitmaakt van onderhavig geschil betreffende de navorderingsaanslag.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 501.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Hoewel het door Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbende heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt, en het Hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat hij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank; en

  • -

    bepaalt dat van de Staat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep door tussenkomst van de griffier een griffierecht wordt geheven van

    € 501.

Aldus gedaan op 19 april 2018 door P.C. van der Vegt, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van A. Muller, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gavenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.