Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1676

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
13-06-2018
Zaaknummer
200.233.861_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 350 lid 3 aanhef en sub b Fw: appellante heeft niet aangetoond in staat te zijn haar betalingen te hervatten.

Artikel 350 lid 3 aanhef en sub g Fw: appellante heeft geen kenbare grief opgeworpen tegen het oordeel van de rechtbank dat zij aannemelijk heeft gemaakt niet in staat te zijn aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te voldoen als bedoeld in artikel 350 aanhef lid 3 sub g Fw.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 19 april 2018

Zaaknummer : 200.233.861/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/16/629 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

[appellante] ,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. C.C.W. Plaat te Ede.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg (rechtbank Roermond) van 6 februari 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 februari 2018, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellante] te beëindigen zonder faillissement.

2.2.

Bij aanvullend beroepschrift, ingekomen ter griffie op 10 april 2018, heeft [appellante] nogmaals verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellante] te beëindigen zonder faillissement.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 april 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante] , bijgestaan door mr. Plaat;

- mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 31 januari 2018;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 5 maart 2018;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d.10 april 2018;

- de ter zitting door de advocaat van [appellante] overgelegd overzicht van schuldeisers, aan hen verstuurde (model)brieven en ontvangen reacties.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 12 september 2016 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub g Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 18 december 2017 tussentijds beëindigd, nu [appellante] aannemelijk heeft gemaakt niet in staat te zijn aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te voldoen.

Aangezien er baten zijn voor uitdeling verkeert [appellante] van rechtswege in staat van faillissement zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

3.3.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

“2.1. De schuldenaar heeft in haar verzoek verder toegelicht dat het contact met de bewindvoerder moeizaam verloopt en dat ze onenigheid heeft met haar. In de schuldsaneringsregeling wordt er een druk op haar gelegd om de verplichtingen na te komen. Zo ervaart de schuldenaar druk van de sollicitaties die zij moet verrichten. Daarnaast is zij van mening dat de schuldeisers beter gebaat zijn bij een regeling buiten de wettelijke schuldsaneringsregeling. De schuldenaar wenst zelf haar schulden te gaan regelen. Ter zitting heeft de schuldenaar verklaard bij machte te zijn haar schuldeisers zelf te betalen. Zij blijft bij haar verzoek tot beëindiging van haar schuldsaneringsregeling. De partner van de schuldenaar stelt ter zitting dat in dit geval sprake is van een beëindiging op grond van artikel 350 lid 3 sub b Fw.

2.2.

De rechtbank heeft de schuldenaar ter zitting voorgehouden dat zij de eerste tien jaar niet meer voor de wettelijke schuldsaneringsregeling in aanmerking kan komen. Desondanks wenst de schuldenaar toch een tussentijdse beëindiging van haar schuldsaneringsregeling. De bewindvoerder steunt het verzoek van de schuldenaar.

2.3.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de schuldenaar aannemelijk heeft gemaakt niet in staat te zijn aan de uit de schuldsaneringsregeling

voortvloeiende verplichtingen te voldoen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat van een beëindiging op grond van artikel 350 lid 3 sub b Fw geen sprake is nu de schuldenaar op geen enkele wijze heeft aangetoond in staat te zijn haar betalingen te hervatten. De enkele stelling dat zij een goede baan heeft, is daartoe onvoldoende.”

3.4.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift (en aanvullend beroepschrift) - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

[appellante] heeft duidelijk aangegeven dat het contact met de bewindvoerder moeizaam verloopt hetgeen tot onenigheid tussen beiden heeft geleid. Nu hiervan sprake is geeft [appellante] er de voorkeur aan om dan maar zelf met de schuldeisers een regeling tot sanering van haar schulden overeen te komen. [appellante] merkt naar aanleiding hiervan op dat zij op zichzelf genomen wel in staat is om aan de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te voldoen maar dat haar dit door de bewindvoerder wordt bemoeilijkt.

3.4.1.

[appellante] meent naar aanleiding van het vorenstaande alsmede naar aanleiding van de mondelinge behandeling in eerste aanleg dat de rechtbank onvoldoende oog heeft gehad voor de door [appellante] weergegeven standpunten als vermeld in haar brieven van 25 november 2017 en 29 december 2017 (productie 2 bij het beroepschrift). Op grond van de inhoud daarvan kan zij zich niet verenigen met het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de regeling op grond van artikel 350 lid 3 sub g Faillissementswet. [appellante] heeft zowel in haar brieven als ter mondelinge behandeling in eerste aanleg aangegeven haar wettelijke schuldsaneringsregeling te beëindigen omdat zij zelf met haar schuldeisers tot een regeling zal kunnen komen. Ter zitting in eerste aanleg heeft [appellante] verklaard hiertoe in staat te zijn. Dit betekent dat zij haar schuldeisers zelf zal gaan betalen. Daarmee heeft [appellante] bedoeld dat zij de rechtbank om die reden verzoekt om de regeling te beëindigen op grond van art. 350 lid 3 sub b Faillissementswet.

[appellante] meent, mede naar aanleiding van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, dat zij in haar verzoek niet werkelijk door de rechtbank is gehoord maar dat de rechtbank enkel heeft geoordeeld naar aanleiding van het verzoek van de bewindvoerder.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

[appellante] is nog in afwachting van een aantal reacties van schuldeisers die nog niet hebben gereageerd. Deze zijn voor de tweede maal aangeschreven. Verwezen wordt naar het ter zitting in hoger overgelegde overzicht van de schuldeisers. Van 10 schuldeisers zijn inmiddels de vorderingen voldaan, drie schuldeisers zijn akkoord gegaan met het voorstel en 13 schuldeisers hebben nog niet gereageerd.

Nadat het beschermingsbewind was opgeheven heeft [appellante] een bedrag van ongeveer

€ 3.500,-- terugontvangen van de beheerrekening van de voormalige beschermingsbewindvoerder. Met dit bedrag zijn diverse schuldeisers betaald. Van het bedrag van € 3.500,-- is nog € 800,-- over. [appellante] beschikt over een netto-inkomen van ongeveer € 1.400,-- per maand, inclusief toeslagen.

Aan Nationale Nederlanden is voorgesteld dat een bedrag van € 240,-- per maand zal worden afgelost. Door de behandelend deurwaarder is namens Nationale Nederlanden nog niet gereageerd. Indien Nationale Nederlanden een hoger maandelijks aflossingsbedrag wenst te ontvangen dan het voorgestelde bedrag, dan zijn de ouders van [appellante] bereid daaraan mee te betalen. Ook de partner van [appellante] is bereid schenkingen te doen. In de tussenliggende periode is Nationale Nederlanden opnieuw aangeschreven.

3.6.

De bewindvoerder heeft in haar brief - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

[appellante] toont niet aan dat ze aan haar verplichtingen kan voldoen. [appellante] voldoet sinds april 2017 niet aan haar sollicitatieplicht, ze voldoet niet aan de informatieplicht en er is sprake van benadeling van de boedel.

In de eerste vier maanden van 2017 had [appellante] een inkomen ver beneden bijstandsniveau. Haar Participatiewetuitkering werd beëindigd per 1 december 2016 omdat er sprake is van samenwoning.

[appellante] liet weten dat ze bezwaar zou maken maar heeft geen nieuwe uitkering aangevraagd en tegen de beëindiging geen verdere actie ondernomen. Er wordt niet voldaan aan de inspanningsplicht en er is sprake van benadeling van de boedel door niet te zorgen voor voldoende inkomen. De meeste informatie werd van de beschermingsbewindvoerder verkregen. Er is niet tijdig doorgegeven dat de uitkering werd beëindigd, er was korte tijd onduidelijkheid over de woonsituatie.

Er is onvoldoende gehoor gegeven aan de informatieplicht. De laatste inkomensgegevens die zijn overlegd zijn van oktober 2017. Op verzoek van [appellante] en op verzoek van de beschermingsbewindvoerder is het beschermingsbewind per 1 maart 2018 opgeheven.

Dat de communicatie met zowel de beschermingsbewindvoerder als de bewindvoerder moeizaam verloopt, is volgens de bewindvoerder geen argument om niet aan de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te voldoen. Onduidelijk is op welke manier het nakomen van de verplichtingen volgens [appellante] door de bewindvoerder wordt bemoeilijkt.

3.6.1.

[appellante] heeft een inkomen beneden de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Er is tijdens de schuldsaneringsregeling in slechts één maand sprake geweest van aflossingscapaciteit omdat het inkomen boven het vrij te laten bedrag lag. Er is geen aantoonbare ruimte in het inkomen om met de schuldeisers tot een betalingsovereenkomst te komen, er is nauwelijks tot geen aflossingscapaciteit. Er zijn geen stukken of bewijzen overgelegd waaruit blijkt dat [appellante] in staat is of zal zijn haar schuldeisers te betalen. Ook is er niet aangetoond dat een regeling is getroffen met schuldeisers of een voorstel is gedaan. Er kan derhalve geen sprake zijn van een beëindiging op grond van 350 lid 3 sub b Fw, aldus de bewindvoerder.

3.7.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

Door de bewindvoerder wordt betwist dat [appellante] over een netto inkomen zou beschikken van € 1.400,- per maand.

Indien er geen overeenstemming is bereikt met alle schuldeisers en/of er geen sprake is van termijnbetalingen of iets dergelijks, dan kan de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet worden beëindigd op grond van het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub b Fw.

Aangezien [appellante] geen woonlasten heeft zou er fors kunnen worden gespaard voor de schuldeisers. De ter zitting door [appellante] overgelegde schuldenlijst is niet de meest recente. Er zijn in totaal 31 schuldeisers. De erkende schuldeisers die nog niet akkoord zijn gegaan met het voorstel van [appellante] vertegenwoordigen een schuld van in totaal € 34.000,--, aldus de bewindvoerder.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub b Fw, te beoordelen of [appellante] in staat is haar betalingen te hervatten.

Het hof neemt hierbij in overweging hetgeen blijkt uit Wessels Insolventierecht, Schuldsanering natuurlijke personen 2012, Kluwer onder 9370:

“Wanneer de schuldenaar in staat is zijn betalingen te hervatten bestaat er geen aanleiding de toepassing van de schuldsaneringsregeling langer te doen voortduren, zie MvT, Kamerstukken II 1992/93, nr. 3, p. 64.

Van Bommel/ Dethmers (2015), p. 182, menen dat de rechter moet toetsen of betalingsverplichtingen redelijkerwijs kunnen worden opgebracht en of de termijn waarbinnen de schuldenaar de schulden kan aflossen in een redelijke verhouding staat tot de termijn van de schuldsanering. Dit laatste element in deze toets dient huns inziens – ter bescherming van de schuldenaar – strak te worden toegepast als de schuldenaar een grotere afloscapaciteit heeft weten te generen. Ook wordt door hen verdedigd dat het tot de verantwoordelijkheid van de bewindvoerder behoort om het boedelactief over de geverifieerde schuldeisers uit te delen.”

3.8.2.

Gelet op de inhoud van de processtukken en op hetgeen door en namens [appellante] en de bewindvoerder over en weer naar voren is gebracht is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat [appellante] ook in hoger beroep op geen enkele wijze heeft aangetoond in staat te zijn haar betalingen te hervatten zoals in artikel 350 lid 3 aanhef en sub b Fw bedoeld.

Het hof verwijst in dat verband in de eerste plaats naar het ter zitting in hoger beroep door [appellante] overgelegde schuldenoverzicht, waarvan de bewindvoerder ter zitting onweersproken heeft gesteld dat [appellante] tot op heden met 14 schuldeisers, die gezamenlijk een totale schuld vertegenwoordigen van € 34.000,--, geen enkele betalingsregeling heeft getroffen, althans dat meerdere schuldeisers niet op het voorstel van [appellante] hebben gereageerd. Het hof stelt in dit verband aan de hand van de overgelegde stukken vast dat [appellante] aan haar schuldeisers verschillende voorstellen heeft gedaan, namelijk meteen integrale betaling bij schuldeisers onder de € 1.000,= enerzijds en afbetaling in maandtermijnen aan schuldeisers boven de
€ 1.000,= anderzijds. [appellante] heeft in haar brieven aan de laatste groep schuldeisers echter van dit verschil in behandeling geen melding gemaakt.

[appellante] zou over een netto-inkomen zou beschikken van € 1400,-- per maand. Dat inkomen is overigens ter zitting in hoger beroep door de bewindvoerder bij gebreke aan enig bewijs betwist. , Voorts is niet gebleken van enig bewijs dat [appellante] in staat zou zijn zodanige betalingsvoorstellen aan haar schuldeisers te doen en zodanige betalingsregelingen met al haar schuldeisers te treffen dat zij binnen een redelijke termijn haar schulden integraal zou kunnen inlossen. Integendeel, zoals ter zitting in hoger beroep is gebleken, heeft [appellante] thans voorgesteld op haar (grootste) schuld aan Nationale Nederlanden € 240,-- per maand in te lossen. Dat houdt in dat zij ongeveer gedurende 93 maanden op deze schuld dient af te lossen voordat deze in zijn geheel zal zijn voldaan. Daargelaten de weer verschuldigde rente, nu artikel 303 lid 1 Fw na beëindiging van de schuldsanering niet meer geldt -
Los daarvan geldt als voornaamste punt dat van enige regeling met de grootste schuldeisers (waaronder Nationale Nederlanden) in het geheel niet is gebleken (zie hiervoor). Evenmin is aannemelijk gemaakt dat enige regeling daadwerkelijk zal kunnen worden afgesproken.
Uiteraard zal het [appellante] vrijstaan na afwikkeling van het faillissement alsnog voor het niet voldane restant met haar schuldeisers afspraken te maken.

Het hof merkt tot slot nog op dat [appellante] van het geld dat zij van de beschermingsbewindvoerder terug heeft ontvangen van de beheerrekening een aantal (kleinere) schulden heeft betaald. Nu zij deze betalingen heeft verricht gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling, dienen deze betalingen in feite thans nog, gezien artikel 306 Fw, als nietig te worden aangemerkt.

3.9.

Voor het overige heeft [appellante] geen kenbare grief opgeworpen tegen het oordeel van de rechtbank dat zij aannemelijk heeft gemaakt niet in staat te zijn aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te voldoen als bedoeld in artikel 350 aanhef lid 3 sub g Fw. [appellante] heeft er, ook desgevraagd, overigens geen blijk van gegeven alsnog in de schuldsaneringsregeling te willen ‘blijven’ onder onverkorte naleving van alle daaraan verbonden verplichtingen. Het vonnis waarvan beroep zal derhalve worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, A.P. Zweers-van Vollenhoven en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2018.