Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:1664

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
200.229.972_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag.

Bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep.

Mede gelet op de kindeigenproblematiek van de minderjarige, de gebeurtenissen in het verleden en de nog door te maken groei van de vader op het persoonlijke vlak, sluit het hof zich aan bij hetgeen door de raad ter zitting van het hof is gesteld en is het hof van oordeel dat de wens van de vader om met het gezag over de minderjarige belast te blijven niet realistisch is. Het is voor de minderjarige, na ruim zes jaar uit huis te zijn geplaatst, van belang om duidelijkheid te krijgen over zijn perspectief. Het hof is derhalve van oordeel dat de voor de persoon en ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn om hierover in onduidelijkheid te kunnen verkeren ruimschoots is verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 19 april 2018

Zaaknummer : 200.229.972/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/318753/ FA RK 17-1260

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende op een geheim adres, woonplaats kiezende te [gekozen woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.E.M. Jacquemard,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Noord- en Zuidoost-Brabant, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de moeder] , wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de moeder), bijgestaan door haar advocaat: mr. A. Kurt;

- Stichting Jeugdbescherming Brabant (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling, de GI);

- [de pleegvader] en [de pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegouders).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 26 september 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 december 2017, heeft de vader het hof verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad, om zijn gezag over de hierna te noemen minderjarige [de minderjarige] te beëindigen, af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 februari 2018, heeft de raad het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 maart 2018.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Jacquemard;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de advocaat van de moeder, mr. A. Kurt.

2.3.1.

De moeder en de pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 11 januari 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , Thailand, is tijdens - het huwelijk van de vader en de moeder - geboren [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ).

De vader is niet de biologische vader van [de minderjarige] .

Het huwelijk van de vader en de moeder is inmiddels door echtscheiding ontbonden.

Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder en de vader.

3.2.

[de minderjarige] staat sinds 17 januari 2012 onder toezicht van de voorganger van de GI, te weten Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot

1 januari 2018.

[de minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 17 januari 2012 uit huis geplaatst in een accommodatie jeugdhulpaanbieder en hij woont sinds 20 juli 2015 samen met zijn (half)broer [halfbroer] in een gezinshuis. Deze machtiging is laatstelijk verlengd tot 1 januari 2018.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de vader en de moeder beëindigd.

3.4.

De vader kan zich - wat betreft zijn ouderlijk gezag over [de minderjarige] - met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vader voert in het beroepschrift - kort samengevat - aan dat door de rechtbank ten onrechte is overwogen dat hij niet binnen een aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] kan dragen. Er is door de GI immers nimmer serieus onderzoek gedaan naar de mogelijkheid dat de vader de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich zou kunnen nemen. Dit terwijl de vader reeds vanaf 2011 om ondersteuning heeft gevraagd bij de opvoeding en daarnaast, nadat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is uitgesproken en hij na de afgifte van de machtiging tot uithuisplaatsing meerdere verzoeken heeft gedaan aan de GI tot de uitbreiding van de omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] .

3.6.

De raad betwist in het verweerschrift - kort samengevat - gemotiveerd de grieven van de vader.

3.7.

De GI heeft ter zitting van het hof, kort samengevat, aangevoerd dat de vader hoewel het voor hem lastig is om te accepteren hij in het leven van [de minderjarige] altijd een beperkte rol heeft gehad.

3.8.

Namens de moeder is ter zitting aangevoerd dat zij, in het belang van de kinderen, berust in de huidige situatie.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.9.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de vader niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.

Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

3.9.3.

[de minderjarige] is in 2009 geboren in Thailand waar hij bij zijn moeder en biologische vader verbleef. In 2011 kwam de moeder met [de minderjarige] en zijn halfbroer [halfbroer] terug in Nederland waarna zij de relatie met de vader voortzette. In de thuissituatie is [de minderjarige] herhaaldelijk geconfronteerd met fysiek en verbaal geweld tussen de ouders en heeft de vader destijds meermalen geweld tegen hem gebruikt. Dit alles leidde er toe dat [de minderjarige] in 2012, op tweejarige leeftijd, uit huis is geplaatst. Sinds 2015 woont hij samen met [halfbroer] in een gezinshuis te [woonplaats] .

3.9.4.

Uit de door de raad overgelegde rapportage van 6 maart 2017 is niet gebleken dat de ouders in de afgelopen jaren, maar ook thans niet, in staat zijn om zelf de zorg en opvoeding van [de minderjarige] weer op zich te nemen. [de minderjarige] heeft opvoeders nodig die duidelijk, voorspelbaar en voldoende beschikbaar zijn voor hem. Door de stabiliteit die het gezinshuis biedt, ervaart hij rust en komt hij toe aan zijn (sociaal-emotionele) ontwikkeling, de hechting en het vertrouwen in opvoeders.

3.9.5.

Welke omstandigheden er ook aan ten grondslag hebben gelegen, gebleken is dat de vader en [de minderjarige] feitelijk slechts gedurende een beperkte periode in gezinsverband hebben gewoond, waarbij er bovendien tevens sprake was van huiselijk geweld.

Sinds [de minderjarige] uit huis is geplaatst hebben de vader en hij begeleide omgang met elkaar gedurende 1 uur per maand. Dit maakt dat de vader onvoldoende inzicht heeft in wat [de minderjarige] , gezien zijn leeftijd en kindeigenproblematiek, nodig heeft en hij hier onvoldoende op kan afstemmen. Dat de begeleide omgangsmomenten van één uur per maand op zich goed verlopen, hetgeen positief is, heeft blijkens het raadsrapport te maken heeft met de activiteiten die worden ingezet waarbij het echter onduidelijk is of het contact met de vader hierop van invloed is. Uit het raadsrapport blijkt voorts dat de vader op het persoonlijke vlak begeleiding krijgt om zijn eigen leven op orde te krijgen dan wel te houden. Hij ontvangt ondersteuning van uit de Reinier van Arkelgroep, nadat hij in 2009 is gediagnosticeerd met een stoornis in het autistisch spectrum en niet aangeboren hersenletsel.

Uit hetgeen de vader in hoger beroep naar voren heeft gebracht en nader heeft toegelicht ter zitting, begrijpt het hof dat de vader niet kan verkroppen dat [de minderjarige] (en [halfbroer] ) destijds uit huis zijn geplaatst. Hij voelt zich verder niet gehoord door de GI. Het is zijn wens om inspraak te houden over bij voorbeeld de schoolkeuze van [de minderjarige] en de sporten die [de minderjarige] beoefent. Bovendien vreest de vader dat wanneer hij geen gezag heeft, er niet meer zal worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [de minderjarige] bij hem.

Mede gelet op de voorgaande beschreven kindeigenproblematiek van [de minderjarige] , de gebeurtenissen in het verleden en de nog door te maken groei van de vader op het persoonlijke vlak, sluit het hof zich aan bij hetgeen door de raad ter zitting van het hof is gesteld en is het hof van oordeel dat de wens van de vader niet realistisch is.

Het hof is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is om, na ruim zes jaar uit huis te zijn geplaatst, duidelijkheid te krijgen over zijn toekomstperspectief en dat het niet te verwachten is dat de vader binnen een aanvaardbare termijn in staat zal zijn om op een verantwoorde wijze de opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen. De voor de persoon en ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn om hierover in onduidelijkheid te kunnen verkeren is naar het oordeel van het hof derhalve ruimschoots verstreken. Een beëindiging van het gezag van de vader over [de minderjarige] acht het hof in het belang van de minderjarige dan ook noodzakelijk.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

3.11.

Het hof begrijpt uit hetgeen namens de GI ter zitting naar voren is gebracht dat het de intentie van de GI is om de huidige begeleide omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] te handhaven. Daarmee wordt derhalve aan de wens van de vader om het contact met [de minderjarige] is handhaven voldaan. Het hof wijst de vader er ten overvloede op dat de beëindiging van het gezag geen wijziging brengt in de juridische band tussen hem en [de minderjarige] en dit derhalve geen invloed heeft op bijvoorbeeld zijn mogelijkheden om [de minderjarige] op te nemen in zijn testament.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 26 september 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.D.M. Lamers en

J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en is op 19 april 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier